Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1170

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
200.153.281/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountant wijst cliënt op investeringsproject waarin hij zelf via zijn persoonlijke beleggingsvennootschap al heeft geïnvesteerd en gaat vervolgens met de cliënt een samenwerkingsverband aan. Deze handelingen staan in een zo ver verwijderd verband van de gebruikelijke (accountants)werkzaamheden van de accountant dat van een aan die hoedanigheid verbonden bijzondere zorgplicht geen sprake kan zijn. Voor aansprakelijkheid van de werkgever van de accountant op grond van 6:171 BW is eveneens onvoldoende gesteld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 171
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.153.281/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/540420 / HA ZA 13-462

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 maart 2016

inzake

1. de besloten vennootschap

PAEREL INVESTMENT B.V.,

voorheen genaamd DELTA FINANCE AMSTERDAM BV,

gevestigd te Amsterdam

[appellant sub 2] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellanten,

advocaat: mr. F.L. Bolkestein te Den Haag,

tegen

1 de naamloze vennootschap

PRICEWATERHOUSECOOPERS ACCOUNTANTS N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde sub 1,

advocaat: mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam,

2 [geïntimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde sub 2,

advocaat: mr. B. ten Doesschate te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk DFA, [appellant sub 2] , PWC en [geïntimeerde sub 2] genoemd. DFA en [appellant sub 2] zullen gezamenlijk worden aangeduid als [appellanten]

zijn bij dagvaardingen van 16 respectievelijk 18 juli 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en PWC en [geïntimeerde sub 2] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord van PWC;

- memorie van antwoord met producties van [geïntimeerde sub 2] ;

Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 oktober 2015 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van appellanten zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten in beide instanties met nakosten en rente, alsmede hoofdelijke veroordeling van PWC en [geïntimeerde sub 2] tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] op grond van het vonnis aan hen hebben betaald, vermeerderd met rente.

PWC heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten vermeerderd met rente.

[geïntimeerde sub 2] heeft eveneens geconcludeerd tot verwerping van het beroep met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.21 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

[appellant sub 2] is statutair bestuurder en enig aandeelhouder van DFA. DFA is enig

aandeelhouder van Paerel Groep B.V. Laatstgenoemde vennootschap heeft diverse

dochtermaatschappijen.

2.2.

Sinds 1997 verzorgt PWC de controle op de jaarrekening van een aantal maatschappijen van de groep vennootschappen waartoe DFA behoort. Vanaf het boekjaar 2007 verzorgde PWC de controle van de jaarrekening van DFA. Die werkzaamheden zijn daadwerkelijk verricht in 2009. [geïntimeerde sub 2] was tot 1 juli 2011 als partner verbonden aan PWC. De werkzaamheden vonden plaats onder zijn leiding.

2.3.

Een Costa Ricaanse vennootschap genaamd La Compañia La Esperanza Internacional De Heredia S.A. (hierna: La Esperanza) heeft in april 2005 grond aangekocht in Costa Rica. De bedoeling was dat door exploitatie van deze grond de waarde daarvan zou stijgen, waardoor een gunstig rendement voor de aandeelhouders zou ontstaan. La Esperanza heeft deze eerste percelen aangeschaft voor een prijs van US$ 1.015,23 per hectare.

2.4.

Bij e-mail van 24 augustus 2005 heeft [X] (hierna: [X] ) aan

een directeur van Fôret Manejo Forestal Limitada (hierna Fôret), een Costa Ricaans bedrijf dat zich bezighoudt met taxaties van onroerend goed, gevraagd om een “betrouwbare en deels bestuurbare” taxateur en om een “betrouwbare en deels bestuurbare” accountant.

2.5.

In november 2006 heeft [geïntimeerde sub 2] , in het kader van een bespreking over de

algemene gang van zaken omtrent de door [appellant sub 2] gedane investeringen, [appellant sub 2] geattendeerd op de mogelijkheid te investeren in La Esperanza.

2.6.

