Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:1016

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
23-002166-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer omtrent staandehouding en fouillering verworpen. Bevoegdheden rechtmatig gebruikt. Geen vormverzuim ex 359a Sv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002166-15

datum uitspraak: 9 maart 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-237365-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1987,

adres: [adres 1],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord, locatie Zwaag te Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 15 december 2015 en 24 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 december 2013 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 94,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

Door de raadsman is naar voren gebracht dat de inzet van de door de politie gebruikte dwangmiddelen, te weten het tot stilstand brengen van de auto en het fouilleren van de verdachte, onrechtmatig moet worden geacht. De raadsman heeft in dat verband aangevoerd dat de betrokken verbalisanten in de buurt waren van de plek waar een ‘Cobra 6’ zou zijn afgestoken, het [adres 2] te Amsterdam, maar dat zij geen direct zicht hadden op de betreffende locatie en dat de verbalisanten, hoewel de afstand hemelsbreed wellicht maar 20 meter was, een aantal straten moesten omrijden om die locatie te bereiken, waarmee de nodige tijd gemoeid is geweest. Vervolgens hebben de verbalisanten ter plaatse een aantal jongens gezien, waaronder de verdachte. Deze jongens reden hierna weg met twee auto’s, waarna de politiebeambten hen een stopteken gaven en de verdachte aan de verbalisanten verklaarde dat hij geen vuurwerk had afgestoken of bij zich had. Desondanks werd de verdachte gefouilleerd. Noch ten tijde van het geven van het stopteken, noch bij het fouilleren van de verdachte was sprake van een redelijk vermoeden van schuld (naar het hof begrijpt: aan enig strafbaar feit). De raadsman heeft op die gronden geconcludeerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat de resultaten die uit het onrechtmatige optreden zijn verkregen dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

De stelling van de raadsman dat na het horen van een – aan een explosie van een ‘Cobra 6’ toegeschreven – heftige knal uit de richting van het [adres 2] de nodige tijd moet zijn verstreken alvorens de betrokken verbalisanten ter plaatse waren, vindt geen steun in het dossier. Het hof gaat er, gelet op hetgeen is vervat in het hieromtrent opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (p. 1 e.v.), vanuit dat de verbalisanten, kort na het waarnemen van de knal, een groep jongens heeft gezien, welke jongens als enigen op die locatie aanwezig waren. Vervolgens zijn die jongens kennelijk in auto’s gestapt en gaan rijden. De verbalisanten hebben de bestuurders van die voertuigen een stopteken gegeven en vervolgens zijn de inzittenden gefouilleerd. Het onderzoek van de verbalisanten heeft plaats gevonden op basis van de Wet Wapens en Munitie (WWM). Hierbij geldt ten aanzien van artikel 51 en 52 WWM niet dat als maatstaf dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, maar ‘slechts’ dat er redelijkerwijs aanleiding bestaat tot toepassing van de in die bepalingen genoemde bevoegdheden op grond van – voor zover hier van belang – overtreding van de artikelen 13, 26 of 27 WWM. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever het te ver vond gaan om te eisen dat er een concrete verdenking is dat de betrokken burger zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, omdat het nodig werd geacht om in bepaalde omstandigheden een bevoegdheid jegens een groep van personen te kunnen uitoefenen, zonder dat al een bepaalde persoon als verdachte aanwijsbaar is. Wel is vereist dat er een concrete aanleiding is om het gebruik van wapens of de dreiging daarvan te veronderstellen. De aanvullende eis dat die aanleiding er «redelijkerwijs» moet zijn, betekent in de ogen van de wetgever dat niet elke aanwijzing de bevoegdheid in het leven roept, maar slechts zodanige aanwijzingen dat het belang van toepassing van de bevoegdheid zwaarder weegt dan het belang dat de burger zich vrijelijk en ongemoeid kan bewegen (zie o.a. Kamerstukken II, 1984-1985, 14413, nr. 9, p. 21-23).

Het hof stelt vast dat gelet op de omstandigheden zoals omschreven in het genoemde proces-verbaal er in deze zaak voldoende concrete aanleiding was om van de bestuurders van bedoelde auto’s op de voet van artikel 51, vierde lid, WWM te vorderen dat deze hun voertuigen tot stilstand brachten en om de verdachte vervolgens op grond van artikel 52, tweede lid, WWM aan diens kleding te onderzoeken. Gezien hetgeen in dat proces-verbaal is opgenomen omtrent de explosieve kracht van een ‘Cobra 6’ hebben de verbalisanten in redelijkheid tot het kennelijk oordeel kunnen komen dat de toepassing van die bevoegdheden zwaarder diende te wegen dan de belangen van de verdachte en de medeverdachten. De gewraakte bevoegdheden zijn op rechtmatige wijze ingezet en van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dan ook geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 december 2013 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 94,7 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van 160 euro, subsidiair 3 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door het voorhanden hebben van een niet-toegestane hoeveelheid hasjiesj. Het gebruik van een dergelijk middel kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van de gebruikers daarvan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 februari 2016 is de verdachte eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

De raadsman heeft bepleit dat, indien het hof tot een veroordeling komt, kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Het hof volgt de raadsman niet in dit voorstel nu de ernst van het feit zich hiertegen verzet en in hetgeen naar voren is gebracht door de raadsman onvoldoende aanleiding voor een dergelijke afdoening wordt gezien.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100,00 (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. J.J.I. de Jong en mr. E.H.M. Druijf, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. van Rede, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 maart 2016.

Mr. E.H.M. Druijf en mr. J.G.W. van Rede zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[......]

.