Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:127

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2016
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
23-003714-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:421, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot uitlokking moord op concurrent in de escortbranche, Verweren met betrekking tot vormverzuimen en schending van beginselen van behoorlijke procesorde verworpen. Hof straft gelet op de ernst van het feit en omstandigheden waaronder begaan hoger dan de rechtbank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onder redactie van Tina van der Linden – Smit en Kea Kroeks – de Raaij annotatie in UDH:IR/13070
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-003714-12

Datum uitspraak: 22 januari 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13/708012-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 november 2013, 3 december 2013, 4 februari 2014, 25 april 2014, 27 oktober 2014,

24 november 2014, 9 januari 2015, 19 januari 2015, 29 april 2015, 8 december 2015 en 8 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 20 januari 2012 tot en met 8 februari 2012 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, door geweld en/of bedreiging en/of door misbruik van gezag en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen en/of giften en/of beloften

[betrokkene 1] heeft gepoogd te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het (in Amsterdam, in ieder geval in Nederland) tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer], van het leven beroven;

immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededaders, toen en daar:

- aan die [betrokkene 1] een foto getoond van die [slachtoffer] en/of

- aan die [betrokkene 1] het adres gegeven waarop die [slachtoffer] kantoor houdt en/of

- tegen die [betrokkene 1] verteld op welke wijze(n) hij ([betrokkene 1]) het kantoor van die [slachtoffer] kon binnengaan, immers heeft verdachte tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij het kantoor van die [slachtoffer] in moest gaan met een meisje en/of dat hij rustig naar binnen moest gaan en/of rustig spullen moest pakken en/of binnen 5 minuten moest wachten en/of rustig naar buiten moest gaan, zodat de portier er geen erg in heeft en/of

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij een geluidsdemper moest hebben en/of gebruiken en/of

- een of meer (grote) geldbedragen (ongeveer 25.000 of 30.000 euro) en/of een of meer goederen in het vooruitzicht gesteld en/of laten stellen voor het plegen en/of laten plegen van de moord op die [slachtoffer] en/of

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat het op een overval en/of een beroving moest lijken en/of

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij moest vluchten via de snelweg en/of de Coentunnel en/of Zaandam als het gebeurd is en/of dat die [betrokkene 1] aldaar in een hotel moet schuilhouden en/of

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij, verdachte, morgen het geld heeft en/of

- tegenover die [betrokkene 1] heeft bevestigd dat hij, verdachte, die [slachtoffer] echt dood wilde hebben en/of

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij, verdachte, over een paar maanden nog een job voor die [betrokkene 1] heeft.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van de verdachte heeft verzocht de tenlastelegging partieel nietig te verklaren, te weten voor wat betreft het gedeelte ‘tezamen en in vereniging’. Hij heeft zich, naar het hof begrijpt, op het standpunt gesteld dat de dagvaarding op dat punt nietig is omdat de voor medeplegen vereiste zinssnede ‘met anderen en/of een ander’ ontbreekt en aldus de tenlastelegging innerlijk tegenstijdig althans onduidelijk is.

Het hof acht dit, evenals de rechtbank, een kennelijke misslag en leest in de vijfde regel van het ten laste gelegde na de woorden ‘tezamen en in vereniging’ de woorden ‘met een ander en/of anderen’ in. De verbeterde lezing van deze misslag schaadt de verdachte niet in zijn verdediging, nu uit de tekst van de tenlastelegging reeds voldoende de bedoeling van het Openbaar Ministerie blijkt. Dat ook in hoger beroep door de advocaat-generaal geen wijziging van de tenlastelegging op dit punt is gevorderd, doet aan het voorgaande niet af.

Voor zover overigens in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van de verdachte heeft, naar het hof begrijpt, voor zover het betreft vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek op de voet van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dan wel voor zover het betreft schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde begaan buiten het kader van het voorbereidend onderzoek, primair verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er - kort gezegd - zo veel fout is gegaan bij zowel het Openbaar Ministerie als de politie en het gerechtshof, dat dit in onderlinge samenhang bezien dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De door de raadsman ter zake gevoerde verweren en die in zijn pleitnota’s zijn genoemd, zullen hieronder afzonderlijk worden besproken.

