Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:665

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2015
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
12/00693 en 12/00694
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:2864, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:385, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De ressorteringsbepalingen van de Uitvoeringregeling Belastingdienst 2003 vormen geen beperking van de landelijke bevoegdheid van de inspecteur, zodat de UTB bevoegd aan belanghebbend is uitgereikt. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken moet in beginsel het complete missierapport worden begrepen, inclusief de bijlagen. Nu blijkt dat de niet-verstrekte bijlagen bij dit rapport zien op andere exporteurs dan die van belanghebbende, verbindt het Hof aan het niet verstrekken van deze bijlagen geen gevolgen. Door de exporteur zijn geen oorsprongsbepalende assemblagehandelingen uitgevoerd in Thailand, zodat de spaarlampen van niet-preferentiële Chinese oorsprong zijn. Door de Thaise autoriteiten ten onrechte afgegeven niet-preferentiële oorsprongscertificaten vormen geen vergissing in de zin van artikel 220 CDW, omdat desbetreffende autoriteiten geen ‘douaneautoriteiten’ zijn als bedoeld in artikel 220 CDW.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 3
Algemene douaneregeling 1:4
Algemene wet bestuursrecht 8:31
Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 4
Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0659
NTFR 2015/993
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 12/00693 en 12/00694

8 januari 2015

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma (Customs Knowledge B.V.)

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 11/3981 en AWB 11/3982 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane en de minister van Economische Zaken, tezamen aangeduid als de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De minister van Economische Zaken heeft op 30 maart 2011 aan belanghebbende een UTB uitgereikt voor een bedrag van € 335.512,58 aan antidumpingrechten, betreffende een viertal aangiften ten invoer die zijn ingediend vóór 1 augustus 2008. Waar in het vervolg van deze uitspraak wordt gesproken over de inspecteur wordt tevens bedoeld de minister.

1.1.2.

De inspecteur van de Belastingdienst/Douane heeft op 30 maart 2011 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (UTB) uitgereikt voor een bedrag van

€ 193.358,22 aan antidumpingrechten, betreffende een tweetal aangiften van 5 augustus 2008.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 14 juli 2011, de UTB’s gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 29 augustus 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 7 september 2012, aangevuld bij brief van 13 december 2012. De inspecteur heeft twee verweerschriften ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014. Het onderzoek in deze zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaken met de kenmerken 12/00475 tot en met 12/00478. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.6.

Bij brief van 3 juli 2014 heeft het Hof het onderzoek heropend. Partijen hebben op verzoek van het Hof nadere informatie verstrekt bij brieven van 15 en 29 juli (belanghebbende) en 11 juli en 24 juli (inspecteur) 2014. Bij brief 6 november 2014 heeft belanghebbende nadere stukken aan het Hof doen toekomen, welke stukken in afschrift aan de inspecteur zijn verstrekt. Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Het onderzoek in deze zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaken met de kenmerken 12/00475 tot en met 12/00478. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in opdracht van importeur [A] op eigen naam en voor eigen rekening de volgende aangiften ten invoer gedaan voor spaarlampen (CFL-i’s) met als aangegeven land van oorsprong Thailand:

Datum aangifte Aangiftenummer Datum einde verificatie/UTB

1 april 2008 [nummer] 08 [yyyy] 1 april 2008

30 juli 2008 [nummer] 08 [yyyy] 30 juli 2008

31 juli 2008 [nummer] 08 [yyyy] 31 juli 2008

31 juli 2008 [nummer] 08 [yyyy] 31 juli 2008

5 augustus 2008 [nummer] 08 [yyyy] 5 augustus 2008

5 augustus 2008 [nummer] 08 [yyyy] 5 augustus 2008

2.2.

