Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1207

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
23-005083-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1313, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugd. Poging tot diefstal in vereniging. Het hof is van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die het ten laste gelegde heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005083-15

datum uitspraak: 31 maart 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 3 december 2015 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-195474-14 (zaak A) en 13-049279-15 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres 1].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens de akte instellen hoger beroep van 16 december 2015, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het in zaak A (parketnummer 13-195474-14) ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

17 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 13-049279-15 (hierna: zaak B) ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 12 maart 2015 te Driehuis NH, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (tabaks)winkel gelegen aan de [adres 2] weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat winkelpand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen (door een torxschroef in de cilinder van het slot te draaien) bezig zijn geweest een slot van een deur van dat pand open te breken/te verwijderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem in zaak B ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van een poging tot inbraak. Getuige

[getuige] heeft slechts verklaard dat er is geschenen op de deur van de tabakswinkel en dat een jongen voor die deur op zijn knieën zat. Uit het dossier blijkt niet dat op het moment dat voornoemde getuige naar buiten keek, sprake was van een poging tot inbraak. Er zijn geen specifieke handelingen door getuige [getuige] waargenomen waaruit een poging kan worden opgemaakt, aldus de raadsvrouw.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende wettig, in ieder geval overtuigend bewijs is dat het de verdachte is geweest die de poging tot inbraak heeft gepleegd. De verdachte is weliswaar in de buurt van de tabakszaak aangetroffen in een auto, maar uit het dossier blijkt niet dat het de verdachte is geweest die op zijn knieën voor de tabakszaak zat, daar met een zaklamp aan het schijnen was en een torxschroef in het slot heeft aangebracht. Dat bij de verdachte een torxschroef is aangetroffen maakt dit niet anders nu dit niets over zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde zegt. Dat geldt eveneens voor het feit dat de in de auto aangetroffen torxschroevendraaier zou passen op de bij de verdachte aangetroffen torxschroef en overige in de auto aangetroffen attributen, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

De verbalisanten hebben geconstateerd dat in het slot van de toegangsdeur van de tabakswinkel een schroef zat gedraaid. Uit het dossier blijkt dat het de politie ambtshalve bekend is dat op deze wijze inbraken worden gepleegd.1 Het draaien van een schroef in de toegangsdeur levert derhalve een begin van uitvoering van een inbraak op.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 12 maart 2015, omstreeks 03.00 uur, zag dat een auto met daarin twee personen schuin tegenover de tabakswinkel [slachtoffer 1] parkeerde. Zij zag vervolgens dat een mannelijke bijrijder met een capuchon op zijn hoofd naar de winkel liep en met iets op het slot van de toegangsdeur scheen. Daarna stapte de tweede persoon uit de auto. De beide personen gingen samen aan de overzijde van de tabakswinkel staan en zij keken naar de voordeur van de tabakswinkel. De jongen met de capuchon op liep opnieuw naar de voordeur van de tabakswinkel en ging op zijn knieën zitten. Opnieuw werd het slot verlicht. De andere jongen liep naar de auto. Vervolgens stapten beide jongens in de auto en reed het voertuig in de richting van de [straat], aldus nog steeds getuige [getuige]2.

Verbalisant [verbalisant] reed die 12e maart 2015 omstreeks 03.14 uur op de Van den [straat] in de richting van de [adres 2] en kreeg van de meldkamer de opdracht om naar de [adres 2] te Driehuis te gaan omdat op dat moment gepoogd zou worden in te breken door twee jongens. Vervolgens hoorde verbalisant [verbalisant] dat de twee jongens waren weggereden in een kleine, donkerkleurige auto over de [adres 2] in de richting van de Van den [straat]. Verbalisant stond op dat moment stil op de verkeersrotonde Nicolaas Beetslaan/Van den [straat] en zag in de tegenovergestelde richting een kleine zwarte Fiat zijn kant oprijden met daarin twee jongens. In deze auto bleken de verdachte en zijn medeverdachte te zitten. Beiden zijn vervolgens aangehouden. Van de meldkamer kreeg de verbalisant de informatie dat collega’s een schroef in het slot van de voordeur van de winkel hadden aangetroffen3. Bij de verdachte is tijdens zijn fouillering in één van zijn zakken een torxschroef aangetroffen4 die overeenkomsten vertoont met de torxschroef die is aangetroffen in het slot van de voordeur van de tabakswinkel. In de auto waarin verdachte en zijn medeverdachte reden zijn voorts een stoffen zak, werkhandschoenen, een slotspray en twee lege rugzakken aangetroffen. Onder de motorkap lag een plastic tas met daarin een torxschroevendraaier, een schaar, een slotentrekker en een ratelsleutel. De ratelsleutel paste bij nader onderzoek exact op de slotentrekker. Teven paste de torxschroevendraaier precies op de torxschroef die bij de verdachte in de fouillering was aangetroffen5. De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens zijn aanhouding een zwarte capuchontrui aanhad.6