Toetsingskaders

Indien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan bij het voorbereidend onderzoek en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is 'het belang dat het geschonden voorschrift dient'. De tweede factor is 'de ernst van het verzuim'. De derde factor is 'het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt'. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004/376, r.o. 3.4.2).

Hierbij merkt het hof op dat het belang van de verdachte dat de door hem gepleegde strafbare feiten niet worden ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang (vgl. HR 4 januari 2011, NJ 2012/145).

Het voren overwogene brengt mee dat van de verdediging, die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van genoemde drie factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004/376, r.o. 3.7; zie ook ECLI:NL:HR:2014:3541).

Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt, al dan niet als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Voor wat betreft de door de verdediging gevoerde verweren die zien op schendingen van een behoorlijke procesorde, hebben deze, zo begrijpt het hof de verdediging, betrekking op het vertrouwensbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

Tegen bovengenoemde achtergrond beoordeelt het hof hieronder de door de raadsman gestelde vormverzuimen voor zover betrekking hebbende op het voorbereidend onderzoek.

Tevens beoordeelt het hof hieronder de door de raadsman gestelde schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde begaan buiten het kader van het voorbereidend onderzoek.

Wissen beveiligingsopnames

De raadsman heeft gesteld dat officier van justitie [OvJ 1] onrechtmatig een bevel heeft gegeven beveiligingsopnames te wissen die door de beveiligingsapparatuur van de verdachte zijn gemaakt en die op de computer van de verdachte stonden. Hierdoor zijn volgens de raadsman mogelijk ook eventuele beelden van ontmoetingen tussen de verdachte en [betrokkene 1] gewist, als gevolg waarvan thans niet kan worden geverifieerd hoe die ontmoetingen zijn verlopen, of de verklaring van de verdachte daarover juist is, en hoeveel tijd er bijvoorbeeld tussen de verschillende gesprekken/ontmoetingen zat.

Blijkens het dossier (13 Bejar Dossier Inbeslagname, blz. 149) heeft de officier van justitie op

28 februari 2012 opdracht gegeven de beveiligingsopnames te wissen van de computer die op 7 februari 2012 onder de verdachte in beslag is genomen. Dit wissen heeft, blijkens het bevel, enkel betrekking gehad op de opnames van politiepersoneel en personeel werkzaam bij het Openbaar Ministerie en de rechtbank van Amsterdam. Het hof begrijpt dat het beelden betreft die zijn opgenomen bij het betreden van de woning van de verdachte door bedoeld personeel.

Uit het voorgaande volgt dat de opdracht van de officier van justitie een beperkte omvang had en geen betrekking had op andere beelden dan van bedoeld personeel. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat niet op de juiste wijze aan deze opdracht gevolg is gegeven. De enkele stelling van de raadsman dat er ‘mogelijk eventuele beelden van ontmoetingen met [betrokkene 1] zijn gewist’ is bepaald onvoldoende om dienaangaande te twijfelen. Dat beelden van ontmoetingen tussen de verdachte en [betrokkene 1] zijn gewist, is derhalve niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het verweer.

Verbaliseringsplicht en burgerpseudokoop

De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie de met de redactie van [naam 1] gemaakte afspraken niet heeft laten verbaliseren en evenmin een bevel tot inzet van een burger om goederen te verkrijgen als bedoeld in artikel 126ij Sv heeft gegeven (het hof begrijpt: een overeenkomst als bedoeld in artikel 126ij Sv met de burger heeft gesloten), terwijl dat wel noodzakelijk was.

Blijkens het dossier (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding, blz. 13) heeft de politie op 5 februari 2012 een e-mailbericht van K. [getuige 1], werkzaam bij mediabedrijf [bedrijf] te Amsterdam, ontvangen met daarin een beschrijving van de inhoud van het contact tussen de redactie van [naam 1] en [naam 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) en [naam 3] (het hof begrijpt: [naam 3]). Naar aanleiding van dat e-mailbericht is een onderzoek gestart onder de naam 13Bejar. Op 6 februari 2012 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [code 4] en de redactie van [naam 1]. Blijkens het daarover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is het volgende afgesproken (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 22):

Afspraken omtrent aanhouding [naam 2] en [naam 3] en inbeslagname beeldmateriaal

[getuige 1] gaf aan dat hij met [naam 2] en [naam 3] een afspraak had gemaakt om op maandag
6 februari 2012 omstreeks 14:00 uur verder te praten over de heimelijk opgenomen beelden. Met [naam 1] is vervolgens afgesproken dat, nadat er toestemming van een officier van justitie zou zijn verkregen, [naam 2] en [naam 3] op het kantoor van [naam 1] aangehouden zouden worden en dat het beeldmateriaal in beslag zou worden genomen. [naam 1] stemde hiermee in.

