Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1155

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
200.175.128/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag curator; vervanging curatele door bewind en mentorschap; benoeming professionele bewindvoerder en mentor; ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 29 maart 2016

Zaaknummer: 200.175.128/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 3821295 CB VERZ 15‑18 NVDM

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. Rozemeijer te Velserbroek,

tegen

Stichting Geestelijke Gezondheidszorg inGeest,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E. Pans te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vader en GGZ genoemd.

1.2.

De vader is op 18 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 mei 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Noord‑Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), met kenmerk 3821295 CB VERZ 15‑18 NVDM.

1.3.

GGZ heeft op 29 september 2015 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

1.4.

GGZ heeft op 22 december 2015 en op 5 januari 2016 nadere stukken ingediend.

1.5.

De vader heeft op 24 december 2015 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

1.6.

De zaak is op 7 januari 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw A. Reijerse namens GGZ, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw [J] (hierna: de betrokkene);

- de heer B. Jonkhart namens Budgetondersteuning Nederland B.V.

1.8.

Mevrouw [C] (hierna: de moeder) en de hoofd Advocaat‑Generaal zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. Mevrouw [L] (hierna: de zuster) en de heer [R] (hierna: de broer) zijn, met voorafgaand bericht, niet ter terechtzitting verschenen.

2.De feiten

2.1.

De betrokkene is geboren [in] 1983. Zij verblijft in de [locatie] van GGZ te [plaats] . Zij gaat thans regelmatig met verlof naar de vader thuis.

2.2.

Bij beschikking van de kantonrechter van 30 september 2009 is de betrokkene onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis, met benoeming van de vader tot curator.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Noord‑Holland van 15 januari 2015 is een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet BOPZ) verleend, welke machtiging de bevoegdheid geeft om de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot 27 juni 2015.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Noord‑Holland van 20 juli 2015 is, voor zover thans van belang, een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 Wet BOPZ verleend, welke machtiging de bevoegdheid geeft om de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 20 januari 2016.

3.Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het daartoe strekkende verzoek van GGZ de vader met ingang van 22 mei 2015 ontslagen als curator en is Budgetondersteuning Nederland B.V. (hierna: Budgetondersteuning Nederland) met ingang van die datum benoemd tot curator.

3.2.

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek af te wijzen.

3.3.

GGZ verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt GGZ de curatele te vervangen door een bewind en een mentorschap, met benoeming van Budgetondersteuning Nederland tot bewindvoerder en Stichting Mentorschap Noordwest‑Holland (hierna: Mentorschap Nw-H) tot mentor.

3.4.

De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep – naar het hof begrijpt – primair het door GGZ verzochte af te wijzen, subsidiair hem als bewindvoerder en mentor te benoemen.

3.5.

De zuster en de broer hebben geen verweer gevoerd in het principaal hoger beroep van de vader, alsmede uitdrukkelijk aan de griffie van dit hof te kennen gegeven geen verweer te zullen voeren in het incidenteel hoger beroep van GGZ. De moeder heeft evenmin verweer gevoerd.

4.Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

De vader betoogt in principaal hoger beroep dat er geen gronden zijn voor zijn ontslag als curator. Hiertoe voert hij aan dat dit ontslag niet slechts kan worden gebaseerd op de veronderstelling dat hij een andere mening zou hebben over de vraag wat de beste verzorging is voor de betrokkene. Voorts stelt hij dat niet is gebleken dat hij zijn taak als curator niet goed zou uitoefenen.

4.2.

GGZ heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt dat de samenwerking van de vader met de behandelaars van de betrokkene problematisch is. Volgens GGZ is de kans groot dat de vader niet in staat zal zijn afspraken te maken met professionele begeleiders van de betrokkene, terwijl vanwege de onveranderlijke psychische problematiek van de betrokkene en de vele risico’s in de thuissituatie intensieve en gespecialiseerde begeleiding noodzakelijk is, wanneer de betrokkene weer bij de vader thuis gaat wonen. Voorts stelt GGZ dat de vader, in afwachting van het hoger beroep, de huidige curator niet erkent en diens werkzaamheden tegenwerkt.