Het hof is gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, van oordeel dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die samen met een ander een poging tot inbraak in de tabakswinkel heeft gepleegd. De verdachte is met een ander midden in de nacht, kort na de ontdekking van de poging tot inbraak in de directe omgeving van de plaats delict met inbrekersgereedschap aangehouden, terwijl uit onderzoek is gebleken dat de torxschroef die de verdachte bij zich droeg overeenkomsten vertoont met de torxschroef die in het slot van de deur van de tabakswinkel is aangetroffen én de in de auto aangetroffen torxschroevendraaier perfect op die torxschroef paste. De auto waarin hij als bijrijder zat voldeed bovendien aan de beschrijving die de getuige heeft gegeven van de auto waarin de twee personen die de getuige eerder bij de tabakswinkel had gezien wegreden en dat de auto reed in de richting die de getuige had genoemd. Daarnaast droeg de verdachte tijdens zijn aanhouding een capuchontrui. Het hof betrekt bij zijn oordeel tevens dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de aanwezigheid van de torxschroef in zijn broekzak. Zo heeft hij tijdens zijn verhoor op 12 maart 2015 tegenover de politie verklaard dat de torxschroef die in zijn broekzak is aangetroffen hem niet bekend voorkomt, dat hij niet weet waar die schroeven voor gebruikt worden, hij nog nooit van een torxschroef heeft gehoord en dat het niet kan dat een torxschroef bij hem is aangetroffen.7 Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat de schroef uit zijn box kwam en in zijn broek is blijven hangen. In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat dat hij daarmee bedoelde dat hij was vergeten dat de schroef in zijn broek zat en verklaart hij meer gedetailleerd over de grootte van de schroef die in zijn fouillering is aangetroffen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 maart 2015 te Driehuis NH, gemeente Velsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een tabakswinkel gelegen aan de [adres 2] weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 1] en zich daarbij de toegang tot dat winkelpand te verschaffen door middel van braak, met zijn mededader, door een torxschroef in de cilinder van het slot te draaien bezig is geweest een slot van een deur van dat pand open te breken/te verwijderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een tabakswinkel. Bedrijfsinbraken zijn zeer ergerlijke feiten die naast financiële schade ook hinder en onrustgevoelens voor de benadeelden met zich brengen. Ter beveiliging hiertegen zien zij zich genoodzaakt kostbare maatregelen te treffen. Het hof ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting jeugd Amsterdam, welke dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en regelmatig worden geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door een first offender. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 maart 2016 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk voor een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht , alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak B (parketnummer 13-049279-15) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak B (parketnummer 13-049279-15) bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J.A.M. de Wit en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 maart 2016.

mr. P.F.E. Geerlings is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2015063038-15 van 12 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren] (dossierpagina 39).

2 Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2015063038-10 van 12 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [Opsporingsambtenaar] (dossierpagina’s 26-28).

3 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2015063038-8 van 12 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar D. [verbalisant] (dossierpagina’s 32-33).

4 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2015063038-14 van 12 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [Opsporingsambtenaar] (dossierpagina 35).

5 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2015063038-15 van 12 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaren] (dossierpagina’s 39-40).

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1100-2015063038-17 van 12 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [Opsporingsambtenaren] (dossierpagina’s 18-23).

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1100-2015063038-17 van 12 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [Opsporingsambtenaren] (dossierpagina’s 18-23).