Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1097

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
200.153.248/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heft BFT heeft onderzoek gedaan naar de notaris en zijn betrokkenheid bij transacties met personen en vennootschappen die hoofdverdachten zijn in de zogenoemde [naam]. Op grond van de bevindingen van het BFT heeft de voorzitter van de kamer een klacht aan de kamer voorgelegd. Het BFT maakt de notaris verwijten die betrekking hebben op vier projecten en/of onderwerpen.

De kamer heeft de klacht op alle onderdelen ongegrond verklaard.

Het hof komt tot het oordeel dat de klacht op een subonderdeel van een klachtonderdeel gegrond is, legt aan de notaris de maatregel van berisping op en bevestigt de beslissing van de kamer voor het overige.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.153.248/01 NOT

nummer eerste aanleg : 539415/NT 13/23

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 22 maart 2016

inzake

Bureau Financieel Toezicht,

gevestigd te Utrecht,

appellant,

tegen

[naam] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. C.J.J.C. Arnouts, advocaat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: het BFT) heeft overeenkomstig de in artikel 107 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) daartoe gegeven mogelijkheid op 30 juli 2014 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 3 juli 2014 (ECLI:NL:TNORAMS:2014:27).

1.2.

De kamer heeft in de bestreden beslissing de door de voorzitter van de kamer bij brief van 18 november 2013 op grond van artikel 96 lid 6 (oud) Wna aan de kamer ter behandeling voorgelegde klacht tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) op alle onderdelen ongegrond verklaard.

1.3.

Van het BFT is op 29 september 2014 een aanvullend beroepschrift - met bijlagen -ontvangen.

1.4.

De notaris heeft op 15 december 2014 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.5.

Bij brief van 28 december 2015, ingekomen bij het hof op 29 december 2015, zijn van de notaris aanvullende producties ontvangen. Verder heeft de notaris in deze brief het hof verzocht om de behandeling van de zaak achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Hierop heeft het hof bij e-mail van 5 januari 2016 aan de notaris en het BFT laten weten aanleiding te zien om de bespreking van het na te melden project [X] en de transactie [Y] achter gesloten deuren plaats te laten vinden, gelet op de op de notaris rustende geheimhoudingsplicht ten aanzien van de bij voornoemd project en voornoemde transactie betrokken partijen en dat het hof overigens geen gewichtige redenen aanwezig achtte die ertoe noopten de zitting niet in het openbaar te laten plaatsvinden.

1.6.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van het hof van 7 januari 2016. Namens het BFT zijn verschenen mr. M.F. Beumer en drs. M.J.V. Freijssen RA. De notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, is eveneens verschenen. Allen hebben het woord gevoerd; mr. Beumer en de gemachtigde van de notaris aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Het vooronderzoek c.a.

3.1.

De gang van zaken die aanleiding heeft gegeven tot de behandeling van de zaak is - samengevat weergegeven - de volgende.

3.1.1.

De voorzitter van de kamer van toezicht heeft bij beslissing van 6 december 2011 een onderzoek gelast naar de notaris en zijn betrokkenheid bij transacties met personen en vennootschappen die hoofdverdachten zijn in de zogenoemde [naam] . Het onderzoek betreft de naleving door de notaris van zijn wettelijke verplichtingen op grond van de Wet op het notarisambt en van de overige voor hem geldende beroepsvereisten, waaronder de vereisten uit de Wet op de identificatie bij dienstverlening (Wid) en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet Mot), welke wetten zijn samengevoegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Dit onderzoek is opgedragen aan de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van toezicht, die de feitelijke uitvoering daarvoor heeft opgedragen aan het BFT.

3.1.2.

Het BFT heeft bij brief van 27 december 2012 zijn eindrapport van dit onderzoek aangeboden aan de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van toezicht. Nadat de notaris op het rapport van het BFT had gereageerd en de notaris en het BFT nadere standpunten hadden uitgewisseld, heeft de plaatsvervangend voorzitter van de kamer zijn bevindingen op

5 september 2013 aan de voorzitter van de kamer voorgelegd.

3.1.3.