Voor elke aangegeven zending is een niet-preferentieel certificaat van oorsprong afgegeven door het Department of Foreign Trade van het Ministry of Commerce in Thailand. Deze certificaten vermelden als exporteur [B](hierna: [B]) en zijn respectievelijk voorzien van de kenmerken (“Reference No.”) [C/O XXXX], [C/O XXXX], [C/O XXXX], [C/O XXXX], [C/O XXXX] en [C/O XXXX].

2.3.

In een e-mail van 25 maart 2008 van [A] aan het Ministerie van Economische Zaken is onder meer het volgende opgenomen:

“Er is voor ons een bekende fabriek in Thailand die spaarlampen produceert. Dit land heeft geen Anti-dump.

Nu vraag ik mij het volgende af.

Er is daadwerkelijk een fabriek, maar de onderdelen komen waarschijnlijk uit China.

Er worden in de fabriek de volgende handelingen verricht.

- assemblage

- Inbranden lamp

- Testen

- Verpakken

Is de fabriek dan nog steeds vrij van Anti-dump ?

Ik heb begrepen dat namelijk de oorsprong van de materialen namelijk een belangrijke factor is.

Er worden wel degelijk handelingen in Thailand aan de spaarlampen verricht.”

2.4.

Bij brief van 15 december 2008 heeft het Import Administration Bureau van het Department of Foreign Trade, voor zover relevant, het volgende meegedeeld aan de Managing Director van[B]:

“According to the letter referred to, the company submitted details about the production of energy saving lamps, tariff class 8539 being exported to Italy, related to the Certificate of Origin (…) dated 10 April 2008. All parts were imported from China, under tariff class 8539 and were assembled into energy saving lamps, which was 81 percent of the Ex-Works price.

The Import Administration Bureau of the Department of Foreign Trade has thoroughly investigated the case. Please be informed that the production of energy-saving bulbs exported by the company as listed in C/O Form (…) is invalid according to the EU’s non-preferential rules of origin, which specify that the product can be manufactured from imported materials/parts under any tariff class except imported materials/parts of the same tariff class as the exported goods, and the value added to the domestically manufactured product must not be lower than 45 percent of the Ex-Works price. In this case, the energy saving lamps in the C/O Form (…) are considered to be of non-Thai origin. Therefore, the Department of Foreign Trade revokes the C/O Form issued on 10 April 2008.”

Bij brief van 3 februari 2009 heeft het Import Administration Bureau van het Department of Foreign Trade voor zover relevant het volgende meegedeeld aan de Managing Director van[B]:

“The company requested a discussion on the case on 19 December 2008, (…). It was concluded that the lamps for which the company had requested a C/O Form were not manufactured according to the Rules of Origin as the assembly parts were imported from China under Tariff Class 8539, at a value of 81 percent of the Ex-Works price. The company has acknowledged that all three C/O Forms that were retrospectively investigated by Italian customs shall be revoked.

The Department of Foreign Trade therefore has ordered revocation of the three C/O Forms: (…). Furthermore, the issue of C/O Forms for the export of the company’s energy saving lamps to the EU is suspended with immediate effect.”

2.5.

Bij brief van 24 maart 2009 heeft het Import Administration Bureau van het Department of Foreign Trade de Managing Director van[B] om documenten verzocht die verband houden met 32 certificaten van oorsprong voor spaarlampen die in 2007 en 2008 naar de Europese Unie zijn uitgevoerd. In de brief is meegedeeld dat de 32 certificaten met onmiddellijk effect zullen worden ingetrokken indien het Import Administration Bureau van het Department of Foreign Trade de gevraagde documenten niet vóór 30 april 2009 heeft ontvangen. Bij brief van 27 april 2009 heeft[B] aan het Import Administration Bureau van het Department of Foreign Trade bericht dat de bedrijfsactiviteiten op dat moment voorlopig zijn gestaakt en dat de directeur en de manager voor export en import naar het buitenland zijn gegaan en niet bekend is wanneer zij weer in het land zullen zijn.[B] heeft in dezelfde brief aangegeven dat om deze redenen geen documenten overgelegd kunnen worden aan het Import Administration Bureau van het Department of Foreign Trade.

