Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1105

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
200.183.950/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOR zaak: De Ondernemingskamer verklaart dat Stichting Reinier Haga Groep bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in 1.2 genoemde besluiten strekkende tot wijziging van de topstructuur van Stichting Reinier Haga Groep en gebiedt Stichting Reinier Haga Groep deze besluiten in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/946
AR 2016/947
RO 2016/34
RAR 2016/99
TRA 2016/63 met annotatie van Dr. R.H. van het Kaar
ARO 2016/113
JONDR 2016/655
JAR 2016/108
AR-Updates.nl 2016-0338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer : 200.183.950/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 21 maart 2016

inzake

DE CENTRALE ONDERNEMINGSRAAD VAN STICHTING REINIER HAGA GROEP,

gevestigd te Delft,

VERZOEKER,

advocaten: mr. L.C.J. Sprengers en mr. S. Broens, beiden kantoorhoudende te Utrecht,

t e g e n

de stichting STICHTING REINIER HAGA GROEP,

gevestigd te Den Haag,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. P.M. Klinckhamers en mr. K.D. Meersma, beiden kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zal verzoeker (ook) worden aangeduid met de COR en verweerster met Reinier Haga Groep.

1.2

De COR heeft bij op 18 januari 2016 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht voor recht te verklaren dat Reinier Haga Groep in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het op 17 december 2015 aan de COR bekend gemaakte besluit en/of het op 5 januari 2016 gepubliceerde besluit met betrekking tot een wijziging van de topstructuur van Reinier Haga Groep. De COR heeft voorts verzocht, zakelijk weergegeven, bij wijze van een voorziening Reinier Haga Groep te gebieden genoemde besluiten in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken (hetgeen onder meer inhoudt dat de directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep wordt benoemd tot lid van de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep, conform het bepaalde in artikel 5.3 van het directiereglement) en bij wijze van voorlopige voorziening Reinier Haga Groep te verplichten het bepaalde in artikel 5.3 van het directiereglement na te leven, hetgeen inhoudt dat de directievoorzitter van de Reinier de Graaf Groep met onmiddellijke ingang wordt benoemd tot lid van de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep.

1.3

Reinier Haga Groep heeft bij op 11 februari 2016 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

1.4

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 18 februari 2016. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

1.5

Ter terechtzitting is gezamenlijk met genoemd verzoek behandeld het verzoek van de ondernemingsraad van Stichting Reinier de Graaf Groep, ingekomen bij verzoekschrift ter griffie van de Ondernemingskamer op 29 januari 2016 (zaaknummer 200.183.950/01 OK) houdende een beroep tegen het besluit van 31 december 2015 van Stichting Reinier de Graaf Groep (hierna: Reinier de Graaf Groep of RdGG) en van Reinier Haga Groep tot benoeming van [A] (hierna: [A] ) tot directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep. Dit verzoekschrift is na minnelijk overleg tussen die partijen ingetrokken bij brief van 3 maart 2016.

2 De vaststaande feiten

2.1

Op 12 juli 2013 is een bestuurlijke fusie tot stand gebracht van Reinier de Graaf Groep en Stichting Haga Ziekenhuis (hierna: Haga Ziekenhuis) door de oprichting van Reinier Haga Groep. Reinier Haga Groep is bestuurder van Haga Ziekenhuis, Reinier Haga Medisch Diagnostisch Centrum B.V., Reinier de Graaf Groep, Stichting CombiSter en (sinds 9 juni 2015) Stichting Langeland Ziekenhuis (hierna: Langeland Ziekenhuis) en houdt alle aandelen in Reinier Haga Medisch Diagnostisch Centrum B.V.

2.2

Het directiereglement van Reinier Haga Groep van 10 juni 2014 (hierna: het directiereglement) legt de taken en de werkwijze vast van de directie van Haga Ziekenhuis en van Reinier de Graaf Groep. De directie van elk ziekenhuis bestaat uit twee leden, te weten de voorzitter van de directie en de directeur medische zaken. Artikel 5.3 van het directiereglement bepaalt: “De voorzitter van de Directie is een lid van de Raad van Bestuur van Stichting Reinier Haga Groep”.

