Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1274

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
23-004486-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof oordeelt, na verwijzing door de Hoge Raad, dat niet kan worden vastgesteld dat de woning van de verdachte is betreden en doorzocht met diens toestemming. Daarnaast zijn er voorschriften van de Awbi niet in acht genomen. Het hof volstaat met de constatering van deze verzuimen, gelet op het feit dat de verdachte hiervan in onvoldoende mate nadeel heeft ondervonden. Volgt bewezenverklaring van het bezit van 3 kinderpornografische afbeeldingen en toepassing van 9a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004486-14

Datum uitspraak: 6 april 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 4 november 2014 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 4 mei 2009 in de strafzaak onder parketnummer 18-650818-08 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1945,

adres: [adres].

Procesgang

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij vonnis van 4 mei 2009 van het tenlastegelegde vrijgesproken. Het openbaar ministerie heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Op 24 mei 2011 heeft het gerechtshof Leeuwarden arrest gewezen.

Naar aanleiding van het daartegen ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) op 18 december 2012 het arrest van 24 mei 2011 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Leeuwarden. Op 22 augustus 2013 is arrest gewezen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden. De advocaat-generaal heeft tegen dit laatste arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 4 november 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3109) het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam verwezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek na verwijzing, op de terechtzittingen van dit hof van 30 maart 2015 en 23 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op meer, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 augustus 2005 tot en met 23 januari 2007, in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland,

één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten

twee, althans een harde schij(f)(ven) van twee, althans een computer(s) en/of diverse diskettes met daarop (in totaal) 125, althans een (grote) hoeveelheid, kleuren foto's, althans afbeeldingen, betreffende meisjes in de leeftijd van (ongeveer) 0 tot 14 jaar en/of meisjes onder de 18 jaar en die in een onnatuurlijke pose en/of op erotische wijze en/of in een duidelijk seksueel getinte houding poseren en/of zijn afgebeeld en/of op zodanige wijze poseren en/of zijn afgebeeld, dat hun (ontblote) geslachtsdelen (al dan niet in close-up) nadrukkelijk en/of uitdagend in beeld zijn gebracht (op een wijze kennelijk bedoeld, althans mede bedoeld, om seksuele prikkeling op te wekken) en/of die (een) seksuele gedraging(en) met zichzelf en/of een of meer andere perso(o)n(en) verrichten en/of dulden, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam en/of (andere) ontuchtige handelingen, waaronder

- een foto, althans een afbeelding, van een meisje in de leeftijd van ongeveer 6 jaar,

het meisje ligt op haar buik op een sprei. Haar beentjes zijn gespreid. Tussen de gespreide beentjes is te zien dat een kennelijk volwassen man zijn penis tussen de billen van het meisje heeft geplaatst (beschreven als foto 19 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296) en/of

- een foto, althans een afbeelding, van een meisje in de leeftijd van ongeveer 8 jaar,

op deze foto is te zien dat het meisje met haar rechter handje de stijve penis van een kennelijk volwassen man omvat. Het meisje heeft haar tong op de eikel van de penis geplaatst (beschreven als foto 16 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296) en/of

- een foto, althans een afbeelding, van een meisje in de leeftijd van ongeveer 10 jaar,

het onderlichaam van het meisje is ontbloot. Het meisje ligt op haar rug en heeft haar benen gespreid. Met haar handen trekt het meisje haar schaamlippen uiteen, waardoor de opening van haar vagina goed zichtbaar is (beschreven als foto 17 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296) en/of

- een foto, althans een afbeelding, van twee meisjes in de leeftijd van ongeveer 13 jaar,

de meisjes dragen respectievelijk rode en zwarte panty's en schoenen met naaldhakken. Beide meisjes zitten gehurkt met hun rug tegen een wand en leunen iets achterover. Hun benen zijn gespreid. De vagina en de anus van het meisje rechts op de foto is goed waarneembaar (beschreven als foto 12 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296) en/of

- een foto, althans een afbeelding, van een meisje van ongeveer 15 jaar. Het meisje is geheel naakt en ligt op haar rug. Het meisje wordt vaginaal gepenetreerd door de stijve penis van een kennelijk volwassen man (beschreven als foto 8 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296) en/of

- een foto, althans een afbeelding, van een meisje van ongeveer 14 jaar. Het meisje zit op bed met haar benen gespreid, waardoor haar vagina goed zichtbaar is (beschreven als foto 10 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296)

welke vorenbedoelde afbeelding(en) verdachte (telkens) heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding en de bewijsvraag tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

Het hof stelt voorop dat de rechter ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv, die krachtens artikel 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn, dient te beraadslagen op de grondslag van de tenlastelegging. De tenlastelegging strekt er daarbij toe voor de procesdeelnemers - zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte en eventueel de benadeelde partij - de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Ten aanzien van de tenlastelegging van kort gezegd kinderpornografie heeft de Hoge Raad in het arrest van 24 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1497) het wettelijk kader met betrekking tot de eisen waaraan de tenlastelegging dient te voldoen, uiteengezet.

