Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1210

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
23-003468-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“Geen ruimte voor een overweging van het hof dat de veroordeling van de verdachte geen nadelige gevolgen dient te hebben voor het verstrekken van een VOG.

De beslissing over de verkrijging van een VOG is immers voorbehouden aan het COVOG. Wel kan de verdachte het initiatief nemen het COVOG op de door het hof van belang geachte persoonlijke omstandigheden te wijzen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003468-15

datum uitspraak: 31 maart 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-685040-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] [geboorteplaats 2]) op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2014 te Amstelveen, althans in Nederland, op de openbare weg, de tunnel (ter hoogte van metrohalte Amstelveen Centrum), gelegen onder/bij de Beneluxbaan, in elk geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung Galaxy), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] (geboren in 2000), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of diens mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) ander(en( de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk gewelddadig en/of dreigend en/of onverhoeds op/naar voornoemde [slachtoffer] (in/bij voornoemde tunneltje) is/zijn toegerend/toegelopen waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (met kracht) voornoemde mobiele telefoon uit de hand(en) van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of gerukt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie komt dan de rechtbank.

Partiële vrijspraak

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat van het daadwerkelijk toepassen van geweld geen sprake is geweest en dat het pakken van de mobiele telefoon uit de hand van de aangever [slachtoffer] (hierna: de aangever) niet als een strafverzwarende omstandigheid gekwalificeerd kan worden.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal met geweld.

Het hof overweegt omtrent het ten laste gelegde ‘(bedreiging met) geweld’ het volgende.

Op grond van de tot het bewijs gebezigde verklaringen staat vast dat door de verdachte een mobiele telefoon uit de linker hand van de aangever is weggenomen. Gelet echter op de tegengestelde verklaringen van de aangever en de verdachte op dat punt, kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte dusdanige kracht heeft gebruikt dat dit kan worden gekwalificeerd als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal de verdachte dan ook van het onderdeel ‘geweld’ vrijspreken. Van omstandigheden die kunnen worden aangemerkt als bedreiging met geweld is niet gebleken, zodat ook ten aanzien van dat ten laste gelegde onderdeel vrijspraak moet volgen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 april 2014 te Amstelveen, op de openbare weg, de tunnel (ter hoogte van metrohalte Amstelveen Centrum), gelegen onder de Beneluxbaan, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung Galaxy), toebehorende aan [slachtoffer] (geboren in 2000).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 200 uur taakstraf, subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 200 uur taakstraf, subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte 30 euro stort in het Schadefonds Geweldsmisdrijven, dan wel een soortgelijke instelling.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op een laffe wijze een mobiele telefoon van een 13-jarige jongen gestolen. Hij is met de medeverdachte op de openbare weg in een tunnel op het slachtoffer afgelopen, heeft de telefoon uit de hand van het slachtoffer weggenomen en is vervolgens weggerend. De verdachte heeft zich hierbij slechts laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich toen niet bekommerd om het jonge slachtoffer, dat hij, naast schade en overlast, veel angst heeft bezorgd. Dit wordt in zijn nadeel gewogen.

Uit een de verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland 30 april 2015 komt naar voren dat hij een uitermate moeilijke en onstuimige jeugd heeft gehad. Desondanks blijkt uit het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 maart 2016 dat hij niet eerder onherroepelijk voor een strafbaar feit is veroordeeld. Daarnaast heeft de verdachte er blijk van gegeven zich nu in te kunnen leven in het slachtoffer. Het hof beschouwt het bewezenverklaarde dan ook als een eenmalige, als adolescent gemaakte misstap van de verdachte. Verder is op de terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte, die heeft toegelicht een ‘enorme groei’ te hebben doorgemaakt, hard en goeddeels op eigen kracht werkt aan zijn toekomst. Zo heeft hij een vaste plek om te wonen en heeft hij betaald werk waarvoor hij gemotiveerd is en hij zelfs een jaarcontract heeft gekregen.

De raadsman heeft het hof verzocht om, gezien de bijzondere achtergrond van de verdachte, in dit arrest een overweging op te nemen aangaande de Verklaring omtrent het Gedrag (VOG), met – naar het hof begrijpt – als strekking dat de veroordeling van de verdachte geen nadelige gevolgen dient te hebben voor het verstrekken van een VOG. Het niet afgeven van zo’n verklaring kan de verdachte (langdurig) belemmeren in het doorgroeien in volgende functies, aldus de raadsman.

Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om een dergelijke overweging in het arrest op te nemen.

De beslissing over de verkrijging van een VOG is immers voorbehouden aan het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG), namens de Minister van Veiligheid en Justitie. Verder wijst het hof erop de vigerende beleidsregels voor het beoordelen van aanvragen tot verkrijging van een VOG (Staatscourant 2013, 5409) ruimte laten voor het meewegen van de omstandigheden van het geval, zoals de door het hof van belang geachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte kan het initiatief nemen het COVOG op die omstandigheden te wijzen.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 580,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het ontstaan van de schade, het causale verband met het bewezenverklaarde en de omvang van de schade zijn door de verdediging niet weersproken.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 180,00 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte niet zijn betwist. Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, eveneens gelet op de gemotiveerde, door de verdediging niet betwiste, stellingen van de benadeelde partij.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 400,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partij, zo komt naar voren uit zijn toelichting op de vordering, lang bang is geweest zijn telefoon in het openbaar te gebruiken of zich alleen op straat te begeven, en op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 580,00 (vijfhonderdtachtig euro) bestaande uit € 180,00 (honderdtachtig euro) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader [medeverdachte], hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 380,00 (driehonderdtachtig euro) bestaande uit € 180,00 (honderdtachtig euro) materiële schade en

€ 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader [medeverdachte] heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader [medeverdachte] voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 18 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. G. Oldekamp en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 maart 2016.

Mrs. J.J.I. de Jong, R.A.F. Gerding en A.S. Metgod zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[.......]

.