2.3

Op 5 oktober 2015 heeft [B] (hierna: [B] ), voorzitter van de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep en bestuurder in de zin van de WOR, de COR advies gevraagd over een voorgenomen besluit tot wijziging van de topstructuur van Reinier Haga Groep. In de adviesaanvraag staat het volgende:

Er is een toekomstgericht voorkeursmodel gedefinieerd met een driehoofdige statutaire Raad van Bestuur met daaronder een vijftal directeuren van de ziekenhuizen en andere ‘werkmaatschappijen’. (…) Gezamenlijk vormen zij met de Raad van Bestuur de Groepsraad, het overlegorgaan voor het strategisch beleid en de vaststelling van de centrale beleidskaders. (…) Dit driehoofdige Raad van Bestuursmodel heeft voor de toekomst de voorkeur, maar wordt op dit moment niet nagestreefd. De te verzelfstandigen onderdelen orthopedie en laboratoria zijn nog niet gerealiseerd, het LangeLand Ziekenhuis is nog maar recent toegetreden tot de Reinier Haga Groep, met een nieuwe directievoorzitter. Daarnaast is de samenstelling van de Raad van Bestuur gewijzigd per 1 augustus 2015 (nieuwe CFO). Tot slot zal ook de taakverdeling tussen de directievoorzitter en de cobestuurder zich nog moeten uitkristalliseren. Om die reden is de voorkeur gegeven aan een transitiemodel. Dit gaat uit van het huidige model van vier leden van de Raad van Bestuur waar deel van uitmaken de directievoorzitters van de Reinier de Graaf Groep en het HagaZiekenhuis (COO), waarbij één van deze COO’s - naast de Reinier de Graaf Groep - de focuskliniek orthopedie en de laboratoria zal aansturen. Eén van de andere Raad van Bestuursleden (de CEO) stuurt de directie van het LangeLand Ziekenhuis aan. (…) In dit transitiemodel wordt toegewerkt naar het voorkeursmodel door alle leden van de Raad van Bestuur ziekenhuisoverstijgende portefeuilles te geven. Dit gaat over de centrale regiefunctie over de betreffende portefeuille. De directievoorzitter van RdGG zal naast de eindverantwoordelijkheid voor RdGG ook de regie van het hartcentrum, de focuskliniek orthopedie en de verzelfstandigde laboratoria in portefeuille hebben. (…). In dit model blijven de directievoorzitters verantwoordelijk voor de ziekenhuizen, maar zijn zij tegelijkertijd verantwoordelijk voor ziekenhuisoverstijgende portefeuilles. (…) Dit transitiemodel sluit aan bij de huidige situatie (…) en betreft geen reorganisatie. Ook nu wordt immers het bestuur van de ziekenhuizen gevormd door de Reinier Haga Groep die uit vier statutaire bestuurders bestaat. Wel wordt het gezien als een duidelijke doorontwikkeling naar het driehoofdige voorkeursmodel. Gekozen wordt voor een overgangsmodel (vierhoofdige Raad van Bestuur) om het uiteindelijke voorkeursmodel (driehoofdige Raad van Bestuur) te realiseren op een meer natuurlijk moment. Dit moment dient te passen in de succession planning van de Raad van Bestuur, de ontwikkeling van nieuwe entiteiten zoals de laboratoriumorganisatie en de focuskliniek, maar ook de voortgang in de fusie van met name ziekenhuisoverstijgende portefeuilles. Graag zien we uw opvattingen en advies tegemoet. Dit heeft betrekking op enerzijds de portefeuilleverdeling in het transitiemodel (…), anderzijds op het toekomstige driehoofdige Raad van Bestuursmodel. (…)”

2.4

Op 2 november 2015 heeft een overlegvergadering plaatsgevonden van de COR en de Raad van Bestuur. Blijkens het conceptverslag van die vergadering heeft de Raad van Bestuur naar voren gebracht dat de omvang van de Raad van Bestuur – thans bestaande uit vier leden - met het toetreden van het LangeLand Ziekenhuis te groot zou worden, dat een model met een driehoofdige Raad van Bestuur is uitgewerkt en dat is gekozen voor een overgangsfase van een vierhoofdige Raad van Bestuur naar een driehoofdige Raad van Bestuur. Tijdens de overgangsfase worden de ziekenhuisoverstijgende thema’s belegd bij één persoon. De overgangsfase zal 1,5 tot 2 jaar in beslag nemen. Dit is de tijd die men nodig heeft voor de voorbereidingen van het definitieve model. Tevens wordt er gekeken of de overgang kan plaatsvinden op een natuurlijk moment, aldus nog steeds de Raad van Bestuur in het conceptverslag.