Op 8 december 2006 heeft in Austerlitz een bespreking plaatsgevonden waarbij

naast [appellant sub 2] en [geïntimeerde sub 2] ook [X] aanwezig was. [X] was directeur van La Esperanza en tevens statutair bestuurder van Forest Returns B.V. (hierna: Forest Returns), een onderneming die 66% van de aandelen in La Esperanza hield. [geïntimeerde sub 2] was, via zijn vennootschap Machot Accountancy Beheer B.V. (hierna: Machot), sinds begin 2006 houder van 5% van de aandelen La Esperanza.

2.7.

Naar aanleiding van de bespreking op 8 december 2006 heeft DFA op 27 december 2006 26% van de aandelen La Esperanza van Forest Returns overgenomen, voor een bedrag van € 492.424,00. Daarnaast heeft DFA een bedrag van € 98.485,00 betaald om het kapitaal van La Esperanza te versterken.

2.8.

In maart 2007 besloten [appellant sub 2] , [geïntimeerde sub 2] en [X] via hun vennootschappen gezamenlijk de Verenigde Costaricaanse Compagnie B.V. (hierna: VCC) op te richten. Deze vennootschap zou een aantal percelen aankopen die grenzen aan de in het bezit van La Esperanza zijnde percelen. De bedoeling was dat La Esperanza en VCC op een later moment zouden fuseren.

2.9.

De oprichting van VCC is verricht door DFA. DFA heeft € 18.000,- gestort op de

aandelen VCC. Direct na de oprichting heeft DFA 40% van de aandelen verkocht aan Forest Returns en 20% aan Machot. DFA behield de overige 40%. DFA werd tevens statutair bestuurder van VCC, samen met Core Developments Holding (hierna: CDH), een vennootschap van [X] .

2.10

VCC is vervolgens overgegaan tot grondaankopen in Costa Rica. In maart 2007, oktober 2007 en in de eerste helft van 2008 zijn in totaal zes percelen aangekocht. De daarvoor door VCC benodigde financiële middelen werden aanvankelijk verkregen door middel van agiostortingen door de drie aandeelhouders. Omdat Forest Returns en Machot niet over de voor daartoe benodigde financiële middelen beschikten heeft DFA voor de financiering daarvan zorg gedragen. Nadien is besloten dat de inbreng van DFA zou worden omgezet in een (extra) lening van DFA aan Forest Returns en een lening van Forest Returns aan Machot.

2.11.

Behalve de voor de aanschaf van de percelen benodigde bedragen heeft

DFA ook bedragen aan VCC voldaan ten behoeve van onderhoud, huur van kantoorruimten en een bestuurdersvergoeding.

2.12.

In de e-mail die [geïntimeerde sub 2] op 1 mei 2007 aan [X] heeft verzonden staat onder meer het volgende vermeld:

“Ik denk dat wij de volgende marsroute moeten volgen:

• Inbreng Los Cedros in VCC voor een waarde van bijvoorbeeld 2,5 miljoen

US $ (getaxeerde waarde 2,8 mio ?), waardoor toekomstige aandeelhouders ook

nog een voordeel hebben

• Door deze constructie realiseren de aandeelhouders Jan, Cor en Koos een

nieuwwaarde van 0,9 mio US $ verminderd met een rentecomponent voor de

aankoop van het landgoed van 1,6 mio.”

2.13.

In de e-mail die [geïntimeerde sub 2] op 8 mei 2007 aan [X] heeft verzonden staat onder meer het volgende vermeld:

“Ik denk inderdaad dat wij de volgende marsroute moeten volgen:

• Inbreng Los Cedros in VCC voor een waarde van bijvoorbeeld 2,6 miljoen

US$ (getaxeerde waarde inclusief aanplant bomen met C02-rechten en

opstallen 3,0 mio US $), waardoor toekomstige aandeelhouders ook nog een

aantrekkelijk instapvoordeel hebben.

