Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:999

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2015
Datum publicatie
26-03-2015
Zaaknummer
200.152.856/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder was in een drietal dossiers niet (langer) gerechtigd tot beslaglegging over te gaan. Anders dan de kamer oordeelt het hof dat de maatregel van berisping zonder aanzegging op zijn plaats is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/127

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.152.856/01 GDW

nummer eerste aanleg : 634.2013

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 24 maart 2015

inzake

[appellant],

gerechtsdeurwaarder te[plaats],

appellant,

gemachtigde: mr. [naam],

tegen

[geïntimeerde],

wonend te [plaats],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: de gerechtsdeurwaarder) heeft op 22 juli 2014 een beroepschrift bij het

hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 24 juni 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:115). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerde (hierna: klaagster) gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd, zulks met de aanzegging dat, indien andermaal door hem een van de in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) bedoelde handelingen of verzuimen worden gepleegd, oplegging van een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen.

1.2.

Klaagster heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend, hoewel het hof haar daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 januari 2015. De gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Beiden hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Klaagster is – zonder bericht van verhindering – niet verschenen.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

De gerechtsdeurwaarder heeft een drietal dossiers ten laste van klaagster in behandeling gehad.

3.2.2.

In de dossiers met nummers 871160 en 990083 heeft de gerechtsdeurwaarder op 12 juli 2013 ten laste van klaagster derdenbeslag onder het UWV gelegd. Nadat op 23 juli 2013 aan de gerechtsdeurwaarder uit een telefoongesprek met klaagster was gebleken dat het beslag ten onrechte was gelegd (klaagster had in juni 2013 respectievelijk mei 2013 de (uiteindelijk) afgesproken bedragen ter finale kwijting aan de gerechtsdeurwaarder voldaan), is diezelfde dag door hem het beslag onder het UWV opgeheven. De gerechtsdeurwaarder heeft zijn excuses aan klaagster aangeboden voor het ten onrechte gelegde beslag. De kosten van het beslag zijn door hem afgeboekt en niet bij klaagster in rekening gebracht.

3.2.3.

In het dossier met nummer 1025759 is eveneens op 12 juli 2013 door de gerechtsdeurwaarder ten laste van klaagster derdenbeslag onder het UWV gelegd. Nadat op

23 juli 2013 aan de gerechtsdeurwaarder uit voormeld telefoongesprek met klaagster was gebleken dat zijn opdrachtgever nog niet had gereageerd op het (door hem doorgeleide) voorstel van klaagster d.d. 28 december 2012 voor een betaling tegen finale kwijting, heeft de gerechtsdeurwaarder diezelfde dag zijn opdrachtgever gevraagd om alsnog op het voorstel te reageren. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder op diezelfde datum het beslag onder het UWV opgeheven en zijn excuses aangeboden aan klaagster. De kosten van het beslag zijn door de gerechtsdeurwaarder afgeboekt en niet bij klaagster in rekening gebracht. Bij brief van

22 augustus 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster medegedeeld dat zijn opdrachtgever heeft ingestemd met het voorstel voor een betaling tegen finale kwijting en heeft hij zijn excuses aangeboden voor de late reactie op dat voorstel.

4 Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder – kort gezegd – het volgende.

i. De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte ten laste van klaagster op 12 juli 2013 in de dossiers met nummers 871160 en 990083 beslag gelegd onder het UWV;

ii. De gerechtsdeurwaarder heeft in het dossier met nummer 1025759 ten onrechte ten laste van klaagster op 12 juli 2013 beslag gelegd onder het UWV, alsmede ten onrechte niet (tijdig) op het betalingsvoorstel van 28 december 2012 van klaagster tegen finale kwijting gereageerd;

iii. De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster onheus bejegend;

iv. De gerechtsdeurwaarder heeft in strijd met de waarheid tegen klaagster gezegd dat het voorstel van 28 december 2012 nog bij zijn opdrachtgever lag, terwijl die opdrachtgever zelf heeft verklaard dat het de taak is van de gerechtsdeurwaarder om zelfstandig op dit soort verzoeken te beslissen.

5 Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 De beoordeling

Dossiers met nummers 871160 en 990083

6.1.

Omdat klaagster vóór de beslaglegging de (uiteindelijk) afgesproken bedragen aan de gerechtsdeurwaarder had voldaan, was de gerechtsdeurwaarder op 12 juli 2013 niet langer gerechtigd in deze dossiers tot beslaglegging over te gaan. De beslaglegging was niet alleen in strijd met de wet, maar in aanmerking genomen de ingrijpendheid van het middel van derdenbeslag onder een uitkeringsinstantie zoals het UWV, ook tuchtrechtelijk laakbaar. Het klachtonderdeel zoals weergegeven onder 4.i. is dan ook gegrond.