2.5

Op 30 november 2015 heeft [C] , directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep, aangekondigd de Reinier de Graaf Groep - en daarmee tevens de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep - per 1 januari 2016 te zullen verlaten.

2.6

Op 7 december 2015 heeft een COR-vergadering plaatsgevonden, waarbij [B] als gast aanwezig was. Hij heeft een toelichting gegeven op de adviesaanvraag en de ontstane situatie na het aangekondigde vertrek van de directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep. In het verslag van die vergadering staat dienaangaande het volgende:

[B] geeft aan dat de ontstane situatie een natuurlijk moment is zoals bedoeld in de adviesaanvraag. Bij het opstellen van het stuk werd overigens een “ander” natuurlijk moment bedoeld. Het is de wens van de RvB om nu versneld naar de eindsituatie te gaan, te weten het invoeren van de voorgelegde topstructuur met een 3 hoofdige Raad van Bestuur. De vraag die [B] dan nu ook aan de COR wil stellen is om zo snel mogelijk (toch ruim voor het einde van het jaar) positief te adviseren op de topstructuur. [B] geeft aan dat hij formeel geen toestemming hoeft te vragen om nu met een 3 hoofdige Raad van Bestuur verder te gaan. De leden van de COR twijfelen hier aan, dit is een wijziging volgens art. 25 WOR. [B] geeft aan dat het de voorkeur heeft om iemand te vinden binnen de eigen organisatie (..)

2.7

Bij brief van 17 december 2015, per e-mail van 18 december 2015 aan de COR verstuurd, heeft de Raad van Bestuur aan de COR bericht dat de eerder gevraagde versnelling met betrekking tot de advisering over de topstructuur niet meer nodig is, dat de adviezen worden afgewacht en dat de Raad van Bestuur vooralsnog geen besluiten neemt over de opvolging van [C] als lid van de Raad van Bestuur.

2.8

Op 5 januari 2016 is in het blad Zorgvisie (een landelijk vakblad voor management en directie in de gezondheidszorg) het volgende bericht gepubliceerd. “[A] is directievoorzitter van het Reinier de Graaf ziekenhuis in Delft. Ze is op 1 januari 2016 aan haar nieuwe baan begonnen. (…) [A] volgt in deze functie [C] op (…). [A] (…) maakt geen deel uit van de Raad van Bestuur van de Reinier Haga Groep. (…)”

2.9

Bij brief van 14 januari 2016 heeft de COR aan de Raad van Bestuur onder meer het volgende bericht.

“In de brief van 17 december 2015 heeft u de COR bericht dat, in afwachting van de adviezen van de diverse gremia en de daarop volgende besluitvorming over de voorgenomen nieuwe topstructuur, de Raad van Toezicht, vooralsnog, geen besluiten neemt over de opvolging van [C] als lid van de Raad van Bestuur. De COR heeft deze brief aldus begrepen dat (…) een eventuele interim bestuurder geen deel uit zou maken van de Raad van Bestuur. Inmiddels is bekend geworden dat per 1 januari 2016 (…) [A] is benoemd tot directievoorzitter van het Reinier de Graaf ziekenhuis. Op grond van de huidige topstructuur en onder verwijzing naar artikel 5.3 directiereglement van de Reinier Haga Groep is de voorzitter van de directie lid van de Raad van Bestuur. Dit betekent dat [A] per 1 januari 2016 op grond van de huidige topstructuur deel uitmaakt van de Raad van Bestuur. De COR heeft echter onlangs kennis genomen van het bericht (…) dat [A] geen deel uitmaakt van de Raad van Bestuur (…). Door [A] niet (…) op te nemen in de Raad van Bestuur heeft u (…) vooruitlopend op de adviesaanvraag van 5 oktober 2015 betreffende het voorgenomen besluit wijziging topstructuur Reinier Haga Groep, een besluit genomen aangaande de topstructuur dan wel uitvoering gegeven aan het besluit zonder dat hiertoe het advies van de COR (…) is afgewacht. Dit is in strijd met het bepaalde in de WOR.”

