Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1074

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
200.167.971/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBAMS:2014:8410. Warehousing voor handel in effecten. Afwijzing incidentele vorderingen tot zekerheidstelling proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.167.971/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 416539 / HA ZA 09-69

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 maart 2016

inzake

[APPELLANT],

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in de incidenten,

advocaat: mr. J. Verhoeven te Alphen aan den Rijn,

tegen:

1 [GEÏNTIMEERDE SUB 1]

gevestigd te [plaats],

2. KBL EUROPEAN PRIVATE BANKERS S.A.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

advocaat geïntimeerden sub 1 en 2: mr. A.H. Beekhuizen te Amsterdam,

3. KBC GROEP N.V.,

gevestigd te Brussel, België,

advocaat geïntimeerde sub 3: mr. A. van Hees te Amsterdam,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

eiseressen in de incidenten.

Partijen worden hierna ook [appellant], [geïntimeerde sub 1], KBL en KBC genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 12 februari 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2014 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [geïntimeerde sub 1], KBL en KBC als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend

- memorie van grieven, met producties, van [appellant];

- incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties, van [geïntimeerde sub 1] en KBL;

- incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 Rv, met producties, van KBC;

- conclusie van antwoord in de incidenten, met producties, van [appellant];

- antwoordakte van [geïntimeerde sub 1] en KBL van 6 oktober 2015;

- akte uitlating producties van KBC van 6 oktober 2015;

- akte overlegging producties van [appellant] van 3 november 2015;

- antwoordakte van [geïntimeerde sub 1] en KBL van 17 november 2015;

- akte uitlating producties van KBC van 17 november 2015.

Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd in de incidenten.

[geïntimeerde sub 1] en KBL, alsmede KBC hebben (bij hun onderscheiden conclusies) incidenteel gevorderd dat [appellant] aan ieder van hen zekerheid zal stellen voor de - bij een bekrachtiging van het bestreden vonnis - te verwachten proceskostenveroordeling ten bedrage van € 70.000,-, althans een ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, door het stellen van een deugdelijke bankgarantie van een met goede naam en faam bekendstaande Nederlandse bankinstelling, zoals in hun incidentele conclusies omschreven, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze, een en ander binnen een week na betekening van het in deze te wijzen arrest in incident, op straffe van - zo begrijpt het hof - niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in de hoofdzaak in hoger beroep, althans van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel) dat [appellant] in gebreke blijft, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident en, voor het geval wegens het niet tijdig stellen van de gevorderde zekerheid de hoofdzaak eindigt, in de kosten van de hoofdzaak, alles uitvoerbaar bij voorraad.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde sub 1], KBL en KBC niet-ontvankelijk zal verklaren in hun incidentele vorderingen tot zekerheidstelling, althans deze zal afwijzen, met hun veroordeling in de kosten van de incidenten.

2 Beoordeling

in het incidenten

2.1.

Het hof zal eerst ingaan op het betoog van [appellant] dat de incidentele vorderingen pas zijn ingesteld vier werkdagen voor afloop van de aan geïntimeerden verleende nadere termijn van acht weken voor het nemen van hun memories van antwoord in de hoofdzaak. Voor zover [appellant] daarmee heeft bedoeld te betogen dat geïntimeerden hun incidentele vorderingen te laat hebben ingesteld, volgt het hof hem hierin niet. In artikel 224 lid 3 Rv is bepaald dat de wederpartij bevoegd is een vordering tot zekerheidstelling in te stellen vóór alle weren, zoals hier is gebeurd (zie procesverloop onder 1). Dat deze incidentele vorderingen afzonderlijk dienen te worden behandeld, voorafgaand aan het nemen van een memorie van antwoord, is bij rolbeslissing van 5 oktober 2015 al beslist en die beslissing is bij rolbeslissing van 11 februari 2016 gehandhaafd. Bij eerstgenoemde rolbeslissing is ook beslist dat, anders dan [appellant] betoogt, geïntimeerden voor het nemen van die memorie na het arrest in de incidenten alsnog de gelegenheid krijgen. Het hof ziet geen reden om op dit punt thans tot een ander oordeel te komen.

2.2.

In de onderhavige incidenten tot zekerheidstelling hebben eiseressen in de incidenten aangevoerd dat [appellant] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. [appellant] heeft immers zowel bij appeldagvaarding als in de memorie van grieven vermeld dat hij woonplaats heeft te Madras, India. Om die reden hebben eiseressen in de incidenten op de voet van artikel 224 lid 1 Rv gevorderd dat [appellant] zekerheid zal stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in deze procedure in hoger beroep jegens hen veroordeeld zou kunnen worden. Zij hebben er in dit verband op gewezen dat [appellant] ondanks herhaaldelijk aandringen niet heeft voldaan aan de bij het bestreden vonnis ten laste van hem uitgesproken veroordelingen en dat gelegde executoriale beslagen geen doel hebben getroffen. [appellant] heeft zich hiertegen verweerd op gronden die hierna, voor zover nodig, zullen worden vermeld. Het hof oordeelt als volgt.