2.6.

Bij brief van 1 juli 2009 heeft het Import Administration Bureau van het Department of Foreign Trade aan de Managing Director van[B] een brief gezonden waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Subject: Notification of revocation of 30 C/O Forms

(…)

Attachment: List of 30 C/O Forms being revoked

(…)

Therefore the Department of Foreign Trade has ordered the revocation of all 30 issues of the C/O Forms given to the company as detailed in the attachment.

If the company has any objection or argument, an appeal can be lodged in writing to the import Administration Bureau within 15 days of receipt of this notice. (…)”

In de bijlage bij deze brief worden onder andere de nummers [C/O XXXX], [C/O XXXX], [C/O XXXX], [C/O XXXX], [C/O XXXX] en [C/O XXXX] vermeld.

2.7.

Bij brief van 27 juli 2009 heeft het Bureau of Import Administration van het Department of Foreign Trade aan het OLAF over deze certificaten het volgende meegedeeld:

“The certain product under 30 certificates of origin, as per annex 1, was failed to trace the accuracy of origin determination. We are of a view to withdraw the granting of these authorizations. You are requested to transmit the indisposition to the concerned member states provide an appropriate treatment of this matter.”

2.8.

Van 18 tot 25 augustus 2010 heeft een team van het OLAF een onderzoek uitgevoerd in Thailand naar de oorsprong van spaarlampen en specifiek of de antidumpingrechten op deze spaarlampen uit China via Thailand werden ontdoken. Op 24 augustus 2010 heeft een team van het OLAF, samen met een vertegenwoordiger van het Department of Foreign Trade, een bezoek gebracht aan [C] Co., Ltd., de douaneagent van[B]. Het team heeft gesproken met Mr. [D], die zich voorstelde als de managing director van [C] Co. In het verslag van dit bezoek is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“The Director explained that his company had acted as a customs agent on behalf of[B] and had prepared all import and export declarations on behalf of the company. [C] was also responsible for transportation of the goods to and from the[B] factory in [E].

[C] prepared customs declarations on the basis of the invoices and packing lists supplied by[B].

The goods were imported under an inward processing procedure in the form of a drawback of duties. Mr [D] saw the goods imported from China, as the containers were examined several times by the Thai customs. Mr [D] also visited the[B] factory and saw the production there, which was putting the subassemblies together.

The products imported from China were spare parts of saving lamps or complete sets (circuits, starter, case, and glass – semi-finished product in the same container).[B] imported CFL-i parts and subassemblies only from China.

The product was semi-finished and then put together in the factory in [E]. The final product was than re-exported one to one, order by order, in the same quantities.

The imported goods had to be linked to the exported goods. The relevant data were delivered to [C], which applied then on behalf of[B], to the Customs authorities for reimbursement of the duties paid on importation. Mr [D] informed that[B] had tried to set up its own brand and independent production. However, due to the problems with the certificates of origin they had not imported and had not installed machinery for that purpose.[B]

stopped its assembly during 2008.

[C] used to have documents and data relating to the imports and exports carried out by[B]. In accordance with Thai law, they are obliged to keep them for three years. However, they deleted the data when[B] stopped operating in Thailand and the backup data was lost when the hard disk was damaged. Some paper documents are still kept in a warehouse. Mr [D] promised to send their copies to the DFT, providing he could find them.”

2.9.

Naar aanleiding van het onder 2.8 bedoelde onderzoek heeft het OLAF een missierapport opgesteld met dagtekening 20 oktober 2010. In dit rapport is onder andere het volgende opgenomen:

“2. Context

On 5 August 2009, OLAF received information from the Thai Department of Foreign Trade (hereafter: DFT) that 33 consignments of CFL-i exported from Thailand to the EU by the Thai company,[B], were not entitled to Thai non-preferential origin certificates (see Annex 1). The consigments were exported to the Netherlands, (…). Simultaneously, a Thai official from the DFT informed OLAF, by e-mail, that the reason for withdrawal of the certificates was that the value of the Chinese components used in production of the CFL-i was higher than 80% of the ex-works price (see Annex 2).