In de brief wordt de Raad van Bestuur gevraagd te bevestigen dat [A] deel uitmaakt van de Raad van Bestuur.

2.10

In reactie op deze brief heeft de Raad van Bestuur aan de COR bij brief van 15 januari 2016 medegedeeld dat [A] geen deel uitmaakt van de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep en dat zij op dit moment alleen directievoorzitter is van Reinier de Graaf Groep, een en ander in afwachting van de besluitvorming over de topstructuur, waarover een advies zal worden ontvangen van de COR naar aanleiding van de adviesaanvraag van 5 oktober 2015.

2.11

Bij brief van 22 januari 2016 heeft de COR nadere informatie gevraagd over het voorgenomen besluit met betrekking tot de wijziging van de topstructuur. Daarop is een reactie gekomen van de Raad van Bestuur bij brief van 3 februari 2016. De COR had ten tijde van de terechtzitting nog geen advies uitgebracht.

3 De gronden van de beslissing

3.1

De COR heeft aan zijn verzoek in de kern ten grondslag gelegd dat een uit te brengen advies niet meer van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming aangaande een wijziging van de topstructuur van Reinier Haga Groep omdat met de bestreden besluiten van 17 december 2015 en/0f 5 januari 2016 de wijziging van een vierhoofdige Raad van Bestuur naar een driehoofdige Raad van Bestuur de facto is ingevoerd. Door het advies van de COR niet af te wachten heeft Reinier Haga Groep in redelijkheid niet tot die besluiten kunnen komen, aldus de COR.

3.2

Reinier Haga Groep heeft zich verweerd en daarbij onder andere naar voren gebracht dat met het vertrek van [C] een natuurlijk moment was aangebroken om de topstructuur met drie leden van de Raad van Bestuur in te voeren en de transitiefase over te slaan. In operationele zin waren de ziekenhuizen van de Reinier Haga Groep klaar voor een dergelijke wijziging. De nog te ontvangen adviezen van onder andere de COR geven mogelijk argumenten om daar anders over te denken. Indien de huidige topstructuur gehandhaafd blijft, zal [A] alsnog benoemd worden in de Raad van Bestuur. De keuze om de vacature die is ontstaan met het vertrek van [C] niet in te vullen, behoeft niet ter advisering te worden voorgelegd aan de COR. Gegeven de mogelijkheid dat de wijziging in de topstructuur binnen afzienbare termijn wordt doorgevoerd, is Reinier Haga Groep niet gehouden voor die overzichtelijke periode een lid van de Raad van Bestuur te benoemen. Van de Raad van Toezicht kan niet worden gevraagd om nu een besluit te nemen dat de uitvoering van het voorgenomen besluit bemoeilijkt. Voorts heeft Reinier Haga Groep gesteld dat artikel 5.3 van het directiereglement niet meebrengt dat een benoeming tot directievoorzitter automatisch leidt tot een benoeming in de Raad van Bestuur; een dergelijke benoeming is voorbehouden aan de Raad van Toezicht.

3.3

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De besluiten waarop het beroep van de COR betrekking heeft houden kortweg in dat [A] is benoemd tot directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep, maar niet is benoemd tot lid van de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep. Daarmee heeft Reinier Haga Groep, zoals ook uit haar verweer blijkt, de facto het besluit genomen om (i) de transitiefase, zoals die is verwoord in de adviesaanvraag, over te slaan en (ii) de topstructuur met een driehoofdige Raad van Bestuur in te voeren. Op geen van beide onderdelen heeft Reinier Haga Groep het advies van de COR afgewacht. Daarmee heeft Reinier Haga Groep de medezeggenschaprechten van de COR geschonden, omdat het advies niet meer van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit. Het standpunt van Reinier Haga Groep dat een nog uit te brengen advies van de COR ertoe kan leiden dat de directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep alsnog wordt benoemd tot lid van de Raad van Bestuur, miskent dat het adviesrecht van artikel 25 WOR betrekking heeft op een voorgenomen (en niet een reeds genomen en uitgevoerd) besluit en dat het advies van wezenlijke invloed moet kunnen zijn op het te nemen besluit. Dat er, zoals Reinier Haga Groep heeft gesteld, sprake zou zijn van een “natuurlijk moment” om het besluit tot wijziging van die structuur te nemen, te weten het vertrek van [C] als directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep en als lid van de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep, versterkt de conclusie dat de COR is geconfronteerd met een reeds genomen besluit zonder zijn advies af te wachten. In de adviesaanvraag zijn uiteenlopende redenen aangevoerd voor de noodzaak van een transitiefase van 1,5 tot 2 jaar. Het in de adviesaanvraag genoemde natuurlijke moment “dient te passen in de succession planning van de Raad van Bestuur, de ontwikkeling van nieuwe entiteiten zoals de laboratoriumorganisatie en de focuskliniek, maar ook de voortgang van de fusie van met name ziekenhuisoverstijgende portefeuilles.” Het standpunt van Reinier Haga Groep - ter rechtvaardiging van haar handelwijze - dat het natuurlijk moment zich aandiende na het vertrek van [C] en dat de organisatie operationeel rijp zou zijn voor het overslaan van die transitiefase, kan er niet toe leiden dat het adviesrecht van de COR kan worden genegeerd. Dit standpunt had in een gewijzigde adviesaanvraag aan de COR aan de orde gesteld moeten worden.

