Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1112

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
23-000609-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1026, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega UBA. Schietpartij met fatale afloop in de Bijlmer te Amsterdam en geweld met een mes in het uitgaansleven in Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000609-14

datum uitspraak: 24 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2014 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-676473-12 en 13-684053-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 30 november 1989,

[adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 en 23 juni 2015 en 9 en 10 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak A (met parketnummer 13-676473-12):
1:
hij op of omstreeks 7 juni 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, eenmaal of meermalen met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de borstkast en/of in de arm(en), in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] geschoten en/of afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2:
hij op of omstreeks 7 juni 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s,) voornoemde [slachtoffer] een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en/of voorgehouden;

3:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 juni 2012 tot en met 30 oktober 2012 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of Schiedam en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer (vuur)wapens en/of munitie van categorie I en/of II en/of III, voorhanden heeft gehad, te weten,

te Amsterdam 26 juli 2012

- een pistool (itemnummer 4342530, merk FEG, serienummer BF24077) en/of

- een pistool (itemnummer 4342535, merk Ekol) en/of

- een (jacht)geweer (itemnummer 4342582, merk Winchester) en/of

- zes (6), althans een of meer patro(o)n(en) (itemnummer 4342537, kaliber 9x17mm)

- een wapen van categorie 1 onder 7, te weten een balletjespistool (itemnummer: 4342545, model: Glock 19) en/of

- een wapen van categorie II onder 5, te weten een teaser (itemnummer 434542)

te Utrecht op 5 juli 2012 23 patronen 9mm (p101348) categorie 3

te Schiedam en/of op een en meer andere plaatsen in Nederland op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juni 2012 tot en met 30 oktober 2012, althans op of omstreeks 30 oktober 2012 te Schiedam een jachtvuurwapen als in artikel 1 onder 3 jo artikel 2 lid 1 categorie II van de Wet Wapens en Munitie (WWM) alsmede munitie als in art 1 onder 4 WWM jo art. 2 lid 2 categorie III ((itemnummers 4402155 en 4402164).

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

4
primair:
hij op of omstreeks 21 juli 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [D.K.] en/of [G.B.] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), naar voornoemde [D.K.] en/of [G.B.] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met een vuurwapen één of meer kogel(s) in de richting van voornoemde [D.K.] en/of [G.B.] heeft/hebben geschoten en/of afgevuurd;

4
subsidiair:
hij op of omstreeks 21 juli 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [D.K.] en/of [G.B.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan voornoemde [D.K.] en/of [G.B.] getoond en/of voorgehouden en/of vervolgens met voornoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp één of meer kogel(s) in de nabijheid van voornoemde [D.K.] en/of [G.B.] geschoten en/of afgevuurd; (Artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

Zaak B (met parketnummer 13-684053-13 (gevoegd)):


1 primair:
hij op of omstreeks 28 oktober 2012 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [J.D.] van het leven te beroven, met dat opzet éénmaal of meermalen met een mes stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde [J.D.] en/of met een mes in/langs de nek en/of schouder van voornoemde [J.D.] heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 28 oktober 2012 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, aan [J.D.] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond met als gevolg blijvende littekens, heeft toegebracht, door voornoemde [J.D.] met dat opzet met een mes in/langs de nek en/of schouder van voornoemde [J.D.] te steken en/of te snijden en/of te prikken;

1. meer subsidiair:
hij op of omstreeks 28 oktober 2012 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [J.D.] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet éénmaal of meermalen met een mes stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde [J.D.] en/of met een mes in/langs de nek en/of schouder van voornoemde [J.D.] heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt;

2:
hij op of omstreeks 28 oktober 2012 te Rotterdam, in elk geval in Nederland [S.F.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes getoond en/of voorgehouden aan voornoemde [S.F.] en/of een mes in de richting van voornoemde [S.F.] bewogen en/of gehouden;

3:
hij op of omstreeks 28 oktober 2012 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [A.D.] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het éénmaal of meermalen slaan en/of stompen in/tegen het gezicht van voornoemde [A.D.] waardoor voornoemde [A.D.] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4:
hij op of omstreeks 28 oktober 2012 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [A.P.] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het éénmaal of meermalen slaan en/of stompen in/tegen het gezicht van voornoemde [A.P.] waardoor voornoemde [A.P.] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Ten aanzien van zaak A feit 2

Evenals de rechtbank gaat het hof ervan uit dat met de onder 2 tenlastegelegde bedreiging wordt gedoeld op de bedreiging van [slachtoffer] toen hij nog in het gezelschap was van zijn vriendin [C.G.] .

Uit de verklaring van [C.G.] leidt het hof af dat zij met [slachtoffer] , onderweg naar het metrostation Bullewijk, twee negroïde mannen is tegengekomen. Eén van die mannen, te weten de man zonder lang rastahaar, heeft [slachtoffer] vervolgens uitgescholden en heeft een klein wapen op [slachtoffer] (en [C.G.] ) gericht. De andere man, te weten de man met het lange rasta haar, heeft er alleen maar bijgestaan. Vervolgens zijn de mannen samen weggefietst.

Zoals het hof hieronder nader overweegt, gaat het hof ervan uit dat de [medeverdachte V.B.] ten tijde van het tenlastegelegde degene was zonder lang rastahaar en in het verlengde daarvan dat hij degene was die [slachtoffer] heeft uitgescholden en bedreigd. Hier was de verdachte, de man met het lange rastahaar, bij aanwezig.

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Daarvan is, naar het oordeel van het hof, in het onderhavige geval, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsvrouw, niet gebleken. Het hof merkt daarbij op dat het enkel zich niet distantiëren van de door [medeverdachte V.B.] gepleegde bedreiging onvoldoende is om de verdachte als medepleger van deze bedreiging te kunnen aanmerken.

Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen van de in zaak A onder 2 tenlastegelegde bedreiging.

Ten aanzien van zaak A feit 4 (primair en subsidiair)

Op 21 juli 2012 is op [D.K.] en/of [G.B.] geschoten. In de nabijheid van de plaats delict is een kogelhuls aangetroffen. Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat de omstandigheid, dat de verdachte niet kan worden uitgesloten als donor van het op die kogelhuls aangetroffen DNA-mengprofiel, onvoldoende is om strafbare betrokkenheid van de verdachte bij de onder 4 tenlastegelegde poging doodslag of bedreiging aan te nemen. Het feit dat onderzoek heeft uitgewezen dat het zeer waarschijnlijk is dat deze huls is verschoten met een vuurwapen dat bij een doorzoeking op 21 juli 2012 is aangetroffen in een wasmand (aan het einde van het matras) in de slaapkamer op het adres [adres X] in Amsterdam, waar de verdachte zich ten tijde van die doorzoeking bevond, maakt dit niet anders. Nu uit de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken van enig ander (direct) bewijs dat redengevend is voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hier tenlastegelegde, zal het hof de verdachte ter zake vrijspreken.

Overwegingen ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 3 ten laste gelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft overeenkomstig het door haar overgelegde schriftelijke requisitoir bewezenverklaring gevorderd van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van de moord op [slachtoffer] op 7 juni 2012 in Amsterdam. Uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer] en [C.G.] door twee mannen op een fiets zijn bedreigd en dat één van die twee mannen - te weten de verdachte - [slachtoffer] kort daarna bij de onderdoorgang, waar deze gewond is aangetroffen, heeft neergeschoten.

Uit diverse getuigenverklaringen, OVC- en pinggesprekken, het feit dat de verdachte zijn rastaharen na het in zaak A onder 1 ten laste gelegde heeft afgeknipt en dat hij is ondergedoken alsmede gelet op het feit dat hun alibi’s niet waterdicht zijn, leidt de advocaat-generaal af dat het hier om [medeverdachte V.B.] en de verdachte gaat. De advocaat-generaal heeft er nog op gewezen dat, hoewel uit de stukken in het dossier niet duidelijk is geworden op welk moment [medeverdachte V.B.] en de verdachte het besluit hebben genomen om [slachtoffer] dood te schieten, uit de uiterlijke verschijningsvorm van alle gedragingen met de vereiste mate van zekerheid kan worden afgeleid dat sprake was van een vooropgezet plan. Dit blijkt onder meer uit het feit dat er ruzie is gezocht met [slachtoffer] en zijn vriendin, dat [slachtoffer] en zijn vriendin daarbij zijn bedreigd met een vuurwapen en zijn uitgedaagd èn dat de verdachten, nadat [slachtoffer] achter hen aankwam, hem niet met rust hebben gelaten maar direct hun wapens hebben getrokken en er op [slachtoffer] is geschoten. Gelet op het voorgaande was, ondanks het relatief korte tijdsbestek, geen sprake van handelen in een opwelling.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van zaak A onder 3 vrijspraak gevorderd van het in Amsterdam ( [adres X] ) aangetroffen balletjespistool en de taser en bewezenverklaring gevorderd van de overigens tenlastegelegde wapens en munitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities vrijspraak bepleit van de in zaak A onder 1 tenlastegelegde moord, dan wel doodslag.

Zij heeft er in de eerste plaats op gewezen dat bij het schieten sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, nu de verdachten voor de tweede keer, onverwacht, met [slachtoffer] werden geconfronteerd. Van voorbedachte raad was dan ook geen sprake. In de tweede plaats kan uit de stukken in het dossier niet worden afgeleid dat de verdachte één van de twee mannen was met wie [slachtoffer] het aan de stok kreeg, en dat de verdachte degene was die [slachtoffer] heeft doodgeschoten. De raadsvrouw heeft er in dit verband op gewezen dat er nauwelijks technisch bewijs voorhanden is en dat met tactisch bewijs behoedzaam moet worden omgegaan. Waar uit de stukken in het dossier genoegzaam kan worden afgeleid dat [medeverdachte V.B.] één van de daders was, geldt dat niet voor de verdachte. De door de getuigen gegeven signalementen van de tweede dader (de man met het rastahaar) wijzen niet in de richting van de verdachte. Ook op basis van de camerabeelden wordt de verdachte niet herkend als de tweede fietser. In dit verband komt bovendien betekenis toe aan de verklaring van de anonieme getuige, die door de rechter-commissaris en door de raadsheer-commissaris als betrouwbaar is aangemerkt, die een ander dan de verdachte als tweede dader heeft aangewezen. Bovendien heeft de verdachte een alibi voor het tijdstip van de schietpartij. Ten slotte staat niet vast dat het wapen dat op 30 oktober 2012 is aangetroffen in de woning waar de verdachte enkele weken daarvoor heeft verbleven, het wapen was waarmee op 7 juni 2012 is geschoten. Met betrekking tot het OVC-gesprek van 25 oktober 2012 geldt dat daarvan te weinig kan worden verstaan om de uitwerking daarvan voor het bewijs te bezigen. Subsidiair geldt dat het gesprek niet ging over de onderhavige schietpartij, maar over de schietpartij van 21 juli 2012 (In zaak A onder 4 op de tenlastelegging van de verdachte). In elk geval kan uit dit gesprek de betrokkenheid van de verdachte bij het onderhavige feit niet worden afgeleid. Datzelfde geldt voor het telefoongesprek van 18 augustus 2012 tussen [medeverdachte V.B.] en de verdachte.

Met betrekking tot zaak A onder 3 geldt het volgende. [A.S.] is op 10 juli 2013 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor de in zijn woning ( [adres X] in Amsterdam) aangetroffen wapens, te weten het FEG pistool en Ekol pistool, munitie, een stroomstootwapen en een Glock balletjespistool. [A.S.] is vrijgesproken van het medeplegen van het voorhanden hebben van die wapens en munitie. Gelet op deze inmiddels onherroepelijke uitspraak dient ook de verdachte te worden vrijgesproken van het medeplegen van het voorhanden hebben van die wapens. [A.S.] is ook vrijgesproken van het medeplegen van het voorhanden hebben van het jachtgeweer dat is aangetroffen in de kruipruimte onder de centrale toegangshal. Dat zal op dezelfde gronden ook moeten gelden voor de verdachte. Subsidiair wordt nog opgemerkt dat uit de stukken in het dossier niet blijkt dat de wapens zijn aangetroffen onder het matras waarop de verdachte sliep. Het enkele feit dat de verdachte wist dat [medeverdachte V.B.] een wapen heeft achtergelaten bij [A.S.] maakt nog niet dat hij er ook de beschikkingsmacht over had. Ten aanzien van de wapens en munitie op de [adres Z] in Schiedam geldt dat de verdachte heeft verklaard dat deze van [G.E.] waren en geldt dat de verdachte al enkele weken niet meer in die woning verbleef. De verdediging refereert zich voor wat betreft de in Utrecht aangetroffen munitie.

Overwegingen en oordeel van het hof ten aanzien van zaak A onder 1

Het hof heeft geconstateerd dat de in deze zaak door diverse getuigen gegeven signalementen van de daders niet geheel gelijkluidend zijn. Alleen voor zover onderdelen in die verklaringen ondersteuning vinden in onderdelen van andere verklaringen of ander bewijsmateriaal acht het hof het verantwoord daaruit bewijs te putten.

Uit de bewijsmiddelen zoals die hieronder zijn weergegeven leidt het hof het volgende af.

Op 7 juni 2012 omstreeks 21.49 uur zijn [slachtoffer] en [C.G.] vanuit de flat Huigenbos in de richting van het metrostation Bullewijk gelopen. Onderweg kwamen zij, zo blijkt uit de verklaring van [C.G.] , twee negroïde mannen tegen. Eén van die mannen heeft [slachtoffer] vervolgens uitgescholden, heeft een klein wapen gepakt en heeft dat op [slachtoffer] en [C.G.] gericht. De andere man stond er alleen maar bij. Vervolgens zijn de mannen langzaam weggefietst in de richting van de onderdoorgang, waar kort daarna (omstreeks 21.55 uur) het schietincident heeft plaatsgevonden. Volgens [C.G.] had de man met het vuurwapen kort haar en had de andere man lange rasta’s. Zij herkent deze twee mannen later op de foto-stills (van de beveiligingscamera van de flat Huigenbos waarop direct na het schietincident twee fietsende mannen te zien zijn).

[slachtoffer] is vervolgens eerst terug gerend naar de flat om zijn vrienden ( [H.H.] en [J.S.] ) te roepen), waarna hij achter de twee fietsers aan is gerend in de richting van de onderdoorgang. [H.H.] is direct naar beneden gegaan en is achter [slachtoffer] aangerend. Hij volgde hem op een afstand van circa tien meter. Volgens zijn verklaring zag hij - toen [slachtoffer] in de onderdoorgang was - van net daarbuiten (het hof begrijpt: nabij de andere kant van de onderdoorgang) twee negroïde mannen aan komen fietsen. Hij zag dat de mannen naast elkaar stopten, dat één van die mannen een klein grijs wapen pakte en de ander een heel groot wapen met een lichtbruin middenstuk. Hij zag dat het grote wapen werd geladen, waarna hij een knal hoorde en zag dat [slachtoffer] op de grond lag. [H.H.] zag de daders vervolgens wegfietsen in de richting van waar zij zojuist waren gekomen. Zij slaan dan direct rechtsaf. Volgens [H.H.] had de man met kort haar het kleine wapen en had de man met lang rastahaar het grote wapen. [H.H.] heeft de beelden (het hof begrijpt: onder meer van de beveiligingscamera van de flat Huigenbos waarop direct na het schietincident twee fietsende mannen te zien zijn) gezien en de daders daarop herkend aan de manier waarop ze fietsten.

