Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1186

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
200.177.143/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Uitleg beëindigingsovereenkomst.

Beroep op opschortende en ontbindende voorwaarden.

Betekenis tekst Sociaal Plan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 22
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 900
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1016
RAR 2016/100
JAR 2016/145
AR-Updates.nl 2016-0385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.177.143/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3635831 CV EXPL 14-33503

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 maart 2016

inzake

ABN AMRO ARBO SERVICES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

tegen

[X] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. van der Staaij te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Arbo Services en [X] genoemd.

Arbo Services is bij dagvaarding van 14 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [X] als eiser en Arbo Services als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Arbo Services heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, alsnog de vordering van [X] zal afwijzen en - uitvoerbaar bij voorraad – [X] zal veroordelen tot terugbetaling aan Arbo Services van hetgeen op grond van het bestreden vonnis reeds aan hem is betaald, te weten € 189.167,22, met rente, met veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties.

[X] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Arbo Services in de kosten van het geding in hoger beroep.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.15, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

[X] , geboren [in] 1961, is vanaf 1 april 1986 werkzaam geweest bij (de rechtsvoorganger van) Arbo Services, laatstelijk in de functie van hoger veiligheidsdeskundige/ergonoom. Op de dienstbetrekking is van toepassing de Sociaal Plan CAO 2013-2015 (verder: het Sociaal Plan). Het Sociaal Plan luidt, voor zover van belang, als volgt:

IV. Plaatsing in de Mobiliteitsorganisatie door reorganisatie

1. Passende functie

In deze CAO betekent een passende functie een functie die aansluit bij de volgende feiten en omstandigheden die in onderling verband en samenhang worden gewogen:

• de vakkennis en ervaring;

• de persoonlijke kwaliteiten en inkomen;

• de ambitie, wensen en ontwikkelingsmogelijkheden en

• de persoonlijke omstandigheden van de Medewerker en zijn gezin.

(…)

3. Plaatsing in de Mobiliteitsorganisatie

(…) De mondelinge of schriftelijke mededeling tot plaatsing in de Mobiliteitsorganisatie wordt uiterlijk drie maanden vóór de plaatsing gedaan (…)

Indien gedurende deze drie maanden een passende functie wordt gevonden, is de Medewerker verplicht deze te aanvaarden en kan de Medewerker niet kiezen voor de stimuleringspremie genoemd onder IV.5. Weigert de Medewerker die passende functie, dan zal de Bank (hof: bedoeld is Arbo Services) zijn arbeidsovereenkomst beëindigen zonder enige vergoeding. (…)

4. Stimuleringspremie als alternatief

Indien gedurende de drie maanden voorafgaand aan plaatsing in de Mobiliteitsorganisatie geen passende functie is gevonden of als hij niet geplaatst kan worden in bijvoorbeeld een tijdelijke passende functie of project, kan de Medewerker (…) als alternatief voor zijn plaatsing in de Mobiliteitsorganisatie kiezen voor een vrijwillig vertrek bij de Bank (hof: bedoeld is Arbo Services) met een stimuleringspremie. In dat geval eindigt het dienstverband met de Bank met wederzijds goedvinden per de datum waarop de Medewerker in de Mobiliteitsorganisatie zou zijn geplaatst (…)’.

3.1.2.

Arbo Services is een arbodienst en is een dochtermaatschappij van ABN Amro Bank N.V. (verder: ABN Amro). ABN Amro is haar grootste klant. Arbo Services is, naar aanleiding van een besluit van ABN Amro om minder diensten van haar af te nemen, overgegaan tot een personeelsreductie. Arbo Services heeft, nadat haar ondernemingsraad positief had geadviseerd over de reorganisatie, bij brief van 25 maart 2014 onder meer het volgende aan [X] meegedeeld:

‘In aansluiting op het persoonlijke gesprek in het kader van de reorganisatie (...) bevestigen wij dat u niet bent geplaatst in de nieuwe organisatie.

De komende periode zal uw leidinggevende met u in gesprek gaan over de (her)plaatsingsmogelijkheden in een passende functie. Indien een dergelijke functie wordt aangeboden, bent u verplicht deze te aanvaarden. Indien er (nog) geen passende functie beschikbaar is, bestaat de mogelijkheid dat u wordt geplaatst in bijvoorbeeld een tijdelijke passende functie of project, waardoor plaatsing in de mobiliteitsorganisatie zal worden uitgesteld.