Dossier met nummer 1025759

6.2.

Ten aanzien van het dossier met nummer 1025759 heeft de gerechtsdeurwaarder in hoger beroep aangevoerd dat hij gerechtigd was beslag te leggen, omdat er geen juridische verplichting bestond om te reageren op het voorstel van klaagster voor een betaling tegen finale kwijting. Met dit betoog miskent de gerechtsdeurwaarder echter dat beslaglegging zonder te reageren op een schikkingsvoorstel civielrechtelijk weliswaar is toegestaan, maar een gerechtsdeurwaarder niet past. Niet alleen behoort een gerechtsdeurwaarder binnen redelijke termijn te reageren op redelijke vragen en verzoeken die hem worden gedaan, maar bovendien behoort hij voorafgaand aan het treffen van een ingrijpende maatregel als derdenbeslag onder een uitkeringsinstantie, behoorlijk te onderzoeken of voor dat beslag voldoende grond bestaat. Dat het hier ging om een in de omstandigheden van klaagster redelijk voorstel blijkt alleen al uit het feit dat dit voorstel later door de opdrachtgever werd geaccepteerd. In dit verband is voorts van belang dat de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder hem niet had gevraagd op dat specifieke moment en dus ondanks het schikkingsvoorstel, tot beslaglegging over te gaan. Het hof acht ook dit handelen en nalaten van de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar. Ook het klachtonderdeel zoals weergegeven onder 4.ii. is dus gegrond.

Onheuse bejegening

6.3.

De kamer heeft geoordeeld dat, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de gerechtsdeurwaarder, niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder (of iemand op zijn kantoor) klaagster en/of haar schuldhulpverlener onheus heeft bejegend. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die een ander oordeel rechtvaardigen. De kamer heeft echter nagelaten in het dictum te beslissen over dit klachtonderdeel. Het hof zal daarom alsnog het klachtonderdeel zoals weergegeven onder 4.iii. ongegrond verklaren.

Onjuiste uitlatingen

6.4.

Dit klachtonderdeel is door de kamer per abuis onbesproken gelaten. In hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder uiteengezet dat hij wel geautoriseerd is zelfstandig te beslissen op voorstellen tot het treffen van een afbetalingsregeling, maar niet op een voorstel voor een betaling tegen finale kwijting als het onderhavige. Alleen de opdrachtgever is gerechtigd in te stemmen met een dergelijk schikkingsvoorstel, aldus de gerechtsdeurwaarder. Deze uitleg komt het hof aannemelijk voor. De opdrachtgever heeft de gang van zaken ook in een e-mail aan de gerechtsdeurwaarder bevestigd. Derhalve is niet gebleken dat de mededeling van de gerechtsdeurwaarder dat het voorstel van klaagster nog ter beoordeling bij de opdrachtgever lag, onjuist is geweest. Ook het klachtonderdeel zoals weergegeven onder 4.iv. is dus ongegrond.

Maatregel

6.5.

Gezien de gegrondheid van de klachtonderdelen i. en ii. en de ernst van het aan de gerechtsdeurwaarder verweten handelen is het hof van oordeel dat een maatregel passend en geboden is. Gelet echter op de omstandigheid dat de beslaglegging in de drie afzonderlijke zaken op één zelfde moment is gedaan, zodat in de drie dossiers steeds dezelfde slordigheid in de controle wordt verweten, alsmede in aanmerking genomen dat de beslagen door de gerechtsdeurwaarder onmiddellijk zijn opgeheven (en er derhalve geen bedragen zijn overgemaakt) en daarnaast excuses zijn aangeboden, is het hof van oordeel dat de door de kamer opgelegde maatregel te zwaar is. Naar het oordeel van het hof is de maatregel van berisping zonder aanzegging op zijn plaats. Het hof zal de beslissing van de kamer, omwille van de duidelijkheid, in haar geheel vernietigen.

Schadevergoeding

6.6.

Voor zover klaagster in haar oorspronkelijke klacht heeft bedoeld te verzoeken de gerechtsdeurwaarder te veroordelen aan haar schade te vergoeden, zal het hof klaagster in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaren, aangezien daarvoor in een tuchtrechtelijke procedure als de onderhavige geen plaats is.

6.7.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.8.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw beslissende:

- verklaart de klachtonderdelen zoals vermeld onder 4.i. en 4.ii. gegrond;

- verklaart de klachtonderdelen zoals vermeld onder 4.iii. en 4.iv. ongegrond;

- legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

- verklaart klaagster in haar verzoek tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2015 door de rolraadsheer.