In incidenteel hoger beroep betoogt GGZ dat bewind met benoeming van een professionele bewindvoerder en een mentorschap met benoeming van een professionele mentor meer passend en in het belang van de betrokkene is dan een ondercuratelestelling. In dit verband stelt GGZ dat het in het belang van de betrokkene is een professionele mentor te benoemen, die op intensieve wijze de niet‑vermogensrechtelijke belangen van de betrokkene zal behartigen en mede tot taak zal hebben afspraken en overleggen met hulpverleners en andere familieleden, waarvan voorzienbaar is dat die frequent nodig zullen zijn, in goede banen te leiden.

4.3.

De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt – kort gezegd – dat zich geen gronden verzetten tegen benoeming van hem tot bewindvoerder en mentor.

In principaal hoger beroep

4.4.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene is gediagnosticeerd met een psychotische stoornis NAO en zwakbegaafdheid, alsmede persoonlijkheidsproblematiek met borderlinetrekken. Voorts was ten tijde van de gedwongen opname van de betrokkene in mei 2014 sprake van multimiddelenmisbruik. De betrokkene is na mishandeling van haar grootmoeder in eerste instantie vrijwillig en vervolgens op grond van een inbewaringstelling opgenomen op de gesloten afdeling [gesloten afdeling] van GGZ, welke opname is voortgezet met een voorlopige machtiging en vervolgens met een machtiging voortgezet verblijf. De betrokkene is in november 2014 overgeplaatst naar [locatie] .

4.5.

Aan het hof ligt allereerst ter beoordeling voor of de vader terecht is ontslagen als curator van de betrokkene.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:385 lid 1 sub d Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), voor zover thans van belang, kan de curator te allen tijde wegens gewichtige redenen door de kantonrechter worden ontslagen, zulks op verzoek van degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken als bedoeld in artikel 1:379 BW.

4.6.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de vader in het verleden meermaals zorgbeslissingen van verscheidene instellingen heeft tegengewerkt en daarbij het belang van de betrokkene onvoldoende heeft voorop gesteld. Hiertoe overweegt het hof dat de vader onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij, zoals GGZ in eerste aanleg heeft gesteld, de betrokkene meerdere keren heeft weggehaald uit de instelling waar zij op dat moment verbleef, in weerwil van het advies van haar begeleiders en hulpverleners. De stellingen van GGZ in eerste aanleg dat eerdere ambulante zorgverlening is beëindigd, omdat de vader die zorg niet nodig vond en dat ten tijde van de gedwongen opname van de betrokkene in mei 2014 niet bleek te zijn voorzien in een ambulant behandelkader zoals de vader eerder was geadviseerd, zijn door de vader evenmin voldoende gemotiveerd betwist. Verder is genoegzaam gebleken dat de vader een vrijwillige, dan wel gedwongen opname van de betrokkene niet, althans onvoldoende ondersteunde en 24‑uurs zorg niet nodig vond. Het hof neemt voorts in aanmerking dat op 5 augustus 2015 nog sprake is geweest van ongeoorloofd verlof van de betrokkene, met medeweten van de vader, en dat ook in het verleden vrijheden van de betrokkene samen met de vader, zijn ingetrokken, omdat ernstige twijfels bestonden of aan de afspraken voldaan kon worden.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat gewichtige redenen bestonden voor ontslag van de vader als curator. Voor zover de vader in dit verband heeft gesteld dat de door hem, in zijn hoedanigheid van curator, afgelegde rekening en verantwoording steeds is goedgekeurd door de kantonrechter, maakt die stelling het voorgaande niet anders.

In incidenteel hoger beroep

4.7.

