Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1024

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
200.068.819/04 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquête; tweede fase na vaststelling wanbeleid; verlenging van de geldingsduur van de getroffen voorzieningen op de voet van art. 2:357 lid 1 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 357
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/861
ARO 2016/104
JONDR 2016/783
OR-Updates.nl 2016-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.068.819/04 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 9 maart 2016

inzake

1 [A] ,

wonende te [....] ,

2. [B],

wonende te [....] ,

3. [C],

wonende te [....] ,

VERZOEKERS,

advocaat: mr. K.M. Kole, kantoorhoudende te Arnhem,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[D] ,

gevestigd te [....] ,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. J. van Bekkum en mr. L. Stoppels , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

I.R.B. HOLDING B.V.,

gevestigd te Almere,

2. [E],

wonende te Jaumegarde (Frankrijk),

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. W.J.P. Jongepier en mr. M. Elshof, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

3 [F] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. J. Anema, kantoorhoudende te Amersfoort.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen en andere personen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoekers als respectievelijk [A] , [B] en [C] ;

  • -

    verweerster als [D] ;

  • -

    de verschenen belanghebbenden als respectievelijk IRB, [E] en [F] ;

  • -

    [G] als Stak;

  • -

    IRB en [E] tezamen als IRB c.s.;

  • -

    [A] , [B] , [C] tezamen als [A] c.s.;

  • -

    [A] , [B] , [C] en [E] tezamen als de Erven.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 25 april 2012, 27 april 2012 en 3 april 2014. In de beschikking van 25 april 2012 heeft de Ondernemingskamer vastgesteld dat zich in [D] wanbeleid heeft voorgedaan. Zij heeft voorts de volgende voorzieningen getroffen:

  1. ontslag van IRB als bestuurder van [D] ;

  2. benoeming met ingang van 25 april 2012, vooralsnog voor een periode van twee jaren, van een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van [D] ;

  3. overdracht ten titel van beheer met ingang van 25 april 2012, vooralsnog voor een periode van twee jaren, van de door Stak gehouden aandelen in [D] aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.

1.3

De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 27 april 2012 G.C.J. Verweij en mr. W.G. van Hassel aangewezen als bestuurder respectievelijk beheerder als bedoeld in de beschikking van 25 april 2012.

1.4

Bij de beschikking van 3 april 2014 heeft de Ondernemingskamer met een periode van vooralsnog twee jaren en met ingang van 25 april 2014 de bij beschikking van 25 april 2012 getroffen voorzieningen tot benoeming van een bestuurder van [D] alsmede tot overdracht van de aandelen van Stak ten titel van beheer verlengd.

1.5

[D] heeft bij op 11 februari 2016 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de tijdelijke aanstelling van G.C.J. Verweij tot bestuurder van [D] te verlengen met een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf 25 april 2016, althans met een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen termijn, en

  2. de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van 100% van de aandelen in [D]
    aan W.G. van Hassel te verlengen met een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf 25
    april 2016, althans met een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen
    termijn.

1.6

Bij verweerschrift van 23 februari 2016 hebben [A] c.s. het verzoek van [D] ondersteund en geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.

1.7

Bij brief van 29 februari 2016 heeft mr. Anema namens [F] meegedeeld geen verweerschrift te zullen indienen.

1.8

Op 8 maart 2016 heeft mr. Jongepier namens IRB c.s. telefonisch laten weten zich te refereren aan het oordeel van de Ondernemingskamer.

2 De gronden van de beslissing

2.1

Ter terechtzitting van 3 april 2014 hebben partijen een regeling getroffen, zoals neergelegd in het proces verbaal van die zitting. Ter ondersteuning van haar verzoek heeft [D] gesteld dat de in die regeling vastgelegde bindend advies procedure over de onderlinge schuldverhoudingen tussen IRB c.s. enerzijds en [D] anderzijds nog niet is afgerond. Als op korte termijn geen schikking wordt bereikt tussen de Erven, zal [D] de bindend adviseurs verzoeken om het schriftelijke bindend advies uit te brengen. In dat geval zal er ook nog enige tijd zijn gemoeid met de uitvoering van het daarin bepaalde. Naar de opvatting van [D] bestaat er een gerede kans dat het ongedaan maken van de gevolgen van het wanbeleid en het herstel van de gezonde verhoudingen nog de nodige tijd in beslag zal nemen. Tegen deze achtergrond acht [D] een verlenging van de tijdelijke aanstelling van de bestuurder geboden.

2.2

Voorts heeft zij gesteld dat de status van de procedure bij het hof (zie 2.3 van de beschikking van 3 april 2014) ongewijzigd is en dat er daardoor ook thans nog onvoldoende zekerheid bestaat over de continuïteit van het bestuur van Stak. Op die grond dient de overdracht ten titel van beheer van de aandelen in [D] eveneens te worden verlengd, aldus [D] .

2.3

Zoals hiervoor vermeld hebben [A] c.s. geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek en hebben IRB c.s. zich gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.

2.4

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. De taak van de bestuurder houdt op grond van de beschikking van 25 april 2012 onder meer in het beletten dat (verder) uitvoering wordt gegeven aan twee door onder meer [D] in 2006 gesloten maatschaps-overeenkomsten, het zoveel mogelijk ongedaan maken van de voor [D] nadelige gevolgen van het in die beschikking vastgestelde wanbeleid – onder meer door te bewerkstelligen dat voor zover betalingen en uitbetalingen zijn verricht ten laste van [D] die niet stroken met in 1994 en 2004 gesloten maatschapsovereenkomsten, deze betalingen en uitkeringen terug te vorderen van degenen die deze betalingen en uitkeringen hebben ontvangen – en het naar zijn oordeel doen van het nodige om de verhoudingen binnen [D] te herstellen.

2.5

Gelet op de ter zitting van 3 april 2014 tot stand gekomen regeling en de daarop gevolgde door [D] weergegeven gebeurtenissen, bestaat er naar het oordeel van de Ondernemingskamer nog steeds een mogelijkheid dat de Erven binnen afzienbare tijd tot definitieve overeenstemming komen over de wijze van uit elkaar gaan. Naar [D] onweersproken heeft gesteld, bestaat er echter ook een gerede kans dat die overeenstemming niet wordt bereikt. In dat geval zal de bindend advies procedure moeten worden doorlopen en het daaruit voortkomende bindend advies moeten worden uitgevoerd. De door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder zal dan nog het nodige moeten ondernemen om de hem opgedragen taak te vervullen. De Ondernemingskamer is van oordeel dat verlenging van de voorzieningen met twee jaar daarom geboden is.

2.6

Voorts is de Ondernemingskamer van oordeel dat de omstandigheden die aanleiding vormden voor de overdracht van aandelen ten titel van beheer nog steeds voortduren en dat het beheer gelet op de door [D] aangevoerde omstandigheden eveneens dienen te worden verlengd.

2.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de Ondernemingskamer de geldingsduur van de bij beschikking van 25 april 2012 getroffen voorzieningen vanaf 25 april 2016 met twee jaren verlengen.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verlengt, met ingang van 25 april 2016, de bij beschikking van 25 april 2012 getroffen voorzieningen tot benoeming van een bestuurder van [D] alsmede tot overdracht van de aandelen van [G] ten titel van beheer met een periode van vooralsnog twee jaren;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, en prof. dr. mr. F. van der Wel RA en dr. P.M. Verboom, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 9 maart 2016.