[H.S.] , die direct na het horen van het schot vanuit haar woning naar buiten kijkt, ziet twee donkere mannen wegfietsen. Zij herkent de mannen op de beelden (het hof begrijpt: van de beveiligingscamera van de flat Huigenbos waarop direct na het schietincident twee fietsende mannen te zien) aan de manier waarop ze op de fiets zitten.

Het hof gaat er, mede gelet op het geringe tijdsverloop tussen de hiervoor beschreven handelingen, van uit dat het dezelfde twee mannen zijn die:

  • -

    [slachtoffer] en [C.G.] hebben bedreigd,

  • -

    bij de onderdoorgang ieder een wapen op [slachtoffer] hebben gericht, waarbij met het grote wapen éénmaal gericht op [slachtoffer] is geschoten, ten gevolge waarvan hij is overleden en

  • -

    direct na het schietincident de flat Huigenbos passeren.

Verbalisanten hebben de beelden van de beveiligingscamera’s uitgekeken. Het hof hecht in dit verband waarde aan hun vaststelling dat er, binnen een reëel tijdsbestek, voorafgaand aan de personen die om 21.58.26 uur zichtbaar zijn, uit de richting van de onderdoorgang geen andere personen kwamen lopen of fietsen.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de man met het lange rastahaar [slachtoffer] met het grote wapen heeft neergeschoten, ten gevolge waarvan hij later is overleden.

Medeplegen ter zake van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde

De volgende vraag is of de verdachte en [medeverdachte V.B.] het schieten op [slachtoffer] hebben medegepleegd.

Uit met name de door de getuigen [C.G.] en [H.H.] beschreven handelingen van de twee verdachten leidt het hof af dat bij het schieten sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Hoewel de verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van de bedreiging, is voor de aanloop naar de schietpartij - een paar minuten later - wel relevant dat:

  • -

    [medeverdachte V.B.] , in aanwezigheid van de verdachte, een wapen trekt en daarmee het latere slachtoffer bedreigt;

  • -

    [medeverdachte V.B.] het slachtoffer uitdaagt om hem, [medeverdachte V.B.] , te achtervolgen;

  • -

    De verdachte en [medeverdachte V.B.] elkaar tijdens de bedreiging steeds aankijken.

Vervolgens:

  • -

    fietst [medeverdachte V.B.] samen met de verdachte weg in dezelfde richting, ze fietsen samen de onderdoorgang door;

  • -

    draaien ze samen om, kennelijk als ze bemerken dat [slachtoffer] rennend achter hen aankomt;

  • -

    stoppen ze naast elkaar op de plaats delict;

  • -

    trekken ze beiden een wapen, en richten ze dat op het slachtoffer, waarbij de verdachte schiet;

  • -

    vertrekken ze tegelijk, weer samen op hun fietsen, en nemen ze dezelfde (vlucht)weg.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat ten aanzien van de verdachte en [medeverdachte V.B.] sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking, dan van medeplegen sprake was.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte V.B.] één van die twee mannen was. Het hof wijst in dit verband bijvoorbeeld op de verklaringen van de getuigen [F.M.] en [S.P.] , die - als zij met de camerabeelden van de schietpartij van 7 juni 2012 worden geconfronteerd - direct en ieder voor zich [medeverdachte V.B.] als één van de twee fietsers herkennen. Uit het feit dat [medeverdachte V.B.] ten tijde van het tenlastegelegde kort haar had, leidt het hof af dat [medeverdachte V.B.] degene was met het grijze wapen.

Dat de verdachte de andere man - de schutter - was, leidt het hof af uit het volgende:

  1. De herkenning van de verdachte door [O.S.] , zoals daarvan is gebleken in het op 31 oktober door haar met [S.P.] gevoerde (en opgenomen) telefoongesprek.

  2. Het op 11 september 2012 tussen de verdachte en [K.B.] gevoerde (en opgenomen) ping-gesprek komt in dit verband betekenis toe. Het hof kan de pings van [K.B.] aan de verdachte, inhoudende ‘je was op opsporin’ en ‘Samn op een fiets’, niet anders begrijpen dan dat [K.B.] de verdachte in een televisie-uitzending heeft herkend als één van de twee fietsers. De reactie van de verdachte op haar pings, inhoudende ‘:x’ (hetgeen volgens [K.B.] ‘niet verklappen’ betekent) en ‘Ik spreek je onder 4ogen’ kunnen redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte beaamt dat hij één van de fietsers was die te zien was op bedoelde beelden, waarover hij [K.B.] nog wel onder vier ogen zal vertellen.

  3. Ten slotte blijkt uit het OVC gesprek van 25 oktober 2012 tussen [A.S.] en [medeverdachte V.B.] dat (zo begrijpt het hof dit gesprek) de politie geen vingerafdrukken van [bijnaam verdachte] (één van de bijnamen van de verdachte) op de bij [A.S.] aangetroffen wapens heeft gevonden dat de politie een grijs wapen niet heeft gevonden bij de doorzoeking, dat [bijnaam verdachte] (één van de bijnamen van de verdachte) dat dan heeft, dat dit wapen in een televisie-uitzending te zien was en dat [bijnaam verdachte] (die man) “die man geschoten heeft”. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat hier met “die man die geschoten is” niemand anders dan het slachtoffer [slachtoffer] bedoeld kan worden.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen voorts af dat [slachtoffer] is neergeschoten met het hagelgeweer dat op 30 oktober 2012 in de [adres Z] in Schiedam is aangetroffen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Op 30 oktober 2012 zijn bij een doorzoeking in de [adres Z] in Schiedam in een jas op een verlaagd plafond in een slaapkamer op de benedenverdieping een hagelgeweer met een ingekorte loop en drie hagelpatronen aangetroffen. De verdachte verbleef tot kort voor de doorzoeking regelmatig op dit adres en heeft dat wapen, waarvan hij naar eigen zeggen wist dat het op het plafond lag, ook in de woning gezien.

Er is onderzoek verricht naar het hagelgeweer, de hagelpatronen, de op de plaats delict aangetroffen schotelprop en de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen kogels. Uit de resultaten van dat onderzoek kan worden afgeleid dat:

  1. het enkelloops hagelgeweer aan de achterzijde en de voorzijde is afgezaagd en dat de hagelpatronen van het merk Rottweil, kaliber 16 (elk gevuld met 9 kogelballetjes) geschikt zijn om met het hagelgeweer te worden afgeschoten.

  2. de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen munitiedelen in combinatie met de schotelprop passen bij patronen van het merk Rottweil.

  3. er een duidelijke relatie in de chemische samenstelling is tussen de op de [adres Z] aangetroffen hagelpatronen en de op de plaats delict aangetroffen schotelprop en de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen munitiedelen.

    Bezien in het licht van de gestelde hypothesen kan worden geconcludeerd dat de resultaten van het onderzoek iets waarschijnlijker zijn wanneer de verschoten munitiedelen afkomstig zijn van dezelfde munitievoorraad als die waartoe de drie hagelpatronen behoren dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere munitievoorraad van hetzelfde merk en type als deze drie hagelpatronen.

    d. de kans op het willekeurig aantreffen van munitie kaliber 16 van het merk Rottweil wordt geschat op minder dan l-op-de-4000.

    Bezien in het licht van de gestelde hypothesen kan worden geconcludeerd dat de resultaten van dit onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de op de plaats delict aangetroffen schotelprop en de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen munitiedelen afkomstig zijn van dezelfde munitievoorraad als de hagelpatronen die op de [adres Z] zijn aangetroffen dan wanneer de op de plaats delict èn de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen munitiedelen afkomstig zijn van een willekeurige andere munitievoorraad in bezit van een persoon in Nederland.

Ten aanzien van het hagelgeweer, dat aan de voor- en de achterzijde was afgezaagd, komt daar nog bij dat uit onderzoek is gebleken dat het goed functioneerde en geschikt was voor het verschieten van patronen kaliber 16. Er zijn aanwijzingen gevonden dat de in de woning van [L.O. 1] in beslag genomen (afgezaagde) loop één geheel heeft gevormd met de loop van dit hagelgeweer. Dit past bij hetgeen [L.O. 1] met betrekking tot het repareren van - gelet op het voorgaande - dít hagelgeweer heeft verklaard. Het hof betrekt daarbij ook de verklaring van [J.M.] , die een door [L.O. 1] gerepareerd hagelweer in de handen van [medeverdachte V.B.] plaatst.

Daarbij komt dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde lang rasta haar had dat hij op enig moment na de onderhavige schietpartij heeft afgeknipt. Voorts geeft hij in een telefoongesprek op 30 augustus 2012 met [T.S.] (dossierpagina 100296) aan dat hij “gisteren is gaan schuilen”, waarbij het hof, gelet op de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 29 oktober 2012 (dossierpagina 100755) begrijpt dat dit in Schiedam was in de woning waar, zoals hiervoor is overwogen, het hagelgeweer is gevonden waarmee [slachtoffer] is neergeschoten.

Ten slotte heeft de verdachte gesteld dat hij ten tijde van de schietpartij op het feestje van [I.C.] was in het trapportaal van het flatgebouw Haag en Veld waar deze woonde terwijl de getuige [H.F.] (dossierpagina 2006982) bij binnenkomst in het gebouw (op het moment dat het feestje volgens de verdachte nog gaande was) van een feestje niets heeft gemerkt, terwijl zij dit, gelet op ’s hofs waarneming ter plaatse tijdens de schouw op 22 juni 2015, zeker had moeten merken. Hetzelfde geldt voor de getuige [M.F.] (dossierpagina 200694).

Al het voorgaande in overweging nemend, concludeert het hof dat de verdachte degene was die op 7 juni 2012 [slachtoffer] heeft neergeschoten, ten gevolge waarvan hij later is overleden.

Voorbedachte rade

Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde bestanddeel ‘voorbedachten rade’. Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten tijd hadden zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om te schieten op [slachtoffer] , en aldus de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. In dat verband acht het hof van belang dat uit de stukken in het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachten een plan hadden beraamd om [slachtoffer] van het leven te beroven. Gebleken is dat de verdachten (na de bedreiging) bij [slachtoffer] en [C.G.] zijn weggefietst, dat [slachtoffer] naar de flat Huigenbos is gelopen, daar heeft aangebeld (om zijn vrienden te roepen) en toen achter de wegfietsende verdachten is aangerend, waarna de fatale ontmoeting heeft plaatsgevonden. De wijze waarop deze tweede confrontatie is ontstaan, wijst niet op een vooropgezet plan om die [slachtoffer] dood te schieten. Het tijdsbestek tussen het moment waarop [slachtoffer] achter de wegfietsende verdachten aanging en het moment dat de verdachten zijn omgekeerd om (zo begrijpt het hof) de confrontatie met [slachtoffer] aan te gaan, was dermate kort dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de verdachten tijd hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun daden en zich daarvan rekenschap te geven. Dit gedrag past meer bij een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het OVC-gesprek op 25 oktober 2012

De raadsvrouw heeft bewijsuitsluiting bepleit van het op 25 oktober 2012 op het politiebureau Flierbosdreef opgenomen OVC-gesprek, nu er te weinig van het gesprek is te verstaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[verbalisant] heeft het op 25 oktober 2012 op het politiebureau Flierbosdreef tussen [A.S.] en [medeverdachte V.B.] opgenomen OVC-gesprek beluisterd. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal (OVC dagverblijf [A.S.] - [medeverdachte V.B.] ) van 5 november 2012. Blijkens de inhoud van het proces-verbaal heeft [verbalisant] niet alle passages uit het gesprek kunnen verstaan. Uit diens proces-verbaal van 16 juni 2015 blijkt dat deze verbalisant uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de advocaat-generaal om nogmaals een aantal passages van het gesprek te beluisteren. Hij is met betrekking tot dit gesprek ter terechtzitting in hoger beroep op 23 juni 2015 als getuige gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij vijf dagen bezig is geweest met het uitwerken van het gesprek, dat hij de opname regelmatig heeft teruggespoeld en opnieuw heeft beluisterd en dat hij - tijdens het gesprek werd zowel Nederlands als Surinaams gesproken - waar hij dat kon verstaan, bij het beluisteren niet heeft getwijfeld over wat er werd gezegd. Het hof heeft, mede gelet op hetgeen de verbalisant heeft verklaard omtrent de wijze waarop hij de opname heeft beluisterd (met behulp van een koptelefoon), geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisant.

De door de verdediging betrokken stelling dat, voor zover het gesprek verstaanbaar is, dit betrekking heeft op een andere schietpartij, te weten op 21 juli 2012, is onvoldoende onderbouwd en overigens niet aannemelijk geworden.

Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht geen grond voor bewijsuitsluiting en verwerpt het verweer.

Ten aanzien van zaak A onder 3

[adres X] in Amsterdam

Bij een doorzoeking in de woning van [A.S.] op 26 juli 2012 zijn twee pistolen, munitie, een balletjespistool en een taser in beslag genomen.

De stelling van de raadsvrouw, dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van het voorhanden hebben van de in de woning van [A.S.] aangetroffen wapens en munitie, reeds omdat [A.S.] (de beoogde medepleger) inmiddels onherroepelijk van het medeplegen van het voorhanden hebben van die wapens en munitie is vrijgesproken, vindt geen steun in het recht.

Het hof zal deze zaak op zijn eigen merites dienen te beoordelen. Daarbij geldt dat het ‘voorhanden hebben’ van een wapen veronderstelt dat bij de verdachte een meer of mindere mate van bewustheid bestaat omtrent de aanwezigheid van een wapen en dat de verdachte daarover kan beschikken.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van het voorhanden hebben van het balletjespistool en de taser.

Datzelfde geldt voor het aangetroffen jachtgeweer (merk Winchester). Dit wapen is aangetroffen in de kruipruimte van de centrale toegangshal van deze woning. Uit de stukken in het dossier, in het bijzonder het tussen [medeverdachte V.B.] en de verdachte op 18 augustus 2012 afgeluisterde gesprek, kan weliswaar worden afgeleid dat zij (in versluierd taalgebruik) met elkaar spreken over wapens die zij bij [A.S.] hebben achtergelaten, maar kan niet worden afgeleid dat zij het over dit wapen hebben. Nu verdachtes bewustheid ten aanzien van de aanwezigheid van dit wapen ook overigens niet uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid, zal het hof de verdachte ook van het voorhanden hebben van dit wapen vrijspreken.