Aan de orde is het verzoek van GGZ tot omzetting van de curatele in een bewind en mentorschap ten behoeve van de betrokkene, als bedoeld in artikel 1:432 lid 4 BW respectievelijk artikel 1:451 lid 4 BW. Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de minder verstrekkende beschermingsmaatregelen van bewind en mentorschap meer passend zijn dan de ondercuratelestelling van de betrokkene.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 BW, voor zover thans van belang, kan de kantonrechter, indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet‑vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, te zijnen behoeve een mentorschap instellen.

4.8.

Blijkens de schriftelijke verklaring van de behandelend psychiater van de betrokkene van 16 december 2015 is de psychiatrische toestand van de betrokkene stabiel, zijn er geen psychotische symptomen en neemt de betrokkene de voorgeschreven medicatie trouw in. Voorts blijkt uit die verklaring dat thans wordt toegewerkt naar een ontslag van de betrokkene uit [locatie] en thuisplaatsing bij de vader. Het doel van GGZ is weliswaar om de betrokkene binnen afzienbare termijn naar een begeleid wonen‑traject te leiden, doch de wachttijd hiervoor bedraagt een aantal jaren. In dat proces is het volgens de psychiater belangrijk dat een goed toegeruste en ervaren belangenbehartiger meekijkt naar alle beslissingen die met en over de betrokkene gemaakt worden. Het beleid is er op gericht om betrokkenes zelfstandigheid te bevorderen, aldus de psychiater. Ter zitting in hoger beroep is namens GGZ in dit verband verklaard dat inmiddels een verzoek tot verlenging van de rechterlijke machtiging is ingediend en dat daarbij is verzocht een voorwaardelijke rechterlijke machtiging, dan wel een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen, voor het geval nog geen intensieve begeleiding in de thuissituatie kan worden geboden door Stichting De Linde en nog niet is voorzien in dagbesteding voor de betrokkene. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vader geen bezwaar heeft tegen vervanging van de ondercuratelestelling van de betrokkene door een onderbewindstelling en mentorschap. Van bezwaren bij de moeder, de zuster en/of de broer tegen deze omzetting is evenmin gebleken.

Gelet op de huidige situatie waarin de psychiatrische toestand van de betrokkene stabiel is en wordt toegewerkt naar een ontslag van de betrokkene uit [locatie] , alsmede naar meer zelfstandigheid voor de betrokkene in de toekomst, is het hof van oordeel dat een ondercuratelestelling een te zware maatregel is. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof de betrokkene, als gevolg van haar geestelijke toestand, niet in staat om haar vermogensrechtelijke en niet‑vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De minder verstrekkende maatregelen van bewind en mentorschap vormen naar het oordeel van het hof een meer passende bescherming dan een ondercuratelestelling. Derhalve zal het hof ter vervanging van de curatele een bewind instellen over de goederen die de betrokkene (zullen) toebehoren, alsmede een mentorschap ten behoeve van de betrokkene instellen.

4.9.

Met betrekking tot de benoeming van de bewindvoerder en de mentor overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 1:435 lid 1 BW onderscheidenlijk artikel 1:452 lid 1 BW benoemt de rechter die het bewind respectievelijk het mentorschap instelt, daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder respectievelijk een mentor. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon.

Ingevolge het derde lid van deze bepalingen volgt de rechter bij de benoeming de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

In de gevallen waarin de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende niet wordt gevolgd, geldt de wettelijke voorkeur als bedoeld in het vierde lid van artikel 1:435 BW onderscheidenlijk artikel 1:452 BW. Het staat de rechter vrij om hiervan af te wijken bij gebleken bezwaren tegen benoeming van de wettelijk preferente bewindvoerder respectievelijk mentor.

4.10.

Het hof ziet aanleiding om eerst de benoeming van de mentor te bespreken. De betrokkene heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij de vader als mentor benoemd wenst te zien.