Het verweer dat de afspraken tussen de redactie van [naam 1] enerzijds en de politie anderzijds niet zijn geverbaliseerd, mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof verwerpt het verweer.

Zoals hierboven onder het toepasselijke toetsingskader reeds overwogen, mag van de verdediging, die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van genoemde drie factoren van artikel 359a Sv wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden.

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot artikel 126ij Sv is - nog daargelaten de vraag of er afspraken zijn gemaakt die onder het bereik van genoemd artikel vallen - door de verdediging in het geheel niet onderbouwd waaruit het nadeel voor de verdachte zou hebben bestaan dat is veroorzaakt door de door de raadsman gestelde onherstelbare vormverzuimen. Het hof verwerpt reeds om die reden het ter zake gevoerde verweer.

Ambtshalve overweegt het hof dat voor zover er andere afspraken zijn gemaakt tussen de politie en de redactie van [naam 1] die geverbaliseerd hadden moeten worden, deze zijn gemaakt met betrekking tot de aanhouding van onder meer [betrokkene 1]. Een eventueel verzuim van de verbaliseringsplicht, dan wel een verzuim een overeenkomst ex artikel 126ij Sv te sluiten, zou dan ook slechts relevant kunnen zijn in de strafzaak tegen die [betrokkene 1]; de beweerdelijk geschonden voorschriften tasten immers niet een belang van de verdachte aan.

Ten overvloede overweegt het hof dat zelfs in het geval de door de raadsman gestelde vormverzuimen een rol hadden kunnen spelen in de onderhavige strafzaak, deze in de loop van de procedure voldoende zijn gecompenseerd door het in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman als getuige horen van de betrokken verbalisanten, [naam 1] en leden van zijn redactie, waarbij de verdachte en zijn raadsman ruimschoots in de gelegenheid zijn gesteld de getuigen ook op dit punt te ondervragen.

Beelden arrestatie verdachte

De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat de politie beelden heeft gemaakt van de arrestatie van de verdachte, waarop ook te zien is waar hij woont. Deze beelden zijn aan [naam 1] verstrekt en tot in de eeuwigheid op internet te zien. Dit is een schending van de privacy van verdachte en een onherstelbare schending van artikel 8 van het EVRM.

Het hof volgt de raadsman in het standpunt dat het recht op privacy van de verdachte als bedoeld in artikel 8 van het EVRM is geschonden. Dit is een vormverzuim dat is begaan in het vooronderzoek en waarvan de gevolgen niet uit de wet blijken. Gelet op de geringe ernst van het verzuim en mede in aanmerking genomen dat in dezelfde uitzending van [naam 1] langdurig ook andere beelden van de verdachte zijn getoond (te weten de door [betrokkene 1] gemaakte opnamen van diens gesprekken met de verdachte) - waardoor de beeltenis van verdachte ook reeds op andere wijze publiekelijk bekend werd - ziet het hof aanleiding af te zien van het toepassen van een van de in artikel 359a Sv bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met enkel de constatering dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.

Verstrekking beelden en onjuiste weergave van gesprek met [betrokkene 1] in het requisitoir.

De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat officier van justitie mr. [OvJ 2] aantoonbaar in strijd met de waarheid in het proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2014 heeft nagelaten te relateren dat hij de dvd met de televisie-uitzending van [naam 1] heeft verkregen. Voorts heeft hij in zijn requisitoir op een viertal punten een onjuiste weergave van het gesprek tussen [betrokkene 1] en de verdachte voorgedragen.

Door de verdediging is in het geheel niet onderbouwd waaruit het nadeel voor de verdachte zou hebben bestaan dat is veroorzaakt door het door de raadsman gestelde onherstelbare vormverzuim.

Indien en voor zover de officier van justitie in zijn requisitoir onjuist heeft geciteerd uit het betreffende gesprek tussen [betrokkene 1] en de verdachte, betreft dat slechts ondergeschikte punten en kunnen voornoemde gestelde gedragingen niet worden gezien als een schending van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Aldus is naar het oordeel van het hof geen sprake van een schending van een behoorlijke procesorde die als consequentie zou moeten hebben de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het hof verwerpt de gevoerde verweren.