Op grond van de bevindingen van het BFT en de plaatsvervangend voorzitter heeft de voorzitter van de kamer bij brief van 18 november 2013 de volgende klacht geformuleerd en aan de kamer voorgelegd:

De notaris heeft in de onderzochte dossiers gehandeld in strijd met de tuchtnorm van artikel 98 (oud) Wna. Niet op voorhand uitgesloten kan worden dat, alhoewel bij twee van de vier onderzochte projecten grotendeels een kantoorgenoot van de notaris betrokken is geweest, ook het eigen handelen of nalaten van de notaris daarbij verwijtbaar kan zijn geweest.

Voorzover het onderzoek bevindingen betreft inzake normschendingen met betrekking tot de wet Wid, wet Mot en Wwft, is het aan de kamer te beoordelen of deze onderzoeksresultaten mede aan het oordeel ten grondslag gelegd kunnen worden.

Het oordeel over de gegrondheid van de tegen deze klacht door de notaris aangevoerde verweren laat ik eveneens aan de kamer.

4 Het standpunt van het BFT

4.1.

De verwijten die het BFT de notaris maakt, hebben betrekking op vier projecten en/of onderwerpen, te weten [A] , [B] , het project [X] en de transactie [Y] . Samengevat weergegeven concludeert het BFT in zijn rapport met betrekking tot genoemde projecten/onderwerpen het volgende.

I. [A]

4.2.1.

De derdengeldrekening van het kantoor van de notaris en zijn toenmalig compagnon oud-notaris [naam] (verder: [Z] ) werd misbruikt voor het ontvangen, (langdurig) bewaren casu quo beheren en vervolgens doorsluizen van geld dat verkregen was door oplichting van [naam] (hierna: [C] ) door toenmalige werknemers van [C] . Hierbij heeft het notariskantoor in het geheel niet gefungeerd als een barrière voor het plegen van deze fraude. In de periode van 17 juli 2000 tot en met 22 oktober 2004 is op de derdengeldrekening van het notariskantoor uit elf overboekingen een totaalbedrag van
€ 19.118.581,20 aan depotgelden ontvangen (alle in deze beslissing genoemde bedragen in euro’s betreffen omgerekende bedragen voor zover de oorspronkelijke bedragen in guldens luidden). In het bijzonder is op 17 juli 2000 een bedrag van ruim € 16 miljoen op de derdengeldrekening bijgeschreven. In de periode van 18 februari 2002 tot en met 19 april 2005 is in 34 transacties voor een bedrag van in totaal € 19.654.935,79 (exclusief rente) aan depotgelden uitgekeerd. Op een bedrag van € 911.899,18 na zijn die gelden aan vennootschappen van werknemers van [C] uitbetaald. Volgens het BFT is [Z] te beschouwen als de behandelaar van deze dossiers en had hij zijn diensten moeten weigeren ter voorkoming van misbruik van de derdengeldrekening van het notariskantoor.

4.2.2.

Het BFT heeft niet kunnen vaststellen dat de notaris expliciet heeft ingestemd met de geldstromen inzake de depots. In hoeverre de notaris daadwerkelijk uitbetalingen heeft geaccordeerd aan de voormalig directeur van [C] en consorten is het BFT onbekend.

Het BFT stelt zich op het standpunt dat de notaris in ieder geval kennis heeft gehad van de hoogte van de eerste depotstorting (op 17 juli 2000) en het daarmee samenhangende ongebruikelijk hoge notarishonorarium. Verder stelt het BFT zich op het standpunt dat de notaris op enig moment geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van het feit dat [naam] werden uitgekeerd aan onder andere de voormalige directeur van [C] , althans hiervan op de hoogte had moeten zijn. Het openstellen van de derdengeldrekening voor diensten die niet door [Z] in zijn hoedanigheid van notaris behoefden te worden verleend, had ertoe moeten leiden dat de notaris nadere vragen had moeten stellen aan [Z] dan wel nader onderzoek had moeten doen. De notaris heeft zich minimaal onvoldoende rekenschap gegeven over het op orde zijn van het beheer van de derdengelden.

4.2.3.

Daarnaast stelt het BFT zich op het standpunt dat de notaris in strijd met artikel 6 van de Administratieverordening heeft gehandeld door de toenmalige boekhouder van het notariskantoor [naam] , verder: de boekhouder, volledige betalingsbevoegdheid te geven, hetgeen in strijd is met de toen bestaande betaalprocedures. Bovendien controleerde de notaris de bankafschriften niet, waardoor hij het beheer van de derdengelden volledig aan de boekhouder heeft overgelaten.