Hoewel het thans beter gaat met de betrokkene, acht het hof door GGZ voldoende aannemelijk gemaakt dat deze verbetering verband houdt met de intensieve behandeling van de betrokkene in [locatie] en de aldaar geboden structuur. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de behandelend psychiater meermaals heeft verklaard dat het feit dat de psychiatrische toestand van de betrokkene stabiel is, juist te danken is aan de structuur van de 24‑uurs zorg in [locatie] . Gelet hierop is voorts voldoende aannemelijk geworden dat, indien de betrokkene weer bij de vader thuis gaat wonen, intensieve begeleiding en hulpverlening in de thuissituatie, alsmede dagbesteding voor de betrokkene noodzakelijk is om dit goede evenwicht te behouden. Het hof is met GGZ van oordeel dat aldus de structuur die binnen de instelling bestond, waarbij de betrokkene veel baat heeft gehad, zo veel mogelijk kan worden gecontinueerd. Voorts acht het hof in dit verband van belang dat, naar door de vader niet is bestreden, de psychische problematiek van de betrokkene en haar verstandelijke beperking niet veranderlijk zijn. In het verleden is gebleken dat deze psychische problematiek en verstandelijke beperking risico’s met zich brengen, zoals alcohol- en drugsmisbruik, agressie en beschadiging van de fysieke gezondheid.

Blijkens de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het standpunt van de vader met betrekking tot de noodzakelijke zorg voor de betrokkene niet gewijzigd, in die zin dat hij een minder intensieve begeleiding van de betrokkene voorstaat, ook indien de betrokkene weer bij hem thuis komt wonen. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de vader ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij één of twee dagen dagbesteding voldoende acht en dat hij niet weet of vijf dagen dagbesteding financieel haalbaar is. Hoewel het hof een zeer betrokken vader ziet, vergt de bijzondere situatie van de betrokkene dat de vader met afstand beslissingen kan nemen die in haar belang zijn. Hierbij dient niet bepalend te zijn wat de betrokkene zelf wil. In dit verband acht het hof van belang dat de situatie in het verleden regelmatig is ontspoord en dat de vader – zoals hiervoor onder 4.6 overwogen – niet altijd beslissingen heeft genomen die in het belang van de betrokkene waren. Voorts is het hof met GGZ van oordeel dat deze situatie vraagt om veelvuldig overleg van de vader met begeleiders en hulpverleners en een goede samenwerking met hen, wat blijkens de stukken een problematisch punt is (gebleven). Naar het oordeel van het hof is een strak hulpverleningskader, waarbij een professionele mentor nauw in contact staat met begeleiders en hulpverleners over de zorg van de betrokkene en met professionele afstand zorgbeslissingen neemt, in het belang van de betrokkene, mede met het oog op het toewerken naar een begeleid wonen‑traject in de toekomst.

Op grond van het vorenstaande acht het hof, met GGZ, gegronde redenen aanwezig die zich tegen de benoeming van de vader tot mentor van de betrokkene verzetten. Het hof zal derhalve voorbijgaan aan de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene. Het voorgaande brengt tevens met zich dat het hof zal afwijken van de wettelijke voorkeur als bedoeld in artikel 1:452 lid 4 BW. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat een van de in voornoemde bepaling genoemde (overige) familieleden zich bereid heeft verklaard tot mentor te worden benoemd.

Anders dan de vader ter zitting in hoger beroep heeft gesteld, biedt de verlenging van de rechterlijke machtiging, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, een onvoldoende waarborg, te meer nu – naar GGZ ter zitting in hoger beroep onbestreden heeft verklaard – een rechterlijke machtiging niet ziet op het organiseren van de zorg ten behoeve van de betrokkene.

Nu niet is gebleken dat Mentorschap Nw-H ongeschikt is tot de uitoefening van het mentorschap ten behoeve van de betrokkene en in aanmerking genomen haar schriftelijke bereidverklaring, zal het hof Mentorschap Nw-H tot mentor benoemen.

Het hof overweegt ten overvloede dat deze benoeming niets afdoet aan de rol van de vader als vader en hij nog steeds een voor de betrokkene zeer belangrijke ondersteunende rol vervult en kan blijven vervullen in de zorg voor de betrokkene.