(…)

3.2

Mission Findings[B]

was registered in Thailand on 13 June 2007 (see Annex 5). From September 2007 to October 2009, the DFT issued 33 certificates of non-preferential origin to[B] (see Annex 1). When[B] applied for a certificate of non-preferential origin the company declared that the CFL-i exported were of Thai non-preferential origin (…).

The DFT informed the mission team that, following a request from Italian customs, they had started to verify the accuracy of the information provided by the company. In the course of the DFT verification,[B] submitted two “Letter of Confirmation” concerning the certificate of non-preferential origin (…) and certificate of non-preferential origin (…). In both “Letter of Confirmation” the Managing Director admitted that the CFL-i were produced from Chinese materials only, and that the added value in Thailand represented 7,8% of the ex-factory price (see Annex 7).

Therefore, the Thai authorities began verification of all of the certificates issued to[B] for exports to the EU. Due to a lack of cooperation from[B], the Thai authorities extended the results of the verification of the two certificates to all of the certificates issued to[B] and then informed OLAF accordingly. The DFT correspondence to[B] is attached to the mission report (see Annex 8).

The mission team had the opportunity to examine and to extract information from the customs declarations and supporting documents concerning the importation of CFL-i parts from China by[B]. Access to the documents was provided by the Thai authorities. According to the documents presented, the company had imported from China CFL-i subassemblies and parts, which were classified under heading 8539. The numbers of the import invoices from China to Thailand were the same as the reference numbers used in the invoices issued for the corresponding final products exported from Thailand to the EU. The imported subassemblies were precisely described either in the import invoices, or in the customs declarations. The description included, inter alia, the type or brand of CFL-i (i.e. GSL), electrical power (i.e. 11W) and fitting (i.e. E27). In fact, the description was the same as the description of the final product exported to the EU (see Annex 9, excel sheet).

The mission team was unable to meet the management of[B] nor to visit the premises of the company. The management of [F], Ltd. informed the DFT that[B] had been renting the premises before 31 December 2009; however the company had not renewed their rental contract (see Annex 10). The mission team visited only the addresses of the company’s office and the factory but were not permitted to enter. Photos taken are attached to the mission report (see Annex 11). The current management of [F], Ltd, which includes former management of[B], refused to meet with the mission team.

(…)

4 Further analysis after mission[B]

[B]

The information extracted from the documents of the CFL-i subassemblies imported from China to Thailand was compared with the documents supplied by the Thai authorities concerning exports of CFL-i exported from Thailand to the EU. On the basis of the reference numbers, the brands, parameters, and quantities, the corresponding consignments were matched to each other. (…)

The list of all matching consignments is attached to the mission report (see Annex 19).”

2.10.

Tot de gedingstukken behoren kopieën van voorbeelden van “Letters of Confirmation” die[B] bij de Thaise autoriteiten heeft ingediend ter verkrijging van niet-preferentiële certificaten van oorsprong. Deze voorbeelden betreffen niet de zendingen die onderwerp zijn van de bestreden UTB’s. In Section III (“Procedures and process of manufacturing (in brief) or flow-chart enclosed) is het volgende opgenomen:

“1. SEPARATE THE PARTS FOR STORE 2. UNPACK THE PARTS BOX FOR OC TOTALLY TUBE PLASTIC CASE PCB ASSEMBLY 3. SCREW THE BASE 4. SOLDERING THE JOINT 5. HAMMER NAIL 6. AGING TEST 7. HEAT SEALING 8. PACKING 9. SEPARATE THE FINISHED LAMPS AND RANDOM TEST 10. DELIVERY”

De prijs van de ingevoerde materialen bedraagt volgens opgave 81% van de ex-works prijs van de lampen.