Anders ligt het voor wat betreft de twee pistolen en de munitie die in de slaapkamer van [A.S.] , waar ook de verdachte verbleef, zijn aangetroffen onder het matras waar de verdachte op sliep en in de wasmand die vlak naast dit matras stond.

[adres Z] in Schiedam

Bij een doorzoeking op 30 oktober 2012 in de woning [adres Z] in Schiedam zijn een hagelgeweer en drie hagelpatronen aangetroffen. De verdachte verbleef, zo blijkt uit de verklaringen van de bewoonsters, met enige regelmaat in die woning. Het enkele feit dat de verdachte daar op het moment van de doorzoeking niet verbleef, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Het hof betrekt daarbij ook dat de verdachte, naar eigen zeggen, wist dat het wapen in die woning lag. Dat het wapen, zoals de verdachte pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft gesteld, van [G.E.] was, die hem dit wapen enkel heeft laten zien, is niet onderbouwd en overigens niet aannemelijk geworden.

Overwegingen ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft (subsidiair) bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging doodslag vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het opzet van de verdachte was slechts gericht op het afhouden van [J.D.] . Ook voor het subsidiair tenlastegelegde (toebrengen van zwaar lichamelijk letsel) is geen bewijs, aangezien de oppervlakkige steekwond (die met 1 hechting is gehecht en een genezingsduur had van één tot twee weken) niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Het hof acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Uit de bewijsmiddelen, zoals hieronder worden weergegeven, leidt het hof af dat de verdachte zwaaiende en stekende bewegingen met het mes heeft gemaakt in de richting van [J.D.] , waarbij hij die [J.D.] met dat mes in de linker schouderspier heeft geraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij vitale delen in het lichaam van [J.D.] zou raken - zoals een halsslagader - en deze daardoor dodelijk zou verwonden. Gelet op het voorgaande behoeven de overige door de verdediging op dit punt gevoerde verweren geen bespreking meer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 1 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A (met parketnummer 13-676473-12):

onder 1:
hij op 7 juni 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet, met een vuurwapen kogels in de borstkas en in een arm van voornoemde [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


onder 3:
hij in de periode van 7 juni 2012 tot en met 30 oktober 2012 te Amsterdam en Schiedam en Utrecht, (vuur)wapens en munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad, te weten,

te Amsterdam op 26 juli 2012

- een pistool (itemnummer 4342530, merk FEG, serienummer BF24077) en

- een pistool (itemnummer 4342535, merk Ekol)

- zes patronen (itemnummer 4342537, kaliber 9x17mm)

te Utrecht op 5 juli 2012 23 patronen 9mm categorie III

te Schiedam en/of op een andere plaats in Nederland in de periode van 7 juni 2012 tot en met 30 oktober 2012, een jachtvuurwapen als in artikel 1 onder 3 jo artikel 2 lid 1 categorie II van de Wet wapens en munitie (WWM) alsmede op 30 oktober 2012 te Schiedam munitie als in artikel 1 onder 4 jo artikel 2 lid 2 categorie III (WWM) (itemnummers 4402155 en 4402164).


Zaak B (met parketnummer 13-684053-13 (gevoegd)):


onder 1 primair:
hij op 28 oktober 2012 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [J.D.] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes stekende en zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde [J.D.] en met een mes in de schouder van voornoemde [J.D.] heeft gestoken;

onder 2:
hij op 28 oktober 2012 te Rotterdam, [S.F.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes getoond en voorgehouden aan voornoemde [S.F.] en een mes in de richting van voornoemde [S.F.] bewogen;

onder 3:
hij op 28 oktober 2012 te Rotterdam, opzettelijk [A.D.] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het slaan in het gezicht van voornoemde [A.D.] waardoor voornoemde [A.D.] pijn heeft ondervonden;


onder 4:
hij op 28 oktober 2012 te Rotterdam, opzettelijk [A.P.] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het slaan in het gezicht van voornoemde [A.P.] waardoor voornoemde [A.P.] pijn heeft ondervonden.

Hetgeen in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 1 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

Zaak A onder 1 en 3

1. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100001 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 7 juni 2012 omstreeks 22:02 uur kregen wij de melding om naar metrostation Bullewijk te gaan. Wij arriveerden omstreeks 22:05 uur op het fietspad Abcouderpad te Amsterdam Zuidoost. Wij zagen een persoon op de grond liggen (hierna: slachtoffer). Wij zagen dat een man het slachtoffer reanimeerde. Ik zag dat het t-shirt van het slachtoffer aan de linkerzijde ter hoogte van zijn middel/rug doordrenkt was met een rode substantie gelijkend op bloed. Ik zag dat er aan de linkerzijde ter hoogte van zijn middel/rug een plas rode substantie gelijkend op bloed op de grond lag. Wij hoorden een omstander zeggen dat het slachtoffer was neergeschoten. Wij zagen dat er meerdere ambulances ter plekke kwamen en dat het slachtoffer ongeveer 15 minuten later met de ambulance is afgevoerd naar het AMC.

2. Een proces-verbaal van inbeslagneming en overbrenging stoffelijk overschot van 10 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100043 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 9 juni 2012 omstreeks 22:00 uur is [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] in Amsterdam (zijnde het slachtoffer van de schietpartij die heeft plaatsgevonden op het Abcouderpad in Amsterdam Zuidoost) overleden in het ziekenhuis AMC in Amsterdam. Op 10 juni 2012 heeft een schouw plaats gevonden, die is uitgevoerd door [arts] , schouwarts in dienst bij de GGD in Amsterdam. De schouwarts stelde een niet natuurlijke dood vast.

3. Een geschrift, te weten een NFI-rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 13 juli 2012, opgemaakt door [deskundige] , arts en patholoog (pagina 100058 e.v.). Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] , [geboortedatum] , is overleden in het AMC op 9 juni 2012.

4. Aan de strekzijde van de linker bovenarm (halverwege) werd een metalen fragment (die aan de politie zijn overgedragen)

8. In de rugspieren werden in totaal 3 ronde kogels aangetroffen (die aan de politie zijn overgedragen).

Het hof begrijpt met betrekking tot het metalen fragment en de drie ronde kogels: SIN-nummer AAEU4628NL.

Interpretatie van de resultaten:

De letsels (in totaal 7 huidperforaties, waarvan 2 aan de linkerarm en 5 aan de borstkas links) waren bij leven ontstaan ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld passend bij 7 inschotopeningen. In de linker bovenarm werd één metalen fragment aangetroffen en in de rugspieren rechts drie ronde kogels. Van de politie werd vernomen dat er 2 kogels door medici zouden zijn verwijderd. Letsel H aan de rug rechts zou een uitschotopening van een kogel(fragment) kunnen betreffen. Uitgaande van voornoemde aannames is sprake van 6 inschoten (eindigend in 5 kogels en 1 kogelfragment in het lichaam) en 1 doorschot.

Conclusie:
Het intreden van de dood wordt verklaard door functiestoornissen van organen door algehele weefselschade ten gevolge van doorgemaakte fors bloedverlies en longembolie, opgelopen als verwikkelingen van bij leven doorgemaakt uitwendig mechanisch perforerend geweld.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 13 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100049).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 12 juni 2012 hebben wij twee hagelpatronen in beslag genomen die afkomstig waren uit het lichaam van [slachtoffer] .

Het hof begrijpt: SIN-nummer AAEU4629NL.

5. Een proces-verbaal sporenonderzoek van 25 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100028 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op 13 juni 2012 hebben wij verbalisanten aanvullend forensisch onderzoek naar sporen verricht in de verband met een doodslag/moord gepleegd op 7 juni 2012. Er is een gerechtelijke sectie uitgevoerd op het lichaam van het slachtoffer. Hierbij zijn munitiedelen aangetroffen die vermoedelijk zijn verschoten met een hagelgeweer. Naar aanleiding van deze informatie hebben wij de plaats delict voor de tweede keer onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van hagelmunitie dan wel delen van hagelmunitie. Tussen de bladeren, langs de rand bij een muurtje, naast de plaats waar het slachtoffer had gelegen, is een kunststof schijfje aangetroffen met daarop een zwart op kruitresten gelijkend poeder.

Goed: een prop

SIN: AAEU4571NL

Bijzonderheden: kunststof prop behorende bij een hagelpatroon.

6. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 9 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisanten] (pagina 200032 e.v.) Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 juni 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [C.G.] :

Ik was op 7 juni 2012 om 21.10 uur bij [slachtoffer] . Ik moest naar huis. Ik liep met [slachtoffer] naar het metrostation Bullewijk. Onderweg kwamen wij twee negroïde mannen tegen. De ene was dun en de andere was steviger en droeg rasta haar. Die dunne keek heel lang naar mijn vriend en zei toen: “Vuile vieze homo, met je vriendinnetje”. Er waren veel mensen op straat. Ik hoop dat zij ook gezien hebben dat die neger een wapen heeft gepakt. [slachtoffer] zei: “Ik zou maar doorfietsen als ik jou was”. Toen die persoon begon te schreeuwen, was hij niet alleen. Hij was met iemand. Die jongen liet het wapen zien op het moment dat hij zei dat we moesten doorlopen. Wij hadden ons op dat moment omgedraaid. Hij pakte een wapen uit de buurt van zijn middel en zijn geslachtsdeel. Het was een klein wapen. [slachtoffer] vroeg wat hij had gedaan en wilde weten hoe dit zat. De afstand tussen de twee negroïde mannen en ons bedroeg ongeveer drie à vier meter? [slachtoffer] werd boos. Hij schreeuwde dat ze door moesten fietsen en normaal moesten doen. Hij wilde weten waarom ze hem uitscholden en bedreigden.

Die negroïde jongen zei toen zoiets als: “Wat wil je doen? Moet ik bang worden? Wat wil je?”, toen liet hij zijn wapen zien en zwaaide daar mee. Daarbij richtte hij het wapen op ons. Hij had zijn vinger op de trekker van het wapen. Daar schrok ik van. [slachtoffer] zei toen dat hij geen wapen nodig had. Hij zei: “Ik ben een man, ik heb geen wapen nodig”. Daarop zei die negroïde man: “Als je echt een man ben dan moet je mij nu achtervolgen. Dan zul je zien…”. Toen zijn die jongens langzaam weggefietst. [slachtoffer] zei toen: “Wat wil je doen? Wat wil je doen?”. En hij is achter de jongens aangerend.

Signalement NN1: Man, donkere huidskleur, ik denk kort haar (in ieder geval geen rasta haar). Hij pakte het vuurwapen met zijn rechterhand. Het was een klein vuurwapen. Hij reed op een zwart/grijze omafiets.

Signalement NN2: Man, donkere huidskleur, lange rasta, gouden tand. Ik heb NN2 niets horen zeggen. Ik zag wel dat ze steeds naar elkaar keken. NN2 reed op een zwarte omafiets.

7. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100753 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op de beelden, opgenomen door de beveiligingscamera van de flat Huigenbos te Amsterdam-Zuidoost, is te zien dat twee personen afzonderlijk op een fiets langs een portiek fietsen. De bewegende beelden en foto-stills zijn op 30 oktober 2012 aan de getuige [C.G.] getoond.

V: Wat kun je zeggen over de eerste persoon die je langs de portiek ziet fietsen?

Ik zie het heel wazig maar hij is de degene die een pistool had. Die andere die heeft rasta. Het is hem. Ik twijfel niet.

Wat kun je zeggen over de tweede persoon die langs het portiek fietst?

Dat is die andere. Die rasta.

8. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 9 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (pagina 200089 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 juli 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [H.N.] :

Ik kwam op 7 juni 2012 aanlopen op de galerij van mijn woonadres. Ik zag drie mannen een woordenwisseling hebben. Twee donkere mannen met een fiets aan hun zijde. De derde man stond een meter bij hun vandaan. Ik hoorde geschreeuw. Ik zag de twee mannen met de fiets in de richting van het viaduct lopen. De andere man liep terug naar Huigenbos en kwam later terug lopen. Er stond nog een meisje op het grindpad. Zij zei zoiets van loop toch niet naar ze terug. Die man liep wel door in de richting van het viaduct. Vervolgens hoorde ik een knal.

9. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 8 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisanten] (pagina 200002 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 juni 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [H.H.]

Ik zag [slachtoffer] en [C.G.] voor zijn deur. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: “Even wegbrengen en ik ben zo terug”. Ik ben toen samen met [J.S.] naar boven gegaan. Na ongeveer 5 minuten werd ik gebeld door [slachtoffer] . Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: “Kom even naar beneden iemand valt mijn vriendin lastig of hij valt mijn vriendin aan of hij valt mijn vriendin lastig”. Ik ben samen met [J.S.] naar beneden gelopen. Ik zag dat [slachtoffer] voor ons liep, 20 meter ofzo. Ik ben naar hem toe gelopen. Ineens zag ik dat er twee personen aan kwamen fietsen. [slachtoffer] was nog onder de tunnel en die twee fietsers waren een beetje buiten de tunnel. Ineens zag ik de rechter man een klein grijs pistool trekken. De tweede man had een heel groot pistool. Hij trok hem met zijn rechterhand uit zijn linker heup. Hij was lang ongeveer 60 centimeter. Het midden was lichtbruin. Ik zag hem het pistool laden. Ik zag namelijk dat er iets heel snel naar achter werd getrokken bij dat lange pistool. Direct daarna hoorde ik een knal. Na die knal hoorde ik [slachtoffer] mijn naam roepen. Ik zag dat hij op de grond lag. Ik zag de daders rechtsaf fietsen. Ze gingen weg in dezelfde richting als waar ze vandaan kwamen.

De man met het kleine wapen stond voor mij gezien rechts. Het was een negroïde man. Het wapen was klein en grijs. Ik zag wel dat hij het met links vasthield en richtte op [slachtoffer] . Ik zag dat hij het wapen richtte met gestrekte arm. Ze kwamen fietsend aan, stopten, stonden stil en trokken wapens. Dader 1 richtte het wapen op [slachtoffer] . Dader 2 pakte zijn wapen en schoot gelijk. Beide daders reden op een bananenfiets (het hof begrijpt: omafiets). Een van de daders had rastahaar.

De man met het grote wapen was ook een negroïde man. Het was een lang pistool, ongeveer 60 centimeter met in het midden bruin. Hij pakte het met zijn rechterhand van zijn linkerheup. Ik zag dat hij stopte met fietsen. Ik zag dat hij zijn fiets tussen zijn knieën deed, het wapen pakte, iets naar achteren deed (laden) en schoot. Ik zag dat hij ook echt richtte. Ik zag dat hij het wapen met zijn linkerarm, aan de voorkant pakte en hem dus met twee handen pakte. Ik zag dat hij richtte naar [slachtoffer] en gelijk schoot. Ik hoorde een knal.

De afstand tussen de schutters en [slachtoffer] was zo’n 10 meter. De daders stonden dicht bij elkaar (op ongeveer 1 meter afstand. Hoe ik weet dat ze bij elkaar hoorden. Omdat ze samen kwamen aanfietsen. Ze fietsten naast elkaar en stopten tegelijk, naast elkaar, en trokken allebei hun wapen. Ze zijn gelijk omgekeerd en naar rechts gefietst.

10. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 26 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisanten] (pagina 200063 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 juni 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [H.H.]

Ik heb aangegeven dat ik nog iets had toe te voegen aan mijn eerdere verklaring. Hij heeft aangebeld. Hij zei iets van mijn vriendin wordt lastig gevallen dus kom even kijken. Kom naar beneden. Ik ben toen naar beneden gegaan. Hij liep iets van 10 meter van mij af. Ik liep achter hem tot de tunnel. Ik vroeg hem wat er aan de hand was maar hij zei niets. Toen ik bij de tunnel was, was hij in het midden van de tunnel. Ik zag twee mannen van de fiets af stappen. De ene trok als eerste het kleine pistool en richtte het op het slachtoffer. Daarna zag ik dat de tweede een wapen trok. Het handvat van dat wapen was lichtbruin van kleur. Hij laadde het wapen een keer en ik hoorde een knal. Het slachtoffer was op de grond. De mannen keerden om en gingen gelijk naar rechts. Er was geen contact tussen de mannen en [slachtoffer] . Ik heb de mannen zien afstappen van hun fiets en hun wapen zien trekken. Zij kwamen uit tegenover gestelde richting, vanaf Hoptille. Zij kwamen niet uit dezelfde richting als [slachtoffer] en ik.

NN1, degene met het kleine wapen. Man, geen lang haar, reed op een omafiets. Het wapen was grijs en klein. Een heel stuk kleiner dan het wapen van man 2.

NN2 had een groot wapen. Man, rasta (ik kon zien dat hij wel lange rasta had). Ook hij reed op een omafiets.

11. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 20 augustus 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisanten] (pagina 200262 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 augustus 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [H.H.]

Ik heb met eigen ogen gezien hoe [slachtoffer] werd neergeschoten. Het was een raar wapen. Ik hoorde maar één knal. In het ziekenhuis zeiden ze vier (4) kogels. De schutters waren ongeveer twintig meter van mij vandaan en het slachtoffer, in het midden, op ongeveer tien meter afstand van mij. De eerste schutter trok een klein pistool. De tweede trok een groot wapen en schoot gelijk. Het slachtoffer viel en riep mijn naam. Toen [slachtoffer] aanbelde zei hij: “Ik word lastiggevallen. Iemand doet stoer. Hij valt mijn vriendin lastig. Ik was heel snel beneden en ik liep tien tot twaalf meter achter [slachtoffer] . [J.S.] (het hof begrijpt: [J.S.] ) liep zo’n beetje achter mij. De dader die (van mij uit gezien) links stond, trok een groot wapen, laadde en schoot. Het wapen was ongeveer 40 tot 50 centimeter. Het midden van het wapen had een beukenhouten kleur. Ik heb het wapen goed gezien, maar ik kan me hun gezichten niet meer herinneren. Ze zaten allebei op hun fiets met hun fiets tussen hun knieën, zodat de fiets niet kon vallen. [slachtoffer] is niet in de buurt van de schutters gekomen. De eerste schutter trok gelijk een wapen en [slachtoffer] is op tien meter blijven staan. Er werd helemaal niks gezegd. Ik liep achter [slachtoffer] aan. Toen hij onder het tunneltje stopte, zag ik de schutters op hun fietsen. Daarvoor niet.

V: Heb je de beelden op televisie gezien (het hof begrijpt: van de twee personen die de flat Huigenbos voorbij fietsen)?

A: Ja, ver weg maar zij zijn het. De manier waarop ik ze zag fietsen.

( [H.H.] imiteert hierbij een relaxte, slungelachtige onderuitgezakte houding).

12. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 19 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (pagina 200045 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 juni 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [H.S.] :

Ik hoorde een schot. Ik heb uit het raam gekeken en zag toen twee mannen wegfietsen. Ik zag dat één van deze mannen het eerste pad inging en de andere het tweede pad. De een riep de ander alsof er een verkeerd was gegaan. Het was vijf minuten voor tien ‘s avonds. Dit weet ik omdat ik gelijk op de klok heb gekeken toen ik de knal hoorde. De voorste man was een Surinamer of een Antilliaan. Hij reed volgens mij op een zwarte damesfiets. Hij reed heel snel. De achterste man was wat donkerder van kleur. Hij reed ook een zwarte fiets. Ik hoorde maar één schot.

13. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 7 augustus 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisanten] (pagina 200250 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 augustus 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [H.S.] :

Wij tonen u beelden van het schietincident van 7 juni 2012, die zijn uitgezonden bij AT5 op 26 juli 2012. Heeft u deze beelden al eerder gezien?

Zoals ik het beeld nu zie dan zijn de personen op de fiets gefilmd vanuit het portiek de mannen die ik op de fiets heb gezien. Het zijn de twee jongens. Zeker weten. Het zijn die jongens, 100%. Ik herken ze aan hun houding. De achterste man zat onderuit gezakt op de fiets. De voorste zat rechterop. Ik zie deze beelden nu voor het eerst.

14. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100112 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Verantwoording tijdlijn

De tijdweergave van de camerabeelden van de flat Huigenbos loopt 25 seconden voor op de algemeen aanvaarde standaardtijd en de tijdweergave van de flat Hakfort loopt 26 seconden achter op de algemeen aanvaarde standaardtijd.

Verantwoording en uitgangspositie interpretatie waarnemingen

Uit diverse bronnen is vastgesteld dat het schietincident heeft plaatsgevonden op 7 juni 2012 omstreeks 21.56 uur. Een van de getuigen ( [H.S.] ) heeft verklaard dat zij vermoedelijk de twee daders onder een tunnel nabij de parkeergarage van de flat Hogevecht heeft zien weg fietsen in de richting van de flat Huigenbos te Amsterdam. In de flat Huigenbos bleek een camerasysteem aanwezig waarvan de camerabeelden zijn gevorderd. Hieruit bleek later dat er om 21.58.26 uur (werkelijke tijd 21.58.01 uur) twee personen op een fiets zichtbaar zijn die uit de richting van de tunnel komen fietsen. Ik zag dat er voor deze personen binnen een reëel tijdsbestek geen andere personen uit deze richting kwamen lopen of fietsen. Het is derhalve aannemelijk dat de personen die hier op de fiets zijn waargenomen, betrokken waren bij het schietincident.

Omschrijving omgeving in relatie tot de camerabeelden.

Het schietincident heeft plaatsgevonden op het Abcouderpad ter hoogte van de onderdoorgang met de Karspeldreef in Amsterdam op 7 juni 2012 omstreeks 21.56 uur. In de flat Huigenbos was in diverse portieken een camerasysteem operationeel. Parallel aan het Abcouderpad is (aan de westzijde) de flat Hakfort gesitueerd. In de portieken van die flat was eveneens een camerasysteem operationeel. Dat gold ook voor het kinderdagverblijf op de Hogevecht.

Waarnemingen

21.49.02 uur (camera 3 laatste portiek Huigenbos 21.49.27 uur)

Ik zie dat de lift van de laatste portiek van de flat Huigenbos stopt op de derde etage en dat er een man en een vrouw de lift instappen. De man herken ik als het latere [slachtoffer] . Het hof begrijpt dat de vrouw is: [C.G.] . Er bevinden zich geen andere personen in de lift.

21.49.22 uur (camera 3 laatste portiek Huigenbos 21.49.47 uur)

Ik zie [slachtoffer] en [C.G.] op de begane grond uit de lift stappen.

21.49.25 uur (camera 1 laatste portiek Huigenbos 21.49.50 uur)

Ik zie dat [slachtoffer] en [C.G.] naar de noordelijke toegangsdeur van de portiek lopen, de deur uitlopen en direct linksaf lopen in de richting van de flat Hakfort.

21.51.04 uur (camera 1 laatste portiek Huigenbos 21.51.30 uur)

Ik zie twee mannen vanuit de richting van de flat Hakfort aan komen lopen en stoppen bij de portiek. Kennelijk bellen ze aan, waarna de portiekdeur open gaat en zij naar binnen gaan. Ik herken deze mannen als [J.S.] en [H.H.] .

21.51.22 uur (camera 3 laatste portiek Huigenbos 21.51.47 uur)

Ik zie dat [H.H.] en [J.S.] de lift instappen. Ik zie dat ze met de lift naar de derde etage gaan, daar om

21.52.11 uur (werkelijke tijd 21.51.46 uur) uitstappen en naar rechts lopen waarna zij uit het camerazicht verdwijnen.

21.52.00 uur (camera 7 portiek Zeeschildpad Hakfort 21.51.34 uur)

Over het Abcouderpad komt [C.G.] aanlopen uit de richting van de A9 en gaand in de richting van het Bijlmerplein. Ik zie dat [C.G.] stil gaat staan en zich omdraait. Ik zie dat er op dat moment twee mannen voor de flat lopen, die globaal in de richting van [C.G.] kijken. Vanwege hun abrupte kijken in de richting van [C.G.] , vermoed ik dat hun aandacht door “iets” is getrokken.

21.52.17 uur (camera 7 portiek Zeeschildpad Hakfort 21.51.51 uur)

Ik zie dat rechts van [C.G.] [slachtoffer] aan komt lopen. Ik zie dat ze met elkaar staan te praten en na enkele secondes doorlopen in de richting van winkelcentrum de Amsterdamse Poort.

21.52.31 uur (camera 7 portiek Zeeschildpad Hakfort 21.52.05 uur)

Ik zie dat [C.G.] blijft staan. Ik zie dat [slachtoffer] met grote stappen terugloopt via het voetpad in de richting van de flat Huigenbos (en uit het zicht van de camera verdwijnt). Ik zie dat [C.G.] een paar meter achter hem aan loopt, dan stil blijft staan en staat te kijken in de richting van waar [slachtoffer] heen loopt.

21.52.46 uur (camera 7 portiek Zeeschildpad Hakfort 21.52.20 uur)

Ik zie in de verte twee personen op een fiets over een fietspad rijden, globaal gezien vanaf het laatste gedeelte van de flat Huigenbos in de richting van de onderdoorgang waar later het schietincident heeft plaatsgevonden.

21.53.17 uur (camera 1 laatste portiek Huigenbos 21.53.42 uur)

Ik zie dat [slachtoffer] over het gras aan komt rennen vanuit de richting van het Abcouderpad naar de portiek waar hij eerder uitkwam. Ik zie dat hij aanbelt. Ik zie dat hij herhaaldelijk kijkt in de richting van het Abcouderpad. Ik zie dat hij zijn riem vast- of losmaakt. Om 21.54.03 uur zie ik hem, terwijl hij naar het bellenbord kijkt, spreken en om 21.54.10 uur zie ik hem links uit het beeld weglopen.

21.54.49 uur (camera 1 laatste portiek Huigenbos 21.55.14 uur)

Ik zie [H.H.] en [J.S.] via de trap naar beneden komen rennen en de laatste portiek van de flat Huigenbos uitrennen en linksaf rennen. Ik zie dat zij buiten over het grasveld in de richting van de onderdoorgang bij de Karpseldreef rennen.

21.55.17 uur (camera 7 portiek Zeeschildpad Hakfort 21.54.51 uur)

Ik zie op hetzelfde pad als de hiervoor genoemde fietsers een persoon lopen in de richting van de onderdoorgang waar later het schietincident zou plaatsvinden. Dit is mogelijk [slachtoffer] , maar gezien de afstand en de kwaliteit van het beeldmateriaal is het niet nader vast te stellen dan wel uit te sluiten. Ik zie dat [C.G.] zich tegelijkertijd omdraait en alleen doorloopt in de richting van het Bijlmerplein.

21.57.55 uur (camera 1 eerste portiek Hakfort 21.57.29 uur)

Ik zie [C.G.] op de openbare weg langs een portiek lopen. Ik zie een telefoongesprek voert of tracht te voeren. Ik zie dat zij links uit beeld loopt, in de richting van onder andere het metrostation Bullewijk.

21.58.49 uur (camera 1 laatste portiek Huigenbos 21.59.14 uur)

Ik zie een negroïde man op vermoedelijk een damesfiets voor de portiek langsrijden. Ik zie dat hij rijdt in de richting van de flat Hakfort en komt uit de richting van portiek C van de flat Huigenbos over het pad dat door de aldaar gesitueerde speeltuin leidt. De man heeft vermoedelijk kort haar.

21.58.53 uur (camera 1 laatste portiek Huigenbos 21.59.18 uur)

Ik zie een negroïde man op vermoedelijk een damesfiets voor de portiek langsrijden. Ik zie dat hij achter de hiervoor genoemde man aanrijdt en dat hij gaat in de richting van de flat Hakfort.

15. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 11 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisanten] (pagina 200100 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 juli 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [F.M.] :

Wij toonden de getuige de camerabeelden van de verdachten van de schietpartij op 7 juni 2012 op het Abcouderfietspad in Amsterdam (bijlage 4 en 5 zijn screenshots van de camerabeelden). Na het zien van de camerabeelden zagen wij dat de getuige met wijd opengesperde ogen, stilzwijgend bleef kijken naar de beelden van de twee fietsers. De getuige maakte een geschrokken indruk. Toen wij de getuige vroegen of hij schrok, beaamde hij dit. Op de vraag of hij een van de personen herkende, hoorden wij de getuige zeggen:

- Dat hij de persoon op de eerste foto (bijlage 4) herkende als [medeverdachte V.B.] .

- Dat hij schrok omdat hij [medeverdachte V.B.] direct herkende.

- Dat hij [medeverdachte V.B.] herkende aan zijn postuur, houding en kapsel.

16. Een proces-verbaal van bevindingen van 928 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisant] (pagina 100403 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Naar aanleiding van het onderzoek zijn er meerdere technische acties verricht op [F.M.] . Als bijlage bij het proces-verbaal zijn de gesprekken uit de technische acties bijgevoegd.

Pagina 100453

Datum: 30-7-2012

Tijdstip: 16:53:42 uur

Gespreknummer: 276860552

[F.M.] belt uit naar NNman 8784

F: Die mannen hebben me… ik kom der net vandaan… die mannen hebben mij alle video’s laten zien.

N: Ja.

F: Waar die mannen voorbij zijn gereden, al dat soort dinges.

F: Ik keek naar die foto’s en ik zie openlijk dat het die mannen zijn.

N: Hmmmm

F: Ik heb die mannen sowieso herkend, jonge je moet nu zo van uitgaan dat deze mannen heel erg in de problemen zitten.

17. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 21 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (pagina 200410 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Op 20 november 212 hoorden [verbalisant] en ik de getuige [S.P.] .

Wij deelden de getuige mede dat wij haar wilden horen in het kader van de schietpartij van 7 juni 2012 op het Abcouderpad te Amsterdam. De getuige verklaarde desgevraagd als volgt. Het gaat waarschijnlijk om die Marokkaanse jongen. Ik heb naar de beelden van Opsporing Verzocht gekeken. Dat waren die beelden van die twee jongens op fietsen. Toen ik die beelden zag dacht ik dat ik deze jongens herkende. Die jongen zonder rasta’s heb ik herkend als [bijnaam V.B.] . Ik herkende hem aan de houding die hij heeft op de fiets. Die jongen herkende ik direct.

18. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 10 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisanten] (pagina 200484 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 december 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [K.B.] :

Kun je nog eens in je Blackberry kijken wat :x betekent?

Ja hier staat het. :x betekent ‘niet verklappen’. Dat staat zo in mijn Blackberry. Bij de smiley’s staat geschreven wat het betekent.

De telefoon van [verdachte] is door ons getapt. Daarin zien wij dat hij met jou pingt. Ik lees een stukje uit het pingcontact voor:

A: Ma wa over wil je met me praten

A: Zkerr dingen gehoort in de buurt

K: Jhaaa

K: En geziem

A: Serieusss

A: Hun moerrr

A: ik heb nix gedaan

A: Zomaar praten ze

A: ik ga die hele buurt in vuur steken 1 van die dagen

K: En opsporing

K: Me ma woond daar

K: Je was op opsporin

A: Jah ik weet

Ik ken het me herinneren.

Dus jij zegt ‘je was in Opsporing’ en hij zegt ‘Jah, ik weet’.

Ik zal nog even verder voorlezen:

A: ikkkkk

K: Samn op een fiets

A: Neeee man

A: Wij zijn dat niet

A: :x

K: Okey

A: ikspreekje onder4ogen

A: &It;3

Wat betekent <3?

Het is niet dat hij die code intikt. Hij gebruikt ook een smiley. Ik kijk het na in mijn telefoon, kijk maar mee. Het staat er niet tussen.

A: Ik spreeek je onder 4ogen

A: <3

K: Jhaaiknow

K: Drm zeg k k wil met je praten.

En dan ’s avonds komt [verdachte] weer terug bij jou op de ping.

A: Ey wanneer had je die ding gezien

K:Lang terug hoor

K: Toen ik in Italië was

K: Opsporing of nieuws

K: K weet et niet meer

A: Ik dnk nieuwsss

K: K word oud

A:At5

K: Oh ja dat was het volgens mij

A: Klopt.

Ja, daar heb ik het op gezien volgens mij. Ik heb het dus eerst in Italië gezien en later in Nederland kwam het weer een keer op televisie.

Dit gesprek wat jij met [verdachte] hebt over de ping, gaat dat over die uitzending? Ja.

Sla jij er op aan, dat toen jij zei dat hij op Opsporing was, dat hij zei ‘Jah ik weet’?

Ik denk het ja. Als hij schrijft ‘Jah ik weet’, dan weet hij het ja.

Noot verbalisanten:

Vervolgens richtten wij ons tot de moeder van de getuige, [mevrouw P.] , en vragen haar of we haar ook wat vragen mogen stellen. [mevrouw P.] : Ik ken [medeverdachte V.B.] omdat hij aan de overkant woont. Verbalisant: Wie herkent u in die beelden van die twee jongens op de fiets? [mevrouw P.] : [medeverdachte V.B.] . Dat is de voorste persoon op de fiets. Met dat korte haar? [mevrouw P.] : Ja.

19. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (pagina 101014 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Op 31 oktober 2012 om 08.48 uur is er een telefoongesprek opgenomen tussen [O.S.] (de moeder van [A.S.] ) en [S.P.] .

S: Ik heb verleden gekeken naar “Opsporing verzocht”... Is het [A.S.] die op de fiets was met [bijnaam V.B.]

O: Ehhe ehhe (nee nee)

S: Hij is het niet hè?...

O: Ik had je gezegd wie het was toch?

S: Mevrouw [O.S.] ik heb, ik heb zo die..., ik was vergeten u te vragen..., maar “mijn hart brak toen ik dat ding zag boy”, vrouw [O.S.] .

O: Maar ik heb je gezegd toch wie het was.

S: Maar, hij lijkt op hem hoor.

O: Jaaaa, euhm hmmm..., maar hij is lichter (huidskleur) toch

S: Maar, is het [L.O. 2] d’r broer, ernstig (echt)?

O: Euhm hmm euhm hmmm

S: Wie heeft geschoten?

O: Hij heeft geschoten

S: Hoe heet hij?

O: [bijnaam verdachte] toch

S: Ouchhhhh

O: Het is de broer van [L.O. 2]

S: Ik was helemaal verdrietig toen ik dat ding zag hoor.

O: Hij heeft zijn rasta (lang haar) al geknipt toch.

S: Maar ze hebben hem niet gevonden... ze hebben hem niet opgepakt no?

O: Hij is weg toch...hij is vrij.

(…).

20. Een proces-verbaal van bevindingen van 5 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (pagina 100705 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van een Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC). De opname is gemaakt op 25 oktober 2012 op het politiebureau Flierbos te Amsterdam Zuidoost en betreft een gesprek tussen [A.S.] en [medeverdachte V.B.]

V: Jara dig boy…… Die mannen… die mannen hadden die dingen bij [bijnaam L.O. 1] gevonden.

(…)

A: ze hebben van alles gevonden daar bij mij.

V: Die lollo’s he.

A: Alles!!!

V: Wat hebben ze gezegd.. euh?

A: Die lollo niet.

V: Waar is het dan?

A: Ik weet niet.

V: Die grijze?

V: [bijnaam verdachte] … dan heeft [bijnaam verdachte] het misschien.

A: Misschien… ze hebben ze hebben die die die…alleen maar die rifle gevonden.. die lange

V: Ai

A: Plus die “wroko” van.. van [bijnaam verdachte] hebben ze gevonden…

A: Plus die…die neppe pistolen en zo op me kamer.. over [bijnaam verdachte] hebben ze (klinkt als) onvoldoende

(…)

V: Maar wie heeft die andere dan... die grijze

A: Ik weet het niet man

V (fluisterend): Hey maar dat ding was op opsporing he

A (fluisterend): Ai ik heb het gezien.

V: Maar die mannen weten niet….

A: We gaan gewoon zwijgen.

(…)

A: Ze hebben me net…enne… half een zijn ze me komen halen

V: Waarvoor… voor die wroko’s?

A: Ja tuur… want eerste verhoor ging ik gewoon zwijgen

V: Mmmh

A: Dus gingen ze die wroko’s onderzoeken of er geen vingerafdrukken…

V: Zijn ze schoon?

A: Oh ja… krieng…alles krieng… ze hebben geen vingerafdrukken van [bijnaam verdachte] gevonden

(…)

A: Dus ik heb alles gewoon op me genomen (…).

V: Maar die grijze ook?

A: No want die mannen…hey ze hebben het niet gevonden dus..euh…

V: Dan is het nog daar.

A: Ja het is nog daar.

V: Maar…….(ntv) was ook daar toch.

A: Nee daar was… was beneden toch

V: Maar in de box zelf bedoel ik…daar is die grijze toch… maar dan hebben die mannen het gevonden.

A: Nee die mannen hebben het niet gevonden.

V: Dan heeft [bijnaam verdachte] het.

V: Ja toch, na tra san nanga sang a mang soet a mang toch

In het Nederlands betekent dit:

Ja toch, dat is dat ander ding waarmee die man, die man geschoten heeft.

(…)

V: Had je [bijnaam verdachte] nog bereikt?

A: Euh nee man.

V: Hij heeft een nieuw nummer he?

A: Ja man hij heeft alles gedropt.

V: Maar denk je dat die man dat ding nog heeft…die grijze.

A: Ik denk het wel man.. of het is nog steeds daar in in in die place van ‘m.

V: Maar hoe zijn die jongens gekomen...hoe hebben ze gezocht dan…zijn ze wel in die hal gekomen…oh die dingen waren boven?

A: No ze waren euh euh.. die dingen waren boven.. en je weet toch...beneden waren gewoon neppe.

V: Dus onderkant zijn ze niet geweest?

A: Jawel…maar ze hebben een paar dingen daar gevonden je weet toch… ze hebben een lange geweer gevonden… ze hebben een demper gevonden… ze hebben een paar kogels gevonden.

fluistert: Maar die andere …(nvt).

V: Maar dan hebben die mannen die “wroko” ook gevonden toch… want daar was die “wroko” toch.

A: No mang anders zou ik het zien toch op die dossier toch……alles staat er behalve dat dus…

grinnikt.

(…)

V: Wat moet er dan met die grote “wroko” gebeuren…moeten we het bij die andere man laten?

A: Ja man.

21. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100845 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten.

Op 7 november 2012 hoorden wij als getuige [L.O. 1] . Hij verklaarde dat hij van een geweer de loop had afgezaagd en dat hij deze nog in zijn woning had liggen. Wij zijn daarop naar de woning van de getuige gegaan. De getuige gaf de loop aan ons.

22. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming (pagina 100847 e.v.). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 7 november 2012 werd onder [L.O. 1] op het [adres] in Amsterdam in beslag genomen een afgezaagde loop (goednummer: PL132C-2012150188-4407255).

23. Een proces-verbaal van sporenonderzoek van 14 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisant] (pagina 100849 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Ik heb de volgende sporendrager onderzocht.

Goednummer: PL132C-2012150188- 4407255

Object: Loop

SIN: AAFA8578NL

24. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 7 november 2012 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 200383 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten.

Wij hoorden op 7 november 2012 als getuige [L.O. 1] . Hij verklaarde samengevat: Mijn bijnaam is [bijnaam L.O. 1] of [bijnaam L.O. 1] (fonetisch). Hoe is het gelopen met dat jachtgeweer? Die jongens vroegen mij om dat jachtgeweer te repareren. Ik heb dat jachtgeweer gerepareerd. De eerste keer kwamen er drie mannen. De tweede keer waren ze met zijn tweeën. Dat was ook de keer dat ze het wapen mee hadden. Hoe het wapen eruit zag? De kolf was verkeerd afgezaagd. Die kolf was helemaal afgezaagd op de verkeerde plek. De loop was nog compleet, die zat er nog op. Ik heb de loop er afgezaagd. De kolf was op de verkeerde plek afgezaagd. Jullie hebben een stuk. De rest heb ik er op gezet. Hoe ik het jachtgeweer heb hersteld? Ik heb hem uiteindelijk verlengd met een stuk van de afgezaagde kolf. Maar ik moest hem eerst lassen.

Opmerking verbalisanten: Aan [L.O. 1] wordt een foto getoond van het in beslag genomen wapen met daarop een zichtbare reparatie. Ja. Dat heb ik daar gelast en daar overheen iets van de rest van de kolf geplaatst.

25. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 3 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 200462 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 december 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [L.O. 1]

Opmerking verbalisanten:

Wij tonen de foto van [J.M.] aan de getuige.

Ja, ik denk dat dat is één van ze.

26. Een proces-verbaal van verhoor van 12 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisant] (pagina 300208 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 februari 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [J.M.] :

Ik woon bij mijn ouders in de flat [...] (het hof begrijpt: in Amsterdam Zuidoost). [bijnaam L.O. 1] woont in [...] .

A: Die foto is genomen in [...] (het hof begrijpt: de bij het requisitoir van de advocaat-generaal gevoegde foto van de [medeverdachte V.B.] met een wapen in zijn handen). Hij was toen kapot. Het was stuk bij de kolf. Die gozer kwam met die ding. Die veer was los. Degene die er mee kwam woont zelf in de Bijlmer! Hij kent [bijnaam L.O. 1] zelf om hem daar te laten maken!!

(…)

Opmerking verbalisant: Verdachte wijst naar de foto van [medeverdachte V.B.] die een jachtgeweer op zijn schoot heeft (bijlage 8, het hof begrijpt: de foto op dossierpagina 300223).

V: Dus [bijnaam V.B.] kwam met dat wapen aangelopen?

A: Ja man en hij zei dat hij naar [bijnaam L.O. 1] ging om het te laten maken. (…) Ik stond boven in mijn flat en zag die jongens komen aankomen en zag ze daar naar binnen gaan en ben toen ook naar die woning toegegaan. En toen zag ik het grote geweer. Hij zei dat hij stuk was en gemaakt moest worden. [bijnaam V.B.] liet dat ding zien. Dat jachtgeweer, die shotgun.

V: Wat is er met de achterkant gebeurd?

A: Volgens mij had hij hem verkeerd afgezaagd. Hij had alles bij zich. Ook de loop en twee dozen kogels.

V: Wat voor soort munitie?

A: Ik hoorde alleen ijzeren bolletjes ofzo. Hij zei als ik met dit schiet heeft die andere geen grap. Hij zei dit verspreidt enzo.

27. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 101390 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten.

Op 30 januari 2013 werd het onderzoeksteam in het bezit gesteld van een foto van een negroïde man die op zijn schoot een op een jachtgeweer en een op een pistool gelijkend voorwerp had liggen. Wij herkenden deze man als [medeverdachte V.B.] .

Wij zagen dat het op het jachtgeweer gelijkende voorwerp sterke gelijkenissen vertoont met het jachtgeweer dat op 31 (het hof begrijpt: 30) oktober 2012 in de woning op het adres [adres Z] te Schiedam is aangetroffen en in beslag is genomen. Wij zagen dat aan het jachtgeweer nog een deel van een kolf bevestigd was zoals door getuige [L.O. 1] reeds eerder was verklaard met betrekking tot het jachtgeweer waaraan hij reparaties had uitgevoerd.

28. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisant] (pagina 100742 e.v.). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Het telefoongesprek werd gevoerd op 18 augustus 2012. [medeverdachte V.B.] belt vanuit het detentiecentrum Zeist in op het mobiele telefoonnummer dat in gebruik is bij een man die [T.S.] genoemd wordt (het hof begrijpt: [T.S.] ).

[T.S.] schreeuwt enthousiast: Hey Broer!!...”Het is [medeverdachte V.B.] ”…Hey….Hey Broer.. Kijk hier Broer.. Broer.. Kijk hier.. Kijk [bijnaam verdachte] ...kijk [bijnaam verdachte] ...kijk [bijnaam verdachte]

Opmerking verbalisant: [bijnaam verdachte] is een van de bijnamen van [verdachte] .

[T.S.] geeft de telefoon door aan [verdachte] .

(….)

V: Maar voordat ik het vergeet…Hoe staat het met “die meiden” die wij bij Dro hadden achtergelaten?

A: Ja man.. Hey Broer ik zeg je het.. Zelf ‘die meiden’ hebben ons verlaten.

V: Hoe?

A: ik weet niet man… ze waren bos man… ja man… die die die jongens zijn… je weet toch .. hebben die meiden overgenomen.

V: Serieus?

A: Ik zweer het je…Maar die ‘oma’.. Die oma is er wel. Je weet toch… dus sowieso flexie…

V: Die ene die die tanden van me heeft?

A: Ja toch?

V: Ja dat weet ik … die moeten we (goed) bewaren… rustig…

A: Sowieso sowieso…

V: Plus die andere grote oma is er toch ook?