4.2.4.

Verder is de notaris volgens het BFT mede verantwoordelijk voor twee valselijk opgemaakte facturen voor een notarishonorarium van in totaal fl. 400.000,-, De notaris lijkt zich er onvoldoende rekenschap van te hebben gegeven of de organisatie en de administratie van het notariskantoor op orde waren.

4.2.5.

Ten slotte heeft de notaris niet voldaan aan zijn bewaarplicht door uitdraaien van betalingsoverzichten die van belang waren bij deze transacties niet te bewaren.

II. Project [X]

4.3.1.

Op 3 mei 1999 heeft [Z] een akte van levering verleden waarbij een perceel grond, gelegen aan [adres] te [plaats] , door [C] werd overgedragen aan [naam] als oprichter van [X] B.V. Vervolgens zijn op dit perceel grond appartementen en parkeerplaatsen ontwikkeld. Het kantoor van de notaris was als projectnotaris bij dit project betrokken.

4.3.2.

In de periode van 1 september 1999 tot en met 7 juli 2000 heeft de notaris de levering van elf onderappartementsrechten met parkeerplaats(en) verzorgd.

Het BFT heeft vastgesteld dat bij twee van deze transacties afwijkende koopprijzen zijn gehanteerd. De ene transactie betreft de levering op 7 juli 2000 van twee onderappartementsrechten (in totaal 100/1020ste aandeel in de gemeenschap) en twee parkeerplaatsen voor het bedrag van fl. 20.000,-. Bij de andere transactie heeft de notaris bij akte van levering van 10 november 1999 een onderappartementsrecht (50/1020ste aandeel in de gemeenschap) en een parkeerplaats overgedragen voor een koopprijs van fl. 10.000,-. De koopprijzen voor de kopers van de andere onderappartementsrechten (elk 50/1020ste aandeel in de gemeenschap) met parkeerplaats lagen aanzienlijk hoger, namelijk van fl. 125.000,- tot

fl. 131.000,-. De notaris heeft voor deze prijsverschillen geen (afdoende) verklaring kunnen geven en evenmin is gebleken dat de notaris de afwijkende koopprijzen met de verkopers en de kopers heeft besproken. Verder wijkt bij eerstgenoemde transactie de in de akte van levering vermelde koopsom (fl. 20.000,-) af van het bedrag van fl. 646.051,93 dat de kopers volgens de nota van afrekening aan koop- en aanneemsom hebben betaald. Daarnaast wijken de aannemingsovereenkomsten in deze dossiers af van de overige aannemingsovereenkomsten, aan welk feit de notaris geen aandacht heeft besteed.

4.3.3.

Vervolgens heeft de notaris op 27 juli 2001 een akte gepasseerd waarbij de kopers van de hiervoor bedoelde twee parkeerplaatsen (akte van 7 juli 2000) deze parkeerplaatsen ruilden tegen twee andere parkeerplaatsen met een waarde van fl. 50.000,-, welke laatste parkeerplaatsen op het moment van de overeengekomen ruiling in 2000 nog niet door de desbetreffende partij waren aangekocht. Het is het BFT onduidelijk gebleven waarom parkeerplaatsen die waarschijnlijk beter waren gesitueerd, groter waren en een hogere waarde hadden, werden geruild met de twee parkeerplaatsen die gezien de grondkosten niet meer waard konden zijn dan fl. 20.000,-. De notaris heeft hiernaar ten onrechte niet geïnformeerd.

III. Transactie [Y]

4.4.1.

De notaris heeft op 30 augustus 2004 een akte van levering gepasseerd waarbij grond met een agrarische gebruiksbestemming in het [naam] -gebied (het gebied tussen [plaats] , [plaats] en [plaats] ) werd overgedragen door [naam] (verder: [D] ) aan [naam] (verder: [E] ).

De prijs per hectare grond bij deze transactie was € 267.487,- (€ 4.933.800,- / 18,445 ha), terwijl de prijs per hectare grond bij de aankoop door [D] op 4 maart 2003 € 156.718,-

(€ 4.622.877,- / 29,498 ha) had bedragen. De prijs per hectare is derhalve in de tussenliggende tijd met 70,7 procent gestegen. Het BFT acht deze prijsstijging opmerkelijk en is van mening dat de notaris geen afdoende verklaring voor deze prijsstijging heeft gegeven. De notaris had zonder nader onderzoek niet zijn ministerie mogen verlenen aan deze transactie.