2.11.

De inspecteur heeft belanghebbende op 23 februari 2011 per brief in kennis gesteld van het voornemen om de UTB’s op te leggen. Daarin heeft de inspecteur uiteen gezet waarom zijns inziens antidumpingrechten verschuldigd zijn en hoe hij deze rechten heeft berekend. Belanghebbende wordt een termijn van 14 dagen gegeven om op dit voornemen te reageren. Ten aanzien van de oorsprong vermeldt de inspecteur in deze brieven dat:

1. exporteur[B] de desbetreffende spaarlampen onder GS-post 8539 in Thailand heeft ingevoerd en daarbij de oorsprong China heeft aangegeven;

2. de Thaise autoriteiten bij nacontrole hebben vastgesteld dat het aandeel van de Chinese onderdelen in het eindproduct meer dan 80% van de ex-works prijs bedraagt;

3. de uit China geïmporteerde goederen in Thailand slechts zijn geassembleerd;

4. de goederencode bij uitvoer naar Europa dezelfde is als bij invoer van de onderdelen in Thailand (8539);

5. de geïmporteerde goederen niet o.g.v. artikel 24 CDW de oorsprong Thailand hebben verkregen;

6. de Thaise autoriteiten de niet-preferentiële oorsprongscertificaten hebben ingetrokken omdat[B] desgevraagd de oorsprong niet kon aantonen en bij de eerste aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens had verstrekt;

7. de spaarlampen de oorsprong China hebben.

De inspecteur concludeert hieruit:

“Uit dit onderzoek vloeit voort dat de door u in Nederland ingevoerde CFL-i’s in Thailand een onvoldoende bewerking hebben ondergaan en dus niet de niet preferentiële oorsprong Thailand hebben verkregen. De CFL-i’s houden daarom de oorsprong China.”

In voormelde brief maakt de inspecteur melding van een onderzoek dat van 19 tot en met 25 augustus 2010 in Thailand is uitgevoerd door de anti-fraudedienst van de Europese Unie, OLAF.

Met betrekking tot de bescheiden waarop de UTB’s zijn gebaseerd merkt de inspecteur op:

“De relevante bescheiden (al dan niet geanonimiseerd) ter onderbouwing van de voorgenomen boeking achteraf worden bij deze brief meegezonden.”

Bij de brief zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  1. Gegevens van de aangiften ten invoer, inclusief berekening van de antidumpingrechten;

  2. Kopie van de brief van OLAF aan het Douane Informatiecentrum met kenmerk [G]/lc D(2010) 8581, waarin melding wordt gedaan van de bevindingen van de missie naar Thailand inzake de ontwijking van antidumpingrechten op spaarlampen uit China;

  3. Geanonimiseerde kopie van annex 1 bij de onder 2 bedoelde brief (deels): ‘Letter of Thai authorities to OLAF informing about withdrawal of the certificates of non-preferential origin’ (aangehaald onder 2.7);

  4. Kopie van annex 2 ‘E-mail from Thai official’ bij de onder 2 bedoelde brief;

  5. Geanonimiseerde kopie van annex 3 bij de onder 2 bedoelde brief ‘Letters of Confirmation supplied by[B]’ (aangehaald onder 2.10);

  6. Kopie van annex 4 ‘List of consignments exported from Thailand to the Netherlands matched with corresponding imports from China’ bij de onder 2 bedoelde brief (voor zover betreffende[B]);

  7. Kopie van annex 5 ‘The copies of the relevant certificates of origin and invoices’ bij de onder 2 bedoelde brief (voor zover betreffende de zendingen van[B] waarop de desbetreffende aankondiging betrekking heeft);

  8. Kopie van annex 6 ‘List of the consignments imported from China by[B] with the extracted information (customs declarations, invoices, bills of lading, types, and quantaties of subassemblies)’ bij de onder 2 bedoelde brief;

  9. Kopie van het proces-verbaal van 30 augustus 2010;

  10. Kopie van drie foto’s van de gebouwen op het adres van de exporteur[B], Ltd. (hierna:[B]).

2.12.