A: Ja toch… nee maar… die oma bedoel ik… maar die andere weet ik niet hoor… van die jonge meid…

V: nee dat ding van … die van mijn tand?

A: Ja

V: Die is er toch wel? .. Beneden

A: Serieus?

V: Ja jongen… Daar waar we het altijd zetten toch.

A: Broer. Volgens mij zijn die mensen daar vreselijk tekeer gegaan hoor.

V: Nee man… volgens mij… maar je moet goed kijken… je moet goed kijken…. Volgens mij niet man…

A: Nee? … okay… okay… okay…

V: Weet je nog waar we dat ding vandaan gehaald hadden.. die dag toen ik je riep voor die Hindoestaanse mannen toch?

A: Ja

V: Daar is het toch… niemand kan daar gaan… daar is het…

A: Broer, je gaat niet willen geloven… zelfs daar zijn die mannen gaan ‘dingesen’…

V: jaaaa??

A: Zelfs helemaal daar… toen die mannen geweest waren zijn we gaan kijken…. We zagen dat alles overhoop gehaald was…

29. De verklaring van de getuige [medeverdachte V.B.], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 juni 2015.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:


Ten aanzien van het OVC-gesprek van 25 oktober verklaar ik het volgende. Lollo’s en wroko’s zijn vuurwapens. Als er over ‘grijze’ wordt gesproken dan gaat het over een klein handwapen. Dat kleine handwapen was van mij, maar lag bij [A.S.] . Ik weet niet of de politie dat handwapen tijdens de doorzoeking daar heeft gevonden. Ik weet niet wat er met het woord ‘meiden’ en ‘oma’ in een gesprek wordt bedoeld, maar dat kan ook over vuurwapens gaan.

Ik had twee wapens bij [A.S.] liggen op het adres [adres X] . Eén van de wapens, te weten een gaspistool, is gevonden tijdens de doorzoeking. Ik weet niet waar het tweede wapen op dit moment is.

Op aanvullende vragen van de raadsvrouw van de verdachte antwoord ik als volgt. U houdt mij voor dat ik in een gesprek met [A.S.] op de Flierbosdreef op 25 oktober 2012 zou hebben gesproken over een ‘grijze’. Dat betrof een handwapen.

Op vragen van de advocaat-generaal antwoord ik als volgt. Als over ‘oma’ wordt gesproken dan kan het over een vuurwapen gaan, maar ook over drugs. Ik

weet niet op welk vuurwapen wordt gedoeld als over ‘oma’ wordt gesproken in het kader van vuurwapens. Het kan zijn dat het dan over een ‘Riffle’ (fonetisch) ging. Het kan zijn dat het om een oud geweer ging. Er is een ‘Riffle’ bij [A.S.] aangetroffen. Een ‘Riffle’ is een dun wapen met een lange loop.

30. Een proces-verbaal van 6 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisant] (pagina 100842 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten.

Op 15 september 2012 wordt er vanaf de gsm van [verdachte] uitgebeld. [verdachte] voert ondertussen een gesprek met twee mannen kennelijk in zijn directe omgeving. Het tapgesprek is bij dit proces-verbaal gevoegd.

De telefoon van [verdachte] belt uit. Vermoedelijk is dit per ongeluk gegaan. De lijn blijft enige tijd open zonder dat [verdachte] reageert op de opnemende man. Wel is te horen dat [verdachte] een gesprek voert met vermoedelijk twee mannen in zijn directe nabijheid. Nadat de telefoon bij de gebelde is overgegaan neemt deze op.

Gebeld: Hallo

NN1 bij [verdachte] : Geen andere man boort als [bijnaam L.O. 1] .

Gebelde: Hallo

[verdachte] : Laat me het zo zeggen… die van mij niet.. breng die dingen hier…

NN2 bij [verdachte] : Het is niet gewoon… het moet geboord worden.

[verdachte] : No no vriend…die ding gaat niet zo.. [bijnaam L.O. 1] . Die man boort niet… weet je wat hij doet. Hij haalt die hele mapang-pang loop weg… dan zet hij een andere loop erin. Dat doet die man. Die boort dat “werk” niet… want in sommige zitten die kowlo staal d’r in toch. Je kan het dan niet boren met die staal.

(…)

[verdachte] : Die man had het gewoon doormidden gezaagd… bij die kop gewoon... hij zaagde beetje bij beetje. Toen heeft hij die dinges… dat “hoofd” eraf gehaald. Je weet toch hoe? Dan wat heeft hij dan gedaan… Toen heeft hij die hele loop weggehaald… heeft hij een andere loop d’r ingezet.

31. Een proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100790 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten.

Op 30 oktober 2012 is de woning [adres Z] te Schiedam doorzocht. Ik, [verbalisant] , bevond mij met [verbalisanten] in slaapkamer 4, gelegen op de benedenverdieping. In deze slaapkamer was een verlaagd plafond met plafondplaten. Ik, [verbalisant] , voelde dat op één van de plafondplaten een voorwerp lag. Ik zag dat het een zwarte sok betrof. Ik heb de sok geopend en zag dat er munitie in zat (ten minste 3 patronen). Ik heb vervolgens met een zaklamp de ruimte boven het plafond bekeken. Ik zag een blauwe jas. De jas is veiliggesteld. Ik zag dat er in de jas een voorwerp zat. Het betrof een hagelgeweer met een ingekorte loop.

De bewoners van de woning, te weten [L.E.] en [A.E.S.] , zijn aangehouden.

32. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100814 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 oktober 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [L.E.] :

Ik woon op de [adres Z] in Schiedam. Ik hoorde net Amsterdam noemen en toen dacht ik wel meteen aan een jongen die als enige bij mij in huis heeft geslapen de afgelopen tijd. Die heet [verdachte] . Zijn moeder heet [...] . Hij heeft de afgelopen tijd bij mij in huis op de benedenverdieping verbleven in de gastenkamer, de kamer op de benedenverdieping die niet van [A.E.S.] is. Hij kwam enige tijd geleden langs en heeft sindsdien regelmatig bij mij in de woning geslapen. Tot afgelopen zaterdag.

33. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisanten] (pagina 100818 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 oktober 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [A.E.S.] :

Ik woon bij mijn tante [L.E.] op de [adres Z] te Schiedam. [bijnaam verdachte] woont niet bij ons maar blijft wel geregeld slapen. Hij slaapt nu niet meer in mijn kamer, maar in de logeerkamer. Dat is de kamer naast mijn kamer. De laatste keer dat hij bij ons bleef slapen, sliep hij nog wel in mijn kamer (het hof begrijpt: slaapkamer 4, waar in het plafond het jachtgeweer is gevonden).

34. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 januari 2014

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:


Ik word ook wel [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] of [bijnaam verdachte] genoemd. Ik had in die tijd lang rastahaar. Ik ken [medeverdachte V.B.] . Ik heb hem op 7 juni 2012 ook gezien. Dat was in de Bijlmer. Ik heb verbleven op de [adres Z] in Schiedam. Ik wist dat het wapen in het plafond lag. Ik heb het wapen gezien in de [adres Z] in Schiedam. [L.O. 2] is mijn halfzus. Zij heet eigenlijk [L.O. 2] . Dat blauwe koffertje met patronen dat in Utrecht is aangetroffen, is van mij.

35. Een geschrift, zijnde een weergave van een telefoongesprek (pagina 100763). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Datum: 14-10-2012

Tijdstip: 20:12:50 uur

[verdachte] belt uit met NNM2314

[verdachte] : Maak jij die kamer voor me vrij?

NNM: Ja, ik ga het regelen.

36. Een proces-verbaal van bevindingen van 29 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisant] (pagina 100755 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] in de periode augustus 2012 t/m oktober 2012 ten minste in twee verschillende woningen in Schiedam heeft verbleven. Op 29 augustus 2012 werd de verdachte door een contact opgehaald in de [adres Z] in Schiedam. Uit verschillende opgenomen en uitgeluisterede telefoongesprekken vanaf 9 tot en met 20 oktober 2012 die de verdachte voerde met een man die gebruik maakt van het telefoonnummer [2314] en met vriendinnen is gebleken dat [verdachte] omstreeks 13 oktober een kamer heeft betrokken in de woning gelegen aan de [adres] te Schiedam. [verdachte] voerde diverse gesprekken met een man die gebruik maakt van het telefoonnummer [2314] uit deze gesprekken bleek dat deze man kennelijk “samen woont” met [verdachte] . Uit het politiesysteem, een mutatie van 16 oktober 2012, bleek dat een man genaamd [R.K.] wonende [adres] Schiedam het telefoonnummer [2314] had opgegeven als bij hem in gebruik.

37. Een proces-verbaal wapenonderzoek van 1 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [verbalisant] (pagina 100834 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Op 30 oktober 2012 is de woning [adres Z] in Schiedam doorzocht. Daarbij is munitie aangetroffen en een ingekort enkelloops hagelgeweer.

Op 15 oktober 2012 heb ik onderzoek ingesteld naar het in beslag genomen vuurwapen.

Itemnummer 4402155 – ingekort hagelgeweer

SIN: AAFH2764NL

Voorwerp: Ingekort enkelloops hagelgeweer

Merk: Fabrique Nationale - Browing

Model: Auto-5 Sweet Sixteen

Kaliber: 16

De originele lengte van dit enkelloops hagelgeweer is 120 centimeter. Het wapen is zowel aan de achterzijde (bij de schoudersteun) als de voorzijde (loop) ingekort, waarbij de gewijzigde lengte ongeveer 70 centimeter is. Hiermee is dit hagelgeweer dusdanig gewijzigd dat het dragen ervan niet of minder zichtbaar is. Het inkorten bij de houten schoudersteun is middels afzagen gebeurd. Hierbij is ook kennelijk de metalen as, die de houten schoudersteun met het metalen frame stabiliseert, doorgezaagd. Deze metalen as is middels een lasverbinding weer hersteld. Gelet op de afwerking van de lasverbinding is dit niet fabrieksmatig gedaan. De loop is aan de voorzijde ingekort door deze af te zagen. De zaagsnede is duidelijk zichtbaar.

Dit enkelloops hagelgeweer is een vuurwapen in de zin van categorie II van de Wet wapens en munitie.

Itemnummer 4402164 - munitie

SIN: AAFH2765NL

Voorwerp: munitie

Kaliber: Kaliber 16

Merk: Rottweil

Deze munitie is vervaardigd door de Firma Rottweil en heeft, gelet op het bodemstempel het kaliber 16. De aanduiding “9P’ is de aanduiding voor “Nine Ball”. Dat wil zeggen dat de patroon gevuld is met negen metalen hagelkorrels. Deze patronen zijn qua kaliber geschikt om te worden afgeschoten met de in beslag genomen (ingekorte) enkelloops hagelgeweer merk Frabrique Nationale – Browning model met het kaliber 16.

Deze patronen zijn munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

38. Een geschrift, te weten een NFI-rapport ‘Forensisch-chemisch onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van munitie bij doorzoeking van een woning op 20 oktober 2012 in Schiedam” het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt op 18 februari 2013 door [deskundige] , NFI-deskundige forensische elementanalyse (pagina 101495 e.v.).
Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

Verkregen informatie: Op 30 oktober 2012 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in perceel [adres Z] te Schiedam. In dat perceel werd een geweer en patronen aangetroffen en veiliggesteld.

SIN

Omschrijving

AAFH2765NL

3 patronen

AAEU4571NL

Plastic schotelprop

AAEU4629NL

Twee loden kogels uit lichaam slachtoffer

AAEU4628NL

Vier loden kogels uit lichaam slachtoffer

Interpretatie van resultaten

* Er komen op basis van loodsamenstelling (combinatie van isotopen en elementen) in totaal drie te onderscheiden groepen voor in de patronen (AAFH2765NL). Dezelfde drie groepen loodsamenstellingen komen voor in de loodfragmenten (AAEU4628NL) en (AAEU4629NL) afkomstig van de plaats delict.

* De koolstof en isotoopwaarden van de schotelproppen uit de drie patronen (AAFH2765NL) komen overeen met die van het kunststof materiaal (AAEU4571NL).
Er is op grond van deze resultaten dus een duidelijke relatie in chemische samenstelling tussen de patronen en de munitiedelen aangetroffen op de plaats delict.

De resultaten van het onderzoek worden bezien in het licht van de volgende hypothesen:

Hypothese H1
De verschoten munitiedelen (AAEU4628NL), (AAEU4629NL) en (AAEU4571NL) zijn afkomstig van dezelfde munitievoorraad als die waartoe de patronen (AAFH2765NL) behoren.

Hypothese H2
De verschoten munitiedelen (AAEU4628NL), (AAEU4629NL) en (AAEU4571NL) zijn afkomstig van een willekeurige andere munitievoorraad hagelpatronen.

Hypothese 3 H3

De verschoten munitiedelen (AAEU4628NL), (AAEU4629NL) en (AAEU4571NL) zijn afkomstig van een willekeurige ander munitievoorraad hagelpatronen van hetzelfde merk en type als de patronen (AAFH2765NL).

Voor de weging tussen hypothese H1 en H2 kan geconcludeerd worden dat de resultaten van dit onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de verschoten munitiedelen afkomstig zijn van dezelfde munitievoorraad als doe waartoe de patronen (AAFH2765NL) behoren dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere munitievoorraad hagelmunitie.

Voor de weging tussen hypothese H1 en H3 kan geconcludeerd worden dat de resultaten van dit onderzoek iets waarschijnlijker zijn wanneer de verschoten munitiedelen afkomstig zijn van dezelfde munitievoorraad als die waartoe de patronen (AAFH2765NL) behoren dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere munitievoorraad van hetzelfde merk en type als de patronen (AAFH2765NL).

39. Een geschrift, te weten een NFI-rapport ‘Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Amsterdam op (het hof begrijpt:) 7 juni 2012, opgemaakt op 19 april 2013 door [deskundigen] , beiden NFI-deskundige wapens en munitie (pagina 101549 e.v.).
Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundigen, zakelijk weergegeven:

SIN

Omschrijving

AAFH2765NL

3 patronen

AAFH2764NL

Hagelgeweer

AAEU4571NL

Plastic schotelprop

AAEU4629NL

Twee loden kogels uit lichaam slachtoffer

AAEU4628NL

Vier loden kogels uit lichaam slachtoffer

De kans op het aantreffen van munitie kaliber 16 in Nederland wordt geschat op 0,5% oftewel een kans van 1-op-de-200. Een vergelijkbare kans geldt er voor het aantreffen van een vuurwapen van dit kaliber. Anderzijds zal, indien een vuurwapen kaliber 16 wordt aangetroffen de kans dat bij dit wapen munitie van hetzelfde kaliber aanwezig is groot zijn. Als deze kans maximaal wordt gesteld (dus 1) dan is de kans op het aantreffen van een vuurwapen kaliber 16 met bijbehorende munitie kaliber 16 nog steeds 1-op-de-200 in de onderzochte populatie. De kans op het aantreffen van het merk Rottweil in kaliber 16 wordt geschat op 5,3%. Dit is een kans van ongeveer 1-op-de 20. De kans op het willekeurig aantreffen van munitie kaliber 16 van het merk Rottweil wordt daarom geschat op 1-op-de-4000 oftewel een kans van circa 0,025%.

