Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1197

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
200.149.410/06 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OK; voorzitter van de Ondernemingskamer; Enquête; machtiging tot het doen van mededelingen uit het onderzoeksverslag aan derden; art. 2:353 lid 3 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/990
ARO 2016/77
JONDR 2016/576
JIN 2016/84 met annotatie van E. Baghery
OR-Updates.nl 2016-0116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

__________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.149.410/06 OK

beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 1 april 2016

inzake

1 [A] ,

2. [B],

3. [C] ,

4. [D],

5. [E],

6. mr. Antonie VAN HEES, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [F] , kantoorhoudende en aldus woonplaats hebbende te Amsterdam,

VERZOEKERS,

advocaat: mr. B.M. Katan, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MUSEUM VASTGOED GROEP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TREDAMER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTERS,

advocaten: mr. J. van Bekkum en mr. L. Stoppels, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[G],

gevestigd te [....] ,

2. [H],

wonend te [....] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAPIDUS HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. R.P.J.L. Tjittes en mr. J.W. de Jong, beiden kantoorhoudende te Den Haag.

1 Het verloop van het geding

1.1

De volgende partijen worden hierna als volgt aangeduid:

  • -

    verzoekers sub 1 tot en met 5 gezamenlijk als de erven;

  • -

    verzoeker sub 6 als de vereffenaar;

  • -

    de erven en de vereffenaar gezamenlijk ook als verzoekers;

  • -

    Museum Vastgoed Groep B.V. als MVG;

  • -

    Tredamer B.V. als Tredamer;

  • -

    MVG en Tredamer gezamenlijk ook als MVG c.s.;

  • -

    [G] als [G] ;

  • -

    belanghebbenden sub 1 tot en met 3 gezamenlijk als [G] c.s.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de voorzitter van de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaken van 23 en 24 december 2014, 5 januari 2015, 27 januari 2016, 16 februari 2016 en heden.

1.3

Bij de beschikkingen van 23 en 24 december 2014 en 5 januari 2015 heeft de Ondernemingskamer - voor zover hier van belang - een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van MVG en van Tredamer, mr. F.D. Stibbe benoemd tot onderzoeker, alsmede - bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding - [G] geschorst als bestuurder van MVG en Tredamer, en ing. G.C.J. Verweij benoemd tot bestuurder van MVG en Tredamer. Bij beschikking van 18 maart 2016 heeft de Hoge Raad het tegen de beschikking van 23 december 2014 ingestelde cassatieberoep verworpen.

1.4

Bij de beschikking van 27 januari 2016 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het op die dag ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegde verslag met bijlagen van het bij beschikking van 23 december 2014 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van MVG en van Tredamer (hierna: het onderzoeksverslag) ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.

1.5

Bij verzoekschrift (met productie), ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 16 februari 2016 hebben verzoekers de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht om hen te machtigen tot het doen van mededelingen uit het onderzoeksverslag aan primair een ieder, en subsidiair aan bepaalde in het verzoekschrift genoemde derden, te weten:

( i) de rechter-commissaris in de vereffening van de nalatenschap van [F] (hierna: [F] ), thans mr. Dudok van Heel;

(ii) (de vertegenwoordigers van) de schuldeisers van de nalatenschap van [F] , in het bijzonder:

a. de officieren van justitie van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM), thans mr. P.P.A.M. Notenboom en mr. S. de Vries, die zijn belast met het terugvorderen van wederrechtelijk verkregen voordeel door [F] en zijn erfgenamen;

b. de medewerkers van de Belastingdienst, thans H.W.G. Sweerts en N.T. Grootjen, die zijn belast met inning van de vorderingen van de fiscus op de nalatenschap;

c. de advocaat die BOOM en de Belastingdienst in voormelde aangelegenheid bijstaat, thans mr. W. Heemskerk;

d. (medewerkers van) Berlin-Hannoversche Hypothekenbank AG (BerlinHyp) en diens advocaat, thans mr. J.A. Stal;