Indien voor 1 juli 2014 geen passende functie beschikbaar is of plaatsing in een tijdelijke passende functie of project niet is gerealiseerd, wordt u per 1 juli 2014 geplaatst in de mobiliteitsorganisatie van de bank. Tot die datum blijft u werkzaam in uw huidige functie.

(…)

Als alternatief voor de plaatsing in de mobiliteitsorganisatie kunt u op grond van IV.4 Sociaal Plan CAO kiezen voor een vertrek bij de bank met een stimuleringspremie (…)’.

3.1.3.

[X] heeft op 8 april 2014 gekozen voor vertrek bij Arbo Services per 1 juli 2014 en uitbetaling van een stimuleringspremie, onder toepassing van het Sociaal Plan, ten bedrage van € 172.797,37 bruto. Partijen hebben in verband met deze keuze op 11 april 2014 een beëindigingsovereenkomst (verder ook: de overeenkomst) ondertekend, welke onder meer inhoudt:

‘1. PROCEDURE en OPSCHORTENDE/ONTBINDENDE VOORWAARDEN

a.

De arbeidsovereenkomst tussen Werkgever en Werknemer eindigt met wederzijds goedvinden uiterlijk per 1 juli 2014.

b.

Als Werkgever Werknemer vóór deze beëindigingsdatum (alsnog) plaatst in een tijdelijke passende functie of project, wordt deze datum opgeschort/verschoven voor de duur van die functie of dat project. (…)

c.

Als Werkgever Werknemer vóór de (al dan niet opgeschorte/verschoven) beëindigingsdatum (alsnog) in een passende functie plaatst – dit is dus ook nog mogelijk ook al heeft Werknemer deze overeenkomst al getekend – vervalt deze beëindigingsovereenkomst in zijn geheel, zal de arbeidsovereenkomst in stand blijven en kan Werknemer geen aanspraak (meer) maken op de vergoeding (…)

2. VERGOEDING

a.

Indien en nadat de arbeidsovereenkomst is beëindigd, zal Werkgever (…) Werknemer een vergoeding verstrekken (…)’.

3.1.4.

ABN Amro heeft in juni 2014 aan Arbo Services bericht dat zij het voorgenomen besluit tot wijziging van het verzuimbeleid niet aan het juiste medezeggenschapsorgaan had voorgelegd en dat, totdat dit traject alsnog was afgerond, de dienstverlening door Arbo Services op de tot dan toe geldende voorwaarden werd voortgezet. Arbo Services heeft haar reorganisatiebesluit vervolgens opgeschort en bij brief van 12 juni 2014 aan [X] meegedeeld dat zijn aanzegperiode werd verlengd en zijn boventalligheid werd uitgesteld. [X] heeft zich na ontvangst van de brief ziek gemeld. Hij is per 30 juni 2014 hersteld verklaard.

3.1.5.

Arbo Services heeft zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet per 1 juli 2014 is geëindigd omdat de in de beëindigingsovereenkomst opgenomen opschortende en ontbindende voorwaarden zijn vervuld. Zij heeft [X] bij brief van 30 juni 2014 gesommeerd zijn werkzaamheden te hervatten en hem aangezegd dat zij de loonbetaling zal stopzetten indien hij zijn werk niet uiterlijk per 1 juli 2014 heeft hervat. [X] heeft zich op het standpunt gesteld dat het dienstverband ingevolge de overeenkomst is beëindigd en heeft aanspraak gemaakt op betaling van de stimuleringspremie. Hij heeft zijn werkzaamheden niet hervat en is per 7 juli 2014 elders in dienst getreden.

3.1.6.

[X] heeft een klacht ingediend bij de geschillencommissie die ingevolge het Sociaal Plan is ingesteld (verder: de Geschillencommissie). De Geschillencommissie heeft bij uitspraak van 9 oktober 2014 beslist dat de onderhavige situatie buiten het bereik van het Sociaal Plan valt en dat het Sociaal Plan niet van toepassing is, hetgeen leidt tot niet-ontvankelijkheid van de klacht.

3.1.7.