Uit de eisen die artikel 261 Sv in gevallen als de onderhavige stelt aan de dagvaarding, vloeit voort dat de tenlastelegging met het oog op de duidelijkheid voor in het bijzonder de verdachte en de rechter ten aanzien van elk van die afbeeldingen, hetzij een voldoende concrete beschrijving dient te bevatten, hetzij de vindplaats van die beschrijving in het dossier dient te vermelden.

Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging aan die vereisten voldoet voor wat betreft de afbeeldingen die zijn beschreven onder de zes aldaar opgenomen gedachtestreepjes. Dit is anders waar het gaat om de in de dagvaarding opgenomen term ‘waaronder’. In zoverre zal het hof de dagvaarding dan ook nietig verklaren. Dat van de zijde van de verdachte op dit punt geen verweer is gevoerd noopt, gelet op hetgeen voorop is gesteld, niet tot een andere beslissing.

Bespreking van ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren

Onrechtmatig binnentreden en onrechtmatige doorzoeking

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep kort gezegd op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest aangezien daarvoor door de verdachte geen toestemming is verleend en er evenmin een wettelijke bevoegdheid tot doorzoeking bestond. Dit levert volgens de verdediging een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a Sv dat, gezien de ernst ervan, moet leiden tot bewijsuitsluiting van de in de woning van de verdachte aangetroffen gegevensdragers met fotobestanden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de doorzoeking sprake is geweest van een vormverzuim, nu niet kan worden vastgesteld dat aan de vereisten van de Algemene wet op het binnentreden is voldaan. Naar haar mening dient dit niet tot bewijsuitsluiting te leiden, maar kan worden volstaan met de constatering dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim. Zij is er daarbij vanuit gegaan dat door de verdachte toestemming voor de doorzoeking is verleend.

Het hof overweegt het volgende.

Op 23 januari 2007 is de woning van de verdachte door ambtenaren van politie doorzocht. Daarbij waren in ieder geval betrokken hulpofficier van justitie [HOvJ] (hierna: [HOvJ]) en hoofdagent [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 2]). De verdachte heeft stellig en bij herhaling ontkend toestemming te hebben gegeven tot het betreden en/of doorzoeken van zijn woning. Dat de woning wél met toestemming van de verdachte is betreden en doorzocht, kan enkel blijken uit een overzichtsproces-verbaal van [verbalisant 2], dat op dit punt slechts de korte mededeling van die verbalisant inhoudt dat de woning met toestemming van de enige bewoner, [verdachte], werd betreden en doorzocht. [verbalisant 2] heeft zijn redenen van wetenschap daarbij niet vermeld. Dit proces-verbaal is bovendien opgemaakt op 4 februari 2008, derhalve ruim een jaar na de dag van de doorzoeking. In de politiesystemen is geen aanvullende informatie meer voorhanden gebleken over onderhavige doorzoeking en de op de terechtzitting van 23 maart 2016 als getuigen gehoorde [verbalisant 2] en [HOvJ] hebben verklaard zich niet te kunnen herinneren of sprake is geweest van een door de verdachte gegeven toestemming. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat door de verdachte toestemming is verleend tot het betreden en doorzoeken van zijn woning. Het binnentreden en de doorzoeking moeten derhalve onrechtmatig worden geoordeeld, nu daartoe ook overigens geen bevoegdheid bestond.

Bovendien is onvoldoende komen vast te staan dat de betrokken verbalisanten mededeling hebben gedaan van het doel van het binnentreden en dat zij hun politielegitimatie aan de verdachte hebben getoond. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat aan de in artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden gestelde vereisten is voldaan. Derhalve kleven er gebreken aan het betreden van de woning.

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv.

De vraag is vervolgens of, en zo ja welke, rechtsgevolgen aan deze vormverzuimen moeten worden verbonden. Bij de beoordeling hiervan dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van de geschonden voorschriften, de ernst van de verzuimen en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.


De verdediging heeft, zoals al bleek, bepleit dat de vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting.

Het hof stelt voorop dat het vergaarde bewijsmateriaal rechtstreeks door de vastgestelde verzuimen is verkregen. Het hof heeft zich voorts - ten aanzien van de vraag of en zo ja welk gevolg dient te worden verbonden aan de vaststelling dat er sprake is van een onherstelbare vormverzuimen - rekenschap gegeven van hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5321, rov. 2.3-2.4.6) heeft overwogen. Bij de beantwoording van voornoemde vraag stelt het Hof het door de Hoge Raad uiteengezette beoordelingskader voorop.