4.11.

Met betrekking tot de benoeming van de bewindvoerder heeft de vader ter zitting in hoger beroep gesteld dat de door hem, in zijn hoedanigheid van curator afgelegde rekening en verantwoording steeds is goedgekeurd door de kantonrechter en dat niet is gebleken dat hij de vermogensrechtelijke belangen van de betrokkene niet behoorlijk heeft beheerd. Hiertegenover heeft GGZ gesteld dat, vanwege de verwevenheid tussen de voor de betrokkene noodzakelijke zorg en het beheer van haar financiën, een professionele bewindvoerder dient te worden benoemd. In dit verband heeft GGZ aangevoerd dat, gelet op het standpunt van de vader ten aanzien van de voor de betrokkene noodzakelijke zorg, het risico bestaat dat de vader als bewindvoerder (de eigen bijdrage van) bepaalde zorg niet zal betalen en aldus zorgbeslissingen van de mentor feitelijk kan blokkeren.

Naar het oordeel van het hof heeft de vader deze stellingen van GGZ onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof acht dan ook mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 4.10 is overwogen, voldoende aannemelijk dat sprake is van gegronde redenen die zich tegen benoeming van de vader tot bewindvoerder verzetten. De door de betrokkene ter zitting in hoger beroep uitgesproken uitdrukkelijke voorkeur voor benoeming van de vader tot bewindvoerder zal derhalve niet worden gevolgd. Hieruit en in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat een van de in artikel 1:435, lid 4 BW genoemde familieleden bereid is tot mentor te worden benoemd, volgt dat het hof tevens zal afwijken van de wettelijke voorkeur als in die bepaling bedoeld. Niet is gebleken dat Budgetondersteuning Nederland niet geschikt is het bewind te voeren over de goederen die de betrokkene (zullen) toebehoren. Voor zover de vader ter zitting in hoger beroep in dit verband zijn twijfels heeft geuit, heeft hij in het licht van de gemotiveerde betwisting door Budgetondersteuning Nederland onvoldoende onderbouwd dat Budgetondersteuning Nederland niet geschikt zou zijn de financiën van de betrokkene te beheren. In aanmerking genomen dat Budgetondersteuning Nederland zich daartoe bereid heeft verklaard, zal het hof Budgetondersteuning Nederland benoemen tot bewindvoerder.

4.12.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, voor zover de vader daarbij is ontslagen als curator. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij Budgetondersteuning Nederland is benoemd tot curator en – opnieuw rechtdoende – ter vervanging van de curatele een bewind instellen over de goederen die aan de betrokkene (zullen) toebehoren, met benoeming van Budgetondersteuning Nederland tot bewindvoerder, alsmede een mentorschap ten behoeve van de betrokkene instellen, met benoeming van Mentorschap Nw-H tot mentor.

Op grond van artikel 1:389 lid 1sub c BW eindigt de curatele met ingang van de datum dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

4.13.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij [de vader] als curator is ontslagen;

in incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij Budgetondersteuning Nederland B.V. tot curator is benoemd, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt, met ingang van de datum waarop deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een bewind in over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [J] , met benoeming van Budgetondersteuning Nederland B.V., postbus 24, 1500 EA Zaandam tot bewindvoerder;

stelt, met ingang van de datum waarop deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een mentorschap in ten behoeve van de betrokkene, met benoeming van Stichting Mentorschap Noordwest‑Holland, Koopvaarder 1, 1625 BZ Hoorn tot mentor;

bepaalt dat deze beschikking binnen tien dagen na heden vanwege de griffier bekend wordt gemaakt in de Staatscourant;

bepaalt dat de griffier van dit hof een kopie van deze beschikking zal zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, Sectie Kanton, locatie Haarlem ter aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Leijdekker, mr. J.F.A.M. Graafland‑Verhaegen en mr. J. Louwinger-Rijk in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2016.