2.3.

Op grond van artikel 224 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. In artikel 224 lid 2 aanhef en onder b Rv is bepaald dat - voor zover thans van belang - geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat, indien een veroordeling tot betaling van proceskosten op grond van een EG-verordening ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

2.4.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder b Rv in deze zaak van toepassing is. [appellant] heeft een beroep op deze uitzondering gedaan, stellende dat hij al sinds 1961 (ook) woonachtig is in het Verenigd Koninkrijk (Engeland) op het adres [adres] (hierna: het Engelse adres). In het Verenigd Koninkrijk geldt de EEX-Verordening die tenuitvoerlegging van een eventuele proceskostenveroordeling jegens [appellant] in dat land zonder verdere formaliteiten mogelijk maakt, zodat zekerheidstelling niet is vereist. Eiseressen in de incidenten hebben gemotiveerd betwist dat [appellant] in het Verenigd Koninkrijk woonplaats heeft.

2.5.

Met partijen is het hof van oordeel dat, op basis van de regel van Nederlands internationaal privaatrecht dat iedere staat zelf bepaalt wie woonplaats heeft op zijn eigen grondgebied, bij de beoordeling of [appellant] woonplaats heeft in het Verenigd Koninkrijk het voor het Verenigd Koninkrijk geldende recht dient te worden toegepast, meer in het bijzonder Section 41 van de Civil Jurisdiction and Judgments Act 1982 (hierna: de Act). Section 41 luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

(2) An individual is domiciled in the United Kingdom if and only if

(a) he is resident in the United Kingdom; and

(b) the nature and circumstances of his residence indicate that he has a substantial connection with the United Kingdom.

(…)

(6) In the case of an individual who

(a) is resident in the United Kingdom (…); and

(b) has been so resident for the last three months or more,

the requirements of subsection (2)(b) (…) shall be presumed to be fulfilled unless the contrary is proved.

2.6.

In eerste aanleg heeft de rechtbank bij (tussen)vonnis van 30 september 2009 de door eiseressen in de incidenten in die instantie gevorderde zekerheidstelling afgewezen, omdat zij van oordeel is dat [appellant], mede gelet op het wettelijk vermoeden van section 41 onder (6) van de Act, heeft aangetoond dat hij woonplaats heeft in het Verenigd Koninkrijk. Zoals door eiseressen in de incidenten terecht is aangevoerd, dient thans te worden beoordeeld of [appellant] met de door hem in het kader van de incidenten overgelegde stukken genoegzaam heeft aangetoond dat hij daar op dit moment (nog steeds) woonplaats heeft.

2.7.

[appellant] heeft een kopie van zijn op 2 oktober 2015 in het Verenigd Koninkrijk afgegeven “residence permit” overgelegd (productie 71), die geldig is tot 31 december 2024. Hierop wordt als “type of permit” vermeld “settlement” en bij “remarks” staat “no time limit”. Op basis van dit stuk kan worden vastgesteld dat het [appellant] is toegestaan om, zonder dat daaraan thans een tijdslimiet is verbonden, in het Verenigd Koninkrijk te verblijven. Dat de “residence permit” niet vijf of tien jaar geldig is en dat daarom, gezien de als productie 72A overgelegde Home Office Guidance notes, niet op grond daarvan kan worden vastgesteld dat [appellant] de status “indefinite leave to remain” heeft, doet hieraan niet af.

2.8.