Het belang van het geschonden voorschrift
Het belang dat de geschonden voorschriften dienen, is de bescherming van het huisrecht en het privéleven van de bewoner, zoals verankerd in onder meer artikel 12 van de Grondwet en artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM). De verzuimen raken dus aan gewichtige rechtsbeginselen en de verdachte is getroffen in de belangen die deze beginselen beschermen.

Ernst van de verzuimen
De verzuimen zijn naar het oordeel van het hof ernstig te nemen. Het behoort immers tot het ‘basisgereedschap’ van iedere opsporingsambtenaar om goede toepassing te kunnen geven aan de belangrijke en niet gecompliceerde vormvoorschriften als hier aan de orde.

Nadeel dat door de verzuimen is veroorzaakt en slotsom
Bij de beoordeling van deze factor is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door de verzuimen daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Daarbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv.

Het nadeel dat de verdachte heeft ondervonden is gelegen in de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en het huisrecht, waarbij het nadeel voor verdachte er in casu met name in heeft bestaan dat diverse mensen zijn woning hebben betreden en daar onderzoek hebben gedaan, onder andere naar gegevensdragers waarop volgens de verdachte veel persoonlijke foto’s waren opgeslagen, zonder dat gebleken is van rechtens gegeven toestemming door de verdachte.


Daarbij geldt wel dat een schending van het in artikel 8 van het EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 van het EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces en dat aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt gewaarborgd. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte in zijn verdedigingsrechten is aangetast.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte in onvoldoende mate nadeel als gevolg van de schending van het voorschrift heeft ondervonden om over te gaan tot bewijsuitsluiting. Dit geldt temeer nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2016 heeft verklaard dat hij weliswaar geen toestemming voor de doorzoeking heeft gegeven, maar dat hij - zo denkt hij - de toestemming aan de verbalisanten wel zou hebben gegeven als ze hem die hadden gevraagd.

Anders dan door de raadsman is bepleit, wordt in hetgeen is aangevoerd geen noodzaak gezien om tot bewijsuitsluiting over te gaan teneinde richting de politie een krachtige stimulans te doen uitgaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm.

Het hof zal de geconstateerde schending evenmin betrekken bij de bepaling van de strafmaat, omdat het hof het reeds op andere gronden raadzaam acht niet tot oplegging van straf over te gaan.

Het hof zal mitsdien volstaan met de enkele constatering dat er in dezen sprake is geweest van de genoemde onherstelbare vormverzuimen.

Salduz-verweer

Het verweer van de raadsman dat de door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten gezien de ‘Salduz-jurisprudentie’, behoeft geen bespreking nu het hof die verklaringen van de verdachte niet tot het bewijs bezigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 januari 2007, in de gemeente Groningen, meermalen een afbeelding en een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedraging(en), te weten

een harde schijf met daarop foto's betreffende die seksuele gedraging(en),

te weten:

- een foto van een meisje in de leeftijd van ongeveer 6 jaar; het meisje ligt op haar buik op een sprei. Haar beentjes zijn gespreid. Tussen de gespreide beentjes is te zien dat een kennelijk volwassen man zijn penis tussen de billen van het meisje heeft geplaatst (beschreven als foto 19 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296)

en

- een foto van een meisje in de leeftijd van ongeveer 8 jaar; op deze foto is te zien dat het meisje met haar rechter handje de stijve penis van een kennelijk volwassen man omvat. Het meisje heeft haar tong op de eikel van de penis geplaatst (beschreven als foto 16 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296)

en

- een foto van een meisje in de leeftijd van ongeveer 10 jaar; het onderlichaam van het meisje is ontbloot. Het meisje ligt op haar rug en heeft haar benen gespreid. Met haar handen trekt het meisje haar schaamlippen uiteen, waardoor de opening van haar vagina goed zichtbaar is (beschreven als foto 17 in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 5 november 2007, mutatienummer 06-094586, zoals opgenomen onder bijlage B in het proces-verbaal van de Regiopolitie Groningen met dossiernummer PL01KF/08-000296)

telkens in bezit heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Ten aanzien van de onder de overige gedachtestreepjes opgenomen afbeeldingen wordt in het bijzonder nog overwogen dat deze zijn aantroffen op diskettes waarvan niet met een voor een bewezenverklaring voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich van de aanwezigheid van die afbeeldingen op die diskettes bewust is geweest.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

een afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De meervoudige kamer van de rechtbank Groningen heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

