Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:73

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2015
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
200.153.519-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoud van een door de gerechtsdeurwaarder gebruikte sommatiebrief; in strijd met artikel 8 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels Gerechtsdeurwaarders?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/60

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.153.519/01 GDW

nummer eerste aanleg : 439.2013

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 20 januari 2015

inzake

Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. J.M. Wisseborn,

tegen

[gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Veenendaal.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: de KBvG) heeft op 5 augustus 2014 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 8 juli 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:106). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) ongegrond verklaard.

1.2.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 20 augustus 2014 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 november 2014. Namens de KBvG is mr. O.J. Boeder, bestuurslid van de KBvG, verschenen. Daarnaast is de gerechtsdeurwaarder verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd; mr. Boeder aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

De gerechtsdeurwaarder verstuurt namens zijn opdrachtgever, een energieleverancier, sommaties in gevallen waarin in een pand een energieaansluiting bestaat (en mogelijk energielevering plaatsvindt) zonder dat een overeenkomst tot levering van energie bestaat tussen de energieleverancier en de gebruiker van het desbetreffende pand.

3.2.2.

In maart 2013 raakte de KBvG bekend met een door de gerechtsdeurwaarder gebruikte sommatiebrief, (in dat geval) gedateerd 18 maart 2013.

3.2.3.

De KBvG heeft bij e-mail van 15 april 2013 de gerechtsdeurwaarder aangesproken op de inhoud van de brief, omdat deze de KBvG niet correct voorkwam.

3.2.4.

Naar aanleiding van de bezwaren van de KBvG heeft de gerechtsdeurwaarder de inhoud van de brief aangepast. De aangepaste brief is op 24 april 2013 aan de KBvG toegezonden.

3.2.5.

Bij e-mail van 7 mei 2013 heeft de KBvG de gerechtsdeurwaarder te kennen gegeven dat zij in de aangepaste brief nog dezelfde teksten leest als die weertegen zij bezwaar heeft gemaakt en dat zij de brief in de vorm van een klacht ter toetsing aan de tuchtrechter zal voorleggen.

4 Het standpunt van de KBvG

4.1.

De KBvG stelt dat de inhoud van de door de gerechtsdeurwaarder gebruikte sommatiebrief, ook na aanpassing, in strijd is met het bepaalde in artikel 8 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels Gerechtsdeurwaarders (hierna: de Verordening).

In de gewraakte brief wekt de gerechtsdeurwaarder de suggestie dat gedwongen afsluiting van energie aanstaande is. De KBvG wijst in dit verband naar de passages

‘Indien u niet of niet-tijdig reageert, heb ik de opdracht zonder nadere aankondiging toestemming aan de rechter te verzoeken om u te verplichten medewerking te (laten) verlenen om het pand binnen te treden ten behoeve van afsluiting, al dan niet met behulp van politie en justitie’ en

Ik geef u hierbij de gelegenheid om gedwongen afsluiting te voorkomen’.

Volgens de KBvG worden die mededelingen in onnodig dreigende bewoordingen gedaan en wordt de geadresseerde in de brief niet duidelijk gemaakt dat deze zich kan verweren tegen een vordering tot afsluiting. De gerechtsdeurwaarder oefent daarmee op een oneigenlijke manier druk uit op de geadresseerde, aldus de KBvG.

4.2.

Daarnaast beklaagt de KBvG zich erover dat gerechtsdeurwaarder namens zijn opdrachtgever in de brief een schadevergoeding van € 250,-- vordert. De gerechtsdeurwaarder sommeert de geadresseerde in de brief dit bedrag over te maken, zonder duidelijk te maken welke juridische grondslag deze vordering heeft en hoe dit bedrag is samengesteld. Bovendien, zo stelt de KBvG wordt geadresseerde wederom niet meegedeeld dat hij in rechte verweer kan voeren tegen deze claim.

5 Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 De beoordeling

6.1.

De hiervoor bedoelde brief wordt geschreven in gevallen waarin een energieaansluiting bestaat en mogelijk energie wordt afgenomen zonder dat ter zake een (geldige) overeenkomst bestaat en zonder dat daarvoor wordt betaald. De gerechtsdeurwaarder wijst in zijn brief de geadresseerde erop wat de gevolgen kunnen zijn van het in stand houden van die onrechtmatige situatie, namelijk dat de gerechtsdeurwaarder zonder nadere aankondiging toestemming aan de rechter zal verzoeken de geadresseerde te verplichten medewerking te (laten) verlenen om het pand binnen te treden ten behoeve van de afsluiting van de aansluiting. Dit acht het hof niet laakbaar. Immers, de gerechtsdeurwaarder kondigt hiermee een maatregel aan die hij kan nemen en bij uitblijven van een reactie van de geadresseerde, naar hij onweersproken heeft gesteld, ook daadwerkelijk neemt. Van het uitoefenen van oneigenlijke druk is derhalve geen sprake. De in het inleidend klaagschrift geciteerde passage over het voorkomen van gedwongen afsluiting is niet meer opgenomen in de nieuwste versie van de brief, waarop de oorspronkelijke klacht uitsluitend ziet. In de nieuwste versie van de brief is slechts sprake van een gelegenheid verdere rechtsmaatregelen te voorkomen.

6.2.

Ten aanzien van de schadevergoeding van € 250,--, waarop de deurwaarder in de brief namens zijn opdrachtgever aanspraak maakt, overweegt het hof als volgt. In zijn aangepaste brief geeft de gerechtsdeurwaarder te kennen dat de schade die zijn opdrachtgever lijdt als gevolg van de onrechtmatige situatie bestaat uit ‘onder meer maar niet uitsluitend de kosten van de onrechtmatige afname van elektriciteit en/of gas, gederfde inkomsten in de vorm van netverlies en vastrecht, de fysieke afsluiting en juridische bijstand’. Niet valt in te zien waarom de gerechtsdeurwaarder dergelijke schadeposten niet namens zijn opdrachtgever zou mogen vorderen, nu het schade betreft die het gevolg kan zijn van de onrechtmatige situatie, waaraan de geadresseerde (mede) debet is. Het verwijt van de KBvG dat de juridische grondslag voor het vorderen van een gefixeerde schadevergoeding ten bedrage van € 250,-- ontbreekt, kan geen stand houden, nu de gerechtsdeurwaarder ter zitting in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat in het merendeel van de desbetreffende zaken genoemd bedrag door de rechter als schade wordt toegewezen.

6.3.

Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de gerechtsdeurwaarder, in tegenstelling tot hetgeen de KBvG stelt, wel degelijk de geadresseerde in de brief te kennen geeft dat tegen de vorderingen van zijn opdrachtgever verweer kan worden gevoerd. Het hof wijst in dit verband naar de laatste alinea van de aangepaste, en thans door de gerechtsdeurwaarder gehanteerde brief, waarin deze schrijft: ‘Bent u het niet eens met de vordering van ... (hof: opdrachtgever) dan dient u uw verweer schriftelijk aan ons kenbaar te maken.’

Dat deze passage niet was opgenomen in de eerdere brief van de gerechtsdeurwaarder, zoals op 18 maart 2013 ter kennis van de KBvG gekomen, zoals de KBvG bij de mondelinge behandeling van het appel nog heeft gesteld, doet niet ter zake. De oorspronkelijke klacht betreft immers uitsluitend de aangepaste brief. Ook dit onderdeel van de klacht is daarom door de kamer terecht ongegrond verklaard.

6.4.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.5.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, A.M.A. Verscheure en L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2015 door de rolraadsheer.