De resultaten van het onderzoek worden bezien in het licht van de volgende hypothesen:

Hypothese H1
De verschoten munitie (AAEU4571NL), (AAEU4628NL) en (AAEU4629NL) zijn afkomstig van dezelfde munitievoorraad als de patronen (AAFH2765NL) die bij de huiszoeking zijn aangetroffen.

Hypothese H2
De verschoten munitiedelen (AAEU4571NL), (AAEU4628NL) en (AAEU4629NL) zijn afkomstig van een willekeurige andere munitievoorraad uit de onderzochte populatie in bezit van een persoon in Nederland.

Voor de weging tussen de hypothesen H1 en H2 kan geconcludeerd worden dat de resultaten van dit onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de verschoten munitieleden (AAEU4571NL), (AAEU4628NL) en (AAEU4629NL) afkomstig zijn van dezelfde munitievoorraad als de patronen (AAFH2765NL) die bij de huiszoeking zijn aangetroffen dan wanneer de verschoten munitiedelen (AAEU4571NL), (AAEU4628NL) en (AAEU4629NL) afkomstig zijn van een willekeurige andere munitievoorraad in bezit van een persoon in Nederland.

De [deskundige] heeft ook het functioneren van het hagelgeweer onderzocht.

Hij concludeert dat het hagelgeweer (AAFH2764NL) bestemd is en geschikt voor het semi-automatisch verschieten van patronen kaliber 16. Alle onderdelen functioneren goed.

40. Een geschrift, te weten een NFI-rapport ‘Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Amsterdam op (het hof begrijpt:) 7 juni 2012, opgemaakt op 28 juni 2012 door [deskundige] , NFI-deskundige wapens en munitie (pagina 100077 e.v.).
Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

SIN AAEU4571NL: plastic schotelprop.
SIN AAEU4628NL: vier loden kogels uit het lichaam van het slachtoffer.
SIN AAEU4629NL: twee loden kogels uit het lichaam van het slachtoffer.

De schotelprop (AAEU4571NL)

De kenmerken van de witte plastic schotelprop (de omtrek en het centrum zijn verhoogd, het tussenliggende gebied is aan beide zijden verdiept) passen bij zogeheten H-wad’s, die worden toegepast in hagelpatronen van het Duitse munitiemerk Rottweil (RWS RUAG). Gezien de diameter is de schotelprop afkomstig van een patroon in het kaliber 16.

Conclusie:

In de schotelprop bevinden zich geen sporen die te herleiden zijn tot een bepaald merk of type vuurwapen of naar één vuurwapen in het bijzonder. De diameter en de uiterlijke kenmerken van de schotelprop passen bij hagelpatronen kaliber 16 van het merk Rottweil (RWS RUAG).

De zes loden hagelkorrels (AAEU4628NL en AAEU4629NL) met een diameter van 7,6 millimeter in combinatie met de schotelprop (AAEU4571NL) passen bij patronen van het merk Rottweil, type Express. Deze patronen in kaliber 16 bezitten een hagellading van negen loden hagelkorrels.

Hagelpatronen in het kaliber 16 worden verschoten met enkel- of meerloops basculerende (knikkende) geweren. Gegeven de informatie over het wapen “van ongeveer 60 cm met veel hout” moet rekening worden gehouden met een geweer met een afgezaagde kolf en ingekorte loop.

41. Een geschrift, te weten een NFI-rapport ‘Wapenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Amsterdam op (het hof begrijpt:) 7 juni 2012, opgemaakt op 21 januari 2013 door [deskundige] , NFI-deskundige wapens en munitie (pagina 101481 e.v.).
Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

SIN AAFH2764NL: Hagelgeweer

SIN AAFA8578NL: Loop

Er zijn aanwijzingen gevonden dat het loopdeel (AAFA8578NL) één geheel heeft gevormd met de loop van het hagelgeweer (AAFH2764NL).

De volgende hypothesen zijn beschouwd:

Hypothese 1: Het loopdeel (AAFA8578NL) heeft één geheel gevormd met de loop van het hagelgeweer (AAFH2764NL)

Hypothese 2: Het loopdeel (AAFA8578NL) heeft één geheel gevormd met een andere loop van hetzelfde kaliber dan de loop van het hagelgeweer (AAFH2764NL).

De bevindingen van het vergelijkend onderzoek van de algemene kenmerken en de meer typerende lijnprofielen aan de buitenzijde van het loopdeel (AAFA8578NL) en de loop van het hagelgeweer (AAFH2764NL) zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

42. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het van de rechtbank Amsterdam van 15, 20 en 21 januari 2014, welk proces-verbaal ambtshalve door het hof ter terechtzitting in hoger beroep op 23 juni 2015 in de strafzaak tegen de verdachte is gevoegd. Dit proces-verbaal houdt in als de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte [medeverdachte V.B.] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[bijnaam V.B.] is mijn artiestennaam. Ik ken [verdachte]

Zaak A aanvullend onder 3

43. Een proces-verbaal van doorzoeking met registratienummer 2012195697 van 26 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map 8, groen tabje, rechtsboven genummerd pagina 8 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Op 26 juli 2012 vond een doorzoeking plaats in [adres X] te Amsterdam Zuidoost.

Aantreffen vuurwapens in de slaapkamer

Tijdens de doorzoeking zij onder andere twee vuurwapens aangetroffen en inbeslaggenomen. Een van die vuurwapens bleek een gas-/alarmpistool te zijn. Het was niet voorzien van munitie en het uitneembare patroonmagazijn ontbrak. Het andere betrof een vuurwapen. Het was voorzien van een uitneembaar patroonmagazijn./ In het patroonmagazijn bevonden zich patronen. In de kamer van de loop bevond zich geen patroon. Het wapen was derhalve half geladen.

Ik heb deze vuurwapens en de bijbehorende munitie nader onderzocht. Daaruit bleek mij het volgende.

Itemnummer 4342530 - pistool

Voorwerp: Pistool

Merk: FEG

Serienummer: BF24077

Dit pistool is een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Itemnummer 4342537 - munitie

Voorwerp: patroon

Kaliber: 9x17 mm

Aantal: 6

Deze munitie is bestemd en geschikt om te worden verschoten met het (onder itemnummer 4342530) inbeslaggenomen vuurwapen van het merk FEG.

De patronen zijn munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Itemnummer 4342535 - pistool

Voorwerp: pistool

Merk: Ekol

Bijzonderheden: Inwendig is in de loop een langwerpige sper aangebracht. Deze sper voorkomt dat met dit gaspistool kogelprojectielen kunnen worden verschoten. De gassen en/of afgevuurd traangas- en/of peperpatroon kunnen de sper ongehinderd passeren en het pistool gericht via de loop verlaten

Dit pistool is een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

44. Een proces-verbaal van doorzoeking met registratienummer 2012195697-18 van 26 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map 8, groen tab genummerd 2, rechtsboven genummerd pagina 20 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Op 26 juli (het hof begrijpt:) 2012 om 05.20 uur is er binnengetreden in woning op het adres [adres X] in Amsterdam. Daarbij werden in slaapkamer 4 aangetroffen: [verdachte] en [A.S.] . In slaapkamer 4 werd aangetroffen:

1. x gaspistool (onder matras)
1 x scherp vuurwapen (in wasmand).

45. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 januari 2014.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:


Ik sliep op de grond. Mijn matras lag op de grond. Het was best een kleine kamer. Er stond een bed in en er lag en matras op de grond. De wasmand stond aan het hoofdeind.

46. Een proces-verbaal van inverzekeringstelling met registratienummer 2012195697-23 van 26 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map 8, groen tab genummerd 3, rechtsboven genummerd pagina 32). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 juli 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [A.S.] :

Ik weet waarom ik ben aangehouden, voor bezit wapens. Ik wist dat er wapens in de woning aanwezig waren.

47. Een proces-verbaal van bevindingen 6 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (pagina 101347 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

Op 5 juli 2012 vond een doorzoeking plaats op de [adres] te Utrecht.

Daarbij is in beslaggenomen een blauw doosje van het merk Retay OS9. In het doosje zaten 23 goudkleurige patronen. SIN AAEU8976NL.

48. Een proces-verbaal van bevindingen 12 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (pagina 101360 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant.

SIN: AAEU8976NL

Wapen: 23 scherpe knalpatronen

Bovengenoemde patronen zijn 23 scherpe knalpatronen van het kaliber 9 mm P.A.K. van het merk PG. De patronen zijn munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Zaak B onder 1, 2, 3 en 4

1. Een proces-verbaal van verhoor van 30 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisanten] (map B, groene tap genummerd 1). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 oktober 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik had een conflict met een meisje en dat is uit de hand gelopen. Ik ben volgens mij eerst door dat meisje geslagen en ben toen boos geworden. Ik wilde naar dat meisje toe en ben toen met een fles geslagen. Ik weet eigenlijk niet meer waarom ik een conflict heb gekregen met dat meisje. Ik heb dat meisje teruggeslagen. Het klopt dat ik een mes had. Ik heb dat mes voor mij vastgehouden. Ik ben toen tegengehouden door mijn vrienden. Ik was boos. Ik maakte bewegingen om de man die mij met de fles had geslagen op afstand te houden. Het klopt dat ik achter hem aan ben gerend. Ik had het mes in mijn handen. Het kan zijn dat ik die man heb geraakt toen ik door mijn vrienden werd tegengehouden. Ik maakte toen, zoals ik al eerder heb gezegd, zwaaiende en stekende bewegingen. Ik ben ook achter een andere man aangerend. Die man is op de grond gevallen. Ik heb het mes weggegooid op het Schouwburgplein op het moment dat we werden aangehouden.

2. Een proces-verbaal van aangifte van 28 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map B, groene tap genummerd 2). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 oktober 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [J.D.]:

Ik was op 28 oktober 2012 samen met [A.D.] en [L.P.] en met het [A.P.] . We zouden met z’n allen naar huis gaan. Ik hoorde opeens geschreeuw. Ik draaide me om en zag dat [A.D.] een woordenwisseling had met een jongen. Ik zag dat [A.D.] een klap van hem kreeg. Ik zag dat [A.D.] boos werd en terug wilde slaan. ik ben terug gelopen en ertussen gesprongen. Ik wilde haar meenemen maar zij wilde niet weg. Ik probeerde het te sussen.

Ik droeg een tas bij mij waar 1 volle fles rosé in zat en 1 lege fles cognac. Ik zag dat de dader naar achteren getrokken werd door een aantal jongens. Ik hoorde dat [A.D.] en de dader maar bleven bekvechten. Ik zag dat er over en weer getrokken en geduwd werd tussen [A.D.] , de dader en de jongens. Ik zag dat de dader zich los trok. Ik zag dat hij [A.D.] met een vuist in haar gezicht sloeg. Als reactie hierop sloeg ik de dader met de tas met flessen, die ik bij me had op zijn hoofd. Ik zag dat de jongen achteruit deinsde en naar de grond ging. Op dat moment zei ik tegen [A.D.] dat ze mee moest komen. Maar [A.D.] was zo boos en niet voor rede vatbaar dat ze niet mee wilde gaan. Ik zag opeens iets blinken bij de dader die op de grond zat en op dat moment omhoog kwam. Ik zag dat hij een mes in zijn hand had. Er was een jongen bij die de dader aan het opjutten was. Ik zag dat de mensen die eromheen stonden achteruit deinsden toen ze het mes zagen. Ik zag dat de andere jongens de dader probeerden tegen te houden en te sussen. Ik hoorde dat de dader zei: ‘Jij hebt mij met die fles geslagen.” Ik zag dat hij op mij af kwam. Ik voelde me op dat moment erg bedreigd. Ik was bang dat hij mij met dat mes zou gaan steken. Ik keek om mij heen en zag een lege fles op de grond liggen. Die heb ik opgepakt. Dit was puur uit zelfverdediging. Ik zag dat de dader met het mes bleef zwaaien. Op dat moment stond er nog iemand tussen ons in. Ik zag dat de dader over de schouder van die jongen heen zwaaide met het mes. Ik zag dat de dader achteruit werd getrokken. Ik dacht dat hij niet naar mij toe zou komen omdat de jongens hem in bedwang bleven houden. Daarom heb ik de fles die ik vast had op de grond gelegd. Opeens zag ik de dader op mij af gekomen. Ik hoorde dat hij zei: “Jij hebt mij met die fles geslagen. Je gaat zien.”. Dit was eg bedreigend. Op dat moment ben ik weg gerend. Op het politiebureau kwam ik erachter dat ik bloedde uit mijn linkerschouder. Ik voelde een soort spierpijn. Ik ben overgebracht naar het Ikazia ziekenhuis. Daar ben ik behandeld door een arts. Ik heb een wond van 1 centimeter bij 0,7 centimeter. De wond is gehecht. Ik vermoed dat ik geraakt ben op het moment dat hij over de schouder van een van de jongens met het mes naar mij zwaaide. Op dat moment stond hij het dichtst bij mij.

3. Een geschrift, zijnde een letselbeschrijving opgemaakt op 18 februari 2013 door [arts] , forensisch arts (map B, groene tap genummerd 3).
Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van voornoemde arts, zakelijk weergegeven:

[J.D.] geboren op 03-04-1984

Info chirurg ziekenhuis over bezoek SEH op 28-10-2012.

Bij onderzoek werd een kleine steekverwoning gezien links in de schouderspier. Wond werd gehecht.

4. Een proces-verbaal van aangifte van 28 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map B, groene tap genummerd 4). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 oktober 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [S.F.]:

Nadat de horecagelegenheid Nighttown sloot, wilden wij naar een eettentje op de Coolsingel. Ik droeg een grijs vest met witte mouwen. Ik zag dat binnen een meisje werd geslagen. Ik zag dat die jongen haar één keer sloeg met zijn vlakke hand in haar gezicht. Ik zag dat het meisje buiten weer werd geslagen door dezelfde jongen. Ik hoorde de klap van het slaan en ik zag dat haar hoofd heen en weer bewoog. Ik was boos omdat ik zag dat het meisje door de jongen werd geslagen. Ik zag dat één jongen een mes trok. Ik rende weg in de richting van het Stadhuis. Ik zag dat de jongens achter mij aan bleven rennen. Ik ben ten val gekomen. Toen ik op de grond lag, zag ik dat de jongens op mij afkwamen. Ik dook ineen om mijzelf te beschermen. Vervolgens zag ik dat personeel van de RET bij mij stond.