• Door deze constructie realiseren de aandeelhouders van het eerste uur Jan, Cor

en Koos samen een meerwaarde van 1,0 mio US $ verminderd met een

rentecomponent en verminderd met de aanloopkosten, zoals notariskosten en

kosten van werkzaamheden ter plaatse- voor de aankoop van het landgoed Los

Cedros van 1,6 mio US $ ; dit doet ook recht aan alle inspanningen en risico

van dit trio en de onderlinge verhoudingen”.

2.14.

Volgens een aan [appellant sub 2] tijdens de onder 2.6 genoemde bespreking in december

2006 getoonde balans bedroeg de waarde van de grond van La Esperanza per 30 september 2005 $ 4.041,08 per hectare. Kort nadat DFA een belang in La Esperanza had genomen werd [appellant sub 2] de balans van La Esperanza per 30 september 2006 getoond, waaruit bleek dat de waarde van de grond was gestegen naar $ 5.533,08 per hectare.

2.15.

De jaarstukken van La Esperanza zijn steeds opgesteld door het Costa Ricaanse

accountantskantoor Arana Bonilla Consultores S.A. (hierna: Arana Bonilla).

2.16.

Door een Costa Ricaans bedrijf genaamd Fôret zijn in oktober 2007, december

2007 en augustus 2008 (steeds nadat door VCC nieuwe percelen waren aangekocht)

taxatierapporten gepresenteerd waaruit een voortdurende stijging van de waarde van zowel de percelen van La Esperanza als VCC blijkt. Volgens een taxatierapport bedroeg in oktober 2007 de waarde van de grond van La Esperanza $ 6.541,- per hectare en van VCC $ 8.598,57 per hectare en zouden deze waarden in augustus 2008 zijn opgelopen tot $ 14.744,- per hectare voor de percelen van La Esperanza en

$ 21.224,64 per hectare wat betreft de percelen van VCC.

2.18.

In augustus 2008 heeft [appellant sub 2] een bezoek gebracht aan Costa Rica. Op verzoek van [appellant sub 2] heeft [Y] in 2009 een onderzoek uitgevoerd naar de waarde van de gronden in Costa Rica. In zijn verslag laat hij [appellant sub 2] weten dat de onderbouwing van de boekwaarde van de gronden ontbreekt. [appellant sub 2] heeft deze conclusie besproken met de andere bij VCC betrokken personen. Dit heeft niet tot verdere actie geleid.

2.19.

Op 23 november 2008 zijn VCC en La Esperanza gefuseerd. VCC verkreeg alle

aandelen in La Esperanza. De aandeelhouders van La Esperanza kregen in ruil voor de door hen verkochte aandelen in La Esperanza, aandelen in VCC. De ruilverhouding werd gebaseerd op de waarde van de vennootschappen per 3 december 2007. DFA bezat vanaf dat moment een belang van 34% in VCC. Op 30 december 2008 heeft DFA haar belang in VCC overgedragen aan [appellant sub 2] . Sinds december 2009 houdt DFA 7,8% en [appellant sub 2] 31,3% van de aandelen in VCC.

2.20.

Op verzoek van DFA heeft [Z] (hierna: [Z] ) in juli 2010

onderzoek gedaan naar de waarde van de gronden in Costa Rica. Voor DFA waren de conclusies van [Z] reden om aan de juistheid van de tot dusver gepresenteerde waarde van de gronden te twijfelen. Tijdens een vergadering van aandeelhouders van VCC op 7 oktober 2010, waarbij [geïntimeerde sub 2] afwezig was, heeft [appellant sub 2] [X] gevraagd te reageren op de bevindingen van [Z] . [X] is daar niet op ingegaan, waarop [appellant sub 2] het vertrouwen in hem heeft opgezegd. CDH is toen uitgeschreven als statutair bestuurder van VCC.

2.21.

[Z] heeft nadien aan [appellant sub 2] en DFA meegedeeld dat er sprake was van veel

achterstallige betalingen in Costa Rica, dat de percelen niet goed waren onderhouden en dat het nagenoeg uitgesloten was dat de voor de voorgenomen exploitatie benodigde vergunningen zouden worden verkregen. Zijn conclusie was dat de werkelijke waarde van de percelen aanzienlijk minder was dan in de jaarrekeningen en de taxatierapporten was vermeld.