4.4.2.

[D] en [E] hebben op 30 augustus 2004 een aanvullende overeenkomst gesloten over een nabetalingsregeling, welke regeling niet wordt genoemd in de akte van levering en evenmin in de onderliggende koopovereenkomst. Het BFT stelt dat er sterke aanwijzingen dan wel signalen waren dat partijen de overdrachtsbelasting op de nabetaling wilden ontduiken. Het BFT wijst op de uit de akte van levering aanvankelijk opgenomen en later verwijderde vrijwaringsclausule voor belastingschade waarin de nabetalingsregeling wel werd genoemd en daarnaast op de aanvullende overeenkomst waarin de nabetalingsregeling is uitgewerkt. Verder is de notaris niet nagegaan of de door [D] genoemde te verrekenen overdrachtsbelasting van € 245.491,- realistisch was en waarop dit bedrag was gebaseerd.

4.4.3.

De notaris heeft verder geen aandacht besteed aan het feit dat [D] zijn vordering op grond van de nabetalingsregeling wilde cederen aan een derde partij, een vennootschap waarin [D] vermoedelijk niet voor minimaal vijfentwintig procent participeerde. De notaris heeft niet onderzocht waarom [D] van mening was dat zij voor minimaal genoemd percentage in die derde partij participeerde.

IV. [B]

4.5.1.

De notaris is onvoldoende kritisch geweest met betrekking tot de door [Z] op 1 februari 2006 gepasseerde drie akten van levering (de zogenoemde 126-transacties). Het betrof de overdracht van een (omvangrijk) pakket onroerende zaken bestaande uit woningen te [plaats] en een aantal bedrijfsgebouwen te [plaats] , [plaats] en [plaats] (ongeveer 1900 objecten). Bij deze (door)leveringen maakte het pakket onroerende zaken in een dag een totale prijssprong van € 14,6 miljoen (de (aan) koopprijzen bedroegen respectievelijk

€ 384.510.000,-, € 386.510.000,- en € 399.110.000,-). Bij de laatste transactie werd het pakket onroerende zaken geleverd zonder een omvangrijk kantorencomplex met een WOZ-waarde van ruim € 53 miljoen. De eigenlijke prijssprong bedroeg dus bijna € 68 miljoen.

Het had volgens het BFT voor de hand gelegen dat een zaak van die omvang besproken zou worden tussen de notaris en [Z] , omdat een zaak van die omvang voor het notariskantoor niet gebruikelijk was, veel capaciteit vergde van het kantoor en grote aansprakelijkheidsrisico’s met zich bracht.

4.5.2.

De notaris heeft in dit dossier op 1 februari 2006 de handtekening van de directeur van een overdragende vennootschap gelegaliseerd ten behoeve van de doorlevering bij een andere notaris. De notaris heeft hierbij de directeur niet in persoon ontmoet, maar hij heeft de handtekening gelegaliseerd nadat deze in het bijzijn van een van zijn medewerkers aan de receptie was gezet. Het BFT verwijt de notaris dat niet op de volmacht staat vermeld dat de handtekening in het bijzijn van een medewerker van zijn kantoor is gezet, terwijl dat gebruikelijk is binnen het notariaat.

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Formeel

6.1.

Alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen zal het hof eerst de diverse door het BFT en de notaris opgeworpen formele aspecten (voor zover in hoger beroep nog relevant) bespreken.

Ontvankelijkheid BFT

6.2.1.

Het feit dat het BFT in deze procedure geen zelfstandig klachtrecht toekomt en in eerste aanleg niet als klager is opgetreden, zoals de notaris heeft aangevoerd, laat onverlet dat het sedert 1 januari 2013 geldende artikel 107, eerste lid, Wna aan onder andere het BFT de mogelijkheid biedt om tegen een beslissing van een kamer voor het notariaat hoger beroep in te stellen. De wetgever heeft met betrekking tot artikel 107 Wna niet voorzien in een overgangsregeling, zodat dit artikel onmiddellijke werking heeft. Aangezien het BFT in de onderhavige zaak ná de wetswijziging per 1 januari 2013 hoger beroep heeft ingesteld, is het BFT ontvankelijk in zijn hoger beroep.

