Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1020

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
23-003638-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging woninginbraak. Vrijspraak voor medeplegen. Verweer ten aanzien van vrijwillige terugtred verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003638-15

datum uitspraak: 9 maart 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-684026-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 13 januari 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan/bij de [adres 2] weg te nemen een of meer goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde woning is/zijn gegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met een boormachine, althans een voorwerp, een schroef in het cilinderslot van de deur van voornoemde woning heeft/hebben geboord en/of gedraaid en/of bevestigd en/of geslagen en/of aangebracht;

subsidiair:
hij op of omstreeks 13 januari 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (cilinder)slot van een deur van een woning, gelegen aan/bij de [adres 2], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een boormachine, althans een voorwerp, een schroef in het cilinderslot van de deur van voornoemde woning te boren en/of te draaien en/of te bevestigen en/of te slaan en/of aan te brengen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewezenverklaring tot andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak medeplegen

De verdachte heeft verklaard dat hij naar de woning aan de [adres 2] te Amsterdam is gegaan en met een boormachine een torx schroef in het cilinderslot heeft geboord, omdat hij voornemens was in de woning in te breken. Hij heeft verklaard dat de twee jongens met wie hij ‘samen op pad was’, te weten [naam 1] (hierna: [naam 1]) en [naam 2] (hierna: [naam 2]), op de hoogte waren van zijn inbraakplannen, maar dat zij hierin geen rol hebben gespeeld.

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474) uiteengezet heeft, is die kwalificatie slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is; het moet gaan om een wezenlijke bijdrage.

Uit de verklaring van een omwonende (dossierpagina 13 e.v.) blijkt dat zij een drietal jongens tezamen in de omgeving van de [adres 2] heeft zien lopen. Op enig moment heeft zij twee jongens in de richting van het huis aan de [adres 2] zien lopen en heeft zij gezien dat twee jongens het oprijpad opliepen en onder de carport zijn gaan staan. Daarna heeft de omwonende de jongens niet meer gezien, zo verklaarde zij. Verder staat vast dat de verdachte is aangehouden in het bijzijn van [naam 2]. Toen de verdachte met een politieambtenaar naar een auto liep waarin het identiteitsbewijs van verdachte zich bevond, is ook [naam 1] aan komen lopen. In het licht van deze laatste bevindingen, voornoemde verklaring van de verdachte en mede gelet op de door de omwonende van de jongens gegeven signalementen, stelt het hof vast dat de jongens die de omwonende heeft waargenomen de verdachte, [naam 2] en [naam 1] waren.

Hoewel de aanwezigheid van [naam 2] en [naam 1] op de [adres 2] te denken geeft, kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat zij een rol hebben gespeeld bij de uitvoering van de poging tot woninginbraak en zo ja, waar hun rol precies in heeft bestaan. Vast staat wel dat zij 3 dagen voorafgaand aan het ten laste gelegde aanwezig waren bij de aanschaf van een accuboormachine door de verdachte in bouwmarkt Gamma. Nu deze handelingen meer in de richting van medeplichtigheid wijzen van [naam 2] en [naam 1] en zich overigens in het dossier onvoldoende gegevens bevinden om vast te stellen of de bijdrage van [naam 1] en [naam 2] dermate wezenlijk is dat zij als medepleger kunnen worden aangemerkt zal het hof de verdachte vrijspreken van het tezamen en in vereniging plegen van de poging tot woninginbraak.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 januari 2015 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan de [adres 2], weg te nemen een of meer goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, naar voornoemde woning is gegaan waarna hij, verdachte, met een boormachine een schroef in het cilinderslot van de deur van voornoemde woning heeft geboord.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Door de verdediging is aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde komt er sprake is geweest van vrijwillige terugtred door de verdachte, waardoor de poging niet strafbaar is en er ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

Het hof overweegt als volgt.

Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij hanteert het hof als maatstaf dat hetgeen aan het beroep op vrijwillig terugtred ten grondslag is gelegd aannemelijk moet zijn geworden.