ABN Amro heeft in november 2014 overleg gehad met haar ondernemingsraad over het al dan niet afnemen van een gewijzigd dienstenpakket van Arbo Services. Arbo Services heeft vervolgens haar reorganisatiebesluit ingetrokken. Zij heeft [X] bij brief van 12 januari 2015 bericht dat het intrekken van het reorganisatiebesluit tot gevolg heeft dat de situatie in de oude toestand zal blijven en dat hij niet boventallig wordt.

3.2.

[X] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, (a) te verklaren voor recht dat het dienstverband tussen partijen tot een einde is gekomen als gevolg van de beëindigingsovereenkomst en dat Arbo Services gehouden is deze overeenkomst na te komen en (b) Arbo Services te veroordelen tot betaling aan hem van € 172.797,37 bruto met rente en kosten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de in de overeenkomst opgenomen voorwaarden niet zien op de situatie dat een reorganisatiebesluit wordt opgeschort en, subsidiair, dat een beroep van Arbo Services op de voorwaarden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en met de zorgvuldigheid die van een werkgever mag worden verwacht. Arbo Services heeft een beroep gedaan op de opschortende en de ontbindende voorwaarden, stellende dat deze zijn vervuld, en heeft bovendien betwist dat haar beroep op deze voorwaarden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis, kort gezegd, het volgende overwogen. Arbo Services heeft bij de (onder 3.1.4 genoemde) brief van 12 juni 2014 aan [X] meegedeeld dat de boventalligheid wordt uitgesteld en heeft hem gevraagd zijn werkzaamheden voort te zetten. Feitelijke plaatsing in een al dan niet tijdelijke passende functie heeft niet plaatsgevonden. Aangenomen moet worden dat met een passende functie niet is bedoeld de eigen functie. Dit is in lijn met de uitspraak van de Geschillencommissie waarin is geoordeeld dat het Sociaal Plan niet voorziet in de onderhavige situatie. De kantonrechter heeft op grond van een en ander de vorderingen van [X] toegewezen en Arbo Services in de proceskosten veroordeeld. Arbo Services komt met haar grieven op tegen deze beslissingen en tegen de overwegingen die daartoe hebben geleid. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4.

De kantonrechter heeft overwogen dat voor de uitleg van de bepalingen in de overeenkomst in beginsel het Haviltex-criterium geldt, zodat het niet alleen gaat om de letterlijke bewoordingen maar ook om de bedoeling van partijen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Gelet op de basis die de overeenkomst heeft in het Sociaal Plan dat de status van cao heeft zal ook acht worden geslagen op de bewoordingen van de bepalingen van de overeenkomst in het licht van de gehele tekst van het Sociaal Plan, zo overweegt de kantonrechter verder. Arbo Services heeft geen grief gericht tegen deze overwegingen maar [X] heeft daartegen bij memorie van antwoord wel bezwaren geuit. Het hof zal in het navolgende nog op deze bezwaren ingaan en volstaat thans ermee dat het zich aansluit bij hetgeen de kantonrechter omtrent de uitleg van de overeenkomst heeft overwogen.

3.5.

Het hof overweegt dat doel en strekking van het Sociaal Plan is om een regeling te bieden onder meer voor het geval dat de functie van een werknemer vervalt. Daarbij is één van de uitgangspunten, zo blijkt mede uit hoofdstuk II van het Sociaal Plan, dat plaatsing in de mobiliteitsorganisatie zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Sociaal Plan biedt aan de werknemers die toch in die mobiliteitsorganisatie worden geplaatst de mogelijkheid om, tenzij gedurende de aanzeggingstermijn alsnog een passende functie wordt aangeboden, in plaats daarvan te kiezen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder betaling van een stimuleringspremie. [X] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt waarna ter uitwerking van deze keuze de beëindigingsovereenkomst is opgesteld en door partijen ondertekend. In die overeenkomst is, in overeenstemming met de strekking van het Sociaal Plan, als voorwaarde opgenomen dat de beëindigingsdatum, en daarmee de betaling van de premie, wordt opgeschort in het geval dat de werknemer alsnog in een tijdelijke passende functie wordt geplaatst en dat de overeenkomst geheel vervalt indien de werknemer alsnog (voor onbepaalde duur) in een passende functie wordt geplaatst. Het hof is gelet op een en ander van oordeel dat de in de overeenkomst neergelegde voorwaarden zodanig dienen te worden uitgelegd dat deze ook zijn vervuld indien gedurende de aanzeggingstermijn alsnog wordt aangeboden verder te werken in de eigen functie. Daarmee wordt immers, net als met een plaatsing in een andere dan de eigen functie, voorkomen dat de medewerker wordt geplaatst in de mobiliteitsorganisatie. Deze uitleg strookt met doel en strekking van het Sociaal Plan, met het uitgangspunt dat plaatsing in de mobiliteitsorganisatie zoveel mogelijk wordt voorkomen en met het uitgangspunt dat de stimuleringspremie wordt aangeboden als alternatief voor plaatsing in die mobiliteitsorganisatie. Daarbij komt dat nergens in de overeenkomst en het Sociaal Plan uitdrukkelijk wordt uitgesloten dat ook de eigen functie een passende functie is en dat het aanmerken van de eigen functie als passend bovendien in de rede ligt, zodat partijen dit bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs behoorden te begrijpen.