2.22.

In januari 2011 is [geïntimeerde sub 2] door PWC ontheven van zijn verantwoordelijkheden als accountant van DFA.

3 Beoordeling

3.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellanten] tegen [geïntimeerde sub 2] afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat, nu niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde sub 2] wist van de gestelde malversaties, zijn handelen niet als onrechtmatig kan worden beschouwd. Bij gebreke van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde sub 2] zijn de vorderingen jegens PWC wegens kwalitatieve aansprakelijkheid eveneens afgewezen.

3.2

[appellanten] hebben zes grieven gericht tegen het bestreden vonnis. De grieven strekken gezamenlijk tot de conclusie dat de oorspronkelijke vorderingen tegen zowel PWC als [geïntimeerde sub 2] alsnog moeten worden toegewezen.

Vordering tegen PWC

3.3

Het hof zal allereerst de vordering tegen PWC bespreken. [appellanten] hebben aangevoerd dat [geïntimeerde sub 2] als niet-ondergeschikte van PWC in opdracht van PWC werkzaamheden verrichtte, zodat PWC op grond van artikel 6:171 BW aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde sub 2] veroorzaakte schade. In dat verband hebben zij gesteld dat de contacten van [appellant sub 2] met [geïntimeerde sub 2] tijdens werktijd plaatsvonden en dat [geïntimeerde sub 2] gebruik maakte van zijn e-mailadres bij PWC. Ook is gebruik gemaakt van briefpapier en een bankrekening van PWC.

PWC heeft betwist dat [geïntimeerde sub 2] namens haar handelde toen hij [appellant sub 2] attendeerde op de mogelijkheid te investeren in Costa Rica. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er op dat moment geen sprake was van werkzaamheden door PWC voor DFA, noch voor [appellant sub 2] . Bovendien stelt zij dat het geven van beleggingsadvies niet tot haar dienstverlening behoorde, hetgeen [appellanten] bekend was. [geïntimeerde sub 2] handelde in privé. PWC kan derhalve niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele fouten die [geïntimeerde sub 2] zou hebben gemaakt.

3.4

Dit verweer slaagt. De handelingen van [geïntimeerde sub 2] ter zake waarvan [appellanten] hem een verwijt maken en PWC aansprakelijk houden, komen er in de kern op neer dat [geïntimeerde sub 2] [appellant sub 2] heeft geattendeerd op een investeringsmogelijkheid in Costa Rica waarbij [geïntimeerde sub 2] zelf als investeerder reeds was betrokken, hetgeen ertoe heeft geleid dat [appellant sub 2] tot investering is overgegaan en uiteindelijk met [geïntimeerde sub 2] en [X] een zakelijk samenwerkingsverband is aangegaan. Daaruit is volgens [appellanten] de gestelde schade ontstaan.

Naar het oordeel van het hof staat het gestelde handelen van [geïntimeerde sub 2] in een zodanig ver verwijderd verband tot de werkzaamheden die PWC placht te verrichten voor DFA en haar werkmaatschappijen, te weten het uitvoeren van accountantscontroles, dat redelijkerwijs niet kan worden gesteld dat [geïntimeerde sub 2] werkzaamheden verrichtte ter uitoefening van het bedrijf van PWC. [appellanten] hebben ook niet gesteld dat zij op enig moment in de veronderstelling hebben verkeerd dat [geïntimeerde sub 2] in dit verband handelde als accountant namens PWC. Zij hebben slechts gesteld dat zij - extra - vertrouwen hadden in de mededelingen van [geïntimeerde sub 2] omdat hij accountant was bij PWC, maar dat regardeert PWC niet. Dit klemt temeer nu zowel de investeringen als de deelneming in VCC middels de persoonlijke vennootschap van [geïntimeerde sub 2] geschiedden. Van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW kan dan ook geen sprake zijn.

3.5

Het vonnis zal aldus worden bekrachtigd voor zover het de afwijzing van de vorderingen tegen PWC en de veroordeling in de proceskosten van PWC betreft. Tevens zullen [appellanten] worden veroordeeld in de proceskosten van PWC in hoger beroep.