De verklaring van de verdachte komt er op neer dat hij, na een aanvang gemaakt te hebben met de uitvoering van het door hem opgevatte plan om in de woning op het adres [adres 2] te Amsterdam in te breken, hij bij zichzelf dacht “waar ben ik mee bezig” en dat zijn gevoel zei dat het niet goed was (politieverhoor p. 29), dat hij zich realiseerde dat dit niet de manier was om zijn problemen op te lossen (verhoor rechter-commissaris op 16 januari 2015) en dat je niet zomaar andermans spullen kan stelen (zitting in eerste aanleg van 13 augustus 2015). Op de terechtzitting in hoger beroep heeft hij aanvullend verklaard dat, voor hij met zijn inbraakpoging begon, hij met zijn medeverdachten [naam 2] en [naam 1] samen was, dat zij wisten wat hij van plan was, nog voordat hij bij het huis een voorverkenning deed en dat hij, nadat hij tot inkeer zou zijn gekomen, naar hen terug is gelopen en heeft gezegd dat hij weg wilde.

Nog los van het feit dat de verdachte in elk van de drie eerstgenoemde verklaringen het accent net anders heeft gelegd, acht het hof de gepresenteerde gang van zaken niet aannemelijk geworden. Allereerst stelt het hof vast dat de lezing van de verdachte op zichzelf staat; deze is niet door de verdachte onderbouwd, noch vindt deze steun in andere processtukken. In het bijzonder vindt de lezing geen steun in de verklaringen van de medeverdachten [naam 2] en [naam 1]. Door of namens de verdachte is ook geen verzoek gedaan om de medeverdachten ter onderbouwing van het verweer als getuige te doen horen. Verder is het volgende van belang. De verdachte heeft 3 dagen voor de inbraakpoging voor 99 euro een accuboormachine gekocht bij genoemde bouwmarkt, een slotentrekker via een webwinkel gekocht voor het ophalen waarvoor hij “een eind” moest reizen (p. 2 proces-verbaal zitting in eerste aanleg) en zich voorzien van andere voor de zogenoemde “kerntrekmethode” geschikte inbrekersgereedschappen, zoals torx schroeven. Verder heeft de verdachte de moeite genomen om bij het huis een voorverkenning te verrichten. Hij heeft, met andere woorden, het nodige geïnvesteerd in de voorbereiding van de poging tot woninginbraak. In dat licht doet het verder aan de aannemelijkheid van het gestelde afbreuk dat de verdachte niet heeft toegelicht wat heeft gemaakt dat hij, juist nadat hij in de voordeur van de woning met de accuboormachine een torx schroef had gedraaid en – naar eigen zeggen (proces-verbaal ter terechtzitting eerste aanleg) – nog 1 handeling moest verrichten om binnen te komen, tot inkeer zou zijn gekomen. Naar het oordeel van het hof is toelichting op die inkeer onmisbaar, aangezien uit de documentatie van de verdachte blijkt dat hij na het plegen van het onderhavige feit opnieuw als verdachte is aangemerkt voor een soortgelijk feit. Tot slot laat de voorgespiegelde gang van zaken zich slecht rijmen met de door de verdachte in eerste aanleg afgelegde verklaring dat hij met de inbraakpoging was gestopt, nog ongeveer een kwartier heeft rondgelopen en dus niet zo snel mogelijk het hazenpad heeft gekozen met behulp van de auto van [naam 1], waarmee de verdachte ook naar de woning was toegekomen en waarvan de verdachte in het bezit was van de autosleutel (p. 10).

Het hof acht het veel meer voor de hand liggen dat de verdachte zijn poging heeft gestaakt doordat op enig moment opgemerkt is dat de bewoner van een aanpalende woning – de melder – de verdachte en zijn medeverdachten van 18.45 tot 19.02 uur had gadegeslagen (p. 4) of doordat de komst de politie is bemerkt. Het verweer wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Hij heeft met zijn handelen schade berokkend aan de rechtstreeks benadeelde. Door een woninginbraak, althans een poging daartoe, wordt bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gedupeerde, hetgeen bij hem gevoelens van onveiligheid zal hebben veroorzaakt. De verdachte heeft hiervoor zijn ogen gesloten en heeft zich kennelijk louter laten leiden door de zucht naar financieel gewin. Dit wordt hem sterk aangerekend.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 februari 2016 is de verdachte eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld, waaronder voor vermogenscriminaliteit. Dat hij hieruit geen lering heeft getrokken, wordt in zijn nadeel gewogen.

Het hof wijkt bij de strafoplegging af van de door de advocaat-generaal gevorderde straf, omdat – anders dan zij voorstond – niet bewezen wordt geacht dat de verdachte de poging tot woninginbraak in vereniging met een of meer anderen heeft begaan.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. J.J.I. de Jong en mr. E.H.M. Druijf, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. van Rede, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 maart 2016.

Mr. E.H.M. Druijf en mr. J.G.W. van Rede zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[......]

.