5. Een proces-verbaal van bevindingen van 28 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map B, groene tap genummerd 5). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 28 oktober 2012 omstreeks 06.20 uur bevond ik mij samen met mijn [RET-medewerkers] in een auto op de trambaan op de Coolsingel in de buurt van het Stadhuis. Ik hoorde dat er werd geschreeuwd. Ik zag een schermutseling. Ik zag dat een man in een wit/grijs vest wegrende in de richting van het Stadhuis. Ik zag dat er twee mannen achter hem aan renden. Ik zag dat een van die mannen een bruine jas droeg. Ik zag dat de man in het grijs/witte vest ten val kwam. Wij reden er heen. Ik zag dat de man in de bruine jas een voorwerp in zijn handen had dat op een krom mes leek. Ik zag dat hij met het mes in de richting van de man met het grijs/witte vest boog. Ik zag dat [RET-medewerker] de auto vlak voor de man met het grijs/witte vest stopte en ik hoorde dat hij uit het raam riep dat ze moesten stoppen. Ik hoorde [RET-medewerker] tegen de man met het grijs/witte vest zeggen dat hij bij ons moest instappen. Ik heb de achterdeur geopend en hij is ingestapt. Ik zag de twee mannen wegrennen.

6. Een proces-verbaal van aangifte van 28 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map B, groene tap genummerd 6). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 oktober 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [A.D.]:

Op 28 oktober 2012 rond 06:25 uur stond ik samen met mijn vriendinnen [A.P.] en [L.P.] en met [J.D.] op de Coolsingel in Rotterdam. Er was nog een andere jongen bij, van wie ik de naam niet ken. Een onbekende man zocht contact met mij. Hij kwam naast mij zitten. Hij zei dat ik naar hem moest luisteren. Ik zei dat ik daar geen behoefte aan had en ik heb hem verder genegeerd. Vervolgens voelde ik zomaar uit het niets een pijnscheut in mijn neus. Ik zag en voelde dat ik geslagen werd door een vuist. Ik zag dat de verdachte voor mij stond en een agressieve houding naar mij had. Ik zag dit omdat hij met zijn armen gespreid stond. Ik zag dat mijn vriendin [A.P.] tussen mij en de verdachte in kwam staan. Ik zag dat hij haar ook in het gezicht sloeg. Ik heb hem vervolgens terug geslagen. Ik zag dat hij wild om zich heen begon te slaan. Ik zag dat er meerdere mensen naar ons toe kwamen om de verdachte en mij uit elkaar te houden. De verdachte heeft mij uiteindelijk drie keer geslagen. Toen ik om me heen keek zag ik dat er meerdere mensen probeerden om de situatie te kalmeren. Ik zag vervolgens dat de verdachte een mes in zijn handen had. Ik zag dat hij met het mes in zijn hand om zich heen aan het zwaaien was. Ook zag ik dat de verdachte soms stekende bewegingen maakte.

7. Een proces-verbaal van aangifte van 28 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map B, groene tap genummerd 7). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 oktober 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [A.P.]:

Ik was samen met [A.D.] en mijn zus [L.P.] in de stad. Mijn vrienden stonden bij de shoarmatent op mij te wachten. Toen ik op ongeveer vijf meter afstand was, zag ik dat een man [A.D.] een klap gaf. Ik zag dat hij dit meerdere keren deed. Ik ben naar die man toegelopen. Ik voelde dat hij mij nu ook een klap gaf op de rechterkant van mijn gezicht. Ik werd weggetrokken door mijn vrienden. Toen ik weer keek, zag ik dat de man een mes in zijn hand had. Ik zag dat de man met het mes stond te zwaaien. Ik heb hoofdpijn van de klap op mijn gezicht.

8. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map B, groene tap genummerd 8). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 28 oktober 2012 om 06.30 uur is op het schouwburgplein in Rotterdam in de directe nabijheid van [verdachte] een keukenmes aangetroffen.

9. Een proces-verbaal ‘veiligstellen DNA-materiaal’ van 3 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map B, groene tap genummerd 9). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Datum

SIN-nummer

Omschrijving

28-10-202

AABX950NL

Keukenmes aangetroffen op het schouwburgplein

10. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, opgemaakt op 17 januari 2013 door [deskundige] , NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (map B, groene tap genummerd 10).
Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

AABX9570NL#02: bemonstering van bloed op de punt van het lemmet van een keukenmes, zijde B.

SIN

Beschrijving DNA materiaal

Berekende frequentie of matchkans DNA-profiel

AABX9570NL#02

DNA-profiel van een man

Slachtoffer [J.D.]

Kleiner dan één op één miljard

11. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 november 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde [verbalisant] (map B, groene tap genummerd 11). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Naar aanleiding van een poging doodslag gepleegd op 28 oktober 2012 omstreeks 06.20 uur op de Coolsingel te Rotterdam heb ik camerabeelden die zijn veiliggesteld door de afdeling Cameratoezicht en de veiliggestelde beveiligingsbeelden van de shoarmazaak HAS uitgekeken.

Op de camerabeelden van HAS (binnen) is te zien dat de [verdachte] zich samen met [1] , [2] en [3] in de shoarmazaak HAS bevindt. Verder is te zien dat [A.P.] Puijk met een man de shoarmazaak HAS verlaat en dat de [verdachte] en [3] contact maken met [A.P.] en de man. [verdachte] en [3] lopen achter [A.P.] en de man mee naar buiten. Kort hierna verlaat [2] de shoarmazaak. [1] verlaat als laatste de shoarmazaak. Op de camerabeelden van HAS (buiten) is wazig te zien dat alle betrokken personen uit het beeld verdwijnen ter hoogte van het fietspad richting Aert van Nesstraat. Kort hierna is te zien dat een man in beeld komt en hard wegloopt in de richting van het Stadhuisplein en dat de betrokken aangevers achteruit lopend in beeld komen. [2] staat voor [A.P.] . Hierna komt [verdachte] met 2 andere mannen (kennelijk [3] en [1] ) in beeld en lopen in de richting van aangevers. De aangevers lopen uit beeld en [verdachte] en de andere mannen verdwijnen op dezelfde plaats uit beeld.

Op de camerabeelden van Cameratoezicht is te zien dat een groep van 4 of 5 personen uit de richting komt van de shoarmazaak HAS en het fietspad oversteekt en op de rijbaan, ter hoogte van het voetgangersoversteekplaats van de Coolsingel staat. Kort hierna is te zien dat één persoon (kennelijk [J.D.] wegloopt in de richting van het Stadhuisplein. Op de trambaan die op het middengedeelte van de Coolsingel ligt, staat aan het kledingsignalement te zien [S.F.] . [S.F.] heeft een trui/vest aan met witte mouwen. Kort nadat kennelijk [J.D.] wegrent is te zien dat twee mannen ( [verdachte] en [3] ) achter [J.D.] aanrennen en dat deze twee mannen ( [verdachte] en [3] ) rechtsonder uit beeld verdwijnen. Kort hierna komen deze twee mannen ( [verdachte] en [3] ) weer in beeld. [2] loopt bij [verdachte] en [3] . [verdachte] en [3] steken rennend schuin de Coolsingel over en rennen in de richting [S.F.] die daar nog staat. [2] tracht kennelijk dit te verhinderen door [verdachte] en [3] vast te grijpen, hetgeen niet lukt. [2] steekt ook de Coolsingel over en blijft op het middengedeelte ter hoogte van de rijbaan staan. [verdachte] en [3] rennen achter [S.F.] aan die links in de richting van het Doelwater wegrent. [S.F.] , [verdachte] en [3] verdwijnen linksboven uit beeld. Op hetzelfde tijdstip is te zien dat een bus van de RET uit de richting van de Aert van Nesstraat aan komt rijden en ook linksboven uit beeld verdwijnt. Hierna is te zien dat [verdachte] samen met [2] , [3] en [1] via het Stadhuisplein, Korte Lijnbaan naar het Schouwburgplein lopen. Op de beelden is duidelijk te zien dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand vasthoudt. Op het Schouwburgplein is te zien dat [verdachte] , [2] , [3] en [1] worden aangehouden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte voor het in zaak B onder 1 tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer, dan wel putatieve noodweer.

De raadsvrouw heeft daartoe - kort gezegd - het volgende naar voren gebracht.

De verdachte had een woordenwisseling met een meisje, waarbij over en weer klappen zijn gevallen. Vervolgens heeft [J.D.] de verdachte met een tas met daarin twee wijnflessen, waarvan één nog vol was, tegen het hoofd geslagen. Toen [J.D.] opnieuw (met een kapotte fles) in de aanslag stond, heeft de verdachte uit zelfverdediging gehandeld door met een toevallig gevonden mes zwaaiende bewegingen te maken. Nu de verdachte daadwerkelijk werd bedreigd, dan wel mocht menen daadwerkelijk bedreigd te worden, immers de verdachte was kort daarvoor door diezelfde jongen met dat wapen tot bloedens toe geslagen, was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs - ter voorkoming van aanranding van zijn lijf - mocht verdedigen, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld wordt dat een beroep op noodweer alleen kan slagen in een situatie waarin de verdediging van lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding noodzakelijk en geboden is. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Aangezien het moet gaan om de verdediging tegen een (wederrechtelijke) aanranding, kan een beroep op de strafuitsluitingsgrond niet worden aanvaard indien de gedraging van degene die zich op de exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - in de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie.

Naar het oordeel van het hof laat het handelen van de verdachte op de Coolsingel in Rotterdam zich niet anders omschrijven dan aanvallend. De verdachte heeft in zijn eerste en tweede verhoor verklaard dat er een conflict is ontstaan met een meisje en dat hij, omdat hij dronken was, niet meer weet waarom. [A.D.] weet nog wel wat de aanleiding was. Uit haar verklaring blijkt dat de verdachte haar, omdat zij hem negeerde, in het gezicht heeft geslagen. Toen [A.P.] haar vriendin te hulp schoot, heeft de verdachte ook [A.P.] in het gezicht geslagen. [A.D.] heeft de verdachte vervolgens (terug)geslagen.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar het meisje dat hem had geslagen wilde, toen hij door [J.D.] met de tas tegen het hoofd werd geslagen. Het hof acht dat ingrijpen door [J.D.] , dat diende ter bescherming van [A.D.] en [A.P.] , gelet op hetgeen toen al was voorgevallen, gerechtvaardigd.

De verdachte heeft verklaard dat [J.D.] daarna met een kapotte fles op hem af kwam en dat de verdachte zich heeft verdedigd door met een toevallig op de grond gevonden mes zwaaiende bewegingen te maken.

Het hof acht de lezing van de verdachte dat [J.D.] met een kapotte fles op hem af kwam niet aannemelijk geworden, nu deze lezing geen steun vindt in de stukken van het dossier. Wel leidt het hof uit de stukken in het dossier af dat de verdachte, terwijl hij door zijn vrienden werd tegengehouden, zwaaiende en stekende bewegingen maakte met het mes. Dit handelen, dat niet los kan worden gezien van verdachtes handelen tegen [A.D.] en [A.P.] , laat zich - naar het oordeel van het hof - niet anders dan als aanvallend typeren. Reeds daarom komt de verdachte geen beroep op noodweer toe.

Ook verdachtes beroep op putatieve noodweer kan niet slagen. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden was geen sprake van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, waarbij hij kon en mocht menen dat hij zich tegenover [J.D.] moest verdedigen omdat hij zich het dreigend gevaar verontschuldigbaar inbeeldde of de aard van de dreiging verkeerde beoordeelde.

Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 1 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Het in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II.

Het in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 3 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 4 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 1 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 (impliciet primair), 2 en 3 en in zaak B onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar met aftrek van de tijd die voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 (impliciet primair) en 3 en in zaak B onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar met aftrek van de tijd die voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op 7 juni 2012 met een hagelgeweer op [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan deze twee dagen later is overleden. De verdachte heeft zich door zo te handelen schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft zijn slachtoffer, een vader van een nog jong kind, het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Het feit dat het slachtoffer zonder enige aanleiding is uitgedaagd en kort daarna door de verdachte is neergeschoten, maakt zijn overlijden des te schrijnender. Het behoeft geen betoog dat het overlijden van het slachtoffer diepe wonden heeft geslagen in de levens van de nabestaanden en dierbaren. Zij zullen de gevolgen van dit verlies voor altijd meedragen. Feiten als deze, waarbij personen zo maar worden neergeschoten, schokken de rechtsorde en versterken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

De verdachte heeft zich op 28 oktober 2012 schuldig gemaakt aan ernstig geweld in het uitgaansleven. De verdachte heeft eerst [A.D.] , die kennelijk niet naar wens op de verdachte reageerde, en daarna [A.P.] geslagen. Vervolgens heeft hij [J.D.] - die probeerde zijn vriendinnen tegen de verdachte te beschermen - met een mes in de linker schouderspier gestoken. Het behoeft geen betoog dat dit levensgevaarlijk is. De omstandigheid dat [J.D.] daardoor niet ernstiger gewond is geraakt of zelfs het leven heeft gelaten, is geenszins aan de verdachte te danken. Hier bleef het niet bij. De verdachte heeft vervolgens [S.F.] met een mes bedreigd. Hij heeft die [S.F.] achtervolgd tot deze ten val kwam. Het is maar de vraag wat er zou zijn gebeurd als medewerkers van RET niet op dat moment langs waren gereden. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze de lichamelijk en geestelijke integriteit van [J.D.] en de anderen geschonden. Ook feiten als deze schokken de rechtsorde en versterken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van meerdere wapens en munitie. Het voorhanden hebben van dergelijke wapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit ervan creëert daarnaast het risico van gebruik van die wapens en brengt gevoelens van onveiligheid met zich.

Dit alles acht het hof buitengewoon ernstig en rekent het de verdachte zwaar aan.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 februari 2016 is de verdachte vele malen eerder - ook ter zake van geweldsmisdrijven - onherroepelijk veroordeeld.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de weging is onontkoombaar dat aan de verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De ernst van de feiten noopt hier bepaaldelijk toe. De op te leggen straf is wel lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf, omdat het hof de verdachte vrijspreekt van de in zaak A onder 1 (impliciet primair) tenlastegelegde moord.

Met de raadsvrouw heeft het hof geconstateerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM aangezien tussen het wijzen van het vonnis door de rechtbank (op 4 februari 2014) en het wijzen van het arrest door het hof (op 24 maart 2016) een periode is verstreken van bijna 26 maanden, waar dit er gelet op het feit dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, slechts zestien hadden mogen zijn. Het hof realiseert zich dat de vertraging, die is ontstaan door de plaatsing van de [medeverdachte V.B.] in het Pieter Baan Centrum, niet aan de verdediging van de verdachte kan worden toegerekend. Het hof ziet hierin echter geen aanleiding voor strafvermindering en volstaat in het onderhavige geval met genoemde constatering. Het hof laat daarbij de gang van zaken vanaf het moment waarop de verdachte in verzekering is gesteld (op 20 november 2012), de omvang van het dossier en de onderlinge verwevenheid van de zaken van de verdachte en zijn medeverdachte in deze zaak meewegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 63, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 2, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 1 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A (met parketnummer 13-676473-12) onder 1 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-684053-13) onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2016.