Vorderingen tegen [geïntimeerde sub 2]

3.6

[appellanten] verwijten [geïntimeerde sub 2] dat hij [appellant sub 2] heeft bewogen tot investeren terwijl hij heeft geweten of had moeten weten dat de waardering van de grond, die wezenlijk was voor de waarde van de investeringen, niet juist was. Voorts wordt [geïntimeerde sub 2] door DFA een verwijt gemaakt van zijn rol rond de terugbetaling van de voorfinanciering. DFA stelt dat [geïntimeerde sub 2] de gedragsregels heeft geschonden door een samenwerkingsverband aan te houden met [appellanten] en geld te lenen van DFA. Dat hiermee schade is toegebracht staat voorshands vast. Bovendien heeft [geïntimeerde sub 2] volgens [appellanten] de terugbetaling gefrustreerd en meegewerkt aan een overeenkomst van geldlening tussen Forest Returns en DFA, wetende dat eerstgenoemde niet zou gaan betalen.

3.7

De verwijten die [geïntimeerde sub 2] worden gemaakt door [appellanten] zijn terug te voeren op de stelling dat [geïntimeerde sub 2] een bijzondere vertrouwenspositie innam ten opzichte van [appellanten] , omdat hij de controlerend accountant was van een aantal vennootschappen van de groep waartoe [appellanten] behoort. Het feit dat er geen directe contractuele relatie bestond met DFA noch met [appellant sub 2] op het moment dat [geïntimeerde sub 2] [appellant sub 2] attendeerde op de investeringsmogelijkheid doet daar niet aan af. Die bijzondere vertrouwenspositie brengt mee dat op [geïntimeerde sub 2] een bijzondere zorgplicht rustte. Die zorgplicht is door [geïntimeerde sub 2] geschonden door tegen beter weten in, althans te lichtvaardig investeringsvoorstellen te doen, aldus [appellanten]

3.8

[geïntimeerde sub 2] betwist dat hij bij de investeringen in Costa Rica betrokken is geweest als accountant. Hij stelt slechts via zijn persoonlijke holdingvennootschap een privé-investeerder te zijn geweest. Zijn handelingen zijn dan ook niet verricht in de hoedanigheid van accountant. Bovendien betwist hij dat hij tegen beter weten in ondeugdelijke investeringsadviezen heeft gegeven. Wat de voorfinanciering betreft stelt [geïntimeerde sub 2] zich in hoger beroep op het standpunt dat in dit verband nimmer van een schuld aan DFA sprake is geweest, maar slechts van een schuld aan VCC. Hij betwist voorts dat hem een verwijt treft ten aanzien van de (afwikkeling van de) overeenkomst van geldlening tussen Forest Returns en DFA. Hij heeft zelf zijn schuld aan Forest Returns voldaan.

3.9

Het hof stelt voorop dat de door [appellanten] gestelde handelingen van [geïntimeerde sub 2] eruit bestonden dat [geïntimeerde sub 2] [appellant sub 2] heeft geattendeerd op een investeringsmogelijkheid in Costa Rica. Het betrof een project waarin [geïntimeerde sub 2] zelf, met zijn persoonlijke vennootschap, al had geïnvesteerd. Hij heeft [appellant sub 2] vervolgens in contact gebracht met [X] . Uit deze handelingen valt niet op te maken dat [geïntimeerde sub 2] hierbij handelde in zijn hoedanigheid van accountant. De werkzaamheden die [geïntimeerde sub 2] als accountant tot op dat moment placht te verrichten voor [appellanten] of aan hen gelieerde vennootschappen waren van een geheel andere orde en behelsden in elk geval niet het geven van adviezen over beleggingen. Het feit dat [appellant sub 2] wellicht -extra - vertrouwen stelde in [geïntimeerde sub 2] , juist omdat deze accountant was, brengt niet de door [appellanten] bepleite bijzondere zorgplicht mee.