6.2.2.

De door de notaris opgeworpen vraag of het BFT een zelfstandig klachtrecht toekomt en indien dit het geval is dit klachtrecht door het verstrijken van de in artikel 99 lid 15 Wna bedoelde klachttermijn van drie jaren is vervallen omdat het BFT al in 2008 op de hoogte was van het handelen of nalaten van de notaris, kan onbesproken blijven. De klacht is immers ter behandeling aan de kamer voorgelegd door de fungerend voorzitter van de kamer en het BFT was, zoals hiervoor is overwogen, op grond van artikel 107, eerste lid, Wna gerechtigd hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de kamer, waarbij niet van belang is of het BFT eerder van het handelen van de notaris op de hoogte was.

Vervaltermijn ten aanzien van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van toezicht

6.2.3.

Volgens vaste rechtspraak van het hof (zie de beslissingen van 4 februari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:265, 15 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2762 en 24 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:583) ving de klachttermijn als hiervoor in 6.2.2. bedoeld (vóór 1 januari 2013 was dat artikel 99 lid 12 Wna) voor de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van toezicht aan op het moment van ontvangst van het rapport van het BFT, derhalve op

27 december 2012. De kamer heeft terecht geoordeeld dat niet relevant is dat de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van toezicht de notaris op 12 januari 2009 heeft gehoord. Dit gesprek vond immers plaats in het kader van een onderzoek naar [Z] . Niet is gebleken dat de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van toezicht bij dat gesprek voldoende concrete aanwijzingen had dat de zaken die in het onderzoek naar [Z] naar voren zijn gekomen, voor de notaris aanleiding hadden moeten zijn om in te grijpen.

Onderzoek BFT

6.3.1.

Het BFT heeft in zijn aanvullend beroepschrift aangevoerd dat de kamer in haar beslissing ten onrechte heeft geoordeeld dat het BFT onzorgvuldig is geweest door de integrale verklaring van [Z] niet aan het onderzoeksrapport toe te voegen. Het BFT heeft gesteld destijds aantekeningen te hebben gemaakt van het inleidend gesprek met [Z] in het kader van het onderzoek dat gericht was tegen [Z] . Hiervan is geen uitgewerkt verslag gemaakt, dus van een ‘integrale verklaring’ van [Z] is volgens het BFT geen sprake. Hetgeen [Z] heeft gezegd over de notaris heeft het BFT integraal opgeschreven in het verzoek tot een onderzoek, in de aan de notaris gestelde vragen en in zijn rapport. De notaris heeft hierop uitvoerig kunnen reageren, zodat onjuist is dat het BFT hiermee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld.

6.3.2.

Het hof is van oordeel dat ook in hoger beroep niet is te controleren of [Z] meer of anders heeft verklaard dan hetgeen het BFT heeft aangevoerd en in welke context de door het BFT aangehaalde verklaringen van [Z] zijn gedaan. Dat de notaris op de volgens het BFT door [Z] gedane verklaringen heeft kunnen reageren, doet aan het voorgaande niet af. De kamer heeft de door het BFT in zijn rapport kennelijk van [Z] afkomstige verklaringen dan ook op goede gronden buiten beschouwing gelaten.

6.4.1.

Het BFT heeft verder aangevoerd dat de kamer ten onrechte heeft geoordeeld dat het BFT onzorgvuldig is geweest door in het openbaar melding te maken van het onderzoek tegen de notaris. Het BFT achtte het in de tuchtprocedure tegen [Z] noodzakelijk om op de openbare zitting te reageren op beweringen van [Z] over (veronderstelde tegenstrijdige) beweringen en verklaringen van de notaris, waaruit afgeleid kon worden dat het BFT onderzoek deed naar de notaris. Het BFT heeft slechts het hoogst noodzakelijke gezegd en geen mededeling gedaan over de aard en de inhoud van dat onderzoek, aldus het BFT.

6.4.2.

Wat van (de aard van) de melding van het BFT op de zitting in de tuchtprocedure tegen [Z] ook zij, het hof is met de kamer van oordeel dat deze melding niet maakt dat het onderzoek van het BFT als onzorgvuldig dient te worden aangemerkt.