(iii) de advocaten of gemachtigden van de erven die hen bijstaan bij de afwikkeling van de nalatenschap,

a. voor verzoekers sub 1 tot en met 3: thans mr. J.P. Koets;

b. voor verzoeker sub 4: thans mr. J. van der Steenhoven;

c. naar de Ondernemingskamer begrijpt voor verzoekster sub 5: de persoon die gaat optreden als advocaat of gemachtigde en zich als zodanig bij de vereffenaar zal melden;

(iv) betrokkenen bij door de vereffenaar tegen [G] c.s. en/of aan hen gelieerde vennootschappen aan te vangen gerechtelijke procedures;

( v) betrokkenen bij de door de vereffenaar tegen [I] c.s. aangevangen gerechtelijke procedure bij de rechtbank Amsterdam onder zaaknummer C/13/598697 in eerste aanleg en in eventuele verdere instanties.

1.6

Verzoekers hebben dit machtigingsverzoek uitsluitend ingediend voor zover het door hen eveneens op 16 februari 2016 op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW ingediende verzoek om te bepalen dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder, althans voor de door hen nader genoemde (rechts)personen, wordt afgewezen.

1.7

Bij verweerschrift (met productie), ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 7 maart 2016, hebben MVG c.s. geconcludeerd tot afwijzing van het primaire verzoek en tot toewijzing van het subsidiaire verzoek met betrekking tot de personen die zijn genoemd in 1.5 onder (i), (ii) a, b en c, en onder (iii) en tot afwijzing van het subsidiaire verzoek met betrekking tot de onder (iv) en (v) genoemde personen. Ten aanzien van de personen bedoeld in 1.5 onder (ii) sub d hebben MVG c.s. geconcludeerd tot afwijzing indien en voor zover verzoekers niet voldoende (nader) toelichten dat en waarom die personen belang hebben om van (mededelingen uit) het onderzoeksverslag kennis te nemen.

1.8

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 7 maart 2016 hebben [G] c.s. geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

1.9

Bij de beschikking van heden met zaaknummer 200.149.410/05 OK heeft de Ondernemingskamer het verzoek van verzoekers om te bepalen dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder, althans voor de door hen nader genoemde (rechts)personen, afgewezen.

2 De gronden van de beslissing

2.1

Gelet op de beschikking van heden van de Ondernemingskamer, strekkende tot afwijzing van het verzoek tot terinzagelegging van het onderzoeksverslag voor een ieder, althans voor de door hen nader genoemde (rechts)personen, is thans het machtigingsverzoek aan de orde.

2.2

Verzoekers hebben aan dat verzoek samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Ter uitoefening van zijn wettelijke taak om de nalatenschap van [F] af te wikkelen, waarvan de aandelen in MVG veruit het belangrijkste vermogensbestanddeel vormen, legt de vereffenaar verantwoording af aan diverse personen die er belang bij hebben kennis te kunnen nemen van het onderzoeksverslag. De omvang en samenstelling van die groep personen staat niet op voorhand vast en kan in de loop der tijd wisselen. De vereffenaar heeft er belang bij om vrijelijk mededelingen uit het onderzoeksverslag aan derden te kunnen doen. De noodzaak om van geval tot geval aan de voorzitter van de Ondernemingskamer te verzoeken om een machtiging daartoe, legt een onevenredig beslag op de boedel en leidt in aanhangige gerechtelijke procedures tot ernstige processuele complicaties. De erven zullen over de resultaten van het onderzoeksverslag willen kunnen overleggen met naasten of adviseurs ter bepaling van de betekenis daarvan voor hen, aldus verzoekers.

2.3

Het primaire verzoek van verzoekers om een machtiging om aan een ieder mededelingen uit het onderzoeksverslag te doen is naar het oordeel van de voorzitter van de Ondernemingskamer te ruim en ongespecificeerd. Het zal daarom worden afgewezen.

2.4

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek oordeelt de voorzitter van de Ondernemingskamer als volgt.