3.10

Hetzelfde geldt ten aanzien van de latere grondaankopen door [appellanten] en VCC. Ook hier handelde [geïntimeerde sub 2] niet in zijn hoedanigheid van accountant. Integendeel, [geïntimeerde sub 2] was via zijn persoonlijke vennootschap een zakelijk samenwerkingsverband aangegaan met (de vennootschappen van) [appellant sub 2] en [X] . Dit staat in een zo ver verwijderd verband van de gebruikelijke (accountants)werkzaamheden van [geïntimeerde sub 2] dat van een aan die hoedanigheid verbonden bijzondere zorgplicht geen sprake kan zijn.

3.11

Het voorgaande laat onverlet dat het handelen van [geïntimeerde sub 2] onrechtmatig zou kunnen worden geoordeeld, als aan de vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan. [appellanten] hebben daartoe evenwel onvoldoende gesteld.

3.12

Voor zover [appellanten] in hoger beroep hun stelling handhaven dat [geïntimeerde sub 2] daadwerkelijk geweten zou hebben van malversaties rond de verschillende taxaties, en [appellanten] daarvan bewust onwetend heeft gehouden, is het hof van oordeel dat zij daarvoor onvoldoende hebben aangevoerd. De enkele stelling dat [geïntimeerde sub 2] goed bevriend was met [X] (wat daar ook van zij) en dat hij verregaande invloed in en verantwoordelijkheid voor de planning en feitelijke uitvoering van investeringen zou hebben is daarvoor ontoereikend. Dat [X] in 2005 per e-mail gevraagd zou hebben om een “betrouwbare en deels bestuurbare” taxateur en om een “betrouwbare en deels bestuurbare” accountant, leidt evenmin tot die conclusie, reeds omdat niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde sub 2] hiervan op de hoogte was. Ook de e-mails van 1 en 8 mei 2007 van [geïntimeerde sub 2] , hierboven weergegeven onder 2.12 en 2.13, kunnen die conclusie niet dragen. Door [geïntimeerde sub 2] is toegelicht dat deze e-mails zijn geschreven in het kader van de oprichting van VCC en de inbreng van La Esperanza in VCC. Het ging in deze e-mails dus ook niet om investeringen in vastgoed, maar om het vaststellen van de ruilverhouding tussen de verschillende aandelen. Deze toelichting is door [appellanten] onvoldoende weersproken. Mede in dat licht kan uit de inhoud van deze e-mails niet worden afgeleid dat [geïntimeerde sub 2] wetenschap had van malversaties met betrekking tot de taxatie van de percelen. Grief 4 kan dan ook niet slagen. Bij gebreke van een terzake dienend bewijsaanbod wordt aan bewijslevering niet toegekomen, zodat ook de in dat verband geformuleerde grief 6 faalt.

3.13

Met grief 2 hebben [appellanten] betoogd dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te miskennen dat het schuldvereiste van artikel 6:162 BW een subjectieve schuld inhoudt, in die zin dat de dader een verwijt kan gemaakt kan worden als hij gezien zijn persoonlijke kenmerken als kennis, kunde, ervaring en capaciteiten anders had kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan. Kennelijk hebben [appellanten] willen betogen dat [geïntimeerde sub 2] , als accountant, op de hoogte had moeten en kunnen zijn van bovengenoemde malversaties bij de taxaties van de percelen. Het hof volgt [appellanten] daarin niet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien over welke bijzondere kennis, kunde ervaring of capaciteit [geïntimeerde sub 2] , als accountant, zou beschikken, die meebracht dat hij, anders dan kennelijk [appellanten] , deze onregelmatigheden had moeten ontdekken. Dit geldt temeer nu [appellant sub 2] vanaf 2007 zelf (middellijk) bestuurder was van VCC, die tot de grondaankopen overging, en hij persoonlijk de gronden in Costa Rica heeft bezocht. In dat verband is tevens van belang dat [appellant sub 2] zelf een ervaren belegger is. Grief 2 faalt daarmee. Grief 3 faalt eveneens nu deze grief voortbouwt op de zelfde onjuiste, althans niet deugdelijke onderbouwde gedachte dat [geïntimeerde sub 2] in dit opzicht een andere positie innam dan [appellanten]