3.4

De Ondernemingskamer merkt voorts op dat de medezeggenschap niet tot zijn recht is gekomen, mede omdat de Raad van Bestuur de COR op het verkeerde been heeft gezet, door na de aankondiging van het vertrek van [C] , eerst aan te dringen op een advies van de COR vóór 31 december 2015 (zie 2.6) en vervolgens de COR te berichten dat deze versnelling niet nodig is (zie 2.7), zonder daarbij duidelijk te maken dat de Raad van Bestuur meende dat met het vertrek van [C] zich een “natuurlijk moment” aandiende om de nieuwe topstructuur in te voeren. Op grond van de mededelingen van de Raad van Bestuur mocht de COR erop vertrouwen dat zijn advies zou worden afgewacht voordat enig besluit omtrent de topstructuur zou worden genomen.

3.5

In ieder geval heeft Reinier Haga Groep met het besluit de transitiefase over te slaan en de wijziging in de topstructuur reeds in te voeren voordat de COR advies had gegeven, het adviesrecht van de COR miskend.

3.6

De slotsom luidt dat Reinier Haga Groep bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in 1.2 genoemde besluiten die er toe strekken de transitiefase over te slaan en de topstructuur van Reinier Haga Groep te wijzigen. De verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.

3.7

Met betrekking tot de verzochte voorzieningen overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Het verzoek Reinier Haga Groep te gebieden de besluiten in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken, zal worden toegewezen. Dat zal tot gevolg hebben dat nog geen besluit is genomen over het overslaan van de transitiefase en over de invulling van de topstructuur, dat die structuur ongewijzigd is gebleven en dat eerst het advies van de COR moet worden afgewacht voordat over die topstructuur – inclusief de in de adviesaanvraag voorgestelde transitieperiode – kan worden besloten. Dit leidt echter niet, zoals de COR heeft gesteld, zonder meer tot benoeming van [A] tot lid van de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep op de voet van artikel 5.3 van het directiereglement. Het bepaalde in artikel 5.3 heeft niet tot effect dat de benoeming van [A] tot directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep, van rechtswege leidt tot een benoeming in de Raad van Bestuur, nu een dergelijke benoeming op grond van artikel 8 lid 3 van de statuten van Reinier Haga Groep aan de Raad van Toezicht is.

3.8

Evenmin kan de Ondernemingskamer Reinier Haga Groep gebieden een besluit te nemen tot benoeming van [A] tot lid van de Raad van Bestuur van Reinier Haga Groep, ook al is - zoals de COR onweersproken heeft gesteld – [A] bereid die benoeming te aanvaarden. Een dergelijk gebod valt buiten de reikwijdte van de onderhavige procedure. De overige verzochte voorzieningen zullen daarom worden afgewezen, inclusief de voorlopige voorziening.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verklaart dat Stichting Reinier Haga Groep bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in 1.2 genoemde besluiten strekkende tot wijziging van de topstructuur van Stichting Reinier Haga Groep;

gebiedt Stichting Reinier Haga Groep deze besluiten in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken;

wijst het meer of anders verzochte af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en prof. dr. R.A.H. van der Meer RA, drs. J.B.M. Streppel, raden, in tegenwoordigheid van, mr. M.A. Sterk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 21 maart 2016.