2.5

Het belang van de erven en de vereffenaar om uit het onderzoeksverslag mededelingen te kunnen doen aan advocaten of gemachtigden van de erven (1.5 onder (iii)) acht de voorzitter van Ondernemingskamer voldoende zwaarwegend voor toewijzing van het verzoek. Dat geldt evenzeer voor het belang om mededelingen te kunnen doen aan de rechter-commissaris in de vereffening van de nalatenschap van [F] (verzoek in 1.5 onder (i)) en aan (vertegenwoordigers van) de genoemde schuldeisers van de nalatenschap van [F] (verzoek in 1.5 onder (ii)). Bij het voorgaande is in aanmerking genomen dat bij de beoordeling van een verzoek op de voet van artikel 2:353 lid 3 BW het belang van de vennootschappen, MVG en Tredamer, voorop staat en dat zij hebben geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover dat strekt tot het doen van mededelingen aan de hiervoor genoemde personen. Ten aanzien van BerlinHyp (verzoek in 1.5 onder (ii) sub d) hebben MVG c.s. gesteld dat dat verzoek bij gebrek aan een nadere toelichting zou moeten worden afgewezen. Nu MVG c.s. de positie van BerlinHyp als schuldeiser van de nalatenschap van [F] echter niet hebben weersproken en niet valt in te zien in welk opzicht een onderscheid met de andere schuldeisers, ten aanzien van wie MVG c.s. geen bezwaar hebben tegen toewijzing van het machtigingsverzoek, gerechtvaardigd zou zijn, acht de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek ook in zoverre toewijsbaar.

2.6

Het verweer van [G] c.s. dat inhoudt dat zij geen bezwaar hebben tegen verlening van inzage aan de in 1.5 sub (i) tot en met (iii) genoemde personen, maar wel tegen machtiging tot het doen van mededelingen uit het onderzoeksverslag aan deze personen is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat bij inzageverlening de Ondernemingskamer geen kopie van het onderzoeksverslag verstrekt, terwijl degene aan wie machtiging is verleend tot het doen van mededelingen uit het verslag, het volledige verslag ter beschikking mag stellen aan de derde. De Ondernemingskamer verstrekt desgevraagd aan degenen voor wie het verslag ter inzage ligt een kopie van het onderzoeksverslag en in zoverre bestaat dus geen verschil met de situatie na toewijzing van een machtigingsverzoek; de gemachtigde kan in dat geval kopie van het onderzoeksverslag toezenden aan degenen aan wie op grond van de machtiging mededelingen uit het verslag mogen worden gedaan. Dit alles laat onverlet dat het ook aan degenen aan wie, op grond van een machtiging, mededelingen uit het verslag zijn gedaan, is verboden op hun beurt mededelingen aan derden te doen uit het verslag, tenzij zij zelf daartoe gemachtigd zijn door de voorzitter van de Ondernemingskamer.

2.7

Ten aanzien van het verzoek onder 1.5 sub (iv) geldt het volgende. Verzoekers hebben meegedeeld voornemens te zijn rechtsmaatregelen te nemen tegen “( [G] c.s.) en/of aan hen gelieerde vennootschappen”. Het gaat daarbij, aldus verzoekers, niet alleen om maatregelen (waaronder strafrechtelijk aangifte) tegen [G] zelf, maar mogelijk ook tegen andere partijen, nu [G] gebruik maakt van vele personen en rechtspersonen. Nu deze procedures nog niet zijn aangevangen en niet voldoende duidelijk is gemaakt tegen wie die gericht zullen zijn - verzoekers hebben niet toegelicht welke (rechts)personen tot de categorie “( [G] c.s.) en/of aan hen gelieerde vennootschappen” behoren - acht de voorzitter van de Ondernemingskamer het machtigingsverzoek met betrekking tot die procedures niet toewijsbaar.

