Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1102

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
200.186.198/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer : 200.186.198/01

parketnummer hoofdzaak : 22-003764-15

beslissing van de wrakingskamer van 25 maart 2016

inzake het op 9 februari 2016 ingediende wrakingsverzoek van

[verzoeker]

1 Het geding

1.1

Het verzoek tot wraking is gedaan op de openbare terechtzitting op 9 februari 2016 in de strafzaak met parketnummer 22-003764-15 (hierna de hoofdzaak). Het verzoek tot wraking betreft mrs. E. van Die en A.W.M. Bijloos.

1.2

Bij beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag van 22 februari 2016 is de wrakingszaak ter verdere behandeling verwezen naar dit hof.

1.3

De raadsheren hebben niet berust in het wrakingsverzoek. Mr. Van Die heeft bij brief van 9 maart 2016 een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven. Mr. Bijloos heeft per e-mailbericht van 2 maart 2016 gereageerd.

1.4

De mondelinge behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek is bepaald op 16 maart 2016 om 15.00 uur. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, die het verzoek nader heeft toegelicht aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota. Tevens is verschenen mr. L.E.J. van Tilburg, advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam, die het woord heeft gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

2 De feiten

2.1

De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 augustus 2015 waarin verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan zes maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd onder oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden, tenzij later anders wordt gelast, wegens - kort gezegd - oplichting, meermalen gepleegd, verduistering en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

2.2

De inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016 bij het gerechtshof Den Haag bij de meervoudige kamer voor strafzaken, waarin zitting hadden mrs. E. van Die, L.A.J.M. van Dijk en A.W.M. Bijloos. Van voornoemde zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat deel uitmaakt van het dossier in de wrakingszaak.

2.3

Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting op 9 februari 2016 vermeldt, voor zover van belang, het volgende.

De voorzitter deelt mede dat zij, alvorens de vordering van de benadeelde partij Kruger te behandelen, haar in de gelegenheid stelt om van haar spreekrecht als slachtoffer gebruik te maken.

Alvorens haar op schrift gestelde slachtofferverklaring voor te lezen, merkt [M.K.] op:

Voor de zitting in eerste aanleg had ik het een en ander op papier gezet. Ik ben toen door de voorzitter beperkt in hetgeen ik naar voren mocht brengen. Ik wil vandaag weer iets voorlezen en ik verzoek de voorzitter mij er op te wijzen als ik de grenzen van het spreekrecht overschrijd.

[M.K.] leest vervolgens haar op schrift gestelde slachtofferverklaring voor, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

De bedreigingen van de verdachte hebben bij mij een enorme angst veroorzaakt. Ik was altijd een sociaal persoon, maar dat is nu niet meer het geval. Ik ben altijd bang en voel me steeds onveilig. Ik ben daarnaast door de verdachte financieel uitgekleed. Ik heb geen auto meer en ben nu steeds van anderen afhankelijk.

De raadsman onderbreekt het slachtoffer en verzoekt de voorzitter het spreekrecht van het slachtoffer te beperken tot de ten laste gelegde bedreiging, omdat het wettelijk niet is toegestaan zich ook over de ten laste gelegde oplichting uit te laten.

De voorzitter geeft aan dat het slachtoffer haar verklaring kan voortzetten.

[M.K.] vervolgt haar verklaring, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Mijn bankpassen zijn door de verdachte afgenomen. Mijn huis is helemaal leeggehaald. Ik heb enorme schulden. Ik kan mij niet meer voldoende verzekeren. Ik ben door de verdachte vernederd en gekleineerd.

De raadsman onderbreekt het slachtoffer en verzoekt de voorzitter nogmaals om het spreekrecht te beperken tot de ten laste gelegde bedreiging.

De voorzitter geeft aan dat het slachtoffer haar verklaring kan voortzetten.

[M.K.] vervolgt haar verklaring, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

De verdachte bleef maar geld eisen. Hij wist bijvoorbeeld dat ik geld van de verzekering zou krijgen. Hij wilde dat geld hebben. Ik had op een gegeven moment geen geld meer. Ik heb hem zelfs een keer moeten bellen om tampons voor mij mee te nemen. Hij heeft mij alles afgenomen. Ik heb de hulp van een psycholoog moeten inschakelen.

De raadsman onderbreekt het slachtoffer en verzoekt de voorzitter ten derde male om het spreekrecht te beperken tot de ten laste gelegde bedreiging.

De voorzitter geeft aan dat het slachtoffer haar verklaring kan voortzetten.

De raadsman deelt hierop mede dat hij de voorzitter wraakt. Als gronden van het wrakingsverzoek brengt de raadsman naar voren:

De voorzitter is door mij tot drie keer toe verzocht om het spreekrecht van het slachtoffer te beperken tot de ten laste gelegde bedreiging, nu het wettelijk niet is toegestaan om over de ten laste gelegde oplichting te spreken. Het slachtoffer heeft aan het begin van haar verklaring aangegeven dat de voorzitter de grenzen moest bepalen. Door mijn verzoeken te negeren en het slachtoffer telkenmale in de gelegenheid te stellen haar verklaring voort te zetten is zowel de objectieve als de subjectieve schijn van vooringenomenheid en de vrees voor partijdigheid van de voorzitter ontstaan.

De raadsman deelt mede dat hij van de oudste en de jongste raadsheer wil vernemen of zij zich achter de beslissing van de voorzitter scharen om het spreekrecht van het slachtoffer niet tot de ten laste gelegde bedreiging te beperken.