Schendingen begaan door de advocaat-generaal.

De raadsman heeft gesteld dat de advocaat-generaal meermalen in strijd met de waarheid heeft gezegd dat de politie niet beschikt over de opnames van de gesprekken tussen de redactie van [naam 1] en [naam 2]. c.s.. Voorts heeft de advocaat-generaal niet voldaan aan een opdracht van het hof om binnen 48 uren die beelden te verstrekken, bij gebreke waarvan de verdachte vrij had moeten worden gelaten, hetgeen niet is gebeurd. Bovendien heeft de advocaat-generaal meermalen geweigerd een vordering ex artikel 126nd Sv uit te doen gaan naar [bedrijf], waardoor het bij een verzoek van de raadsheer-commissaris is gebleven. Door dit handelen van de advocaat-generaal heeft de verdachte langer in voorlopige hechtenis verbleven dan noodzakelijk was, zodat zijn recht als bedoeld in artikel 5 van het EVRM is geschonden, aldus de raadsman.

Blijkens het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is er onnodig en lang veel onduidelijkheid geweest welk beeldmateriaal voor wie op welk moment beschikbaar is geweest en door wie dat beeldmateriaal is afgegeven. Hoewel het hof van oordeel is dat het wellicht op de weg van de advocaat-generaal had gelegen middels een vordering de beelden van [bedrijf] te verkrijgen, is niet aannemelijk geworden dat het Openbaar Ministerie bewust of met grote veronachtzaming van de belangen van de verdachte beeldmateriaal heeft achtergehouden of bewust weigerachtig is geweest zich in te spannen beeldmateriaal te verkrijgen. Het hof constateert ten overvloede dat uiteindelijk al het beeldmateriaal beschikbaar is gekomen, zodat het beweerde verzuim is hersteld en geen inbreuk bestaat op het recht van de verdachte op een eerlijk proces.

Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 5 van het EVRM overweegt het hof dat de voorlopige hechtenis van de verdachte per 10 februari 2015 is geschorst in afwachting van de verkrijging van het beeldmateriaal dat uiteindelijk voorhanden is gekomen. De verdediging heeft, nadat alle beelden beschikbaar waren gekomen, op geen enkele wijze aangeven welke later beschikbaar gekomen beelden aanleiding hadden kunnen geven de voorlopige hechtenis op een eerder moment te schorsen dan wel op te heffen, terwijl dat wel van de verdediging ter onderbouwing van het verweer verwacht had mogen worden. Aldus acht het hof evenmin een schending van artikel 5 van het EVRM aanwezig.

Conclusie

Samenvattend is het hof van oordeel dat de door de raadsman gestelde vormverzuimen voor zover geplaatst in de sleutel van artikel 359a Sv dan wel de gestelde schendingen van een behoorlijke procesorde noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, noch tot enig ander rechtsgevolg. Het verweer dat daartoe strekt wordt dan ook verworpen.

Bespreking van een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De raadsman heeft subsidiair verzocht, naar het hof begrijpt, de in beslag genomen USB-stick met daarop de camerabeelden van de ontmoeting tussen [betrokkene 1] en de verdachte, alsmede het daaruit voortvloeiend bewijs (zoals de uitwerkingen van de opnames, de verklaringen van de verdachte toen hij daarmee werd geconfronteerd en alle andere op basis daarvan verkregen verklaringen) uit te sluiten van het bewijs omdat deze op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Hij heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat uit het dossier blijkt dat de politie directe betrokkenheid heeft gehad bij het handelen van de redactie van [naam 1] dat heeft geleid tot de aanhouding van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de inbeslagneming van de USB-stick met beeldmateriaal. Nu hiervoor geen bevel ex artikel 126ij Sv is gegeven (het hof begrijpt: overeenkomst is gesloten) dan wel een bevel ex artikel 126q Sv is gegeven, dient op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv het verkregen materiaal van het bewijs te worden uitgesloten, omdat de verdachte in zijn recht op een eerlijk proces is geschaad.