In een brief van 11 maart 2011 heeft de inspecteur een nadere toelichting gegeven op zijn voornemens tot navordering en heeft hij de reactietermijn verlengd tot 18 maart 2011. Bij brief van 17 maart 2011 heeft belanghebbende haar reactie op de voorgenomen navorderingen aan de inspecteur gezonden.

2.13.

In de brief van OLAF aan het Douane Informatiecentrum met kenmerk [G]/lc D(2010) 8581, genoemd onder 2.11, is onder meer het volgende vermeld:

“OLAF has opened an external investigation to establish the true origin of the CFL-i’s, and if it was established that the CFL-i originated in the PR China to gather evidence with a view to recovering the anti-dumping duties evaded.

In the course of the investigation, OLAF conducted an administrative mission to Thailand from 18 to 25 august, in which the investigator from the Netherlands, Mr. [G], participated.

In the course of the mission, based on the information and documentation supplied by the Thai authorities, it was established that the Thai company[B] imported subassemblies, and other parts for CFL-i from China. The subassemblies imported from China were classified under heading 8539, which is the same as that of the final product. The value of the parts imported from China was approximately 85% of the ex-works price of the final product. Moreover,[B] , when two certificates of non-preferential origin were scrutinized by the DFT, admitted that the company assembled the CFL-i from Chinese components only (see Annex 3). They admitted that for these two consignments, the added value in Thailand was 7,8% of the ex-works price.

In addition, the mission team obtained the information concerning all consignments imported from China to Thailand by[B] (customs declarations, invoices, bills of lading, types and number of subassemblies). These consignments were matched by the mission team with the corresponding consignments of the final product exported from Thailand to the European Union.

The evidence obtained is enough to prove that the CFL-i exported by[B] retained Chinese origin and should have been subject to payment of the anti-dumping duties on importation of the European Union. Therefore, the Dutch Customs are now in the position to recover the evaded anti-dumping duties.

Being aware of the approaching expiry of the three year prescription period for recovery in respect of the earliest consignments, I am sending you this preliminary notification with supporting information to allow you to institute the recovery proceedings as soon as possible. The relevant mission report, visit reports, and other documents gathered in the course of the mission to Thailand will follow soon.”

2.14.

De onder 2.11 genoemde Annex 4 (‘List of consignments exported from Thailand to the Netherlands matched with corresponding imports from China’) en Annex 7 (‘The copies of the relevant certificates of origin and invoices’) omvatten, voor zover hier van belang, de volgende gegevens:

Export from Thailand to the EU

Matching imports from China

Invoice

Data

Reference number

Certificate

Date

Invoice

[B-nummer]

29-2-2008

[H-nummer]-100

[C/O XXXX]

2008/01/27

2008/02/13

2008/02/17

[H-nummer]-100-1

[H-nummer]-100-2

[H-nummer]-100-3

[B-nummer]

9-6-2008

[H-nummer]-1

[C/O XXXX]

2008/05/17

[H-nummer]

[B-nummer]

10-6-2008

[H-nummer]-2

[C/O XXXX]

2008/05/23

[H-nummer]-2

[B-nummer]

18-6-2008

[H-nummer]-3,4,6

[C/O XXXX]

2008/05/29

2008/06/02

2008/06/07

[H-nummer]-3

[H-nummer]-4

[H-nummer]-6

[B-nummer]

30-6-2008

[H-nummer]

[C/O XXXX]

[B-nummer]

26-6-2008

[H-nummer]-4

[C/O XXXX]

2.15.