6.5.

Het hof deelt ook overigens de conclusie van de kamer dat het onderzoek van het BFT en de door de BFT gehanteerde onderzoeksmethode niet zodanig onzorgvuldig zijn geweest dat op dit onderzoek geen acht zou mogen worden geslagen. Het hof verwijst naar hetgeen de kamer in haar beslissing in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.5 heeft overwogen. In hoger beroep zijn geen argumenten naar voren gekomen die tot een ander oordeel moeten leiden.

Reikwijdte klacht

6.6.1.

De kamer heeft in de bestreden beslissing in rechtsoverweging 3.4, tweede alinea, geoordeeld dat het feit dat de notaris de boekhouder volledige betalingsbevoegdheid heeft gegeven door het ter beschikking stellen van zijn bankpas en betalingscalculator buiten de reikwijdte van de klacht viel, omdat niet is gebleken dat de boekhouder zelfstandig en zonder akkoord van de verantwoordelijke notaris betalingen heeft verricht in de onderzochte dossiers.

6.6.2.

Het BFT heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de kamer hiermee een uitleg dan wel inperking heeft gegeven van de bevindingen en de bedenkingen over de onderzochte dossiers, die de toenmalig voorzitter van de kamer niet heeft genoemd. Laatstbedoelde heeft de volledige bevindingen in de onderzochte dossiers, zoals die staan vermeld in het rapport van het BFT, ter beoordeling aan de kamer voorgelegd.

6.6.3.

Het hof is van oordeel dat de bevindingen van het BFT op dit punt in algemene zin niet kunnen worden begrepen in de klacht die in de kern ziet op het handelen of nalaten van de notaris in de onderzochte dossiers. Wel kan deze kwestie in de beoordeling van de handelwijze van de notaris in de onderzochte dossiers aan de orde komen.

Inhoudelijk

Ad I. [A]

6.7.

De notaris heeft aangevoerd dat hij bekend was met het feit dat op 17 juli 2000 een geldbedrag in depot zou worden gestort op de derdengeldrekening van het notariskantoor en dat die storting op enigerlei wijze verband hield met [C] en dat het bedrag strekte ter verdeling tussen een aantal bouwbedrijven. Dit depot betrof een cliënt en een dossier van [Z] en het depot(bedrag) heeft om deze redenen niet zijn aandacht gehad. [Z] heeft (de hoogte van) de depotstorting toen niet verder met hem besproken. Op dat moment waren precieze details over het depot overigens onbekend. De notaris heeft verder aangevoerd dat er in die periode regelmatig grotere bedragen dan het bedrag van dit depot (ruim € 16 miljoen) de derdengeldrekening van het notariskantoor passeerden. Op de zitting in hoger beroep heeft de notaris desgevraagd verklaard dat het notariskantoor in het jaar 2000 een bedrag van totaal € 40 miljoen aan depotgelden op de derdengeldrekening had staan, waarover intern niet specifiek is gesproken. Voor argwaan was geen aanleiding, aldus de notaris.

6.8.

Het hof is van oordeel dat de omvang van de depotstorting op 17 juli 2000 (€ 16 miljoen) in verhouding tot het totale depotbedrag op de derdengeldrekening van het notariskantoor in dat jaar (€ 40 miljoen), in samenhang met de ongebruikelijke transactie die daaraan ten grondslag lag (het in depot houden ter verdeling van de gelden tussen een aantal bouwbedrijven) voor de notaris aanleiding had moeten zijn om hierover nadere vragen te stellen aan [Z] , met wie hij in maatschapsverband samenwerkte. De notaris had moeten onderkennen dat een derdengeldrekening uitsluitend bestemd is voor gelden van derden die een notaris in het kader van zijn notariële werkzaamheden onder zich krijgt en niet voor het in depot houden van gelden ter nadere verdeling. De notaris heeft de € 16 miljoen in ieder geval naar aanleiding van de jaarrekening over 2000 moeten opmerken. Ook in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stichting Derdengelden had het op zijn weg gelegen om [Z] over de aard van deze ongebruikelijke depotstorting vragen te stellen. Dat de notaris dat heeft nagelaten, voor welk nalaten hij geen goede verklaring heeft kunnen geven, acht het hof onzorgvuldig omdat de notaris op deze wijze geen enkele invulling heeft gegeven aan zijn rol als bestuurder van de Stichting Derdengelden. Dat hij geen argwaan jegens [Z] koesterde laat onverlet dat het hier niet om een reguliere (aan een akte gelieerde) transactie ging maar om een ongebruikelijke depotstorting. Door zijn afzijdige opstelling heeft de notaris zich niet gedragen zoals een behoorlijk notaris betaamt. Het voorgaande brengt mee dat de klacht op dit onderdeel gegrond zal worden verklaard.