Beoordeling

Zoals hiervoor reeds overwogen, zijn de afspraken tussen de politie en de redactie van [naam 1] gemaakt in het kader van de aanhouding van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Voor zover dienaangaande al een overeenkomst als bedoeld in artikel 126ij Sv had moeten worden gesloten, is een verzuim op dit punt slechts relevant in de strafzaak tegen die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2].

Het bepaalde in artikel 126q Sv is slechts van toepassing bij een redelijk vermoeden dat - kort gezegd - bepaalde misdrijven in georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Het verweer faalt derhalve.

Bespreking van enkele verweren strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit

De raadsman heeft verzocht de verdachte om drie redenen vrij te spreken van het ten laste gelegde feit:

  1. de verdachte is niet degene geweest van wie het initiatief is uitgegaan om [slachtoffer] te vermoorden. Dat was [betrokkene 1], en daarmee heeft de verdachte niet uitgelokt.

  2. de verdachte heeft geen poging gedaan [slachtoffer] te laten vermoorden. Uit de gesprekken volgt onvoldoende dat daarover als zodanig is gesproken. In ieder geval was er geen moordplan.

  3. indien en voor zover er wel een moordplan heeft bestaan, is er geen sprake geweest van een strafbare poging, omdat de verdachte vrijwillig is teruggetreden.

De verweren van de raadsman zijn gebaseerd op het ter terechtzitting van 1 augustus 2012 door de verdachte geschetste alternatieve scenario. De verdediging heeft dit scenario geen handen en voeten gegeven, terwijl het wordt weerlegd door de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen. Het verweer wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen, waarbij het hof nog het volgende overweegt.

Uit de inhoud van een opgenomen (tweede) gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] blijkt dat er geen misverstand kan bestaan over de intenties van de verdachte, namelijk dat [betrokkene 1] tegen betaling van een geldbedrag [slachtoffer] van het leven diende te beroven. Dat het initiatief tot het van het leven beroven van [slachtoffer] bij de verdachte lag, volgt ook uit getuigenverklaringen waaruit blijkt dat de verdachte aan [getuige 2] heeft gevraagd of zij ‘een hitman’ kende die [slachtoffer] kon vermoorden. In voornoemd opgenomen gesprek geeft de verdachte [betrokkene 1] ook de opdracht en de instructies om [slachtoffer] te vermoorden en stelt hem daarbij een geldelijke beloning in het vooruitzicht. Nu de verdachte de bedoeling had en er kennelijk vanuit ging dat [betrokkene 1] deze opdracht na dat gesprek zou uitvoeren (“kan je vanavond niet even het bewijs geven”) was uiterlijk na dat (tweede) gesprek het ten laste gelegde feit voltooid. Bij die stand van zaken is vrijwillige terugtred niet meer mogelijk.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn opgenomen in zaaksdossier 2, tenzij anders aangegeven.

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111 van 8 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [code 1]. Dit proces houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 13 e.v.):

Op maandag 6 februari 2012 las ik een e-mailbericht van [getuige 1], werkzaam bij het mediabedrijf [bedrijf] uit Amsterdam. De inhoud van het bericht luidde:

Wij zijn vorige week benaderd door een Surinamer die zich [naam 3] noemt. Hij vertelde dat een vriend van hem was gevraagd om een huurmoord te plegen. Deze vriend zou [naam 2] heten.

Twee maal zijn [naam 2] en [naam 3] afgelopen week bij ons op kantoor geweest. [naam 2] zegt dat hij een vriendin heeft die voor een escortbureau werkt. Zij vertelde hem laatst dat haar baas iemand zocht om een concurrent uit de escortwereld uit de weg te ruimen. [naam 2] heeft toen via die vriendin aan haar baas laten weten dat hij dat wel wilde doen. Zo kwam [naam 2] in contact met de opdrachtgever. Die zou kantoor houden aan de Nieuwezijds Voorburgwal in de buurt van het politiebureau. Het slachtoffer zou ook een man zijn uit de escortwereld. [naam 2] had van de opdrachtgever een adres gekregen waar deze kantoor zou houden. Dit zou zijn aan de [adres 2] in Amsterdam. Via de KvK heb ik gezien dat er inderdaad een escortbaas daar zijn kantoor heeft: [slachtoffer].