3.14

Ten aanzien van de leenconstructie stelt het hof vast dat DFA op enig moment de grondaankopen door VCC heeft voorgefinancierd, terwijl Forest Returns en Machot op dat moment niet in staat waren agiostortingen te doen. Of dit een vordering van DFA op Machot opleverde of dat Machot een schuld aan VCC had, kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven. In elk geval staat tussen partijen vast dat een overeenkomst van geldlening tussen Forest Returns en DFA is gesloten waarin is opgenomen dat het nog door Machot verschuldigde agiobedrag door Forest Returns aan DFA zou worden voldaan. Niet betwist is dat Machot dat bedrag aan Forest Returns heeft voldaan.

3.15

DFA stelt zich allereerst op het standpunt dat [geïntimeerde sub 2] de gedragsregels overtrad door (via zijn vennootschap) een nauwe zakelijke relatie met DFA aan te houden en door een schuld aan te gaan. Zij verwijst naar de Gedrags-en Beroepsregels Registeraccountants 1994 en de Verordening gedragscode. Zij stelt dat het gevaar waartegen die gedragsregels beogen te beschermen zich heeft verwezenlijkt, zodat het causaal verband tussen de normschending en de schade moet worden aangenomen.

3.16

Het hof volgt haar niet in dit betoog. Zelfs als de bewuste gedragsregels op het moment van handelen van toepassing waren op [geïntimeerde sub 2] , hebben die regels de strekking om belangenverstrengeling te voorkomen en de eer en de stand van registeraccountants (in het bijzonder hun onafhankelijkheid) te beschermen. Zij zijn niet in het leven geroepen om cliënten te beschermen tegen de incassorisico’s van zakelijke transacties. De schade die DFA stelt te hebben geleden is veroorzaakt door het feit dat Forest Returns (kennelijk) tot op heden niet aan haar verplichtingen uit de leningsovereenkomst heeft voldaan. Het gaat derhalve om een incassorisico dat zich heeft verwezenlijkt, maar waartegen de gedragsregels geen bescherming beogen te bieden. De omkeringsregel is niet van toepassing in deze situatie. De in dat verband aangevoerde grief 5 faalt.

3.17

De bij memorie van grieven geponeerde stelling dat zou zijn gebleken dat [geïntimeerde sub 2] en [X] door deze constructie DFA onbetaald wilden laten, is onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

De stelling dat [geïntimeerde sub 2] ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomst op de hoogte was van de liquiditeitspositie van Forest Returns - en DFA daarvoor desondanks niet heeft gewaarschuwd - is eveneens door DFA onvoldoende feitelijk onderbouwd. Immers, de aanvankelijk ingenomen stelling dat [geïntimeerde sub 2] betrokken zou zijn geweest bij de herstructurering van Forest Returns is, na betwisting daarvan, niet nader onderbouwd. Ook deze stelling wordt daarom verworpen.

Voor zover DFA stelt dat [geïntimeerde sub 2] op de hoogte had móeten zijn van die liquiditeitspositie, volgt het hof haar niet in dat betoog. Niet gebleken is immers van enige betrokkenheid van [geïntimeerde sub 2] , als accountant of anderszins, bij Forest Returns.

3.18

Bovendien is gesteld noch gebleken dat de liquiditeitspositie van Forest Returns ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomst reden zou zijn geweest voor DFA om van die overeenkomst af te zien. Derhalve staat evenmin vast dat die liquiditeitspositie - zou [geïntimeerde sub 2] die hebben gekend - aanleiding had moeten zijn voor [geïntimeerde sub 2] om DFA daarvoor te waarschuwen. Grief 1 faalt derhalve.

3.19

De slotsom is dat alle grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van PWC begroot op € 5.114,- aan verschotten en € 13.740,- voor salaris, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde sub 2] begroot op € 1.601,- aan verschotten en € 13.740,- voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en

J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2016.