Dat [appellant] ook gebruik maakt van de mogelijkheid om in het Verenigd Koninkrijk te verblijven en wonen, blijkt naar het oordeel van het hof uit de volgende stukken. In de eerste plaats heeft het hof in aanmerking genomen dat (als productie 76) door [appellant] is overgelegd een “official copy of register of title” van 7 oktober 2015, waaruit blijkt dat [X] [appellant] (naar [appellant] onweersproken heeft gesteld: zijn echtgenote), eigenaar is van de woning op het Engelse adres en een begeleidende brief van advocaat Peter M. Black van diezelfde datum waarin hij bevestigt dat [appellant] op het Engelse adres woont en dat de woning op naam van [appellant] vrouw staat. Zoals ook eiseressen in de incidenten in hun akten van 6 oktober 2015 hebben opgemerkt, vormt een eigendomsakte van de woning op het Engelse adres op naam van [appellant] of van diens vrouw een belangrijke aanwijzing - eiseressen in de incidenten noemen het een basis- of minimumvereiste - dat [appellant] daadwerkelijk inwoner van het Verenigd Koninkrijk is. Onduidelijk is op grond waarvan zij in hun akten van 17 november 2015 - genomen nadat [appellant] bij zijn akte van 3 november 2015 productie 76 had overgelegd - niettemin van mening zijn dat het feit dat de vrouw van [appellant] eigenaar van de woning op voormeld adres blijkt te zijn, tot gevolg heeft dat de overgelegde stukken niets over [appellant] zelf zeggen en dus niet relevant zijn. Het hof deelt die mening niet. De omstandigheid dat de vrouw van [appellant] op basis van een “residence permit” die “indefinite” is (op het Engelse adres) in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is en dat hun twee zonen blijkens de overgelegde kopieën van hun paspoorten de Britse nationaliteit hebben (productie 79), ondersteunen juist de stelling van [appellant] dat hij (ook) in het Verenigd Koninkrijk woont. Het hof ziet evenmin in waarom aan de verklaring van advocaat Black geen waarde zou kunnen worden gehecht. De enkele opmerking van eiseressen in de incidenten dat het onwaarschijnlijk is dat Black getuige is geweest van de feitelijkheden waarover hij verklaart, is daartoe onvoldoende.

2.9.

Voorts heeft [appellant] (als onderdeel 1 van productie 67) een brief van de Wokingham Borough Council van 1 september 2015 overgelegd, waarin wordt bevestigd dat Raman [appellant] “as a local government elector” op het Engelse adres is geregistreerd in “the current Register of Electors 2015”. Ook heeft hij (als onderdeel 2A tot en met E van productie 67) zogeheten poll cards voor verschillende verkiezingen overgelegd, waarvan de laatste van 7 mei 2015 dateert. Aan het betoog van eiseressen in de incidenten dat, nu de brief geen geboortedatum bevat, niet duidelijk is of die inderdaad [appellant] betreft, gaat het hof voorbij. Zonder nadere toelichting van deze betwisting, die ontbreekt, gaat het hof, gelet op de combinatie van de in de brief genoemde voor- en achternaam van [appellant] en het Engelse adres, ervan uit dat deze betrekking heeft op [appellant]. Het feit dat [appellant] zich in het kiesregister van het Verenigd Koninkrijk heeft mogen registreren is, anders dan eiseressen in de incidenten betogen, relevant. Blijkens de overgelegde informatie van de site van de Electoral Commission (productie 73E) moet een burger van een land dat onderdeel is van het Gemenebest, zoals India, namelijk voldoen aan het vereiste “must be resident in the UK and either have leave to enter or remain in the UK or not require such leave” teneinde in aanmerking te komen voor registratie. Kennelijk voldoet [appellant] aan dit vereiste, aangezien hij zich gezien de brief van de Council daadwerkelijk heeft kunnen registeren. Eiseressen in de incidenten hebben (bij gebrek aan wetenschap) betwist de stelling van [appellant] dat het kiesregister in het Verenigd Koninkrijk vergelijkbaar is met het Nederlandse bevolkingsregister en hebben erop gewezen dat [appellant] niet in staat is om een uittreksel van het bevolkingsregister over te leggen. Daargelaten of deze registers inderdaad vergelijkbaar zijn, kan het niet overleggen van een uittreksel van het bevolkingsregister [appellant] niet worden tegengeworpen, omdat eiseressen in de incidenten de stelling van [appellant] dat het Verenigd Koninkrijk een dergelijk register niet heeft op zichzelf niet (voldoende) weersproken hebben. Bovendien kan het feit dat [appellant] een dergelijk uittreksel niet heeft overgelegd niet afdoen aan het overtuigende materiaal dat hij wel in het geding heeft gebracht.

2.10.