6.9.

Ook in hoger beroep is onvoldoende gebleken dat de notaris op de hoogte is geweest van de overige depotstortingen in dit dossier. Evenmin is gebleken dat de notaris wist van de gang van zaken met betrekking tot de uitbetaling van de depotgelden dan wel van de voorwaarden waaronder de gelden in depot werden gestort. Enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten op deze punten kan dan ook niet worden vastgesteld.

Wat het verwijt van het BFT inzake de ontbrekende betaalstaten in dit dossier betreft, is het hof van oordeel dat op [Z] , als behandelend notaris van dit dossier, de plicht rustte om die betaalstaten te bewaren. Dat de betreffende betaalstaten kennelijk in de kantooradministratie ontbraken, is de notaris daarom niet aan te rekenen.

De notaris heeft verklaard dat hij geen bemoeienis heeft gehad met het opmaken van de facturen in dit dossier en ook niet betrokken is geweest bij rente-afspraken en/of andere afspraken over de honorering voor de depotwerkzaamheden. Het hof is van oordeel dat [Z] als dossierbehandelaar verantwoordelijk was voor het opmaken van de facturen. Niet is gebleken dat de notaris aanleiding had om aan de juistheid van de door [Z] opgemaakte facturen te twijfelen. Dat de facturen hoog waren, zoals het BFT heeft aangevoerd, is daartoe op zichzelf onvoldoende. Dit betekent dat deze klachtonderdelen geen doel treffen.

Ad II. Project [X]

6.10.

Het hof verenigt zich met betrekking tot de door het BFT als opmerkelijk aangeduide transacties (transacties met ten opzichte van de andere transacties afwijkende koopprijzen) met het oordeel van de kamer dat - kort gezegd - niet kan worden uitgesloten dat na volledige bestudering van de betreffende dossiers blijkt dat de thans door het BFT geconstateerde verschillen een zodanig logische grondslag hebben dat een verklaring in het dossier destijds met recht niet nodig is geoordeeld. De notaris kan niet worden aangerekend dat hij hieraan na een tijdsverloop van bijna veertien jaar geen herinneringen meer heeft. Voor zover vast zou komen te staan dat de notaris destijds geen aandacht heeft gehad voor het feit dat in een aantal aannemingsovereenkomsten geen termijnen zijn opgenomen, valt zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niet in te zien waarom de notaris een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Wat de door het BFT als onjuiste aangemerkte verklaring van de notaris in de akte van levering van 7 juli 2000 betreft, is het hof van oordeel dat gezien het tijdsverloop het de notaris niet kan worden aangerekend dat hij hiervoor geen afdoende verklaring heeft kunnen geven. In ieder geval is het enkele feit dat de in de akte van levering genoemde koopsom niet overeenstemt met de volgens de nota van afrekening door de kopers verschuldigde koop- en aanneemsom onvoldoende om aan te nemen dat de in de akte van levering vermelde koopsom onjuist is. De kamer heeft de klacht op deze onderdelen terecht ongegrond verklaard.

6.11.

Met betrekking tot de door de notaris verleden akte van 27 juli 2001 waarbij een ruil van twee parkeerplaatsen heeft plaatsgevonden, heeft de notaris verklaard hieraan geen herinnering meer te hebben en verder dat deze transactie destijds in behandeling is geweest bij een kandidaat-notaris van zijn kantoor. Ook ten aanzien van deze transactie is het hof van oordeel dat het de notaris niet kan worden aangerekend dat hij gezien het tijdsverloop aan deze transactie geen herinnering meer heeft. De omstandigheid dat niet de notaris maar een kandidaat-notaris van zijn kantoor de behandelaar was van dit dossier doet overigens op zichzelf aan de verantwoordelijkheid van de notaris als passerend notaris niet af. Op basis van hetgeen het BFT heeft aangevoerd, valt naar het oordeel van het hof echter niet direct af te leiden dat de notaris aanleiding had om aan deze ruil van parkeerplaatsen te twijfelen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Ad III. Transactie [Y]

6.12.