2.8

Het machtigingsverzoek onder 1.5 sub (v) heeft betrekking op een reeds aanhangige procedure van de vereffenaar tegen [I] v.o.f. en aan haar gelieerde (rechts)personen (hierna: [I] c.s.). De vordering van de vereffenaar strekt - naar de voorzitter van de Ondernemingskamer begrijpt - tot vergoeding van schade die is geleden door - beweerdelijk onrechtmatig - handelen van [I] c.s. bij het verrichten van taxaties van het Go Planet complex (destijds eigendom van de MvG groep). De voorzitter acht het - gelet op de inhoud van het onderzoeksverslag - voldoende aannemelijk dat het onderzoeksverslag van belang zal kunnen zijn voor de oordeelsvorming in die gerechtelijke procedure. Voldoende aannemelijk is voorts dat [I] c.s. nauw betrokken waren bij een deel van het onderzochte beleid van MVG, ten aanzien van het Go Planet complex in Enschede. Dat rechtvaardigt het verlenen van een machtiging tot het doen van mededelingen uit het verslag in de procedure tegen [I] c.s. Van belangen die daar (voldoende) tegen opwegen is niet gebleken. Het verweer van MVG c.s. dat het aan MVG is om haar eigen schade te verhalen en dat zij er belang bij heeft om niet te worden belemmerd in haar toekomstige verhaalsacties en dat de reeds aanhangige procedure de toekomstige acties van MVG in onwenselijke mate doorkruist, doet niet af aan de toewijsbaarheid van het hier aan de orde zijnde machtigingsverzoek, omdat dit verweer betrekking heeft op de toewijsbaarheid van de door de vereffenaar jegens [I] c.s. ingestelde vordering, waarop de voorzitter van de Ondernemingskamer niet vooruit kan lopen. Wel dient de te verlenen machtiging te worden beperkt tot gebruik in de desbetreffende procedure voor zover de vereffenaar dat gebruik ter toelichting en/of (ondersteuning van) bewijs van zijn stellingen nodig heeft.

2.9

De slotsom is dat het subsidiaire verzoek als weergegeven in 1.5 onder (i) tot en met (iii) en (v) wordt toegewezen en het verzoek voor het overige wordt afgewezen.

3 De beslissing

De voorzitter van de Ondernemingskamer:

machtigt de erven en de vereffenaar om uit het verslag met bijlagen van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van MVG en Tredamer, neergelegd ter griffie van de Ondernemingskamer op 27 januari 2016, mededelingen te doen aan

( i) de rechter-commissaris in de vereffening van de nalatenschap van [F] , thans mr. Dudok van Heel;

(ii) (de vertegenwoordigers van) de volgende schuldeisers van de nalatenschap van [F] :

a. de officieren van justitie van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM), thans mr. P.P.A.M. Notenboom en mr. S. de Vries, die zijn belast met het terugvorderen van wederrechtelijk verkregen voordeel door [F] en zijn erfgenamen;

b. de medewerkers van de Belastingdienst, thans H.W.G. Sweerts en N.T. Grootjen, die zijn belast met inning van de vorderingen van de fiscus op de nalatenschap;

c. de advocaat die BOOM en de Belastingdienst in voormelde aangelegenheid bijstaat, thans mr. W. Heemskerk;

d. (medewerkers van) Berlin-Hannoversche Hypothekenbank AG (BerlinHyp) en diens advocaat, thans mr. J.A. Stal;

(iii) de advocaten of gemachtigden van de erven die hen bijstaan bij de afwikkeling van de nalatenschap,

a. voor verzoekers sub 1 tot en met 3: thans mr. J.P. Koets;

b. voor verzoeker sub 4: thans mr. J. van der Steenhoven;

c. voor verzoekster sub 5: de persoon die voor haar gaat optreden als advocaat of gemachtigde en zich als zodanig bij de vereffenaar zal melden;

en machtigt de vereffenaar om uit het verslag met bijlagen van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van MVG en Tredamer, neergelegd ter griffie van de Ondernemingskamer op 27 januari 2016, mededelingen te doen

(iv) in de door hem bij de rechtbank Amsterdam onder zaaknummer C/13/598697 aanhangig gemaakte procedure tegen [I] c.s., tevens in hoger beroep en in (een verwijzing na) cassatie, ter toelichting en/of (ondersteuning van) bewijs van zijn stellingen in die procedure;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van
mr. R. Verheggen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2016.