3.6.

Dat in zijn algemeenheid bij een reorganisatie met passend werk wordt gedoeld op ander werk dan het eigen werk, zoals [X] aanvoert, is van onvoldoende betekenis om tot een ander oordeel te komen. Het hof merkt daarbij op dat het niet ongebruikelijk is dat een werknemer bij een reorganisatie feitelijk terugkeert in de eigen functie maar dan bij een ander bedrijfsonderdeel. Het ligt bovendien voor de hand dat de voorwaarde dat het aangeboden werk passend is, strekt ter bescherming van de werknemer tegen een onredelijk aanbod van de zijde van de werkgever. De definitie van een passende functie, zoals in het Sociaal Plan onder IV.1 gegeven, bevestigt deze beschermingsgedachte nu het aan te bieden werk dient aan te sluiten bij kennis, ervaring, ambities en persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Het aanbieden van het eigen werk voldoet logischerwijs aan dit vereiste, wat te meer aanleiding geeft te veronderstellen dat het eigen werk als passend werk dient te worden gezien.

3.7.

Evenmin is van voldoende betekenis dat in het geval van [X] geen sprake is van plaatsing in een functie (in bijvoorbeeld een ander bedrijfsonderdeel) maar van voortzetting van de eigen functie. Het gaat er immers in de kern om dat [X] alsnog is aangeboden om verder te werken in zijn eigen functie zodat er geen reden was hem te plaatsen in de mobiliteitsorganisatie. Van voldoende gewicht is evenmin dat de achtergrond van dit aanbod was dat de gehele reorganisatie werd opgeschort. Het resultaat is immers dat [X] het aanbod kreeg om in de eigen - passende - functie verder te gaan en niet in de mobiliteitsorganisatie hoefde te worden geplaatst. Daarmee is naar het oordeel van het hof voldaan aan de in de overeenkomst opgenomen opschortende en ontbindende voorwaarden.

3.8.

Dat het aanbod is gedaan enkele weken voorafgaand aan de overeengekomen beëindigingsdatum, maakt het voorgaande ook niet anders. De beëindigingsdatum is voorwaardelijk overeengekomen en zowel de tekst van de overeenkomst als die van het Sociaal Plan maken het mogelijk dat Arbo Services gedurende de gehele aanzeggingstermijn en dus tot aan de beëindigingsdatum passend werk kan aanbieden. [X] is ook erop gewezen dat het recht op stimuleringspremie vervalt als hem passend werk wordt aangeboden voorafgaand aan plaatsing in de mobiliteitsorganisatie, zowel in de begeleidingsbrief bij de overeenkomst als in een eerdere brief van 14 februari 2014 waarin hem de hoogte van de voor hem geldende stimuleringspremie werd meegedeeld.

3.9.

[X] voert nog aan dat het opschorten en vervolgens intrekken van het reorganisatiebesluit, waardoor geen functies meer zijn vervallen, tot gevolg heeft dat het Sociaal Plan niet (meer) van toepassing is zodat aan de uitleg daarvan niet meer wordt toegekomen. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van de Geschillencommissie. De overeenkomst moet dan ook, zo betoogt hij, (uitsluitend) worden uitgelegd conform de Haviltex-formule. Het hof overweegt dat, wat er ook zij van de gelding van het Sociaal Plan naar aanleiding van de onderhavige feiten, partijen bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst uitgingen van de gelding daarvan en daarnaar uitdrukkelijk verwezen. Bij de uitleg van de overeenkomst komt dan ook betekenis toe aan de tekst van het Sociaal Plan op de hiervoor weergegeven wijze.