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111-13 van 7 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [code 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 57 e.v.):

Op 6 februari zijn er diverse aanhoudingen verricht. Hierbij zijn goederen in beslag genomen waaronder een USB stick van de verdachte [betrokkene 1]. In deze USB stick zat een micro SD-kaart. Deze SD kaart is nader onderzocht. Het bleek dat er beeld en opname apparatuur waren geplaatst op de SD kaart. Deze opname is hieronder uitgewerkt.

J=[naam 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 1])

A=[verdachte]

Datum van opname zoals weergegeven op de gegevensdrager: 24 januari 2012

(blz. 58)

A= …met een meisje naar binnen te gaan en kan je de deur dicht doen ..en dan pang

J = O maar er is echt niemand anders in dat gebouw.

A= Ja de portier, je moet wel een geluidsdemper hebben.

A= Ja maar eerst moet het gebeuren ik moet de zekerheid hebben dat het is gebeurd en morgen heb ik het (het hof begrijpt: het geld).
A= Ik moet morgen in de krant lezen dat het gebeurd is.

A= ja maar ik betaal er ook goed voor.

A= morgen heb ik het geld.

(blz. 59)

A= Zo een klus als dit.. Vijfentwintig à dertig duizend.

A= Kijk als er andere mensen bij zijn dan moeten die ook maar (A maakt hierbij een handgebaar van een pistool)

J= ja dat bedoel ik. Is dubbel moord.

A= Kijk als er nou één of meerdere moeten gaan het maakt mij niet uit. Kijk als het om hem gedaan is, gericht op hem dan lijkt het wel een overval en iedereen kan het dan gedaan hebben. Iedereen weet dat daar geld is. Kijk je moet alles meenemen. Dan lijkt het op een beroving als alle spullen zijn weggehaald. Dan denken ze dat het geen hit is, maar een beroving.
A= Als het gebeurd is gelijk de snelweg op.

(blz. 60)

A= je laat het meisje mee naar binnen. Je beter meelopen met het meisje mee naar binnen. Rustig. Helemaal naar binnen. Normaal. Rustig naar binnen, rustig spullen pakken en rustig eruit niet te snel. Anders denkt de portier dat is ook raar na twee personen naar binnen en na dertig seconden rennend eruit. Beter vijf minuten wachten, rustig al die spullen in een Albert Heijn tas, laptop telefoons mobiele alles wat er is en heel rustig eruit lopen. Deur netjes dicht en rustig met het meisje eruit lopen. De portier heeft er geen erg in. Rustig weg. Voordat ze hem vinden.

J= Is goed. Komt goed man.

A= Kan je vanavond niet even het bewijs geven?

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111 van 8 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [code 3] en [code 4]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 66 e.v.):

(blz. 68 en 69)

Onder de verdachte [betrokkene 1] is bij de aanhouding beeld- en geluidsmateriaal in beslag genomen. Het onder de verdachte [betrokkene 1] in beslag genomen beeld- en geluidsmateriaal is bekeken. Uit een vergelijking van de ter beschikking gestelde foto’s van [verdachte] en het in beslag genomen beeld- en geluidsmateriaal is gebleken dat de manspersoon die te zien is op de beeldopnamen en die de opdracht tot liquidatie geeft, [verdachte] is.

4. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20111295735 van 10 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [code 5] en [code 6]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de verdachte [getuige 2] (Proces-verbaal aanvulling zaaksdossier 2 onderzoek 13 Bejar, blz. 288 e.v.):

(p. 289)

Ongeveer 2 jaar geleden ben ik in contact gekomen met [verdachte]. [verdachte] runde destijds al een escortservice vanaf het pand [adres 3] te Amsterdam.

[verdachte] was op een gegeven moment erg boos op [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer])

(p. 290)

Ik weet niet hoe [verdachte] er toe kwam om mij het te vragen. Ineens vroeg hij mij of ik een hitman kende.

5. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2011295735 van 11 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [code 7] en [code 8]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de getuige [getuige 2] (Proces-verbaal aanvulling zaaksdossier 2 onderzoek 13 Bejar, blz. 293 e.v.) :

(p. 298)

V: wat had [verdachte] aan jouw moeder gevraagd?

A: ik had gehoord van mijn moeder, dat [verdachte] tegen mijn moeder had gezegd dat hij op zoek was naar mensen om [slachtoffer] om te leggen.

6. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2012034111 van 19 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [code 9] en [code 8]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de getuige [getuige 3] (Proces-verbaal origineel 13 Bejar en 13 Dosha na samenvoeging, aangiften en getuigen, blz. 26 e.v.)

(p. 29)

A: [getuige 4] zei met een glimlach op haar gezicht gewoon: “[betrokkene 1] wil je niet 20.000 euro verdienen. Er moet iemand omgelegd worden” Ik zei doe even normaal man. Hierop zei ze “Nee ik meen het”. Van wie dan? Vroeg ik. Ze zei: “Ja voor [verdachte]” (het hof begrijpt: de verdachte). Een paar dagen later vertelde ze mij dat het om [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) ging.

7. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam op 9 en 19 januari 2015. Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

(p.19)

[betrokkene 1] is bij mij op kantoor geweest.

8. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam op 9 en 19 januari 2015. Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [betrokkene 1]:

(p. 10)

De voorzitter houdt aan de getuige de verdere inhoud van de verklaring voor waarin de verdachte verklaart dat de getuige aan verdachte heeft voorgesteld om [slachtoffer] ‘koud te maken’ voor

€ 25.000, maar verdachte dit niet nodig vond en de verdachte de getuige heeft verzocht om het geschil met [slachtoffer] uit te praten, waarvoor de getuige een paar duizend euro zou ontvangen, waarop de getuige heeft verklaard dat dit niet voldoende zou zijn.

De getuige [betrokkene 1] antwoordt op deze vraag als volgt:

Ik heb nog nooit gehoord wat u nu voorleest. Ik weet niet wat daar staat. Het kan niet kloppen dat ik heb voorgesteld om iemand ‘koud te maken’. Ik ben helemaal niet gewelddadig. Ik kan iemand niet zoiets aanbieden. Ik kan niet de woorden ‘koud maken’ hebben gebruikt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 20 januari 2012 tot en met 24 januari 2012 te Amsterdam, door het verschaffen van inlichtingen en beloften heeft gepoogd [betrokkene 1] te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het (in Amsterdam) opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer], van het leven beroven, immers heeft verdachte toen en daar:

- tegen die [betrokkene 1] verteld op welke wijze hij ([betrokkene 1]) het kantoor van die [slachtoffer] kon binnengaan, immers heeft verdachte tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij het kantoor van die [slachtoffer] in moest gaan met een meisje en dat hij rustig naar binnen moest gaan en rustig spullen moest pakken en binnen 5 minuten moest wachten en rustig naar buiten moest gaan, zodat de portier er geen erg in heeft en

- een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die [slachtoffer] en

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij, verdachte, morgen het geld heeft.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen en beloften te bewegen een moord te begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden bevestigd.

De raadsman heeft uiterst subsidiair verzocht een lagere straf op te leggen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv die dienen te leiden tot strafvermindering. Voorts heeft hij gesteld dat er slechts een kwartier tussen het eerste en tweede opgenomen gesprek zit, zodat er geen daadwerkelijke gevaarzetting voor de maatschappij is geweest.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de raadsman er op gewezen dat de verdachte een octrooi heeft verworven voor een door hem ontworpen motor, wat hem nieuwe zakelijke perspectieven geeft, en dat hij de verzorging van zijn zieke moeder op zich heeft genomen.

Zoals hiervoor onder de rubriek ‘ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie’ is overwogen, is het hof van oordeel dat de door de raadsman gestelde verzuimen noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot enig rechtsgevolg, zodat ook het verweer strekkende tot strafvermindering wordt verworpen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft [betrokkene 1] gepoogd uit te lokken om tegen betaling zijn concurrent [slachtoffer] te vermoorden. Dat deze uitlokking uiteindelijk is mislukt en het om het leven brengen van [slachtoffer] niet is gebeurd, is niet aan de verdachte te danken. Daarbij moet het voor [slachtoffer] zeer beangstigend zijn geweest te weten dat verdachte heeft geprobeerd hem te laten vermoorden. Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat de verdachte, zoals blijkt uit het op beeld opgenomen gesprek, met grote achteloosheid en buitengewoon kil en zakelijk spreekt over de wijze waarop de moord zou moeten worden gepleegd. Daarbij moest volgens de verdachte niet worden geschroomd om ook eventuele getuigen te doden. Aldus is sprake van een zeer ernstig misdrijf waarvoor enkel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is.