De notaris heeft - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. [E] heeft bij deze transactie alleen de ‘warme grond’ van [D] gekocht. De niet van [D] gekochte percelen grond betroffen grasland, zogenoemde ‘koude grond’. Die percelen vielen daarmee buiten de (beoogde) wijziging van het bestemmingsplan. Aan de ‘warme grond’ is een waarde van € 22,18 per m² en aan de ‘koude grond’ is een waarde van € 4,80 per m² toegekend. Dit betekent dat de prijs per hectare voor de door [D] aan [E] overgedragen percelen grond tussen 4 maart 2003 en 30 augustus 2004 niet met 70,7%, maar met 20,5% is gestegen. Aangezien de waarde van ‘warme grond’ in die tijd en in die omgeving € 20,00 tot € 30,00 per m² bedroeg, heeft dit de notaris toen niet bevreemd.

Het hof is met de kamer van oordeel dat dit een voldoende verklaring is voor het in dit dossier door het BFT geconstateerde prijsverschil.

6.13.

Het hof verenigt zich verder met het oordeel van de kamer dat het feit dat de notaris destijds ten onrechte is afgegaan op het advies van een collega-notaris dat de overdrachtsbelasting over een eventuele nabetaling pas verschuldigd zou worden op het moment dat die nabetaling zich zou voordoen niet afdeed aan de eigen verantwoordelijkheid van de notaris op dit punt, maar dat deze handelwijze niet zodanig ernstig is dat de notaris hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6.14.

Niet is gebleken dat de notaris destijds betrokken is geweest bij de cessie van de vordering op grond van de nabetalingsregeling, zodat hem niet kan worden verweten dat hij hieraan geen aandacht heeft besteed.

6.15.

Het voorgaande brengt mee dat de kamer de klacht met betrekking tot deze transactie terecht ongegrond heeft verklaard.

Ad IV. [B]

6.16.

Vast staat dat dit dossier in behandeling is geweest bij [Z] . Ook heeft [Z] de drie bewuste akten van levering op 1 februari 2006 gepasseerd. Het was dan ook de verantwoordelijkheid van [Z] om na te gaan of de prijssprongen bij deze overdrachten voldoende verklaarbaar waren. De notaris heeft aangevoerd dat [Z] met hem overleg heeft gevoerd over het al dan niet nodig zijn van een MOT-melding en dat daarbij de transactie in grote lijnen is besproken. Niet kan worden vastgesteld dat de notaris naar aanleiding van deze bespreking reden had om nadere vragen te stellen over de transacties in dit dossier. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris is het hof dan ook niet gebleken.

6.17.

Het hof acht - evenals de kamer - de gang van zaken met betrekking tot de legalisatie van de handtekening van de directeur van een overdragende vennootschap in dit dossier in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

6.18.

Het voorgaande brengt mee dat de kamer de klacht wat dit dossier betreft terecht ongegrond heeft verklaard.

Conclusie

6.19.

Met betrekking tot het dossier inzake [A] is het hof tot het oordeel gekomen dat de handelwijze van de notaris met betrekking tot de depotstorting op 17 juli 2000 van een bedrag van ruim € 16 miljoen op de derdengeldrekening van het notariskantoor tuchtrechtelijk verwijtbaar is. In zoverre komt het hof tot een ander oordeel dan de kamer. De beslissing van de kamer kan op dit punt niet in stand blijven en zal in zoverre worden vernietigd. Het hof zal op dit klachtonderdeel opnieuw beslissen.

6.20.

Het hof acht het - alles afwegende - passend om aan de notaris de maatregel van berisping op te leggen.

6.21.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.22.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing voor zover het de klacht over de handelwijze van de notaris met betrekking tot de depotstorting op 17 juli 2000 betreft;

en, in zoverre opnieuw beslissende:

- verklaart de klacht voor zover het de handelwijze van de notaris met betrekking tot de depotstorting op 17 juli 2000 betreft gegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van berisping op;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.A. Verscheure, C.H.M. van Altena en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2016 door de rolraadsheer.