Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1094

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
23-004135-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inbraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004135-14

datum uitspraak: 23 maart 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-669080-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2015 en 9 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 april 2014 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning ([adres 2]) heeft weggenomen twee (een) revolver(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel braak of verbreking, te weten het forceren van een balkondeur (van bovengenoemde woning).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Getuige 3

De raadsvrouw heeft bepleit dat – ondanks de omstandigheid dat de personalia van ‘getuige 3’ inmiddels bekend zijn geworden – de betrouwbaarheid van zijn verklaringen niet kan worden vastgesteld en dat die derhalve niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Het hof overweegt dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door [getuige] als ‘getuige 3’ onmiddellijk na zijn waarneming op 12 april 2014 afgelegde verklaring. [getuige] heeft uit eigen beweging direct na de inbraak een verbalisant aangesproken en gezegd dat hij een persoon uit het raam van aangeefster heeft zien springen, dat hij hem herkende en weet wie het is en dat zijn bijnaam ‘[naam]’ is. Deze verklaring van [getuige] is gedetailleerd en vindt steun in de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Het hof acht deze verklaring betrouwbaar en zal deze verklaring gebruiken voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen.

Alternatief scenario

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij twee dagen voor de inbraak op het balkon van de woning aan de [adres 2] is geweest om daar een voetbal vanaf te pakken, hetgeen het aantreffen van zijn schoenspoor kan verklaren, niet terzijde kan worden geschoven.

Het hof overweegt dat dit – niet onderbouwde – alternatieve scenario op geen enkele wijze steun vindt in het dossier en ook overigens niet aannemelijk is geworden. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 april 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning ([adres 2]) heeft weggenomen twee revolvers, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, te weten het forceren van een balkondeur van bovengenoemde woning.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Dit is een ergerlijk feit, dat naast schade veel hinder veroorzaakt voor de gedupeerden en in het algemeen in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 februari 2016 is de verdachte eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld, en wel tot een taakstraf die de verdachte naar eigen zeggen heeft uitgevoerd. Dat hij hieruit geen lering heeft getrokken wordt in zijn nadeel gewogen.

Het hof heeft gelet op de straf die bij recidive in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een gevangenisstraf van 5 maanden. Deze straf wordt ook in deze zaak in beginsel passend geacht.

Uit het rapport van Reclassering Nederland van 27 juni 2014 komt echter naar voren dat de verdachte kampt met problemen op diverse leefgebieden, waaronder het ontbreken van inkomen en dagbesteding, het niet hebben van een vaste plek om te wonen en schuldenproblematiek.

Op de terechtzitting is voorts gebleken dat de verdachte onlangs een woonplek heeft gekregen via ‘Pak je kans’, dat hij in het kader van de zogenoemde Top 600-aanpak zal worden toegeleid naar werk en dat voor zijn schulden een afbetalingsregeling is getroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij gemotiveerd is voor het uitgezette traject.

Het hof ziet in de omstandigheid dat de verdachte in het kader van de Top 600-aanpak een nieuw traject is gestart en het onwenselijk moet worden geacht dit traject met een straf die hernieuwde vrijheidsbeneming met zich brengt te doorkruisen, aanleiding af te zien van oplegging van de in beginsel passend geachte gevangenisstraf en af te wijken van de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Aldus wordt de verdachte een voorlopig laatste kans gegund zijn leven buiten de muren van de Dienst Justitiële Inrichtingen een positieve wending te geven.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf alsmede een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22b, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. G. Oldekamp en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Dudok van Heel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 maart 2016.

mr. R.A.F. Gerding is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.