Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1218

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
23-001821-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak: Uit gegeven omstandigheden niet aan te nemen dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat goed uit misdrijf afkomstig aanwezig was

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001821-15

datum uitspraak: 17 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 april 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 15-030600-15 en 15-703500-13 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

3 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een moment in of omstreeks de periode van 12 december 2014 tot en met 29 december 2014 te Sint Pancras en/of te Heerhugowaard en/of te Beverwijk althans in Nederland, een telefoon (Samsung S5) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon wist in elk geval (redelijker wijze) kon vermoeden/ had kunnen/moeten weten dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf

als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal zal de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde opzetheling worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde schuldheling geldt het volgende.

Artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht vereist van de pleger een bepaalde mate van schuld ten aanzien van de omstandigheid dat het goed door een misdrijf is verkregen. Daarvan is sprake indien de pleger bij enig nadenken over de hem bekende gegevens over het goed, had kunnen vermoeden dat het goed gestolen was en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen.

De verdachte heeft de telefoon gekocht van [naam] bij wie hij, blijkens zijn verklaring bij de politie, reeds eerder telefoons heeft aangeschaft. Geen van deze telefoons was gestolen, aldus de verdachte.

De verdachte heeft de onderhavige telefoon aangeschaft voor € 200,-. Deze telefoon heeft de verdachte enige tijd later via de website marktplaats.nl voor € 275,- verkocht. Het hof leidt daar uit af dat dit voor een te goeder trouw zijnde derde een gangbare prijs was voor deze reeds gebruikte telefoon.

Bij gebrek aan andere aanwijzingen voor de omstandigheden waaronder de verdachte de telefoon

heeft verkregen, kan het hof uit de naar voren gekomen feiten en omstandigheden niet afleiden

dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de telefoon uit een misdrijf afkomstig was.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter

in de rechtbank Noord-Holland van 16 april 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor

de duur van 14 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf de tenuitvoerlegging gevorderd, in die zin dat de verdachte in plaats daarvan een taakstraf zal verrichten van 28 uur,

subsidiair 14 dagen hechtenis.

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt

de verdachte daarvan vrij.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Noord-Holland van

16 februari 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter

in de rechtbank Noord-Holland van 16 april 2014, parketnummer 15-703500-13,

voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. S. Clement en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van J.G.W.M. Lut, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

17 maart 2016.

Mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[......]

.