Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:716

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
200.150.016-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

echtscheiding naar Islamitisch recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : KG 200.150.016/01

zaaknummer rechtbank : C/13/556713/KG ZA 13-1563 HJ/BB

arrest van de meervoudige familiekamer van 24 februari 2015

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.J.F. Gonesh te Den Haag,

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A. Alam-Khan te Delft.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

De vrouw is bij dagvaarding van 29 april 2014 in hoger beroep gekomen van een tweetal vonnissen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 april 2014 en 5 februari 2014, in kort geding gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven houdende wijziging van eis, met een productie;

De vrouw heeft na aanpassing van haar vordering bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 2 april 2014 zal vernietigen en alsnog:

primair: de man zal veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van het onderhavige arrest onverkort zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk naar Islamitisch recht tussen partijen door middel van een op schrift gestelde eenzijdige verstoting (Talaq) door de man uitdrukkelijk niet zijnde op verzoek van de vrouw waarbij deze een compensatie (khul) biedt;

en daarbij:

- de man zal verbieden om de hiervoor genoemde eenzijdige verstoting (Talaq) zijnerzijds (al dan niet na een wachtperiode van circa drie maanden) te herroepen;

- de man zal veroordelen om voorts al hetgeen te doen en na te laten wat noodzakelijk is voor de totstandkoming van deze ontbinding naar Islamitisch recht van het religieuze huwelijk tussen partijen in gezamenlijk overleg;

subsidiair: de man zal veroordelen om binnen vijf werkdagen nadat het verzoek van de vrouw bij de man is aangekomen onverkort zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk naar Islamitisch recht tussen partijen door middel van een op schrift gestelde verstoting op verzoek van [de vrouw] (khul), althans beëindiging van het huwelijk op basis van wederzijdse instemming;

en daarbij:

uitdrukkelijk zal bepalen dat de compensatie van de vrouw en de man (slechts) zal bestaan uit de betaling van € 1,- jegens de ander;

de man zal veroordelen om voorts al hetgeen te doen en na te laten wat noodzakelijk is voor de totstandkoming van deze ontbinding naar Islamitisch recht van het religieuze huwelijk tussen partijen in gezamenlijk overleg;

meer subsidiair: de man zal veroordelen tot medewerking aan de ontbinding van het Islamitisch huwelijk als het hof in goede justitie vermeent te behoren, in lijn met en met een strekking als de primaire en subsidiaire vordering en de inhoud van de memorie van grieven;

zowel primair, subsidiair als meer subsidiair: zal bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere dag, c.q. ieder dagdeel, dat de man binnen vijf dagen na betekening in strijd handelt met het onderhavige arrest;

de man zal veroordelen in de gedingkosten van beide instanties, met de bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen veertien dagen na het onderhavige arrest zullen zijn voldaan, de man daarover vanaf de veertiende dag de wettelijke rente verschuldigd is.

Bij rolbeslissing van 5 augustus 2014 is ingevolge artikel 1.7 van het Procesreglement het recht van de man op het nemen van een memorie van antwoord vervallen verklaard.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 6 november 2014 doen bepleiten door hun respectieve advocaten, de vrouw aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Tijdens het pleidooi hebben partijen meegedeeld te zullen pogen in onderling overleg tot een oplossing van de zaak te komen. Op respectievelijk 22 en 23 december 2014 hebben partijen het hof schriftelijk meegedeeld dat zij daarin niet zijn geslaagd en is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het tussenvonnis van 5 februari 2014 onder 2.1 tot en met 2.3 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Partijen bezitten de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn Pakistani van geboorte. Zij zijn op [datum 1] 2010 te [plaats a] in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Daarna, op [datum 2] 2010, hebben zij te [plaats b] een religieus huwelijk naar Islamitisch recht gesloten. Op 13 maart 2013 heeft de rechtbank Den Haag naar Nederlands recht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 31 juli 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft in eerste aanleg de medewerking van de man gevorderd aan de totstandkoming van een echtscheiding naar Islamitisch recht. In het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 5 februari 2014 heeft de voorzieningenrechter de vrouw in de gelegenheid gesteld om door middel van een verklaring van een op het gebied van het religieus huwelijk deskundig en gezaghebbend persoon aan te tonen dat bij echtscheiding naar burgerlijk recht ook het naar Islamitisch recht gesloten religieuze huwelijk afzonderlijk moet worden ontbonden, teneinde in Pakistan een erkende echtscheiding te bewerkstelligen. In die verklaring diende tevens aan de orde te komen op welke wijze de echtscheiding naar Islamitisch recht in het bevestigende geval dan dient plaats te vinden.

Bij beschikking van 12 maart 2014 heeft de rechtbank Den Haag de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. Partijen hebben in die beschikking berust.

3.2.

