Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:123

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-01-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
14/00804
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:8972
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2219
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De naheffingsaanslag MRB is terecht opgelegd, nu met de auto tijdens de schorsing van het kenteken gebruik is gemaakt van de weg. De opgelegde boete is passend en geboden. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/295
V-N 2016/16.14.11
FutD 2016-0349
NTFR 2016/1023 met annotatie van mr. M.H. Schoonhoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 14/00804

5 januari 2016

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 14/1618 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 6 maart 2014 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd voor een bedrag van € 320 en bij beschikking een boete van € 320.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 14 maart 2014, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 3 november 2014 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is ingediend op 11 november 2014. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“ Eiser is vanaf 19 december 2012 als houder van een Ford Ka met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) ingeschreven in het kentekenregister. Van 19 december 2012 tot en met 15 december 2013 is de geldigheid van het kenteken van de auto geschorst zoals bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

Tot de gedingstukken behoort een ‘Rapport overzicht’ waarin onder meer is vermeld:

“ (…)

Datum/tijd: vrijdag 29 november 2012 11:24

(…)

Foto(s)

[kentekennummer]

Foto nr:

69403999 [afdruk foto]

(…)”

Onderdeel van dit formulier vormt een foto waarop het kenteken van de auto is te zien.

Vervolgens heeft verweerder bij beschikking van 6 maart 2014 aan eiser over het tijdvak

19 december 2012 tot en met 15 december 2013 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 320, alsmede bij beschikking een boete van € 320. ”

2.2.

Het Hof gaat voor de beslechting van het geschil uit van voormelde feiten, met dien verstande dat het Hof ervan uit gaat dat in het hiervoor onder 2.1 genoemde ‘Rapport overzicht’ kennelijk als constateringsdatum 29 november 2013 bedoeld is in plaats van 29 november 2012.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de naheffingsaanslag en de boete op goede gronden zijn opgelegd, hetgeen de inspecteur stelt doch belanghebbende bestrijdt.

3.2.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft ten aanzien van de naheffingsaanslag het volgende overwogen, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

“Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) wordt voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, de belasting niet geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wvw. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet MRB kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing de belasting worden nageheven. Ingevolge het tweede lid van artikel 35 van de Wet MRB wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd.

Uit de controlefoto blijkt dat een voertuig met het kenteken van de auto op 29 november 2013 is gefotografeerd op de weg, te weten op de A4 links ter hoogte van HMP 21.9. In beginsel vormt de foto voldoende bewijs van het standpunt van verweerder dat de auto op dat moment van de weg gebruik heeft gemaakt. Eiser stelt zich op het standpunt dat een andere auto met een van hem gestolen kentekenplaat op dat moment van de weg gebruik heeft gemaakt. Het ligt op de weg van eiser om dit aannemelijk te maken. Daarin is eiser niet geslaagd. Ter motivering van dit oordeel dient het volgende. Eiser heeft geen aangifte gedaan van vermissing of diefstal van de kentekenplaat. Dit is opvallend, omdat eiser de schorsing op 15 december 2013 heeft opgeheven en het niet is toegestaan om met slechts één kentekenplaat van de weg gebruik te maken. Verweerder heeft ter zitting onweersproken verklaard dat een duplicaat pas kan worden aangevraagd nadat aangifte is gedaan bij de politie. Het is een ervaringsfeit dat met een gestolen kentekenplaat geregeld gebruik wordt gemaakt van de weg. Gelet op deze ervaringsregel is het opvallend dat het kenteken niet vaker is gesignaleerd op andere plaatsen en tijdstippen. Dat een aantal jaar geleden van een andere auto van eiser een kentekenplaat is gestolen zonder dat dit heeft geleid tot naheffingsaanslagen en boetes, maakt dit niet anders. Het opnieuw ontbreken van andere signaleringen van de kentekenplaat levert geen bewijs op dat de kentekenplaat is gestolen, maar sluit de juistheid van het standpunt van verweerder niet uit. Het is mogelijk dat eiser een aantal jaar geleden geluk heeft gehad. De rechtbank heeft ter zitting het aanbod van eiser afgeslagen om de foto’s te bekijken die op 3 juli 2013 op zijn terrein van de aldaar gestalde auto’s (inclusief de auto) zijn gemaakt. De rechtbank heeft dit bewijsaanbod afgeslagen, omdat bewijs dat de auto op 3 juli 2013 op het eigen terrein van eiser geparkeerd stond, niet kan dienen als bewijs dat de auto dit terrein tijdens de schorsing niet heeft verlaten en dus op 29 november 2012 [het Hof leest 2013] niet op de weg kan zijn geweest. Dit een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat, aangezien eiser zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, de auto op de weg moet zijn geweest, zodat verweerder de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. ”

4.2.