De jongste raadsheer volstaat met de mededeling dat hij zich niet genoodzaakt voelt om een antwoord op de vraag van de raadsman te geven, waarop de raadsman de jongste raadsheer wraakt. De jongste raadsheer vraagt de raadsman of hij nu wordt gewraakt op grond van het feit dat hij diens vraag niet heeft beantwoord. De raadsman deelt mede dat hij niet genegen is om de jongste raadsheer zonder grond te wraken en vraagt de jongste raadsheer nogmaals of deze zich achter de beslissing van de voorzitter schaart om het spreekrecht van het slachtoffer niet tot de ten laste gelegde bedreiging te beperken. De jongste raadsheer merkt op dat de voorzitter de orde op zitting bepaalt en dat hij zich derhalve achter haar beslissing schaart.

De raadsman wraakt daarop de jongste raadsheer op grond van het feit dat deze zich achter de beslissing van de voorzitter schaart om het spreekrecht van het slachtoffer niet tot de ten laste gelegde bedreiging te beperken, ten gevolge waarvan ook de jongste raadsheer de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

Het hof deelt vervolgens bij monde van de voorzitter mede dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst voor de behandeling van het verzoek tot wraking.

3 Het wrakingsverzoek

3.1

Op grond van het proces-verbaal van de zitting van 9 februari 2016, de door de raadsman ter zitting van de wrakingskamer overgelegde pleitnota en de door hem gegeven toelichting bevat het verzoek tot wraking de navolgende wrakingsgronden:

  1. het slachtoffer heeft zich tot driemaal toe over de tenlastegelegde oplichting uitgelaten, terwijl het spreekrecht wettelijk alleen van toepassing is op de tenlastegelegde bedreiging. Door de verzoeken van de verdediging te negeren en het slachtoffer in de gelegenheid te stellen haar verklaring voort te zetten, is zowel de objectieve als de subjectieve vooringenomenheid van de voorzitter ontstaan (pleitnota punt 6).

  2. de jongste raadsheer heeft met de opmerking dat de voorzitter de orde bepaalt en hij zich derhalve achter haar beslissing schaart de schijn van partijdigheid gewekt (pleitnota punt 11).

3.2

De voorzitter en de jongste raadsheer hebben, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.

Mr. E. van Die (voorzitter):

Ik berust niet in de wraking om de navolgende redenen.

Ik stel voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees is gerechtvaardigd. Op de zitting van 9 februari 2016 heb ik als voorzitter op grond van art. 302 lid 1 Sv het slachtoffer mevrouw Kruger, voordat ik de vordering van haar als benadeelde partij zou behandelen, de gelegenheid gegeven van haar spreekrecht gebruik te maken. Het spreekrecht komt immers toe aan elk slachtoffer van een tenlastegelegd feit. Heeft het slachtoffer zich ook met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij gevoegd, dan is het dus denkbaar dat het slachtoffer ter zitting zowel een mondelinge toelichting geeft op de vordering als een verklaring aflegt omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit bij het slachtoffer heeft teweeggebracht (zie ook T&C Strafvordering (Cleiren), 11e, p. 1388). Wraking dient niet te fungeren als rechtsmiddel tegen de verdediging/verdachte onwelgevallige beslissingen. Slechts in het uitzonderlijke geval dat in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing is genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven, kan de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd zijn. Naar mijn oordeel is daarvan geen sprake. Het spreekrecht heb ik laten uitoefenen, zoals ook uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, binnen de grenzen van de wet en jurisprudentie. Ik wens niet te worden gehoord op het verzoek tot wraking.

Mr. A.W.M. Bijloos (jongste raadsheer):

In antwoord op uw vraag deel ik u mee dat ik niet berust in de wraking en niet wens te worden gehoord op het verzoek tot wraking.

4 De beoordeling van het wrakingsverzoek

4.1

Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

4.2

Artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kunnen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.3

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter of het gerecht, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

4.4

Voorts geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door de rechter gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. De vrees voor vooringenomenheid kan indien het wrakingsverzoek zich richt op (de motivering van) een gegeven beslissing slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

4.5

In het onderhavige geval heeft - zo leidt het hof af uit hetgeen hiervoor is weergegeven - de voorzitter (tot drie keer toe) geen gehoor gegeven aan het verzoek van de raadsman om het spreekrecht van het slachtoffer te beperken tot de ten laste gelegde bedreiging. Die beslissing en de wijze waarop de voorzitter deze aan de raadsman kenbaar heeft gemaakt, wat daarvan ook zij, levert geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de voorzitter vooringenomenheid jegens verzoeker en/of zijn raadsman koestert. Een mogelijk gebrek aan hoffelijkheid volstaat in dat verband niet. De (herhaalde) beslissing van de voorzitter, waaruit volgens de raadsman haar partijdigheid blijkt, is bovendien niet dermate onbegrijpelijk dat daaruit de gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid kan worden gedestilleerd. De wrakingskamer merkt in dit verband op dat de enkele omstandigheid dat aan een procespartij - in dit geval het slachtoffer - (te) veel ruimte is geboden in het kader van het spreekrecht, zonder nadere toelichting die niet is gegeven, niet met zich brengt dat verzoeker hierdoor is benadeeld. Nu overige feiten en omstandigheden die een uitzonderlijke omstandigheid in voornoemde zin opleveren, niet zijn gesteld noch zijn gebleken, moet de slotsom zijn dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de voorzitter schade lijdt. Het verzoek tot wraking van de voorzitter zal daarom worden afgewezen.

De feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verzoek tot wraking van de jongste raadsheer ten grondslag heeft gelegd, zoals hiervoor onder 3.1 onder 2 weergegeven, leveren geen grond om te vrezen dat het de jongste raadsheer aan onpartijdigheid ontbreekt. Het verzoek tot wraking van de jongste raadsheer zal daarom eveneens worden afgewezen.

5 De beslissing

Het hof:

Wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 maart 2016.