Ten slotte heeft het hof nog acht geslagen op de council tax bill 2015/2016 van [appellant] en zijn vrouw en de verklaring van accountant [Y]. Hoewel de council tax bill is gedateerd op 11 maart 2015 (onderdeel 12 van productie 67) en dus bijna een jaar oud is, doet deze aanslag, anders dan KBC betoogt, toch ter zake, aangezien het een jaarlijkse aanslag betreft die op 2015/2016 ziet. Voor zover eiseressen in de incidenten hebben betoogd dat op deze aanslag geen acht mag worden geslagen, omdat deze voortvloeit uit de registratie in het kiesregister en met betrekking tot die registratie niet kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk om [appellant] gaat, verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent onder 2.9 is overwogen. Accountant [Y] heeft in zijn verklaring van 9 oktober 2015 (productie 80) - samengevat en voor zover mogelijk vertaald - verklaard dat hij [appellant] al meer dan dertig jaar kent, dat [appellant] inwoner is van en werkzaam is in het Verenigd Koninkrijk, dat [appellant] woont op het Engelse adres, dat [appellant] een nationaal verzekeringsnummer heeft dat alleen aan inwoners van het Verenigd Koninkrijk wordt gegeven, dat [appellant] recht heeft op een staatspensioen, belasting betaalt en mag stemmen, dat [appellant] “is well established in the area”, dat [appellant] bankrekeningen in het Verenigd Koninkrijk heeft en dat zijn familie, die [Y] ook heeft ontmoet, eveneens in het Verenigd Koninkrijk woont. Over zijn kennis van al deze details heeft [Y] verklaard dat hij die heeft, omdat hij een van de “auditors” van [appellant] is en ook een aantal van zijn “accounts” beheert. Gelet hierop volgt het hof eiseressen in de incidenten niet in hun betoog dat [Y] onmogelijk kan verklaren over het feitelijk wonen en verblijven van [appellant] in het Verenigd Koninkrijk. Nog los van het feit dat [Y] als accountant van [appellant] zeer wel op de hoogte kan zijn van het verzekeringsnummer van [appellant], diens recht op pensioen, de door [appellant] betaalde belasting en diens bankrekeningen - allemaal aanwijzingen dat [appellant] in het Verenigd Koninkrijk woont -, is het naar het oordeel van het hof ook aannemelijk dat [Y] vanwege zijn reeds lange tijd bestaande betrokkenheid bij (de zaken van) [appellant] ook op de hoogte is van diens feitelijke woonsituatie.

2.11.

Op grond van al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [appellant] genoegzaam heeft aangetoond dat hij “resident in the United Kingdom” is en dat hij “has been so resident for the last three months or more”. Daarmee is voldaan aan het wettelijk vermoeden van section 41 onder (6) van de Act. Eiseressen in de incidenten hebben dit vermoeden niet weten te ontkrachten. Zij hebben er enkel op gewezen dat [appellant] blijkens de vele stempels van de Britse douane in zijn oude en nieuwe paspoort veel reist en dus veel buiten het Verenigd Koninkrijk verblijft. Dat [appellant] (voor zijn werk) veel naar het buitenland reist, leidt naar het oordeel van het hof niet zonder meer tot een ander oordeel. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat [appellant] tevens woonplaats heeft in India.

2.12.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder b Rv van toepassing is, zodat [appellant] geen zekerheid hoeft te stellen. De incidentele vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

2.13.

Eiseressen in de incidenten hebben erop gewezen dat [appellant] deze incidenten zelf heeft veroorzaakt door in de appeldagvaarding te vermelden woonachtig te zijn in India. Om die reden hebben zij verzocht bij afwijzing van de incidenten [appellant] desalniettemin in de kosten daarvan te veroordelen. Het hof volgt hen hierin niet en zal hen, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak veroordelen in de kosten van deze incidenten.

in de hoofdzaak

2.14.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord zowel door [geïntimeerde sub 1] en KBL als door KBC. [appellant] heeft bij faxbericht van 15 februari 2016 verzocht de termijn hiervoor te bekorten tot twee weken, omdat aan geïntimeerden reeds een uitstel van acht weken is verleend voor het nemen van een memorie van antwoord en zij pas kort voor het aflopen van die extra termijn de onderhavige incidentele vorderingen hebben ingediend. [geïntimeerde sub 1] en KBL hebben zich bij faxbericht van 18 februari 2016 op het standpunt gesteld dat het verzoek van [appellant] door het hof buiten beschouwing moet worden gelaten. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het verzoek in strijd met artikel 5.4 van het Pilotreglement is ingediend nadat arrest in de incidenten was bepaald en dat het verzoek een ontoelaatbare poging is om het hof te beïnvloeden. Het hof deelt deze visie niet. Het staat [appellant] vrij om in dit stadium van de procedure met betrekking tot de termijn van de in de hoofdzaak nog in te dienen memorie van antwoord een verzoek te doen. Niet valt in te zien hoe het hof hierdoor in zijn oordeel over de incidentele vorderingen kan worden beïnvloed. Geïntimeerden hebben alle bezwaar gemaakt tegen het bekorten van de termijn tot twee weken. Het hof ziet, gelet op het bepaalde in artikel 2.14 van het Pilotreglement, in de door [appellant] aangevoerde omstandigheden aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke termijn van zes weken voor memorie van antwoord, in die zin dat aan [geïntimeerde sub 1] en KBL en aan KBC een termijn van vier weken - en dus geen twee in verband met de omvang van de memorie van grieven - zal worden verleend voor het nemen van die memorie.

3 Beslissing

Het hof:

in de incidenten

wijst de vorderingen af;

houdt de beslissing over de proceskosten van deze incidenten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 19 april 2016 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en KBL en memorie van antwoord aan de zijde van KBC;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, M.A. Goslings en C.C. Meijer en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2016.