Het Hof komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank. Mede naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door partijen naar voren is gebracht, overweegt het Hof als volgt.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat op 29 november 2013 om 11.24 uur is geconstateerd dat een motorrijtuig met kenteken [kentekennummer] reed op de Rijksweg A4, links, ter hoogte van hectometerpaal 21.9. Van die constatering is een foto gemaakt. Het enige duidelijk kenbare element op de foto is het kenteken. Dat dit het kenteken is van de auto van belanghebbende is niet in geschil.

4.4.

Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn stelling dat met de auto op 29 november 2013 geen gebruik is gemaakt van de weg, dat de aldaar gefotografeerde kentekenplaat is gestolen en dat de auto ten tijde van de constatering stond gestald op een privéterrein. Ter onderbouwing heeft belanghebbende in hoger beroep een viertal verklaringen overgelegd van personen, werkzaam in de autobranche. Deze personen verklaren eensgezind op de foto geen auto te kunnen onderscheiden, laat staan een merk of type auto. Belanghebbende heeft voorts ter zitting van het Hof foto’s getoond die op diverse data in 2013 en 2014, niet zijnde 29 november 2013, zijn gemaakt van de situatie op het privéterrein en de gestalde auto’s (met inbegrip van de auto).

4.5.

Het Hof stelt voorop dat een kenteken voertuiggebonden is en dient ter identificatie van een specifiek voertuig. Gelijk de rechtbank heeft geoordeeld vormt een foto van een kenteken in beginsel voldoende bewijs dat met dat voertuig gebruik van de weg is gemaakt. Alhoewel belanghebbende kan worden toegegeven dat op basis van de foto zelf niet met zekerheid kan worden vastgesteld om welk merk of type motorrijtuig het gaat, doet dit – voor zover belanghebbende zulks heeft gesteld – niets af aan de bewijskracht van de foto.

4.6.

Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof zijn stelling dat één kentekenplaat van de auto is gestolen en dat de constatering van het weggebruik op 29 november 2013 een andere auto betreft, voorzien van deze gestolen kentekenplaat, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende dat kentekenplaten en auto-onderdelen van andere op het privéterrein gestalde auto’s zijn gestolen, acht het Hof onvoldoende om in dit geval te oordelen dat een kentekenplaat is gestolen. De foto’s kunnen belanghebbende evenmin baten, nu deze niet op 29 november 2013 zijn gemaakt.

4.7.

De omstandigheid dat ter vervanging van gestolen kentekenplaten een duplicaat-kenteken kan worden aangevraagd, zonder dat eerst aangifte is gedaan van diefstal – gelijk belanghebbende in hoger beroep heeft gesteld – brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.8.

Nu de inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan dat met de auto gebruik van de weg is gemaakt tijdens een daarvoor geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994, is de belasting op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet MRB, terecht nageheven.

4.9.

De rechtbank heeft ten aanzien van de boete het volgende overwogen, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

“ Ingevolge artikel 37 van de Wet MRB in verbinding met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete van ten hoogste € 4.920 kan opleggen. Ingevolge paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, onderdeel 2, bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald.

Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Factoren als de mate van schuld en opzet of de duur van het niet voldoen aan de schorsingsvoorwaarden spelen verder geen rol. Bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete. Eiser heeft geen omstandigheden gesteld die leiden tot het oordeel dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. De rechtbank ziet geen aanleiding om de boete ambtshalve te matigen. De boete is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. ”

4.10.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen grieven tegen de boete aangevoerd. Het Hof onderschrijft het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel rust. In hoger beroep is verder niet gebleken van feiten of (bijzondere) omstandigheden die tot vermindering of vernietiging van de boete zouden kunnen leiden.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Belanghebbende heeft onder meer hoger beroep ingesteld omdat de rechtbank in haar uitspraak tot twee keer toe als datum van constatering 29 november 2012 in plaats van 29 november 2013 heeft vermeld. Het Hof ziet hierin aanleiding de inspecteur te gelasten aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 122 terug te betalen.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 122 vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, B.A. van Brummelen en E. Polak, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 5 januari 2016 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.