Op 12 maart 2014 heeft dr. S.W.E. Rutten, universitair hoofddocent privaatrecht aan de Universiteit Maastricht, faculteit der rechtsgeleerdheid, een verklaring afgegeven. Daarin schrijft zij dat de echtscheiding naar Nederlands recht in Pakistan niet zal worden erkend, dat op grond van het Pakistaanse recht het Islamitische huwelijk nog in stand is en dat ontbinding volgens de regels van Islamitisch recht separaat van de echtscheiding naar Nederlands recht dient plaats te vinden.

De echtscheiding naar Islamitisch recht kan blijkens het advies van dr. Rutten voornoemd op verschillende wijzen tot stand komen, onder meer door:

  • -

    eenzijdige verstoting door de man (talaq);

  • -

    het overdragen door de man van zijn verstotingsbevoegdheid aan zijn echtgenote;

  • -

    eenzijdige verstoting door de man op verzoek van de vrouw waarbij de vrouw een compensatie aanbiedt (khul);

  • -

    huwelijksbeëindiging op basis van wederzijdse instemming (mubara’a);

  • -

    door de rechter uit te spreken echtscheiding of nietigverklaring van het huwelijk.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft de vordering van de vrouw afgewezen omdat de man weliswaar verplicht is mee te werken aan de ontbinding van het Islamitisch huwelijk, maar op goede gronden weigerde zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de echtscheiding op grond van de talaq, zoals de vrouw vorderde. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het naar Nederlands recht voor de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van het huwelijk niet uitmaakt of het religieus huwelijk door talaq of door khul wordt ontbonden en dat het voor de keuze tussen talaq of khul enkel van belang is welke van de twee de werkelijke gang van zaken tussen partijen juist weergeeft. Omdat de vrouw het initiatief heeft genomen tot ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht en de man heeft toegezegd te zullen meewerken aan de khul, kan, aldus de voorzieningenrechter, van de man niet worden gevergd dat hij in strijd met de waarheid verklaart de vrouw te verstoten. Daartegen richten zich de grieven van de vrouw.

3.4.

In haar grieven stelt de vrouw – kort gezegd - dat de talaq, de eenzijdige verstoting door de man, het meest voor de hand ligt omdat daarvoor geen compensatie door de vrouw hoeft te worden aangeboden en partijen evenmin afstand behoeven te doen van de financiële aanspraken jegens elkaar. De khul en de mubara’a komen alleen in aanmerking indien de man genoegen neemt met een symbolische vergoeding c.q. afstand door de vrouw. Zodra de man aan de khul voorwaarden verbindt, kan de echtscheiding naar Islamitisch recht niet tot stand komen, aldus de vrouw.

3.5.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat zij in Pakistan zowel thans als bij een volgend huwelijk problemen zal ondervinden indien het huwelijk met de man niet wordt ontbonden naar Islamitisch recht. De man heeft ter gelegenheid van het pleidooi meegedeeld dat hij de verdeling zoals vastgesteld door de rechtbank Den Haag bij beschikking van 12 maart 2014 zal nakomen en uitvoeren, onafhankelijk van de wijze waarop de echtscheiding naar Islamitisch recht tot stand komt en dat hij genoegen zal nemen met een symbolisch bedrag van € 1,- compensatie ingeval van de khul en daaraan geen nadere voorwaarden zal verbinden.

3.6.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de man niet behoeft mee te werken aan de talaq omdat de vrouw de echtscheiding naar Nederlands recht heeft verzocht en verstoting door de man naar Islamitisch recht daaraan geen recht doet. Gelet echter op de toezegging van de man ter zitting van het hof en het belang van de vrouw bij de totstandkoming van de echtscheiding naar Islamitisch recht kan van de man wel worden verlangd dat hij meewerkt aan de totstandkoming van de echtscheiding naar Islamitisch recht door middel van de khul zonder daaraan andere voorwaarden te verbinden dan het aanbieden door de vrouw van een vergoeding van € 1,-. Gelet op de toezegging van de man ter zitting ziet het hof geen aanleiding om reeds thans aan de medewerking van de man een dwangsom te verbinden, zoals door de vrouw gevorderd. De subsidiaire vordering van de vrouw zal deels worden toegewezen, met vernietiging van het bestreden eindvonnis.

3.6.

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep worden gecompenseerd als na te melden.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het eindvonnis van 2 april 2014;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man binnen vijf dagen nadat het verzoek van de vrouw bij de man is aangekomen zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk naar Islamitisch recht tussen partijen door middel van een op schrift gestelde verstoting op verzoek van de vrouw (khul) en bepaalt daarbij dat de vrouw ter compensatie aan de man een bedrag dient te betalen van € 1,- (zegge: één euro);

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, G.B.C.M. van der Reep en G.J. Driessen-Poortvliet en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015.