De raadsman heeft zich bij wijze van subsidiair standpunt achter de advocaat-generaal geschaard, maar nog wel gewezen op schendingen van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Het hof heeft in hoger beroep acht geslagen op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij enerzijds in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinderpornografisch materiaal, waarbij de betrokken slachtoffers meisjes van ongeveer 10 jaar of jonger zijn. Het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal is laakbaar nu bij de vervaardiging hiervan kinderen worden misbruikt en geëxploiteerd. Het is algemeen bekend dat de nadelige gevolgen die deze kinderen hiervan zowel in fysieke als psychische zin ondervinden doorgaans ingrijpend zijn. Door kinderpornografisch materiaal in bezit te hebben, heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de vraag naar dit materiaal en is hij medeverantwoordelijk voor het seksuele misbruik en de exploitatie van die kinderen. Voor een effectieve bestrijding van kinderpornografie is het dan ook noodzakelijk niet alleen hen te straffen die dit materiaal vervaardigen maar ook diegenen die dit materiaal in bezit hebben. Zij creëren immers de vraag. Het hof neemt dit de verdachte ernstig kwalijk. In beginsel is dan ook een aanzienlijke straf op zijn plaats.

Anderzijds is de verdachte – thans ruim 70 jaar oud – blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 februari 2016 niet eerder strafrechtelijk veroordeeld en heeft ook na het onderhavige feit, dat ruim negen jaar geleden is gepleegd, geen strafbare feiten begaan die ter kennis van justitie zijn gekomen. In het licht hiervan acht het hof de kans op recidive zeer klein.

Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte ongewoon lang in onzekerheid heeft verkeerd met betrekking tot de afloop van deze zaak. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat dit de nodige weerslag heeft gehad op het leven van de verdachte en ook is daar duidelijk geworden dat hij in een broze gezondheid verkeert.

Gelet op het voorgaande acht het hof het raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Hoewel het hof met de raadsman constateert dat in deze zaak tijdens verschillende fases van het strafproces de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, kunnen hieraan, gelet op de evengenoemde uitkomst, geen verdere gevolgen worden verbonden.

Beslag

In de woning aan de [adres] te Groningen zijn onder de verdachte de hierna te noemen goederen in beslag genomen. Deze voorwerpen, die nog niet zijn teruggegeven, zijn voor een deel voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, nu zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Ten aanzien van de in beslag genomen harde schijf van het merk Maxtor geldt dat het bewezen feit met behulp van dit voorwerp is begaan. Ten aanzien van de in beslag genomen externe harde schijf van het merk Medion en de diskettes gemerkt 271, 293, 294, 295, 297, 298 en 300 geldt dat deze zijn aangetroffen bij het onderzoek naar het door de verdachte begane strafbare feit en dat deze voorwerpen, waarop zich kinderpornografisch materiaal bevond (proces-verbaal van 5 november 2007), kunnen dienen voor het begaan van soortgelijke feiten.

Anders dan de rechtbank heeft beslist, kan niet worden overgegaan tot teruggave van de genoemde harde schijven na verwijdering van de kinderpornografische beeltenissen, omdat niet gegarandeerd kan worden dat (delen van) de strafbare bestanden niet achterblijven op de gegevensdragers en met (tegenwoordig vrij algemeen verkrijgbare software) weer teruggehaald kunnen worden (zie § 4.8 van de Aanwijzing Kinderpornografie, Stcrt. 2010/19121 en vgl. HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:834). Het hof kan zich in dit geval echter wel voorstellen dat het openbaar ministerie de executie van de te volgen beslissingen uitstelt totdat de verdachte in de gelegenheid is geweest de afbeeldingen en bestanden met een emotioneel en privékarakter te kopiëren naar een andere door hem aan te leveren gegevensdrager.

Nu uit het dossier niet kan volgen dat zich op de in beslag genomen videobanden en de diskettes waarvan de nummers hiervoor nog niet zijn genoemd, strafbaar materiaal bevindt, zal de teruggave daarvan aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft het ten laste gelegde onderdeel ‘waaronder’.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een harde schijf, merk: Maxtor 80 GB (beslagnummer D-1203);

- een externe harde schijf, merk: Medion 250 GB (beslagnummer D-1203);

- de diskettes gemerkt 271, 293, 294, 295, 297, 298 en 300 (beslagnummer D-1209).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- videobanden (beslagnummers D-1204, D-3100, D-2502);

- de onder beslagnummer D-1209 geregistreerde diskettes die hiervoor nog niet zijn genoemd en de diskettes die zijn geregistreerd onder de beslagnummers D-1203, D-1205, D-1207 en D-1210.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. L. Voet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 april 2016.

mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004486-14

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 6 april 2016.

Tegenwoordig zijn:

mr. J.J.I. de Jong, raadsheer,

mr. E.C. van der Drift, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.R. Witteveen, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.