3.10.

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven van Arbo Services slagen. De vorderingen van [X] kunnen gelet op het hiervoor overwogene niet worden toegewezen op de primair door hem aangevoerde grondslag.

3.11.

[X] heeft zich subsidiair nog op het standpunt gesteld dat een beroep op de ontbindende en opschortende voorwaarden in de gegeven omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Hij wijst erop dat hij erop mocht vertrouwen dat de gemaakte afspraken door zouden gaan, dat partijen tot 1 juli 2014 en dus meer dan drie maanden daarnaar hebben gehandeld, dat hij zijn werk heeft overgedragen en een tijdelijke opvolger heeft ingewerkt, dat er een afscheidsetentje was gepland, dat hij elders heeft gesolliciteerd en feitelijk een andere dienstbetrekking had aanvaard. Hij voert in dit verband voorts aan dat de gevolgen van een onjuistheid in de besluitvorming bij ABN Amro, te weten het voorbijgaan aan het juiste medezeggenschapsorgaan, niet voor zijn rekening dienen te komen.

3.12.

Het hof overweegt naar aanleiding van deze stellingen het volgende. Arbo Services heeft [X] reeds bij brief van 14 februari 2014 (productie 3 bij conclusie van antwoord) erop gewezen dat het recht op een stimuleringspremie vervalt indien er alsnog een passende functie beschikbaar is voorafgaand aan de plaatsing in de mobiliteitsorganisatie. Ook in de brief van 11 april 2014 waarbij de overeenkomst is aangeboden, wordt uitdrukkelijk daarvoor gewaarschuwd en wordt bovendien erop gewezen dat dit ook geldt indien de beëindigingsovereenkomst al is ondertekend. [X] heeft gelet daarop alleen aan het feitelijk voorbereiden van zijn vertrek niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat hij hoe dan ook recht zou hebben op de vertrekpremie. Ook aan het uitblijven van een aanbod van passend werk gedurende enige maanden heeft hij een dergelijk vertrouwen niet mogen ontlenen. Die mogelijkheid volgde immers uit hetgeen in de overeenkomst onder 1.c is overeengekomen en is in de brief van 11 april 2014, tweede alinea, ook onderkend. Het is bovendien zijn eigen afweging geweest om ondanks deze onzekere situatie elders te solliciteren. [X] heeft overigens niet aangevoerd dat hij zich reeds onvoorwaardelijk had verbonden om voor een derde te gaan werken zodat de relevantie van zijn sollicitatiepogingen gering is. Voorts kan niet worden gezegd dat de gevolgen van een onjuiste besluitvorming bij ABN Amro voor zijn rekening zijn gekomen: gevolg daarvan is immers slechts geweest dat hij zijn dienstverband bij Arbo Services ongewijzigd kon voortzetten. Wel is enige tijd sprake geweest van onzekerheid over de voortzetting van zijn dienstverband maar in die tijd is hem voorgehouden dat hij bij beëindiging van zijn dienstverband een stimuleringpremie zou ontvangen. Een en ander is onvoldoende om te concluderen dat een beroep op de opschortende en de ontbindende voorwaarden onder de gegeven omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of met goed werkgeverschap, zoals [X] bepleit.

3.13.

De conclusie is dat er geen grond is voor toewijzing van de vorderingen van [X] .

3.14.

De grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vorderingen van [X] zullen alsnog worden afgewezen en de vordering van Arbo Services tot terugbetaling van hetgeen zij reeds ingevolge het bestreden vonnis heeft voldaan, zal worden toegewezen zoals gevorderd, aangezien [X] niet heeft weersproken dat het desbetreffende bedrag aan hem is betaald. [X] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [X] af;

en voorts:

veroordeelt [X] tot terugbetaling aan Arbo Services van hetgeen op grond van het bestreden vonnis reeds aan hem is betaald, te weten € 189.167,22, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de diverse betaaldata;

veroordeelt [X] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van Arbo Services begroot op € 3.864,- aan verschotten en € 2.842,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 5.237,84 aan verschotten en € 2.632,- voor salaris;

verklaart bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, R.J.F. Thiessen en W.H.F.M. Cortenraad en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2016.