Ten voordele van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 november 2015 de verdachte niet eerder voor strafrechtelijk relevante andere feiten onherroepelijk is veroordeeld. Dit laat echter onverlet dat de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal geëiste gevangenisstraf naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het hof acht een gevangenisstraf van acht jaren in beginsel passend en geboden.

Redelijke termijn

Ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overweegt het hof als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft in beginsel het volgende te gelden.

Wat betreft de berechting van een zaak in eerste aanleg dient de zaak ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel, eveneens behoudens bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is, hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Ervan uitgaande dat bedoelde termijn in eerste aanleg een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten 7 februari 2012, kan worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis is gewezen, de vervolging van verdachte niet meer dan twee jaren in beslag heeft genomen. Ten aanzien van de procedure bij het hof is de termijn aangevangen op 20 augustus 2012, de datum waarop door de verdachte hoger beroep is ingesteld. Nu het hof op 22 januari 2016 uitspraak doet, heeft de hoger beroep procedure meer dan drie jaren en vijf maanden in beslag genomen, zodat er sprake is van een overschrijding van de termijn van één jaar en vijf maanden. Met de raadsman is het hof van oordeel dat een gedeelte van drie maanden aan de verdediging is toe te rekenen, zodat er nog een overschrijding van één jaar en twee maanden resteert. Het hof ziet in deze overschrijding van de redelijke termijn aanleiding de in beginsel passend geachte gevangenisstraf met een periode van zes maanden te verlagen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft verzocht, indien het hof aan de verdachte een straf oplegt waardoor hij na aftrek van de periode die hij al in voorarrest heeft gezeten minstens nog één dag gevangenisstraf zal moeten uitzitten (uitgaande van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling), de opnames die [bedrijf] heeft verstrekt woordelijk uit te werken (met toevoeging van die uitwerking aan het dossier) en de volgende personen te doen horen over de inzet van de redactie van [naam 1] in de opsporing:

  • -

    de officieren van justitie [OvJ 1] en [OvJ 2]. Zij zouden gehoord moeten worden over de vernietiging van de beelden, de vraag welke opnames en uitwerkingen zij kenden, de confrontatie met andere verklaringen daarover, de inzet van de redactie van [naam 1], de afspraken die daarover zijn gemaakt en het tijdstip en de vastlegging daarvan.

  • -

    alle verbalisanten die op 6 februari 2012 op de redactie van [naam 1] aanwezig waren. Zij zouden gehoord moeten worden over de inhoud van het gesprek, de gemaakte afspraken en de wijze waarop is gestuurd op de noodzaak van de opnames.

  • -

    [naam 1], [getuige 1] en [getuige 5]. Zij zouden gehoord moeten worden over de afspraken, in welk verband hun de verklaringen van de verbalisanten zouden moeten worden voorgehouden.

De door de raadsman geformuleerde voorwaarde wordt met de hierna op te leggen straf vervuld, weshalve het hof toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de officieren van justitie [OvJ 1] en [OvJ 2] overweegt het hof dat het als getuige horen van officieren van justitie die als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie in die strafzaak zijn opgetreden niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering. Van een situatie die tot het maken van een uitzondering dient te leiden, is geen sprake. Het verzoek tot het horen van de officieren van justitie [OvJ 1] en [OvJ 2] wordt dan ook afgewezen.

De overige door de raadsman met naam genoemde personen zijn reeds eerder als getuigen gehoord. De verdachte en zijn raadsman zijn bij deze verhoren aanwezig geweest en zijn in de gelegenheid gesteld de getuigen te ondervragen. Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd om welke reden het noodzakelijk is deze getuigen opnieuw te horen. Voorts zijn verschillende verbalisanten gehoord. Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd om welke reden het noodzakelijk is ook deze getuigen opnieuw te horen. Voor zover niet alle door de raadsman aangeduide verbalisanten zijn gehoord, ontbreekt naar het oordeel van het hof de noodzaak deze als getuigen te horen. De verzoeken worden afgewezen.

Ook ten aanzien van het verzoek tot een woordelijke uitwerking van de opnames die [bedrijf] heeft verstrekt, heeft te gelden dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd om welke reden dit noodzakelijk is, zodat ook dit verzoek wordt afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46a, 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. P. Greve en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van

mr. R. Cozijnsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 januari 2016.

[.......]

.