Het onder 2.11 genoemde proces-verbaal van 30 augustus 2010 is opgemaakt door ambtenaar [G] van de Belastingdienst/FIOD-ECD, deelnemer van de OLAF-missie naar Thailand. In zijn verbaal verklaart deze onder meer:

“Ik zag kopieën van de aangiften ten invoer in Thailand, facturen, paklijsten, certificaten van oorsprong en zogenaamde bills of lading. Volgens het DFT waren deze kopieën hen ter beschikking gesteld door de Thaise douane.

Op deze documenten stond de onderneming [H] Co. Ltd., No. [xx], [X-Road], [L], [H], [M], China als leverancier vermeld, het referentienummer c.q. factuurnummer begon met de initialen [HX].

Op deze documenten stond vermeld, dat de betreffende onderdelen de goederencode 8539 hadden en dat de betreffende omschrijvingen nagenoeg overeenkwamen met de in Nederland aangetroffen facturen van [B].

Op de in Nederland aangetroffen facturen van [B] waren dezelfde factuur- c.q. referentienummers vermeld als op de facturen van Hanzhou Yuang Light.

Op de facturen van [H] zag ik tevens de prijzen per eenheid van de betreffende onderdelen. Deze prijzen waren ongeveer 80% van de prijzen welke stonden vermeld op de in Nederland aangetroffen facturen van [B].”

2.16.

In het onder 2.9 genoemde missierapport is het volgende voorbeeld opgenomen van de onder 2.14 en 2.15 genoemde matching:

Import form China to Thailand

Export from Thailand to EU

(…)

(…)

(…)

Invoice

Reference number

[H-nummer] - 006

[B-nummer]

[H-nummer]-006

Date

30/03/2008

20/04/2008

Brand and quantity

Brand

Quantity

Brand

Quantity

[XX-XX] 9W B22

5000

[XX-XX] 9W B22 2700K

5000

[XX-XX] 13W B22

12000

[XX-XX] 13W B22 2700K

12000

[XX-XX] 13W E27

5000

[XX-XX] 13W E27 2700K

5000

[XX-XX] 9W B22

5000

[XX-XX] 9W B22 4200K

5000

(…)

(…)

(…)

(…)

Value

$125,370.00 (CIF Bangkok)

$ 151,770.00 (FOB Bangkok)

2.17.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een verklaring van [D] van [C] Co, Ltd. In deze verklaring staat, voor zover van belang, het volgende:

“I can assure that the declarations made to the customs and Ministry of Commerce were 100% correct and true after the reality given by the company[B], and there was until 2008.

Before[B] start the factory in Thailand, there was an discussions between a manager from[B] and a official of the Ministry of Commerce to be informed if on the base of the given presentations for intending a production in Thailand with the material declarations as later attached on the invoices and packing lists there was the possible to receive the CvO for the CFL lamps exported from Thailand,because only of the fact the answer was 100% positive the decision was made to start the production, in 2007[B] start the production, and made many export shipments in 2007 and 2008.

In August 2010 there was an inspection of European Commission to inspect the declarations of[B], I spoke with the inspectors and told them that I was several times in the production facilities of [B] and I saw with my own eyes that there were produced CFL lamps, for which were imported in 2007 a range of machines. The inspectors ask me to prepare all the documents from the files of[B] and promised to come back in one week, I never have seen them again.”

2.18.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een verklaring van [N], managing director of [F] in Bangkok. In deze verklaring staat, voor zover van belang, het volgende:

“It is not correct as the inspectors of the European Commission have written down that he left Thailand in 2009 and never came back to Thailand, the truth is that I am permanent in Bangkok, except frequently business trip, visits my family and the headquarters of [F] in China for some days.

[B] starts up production of CFL lamps in 2007 and stopped the production the end of 2008, after the stop of production the production manager of the CFL lamps left Thailand the year 2009.

I personally as responsible managing director didn’t speak with the inspectors of the European Commission, in the moment they approached by phone the company I was for some days in China, after I came back nobody contacted me.”

2.19.

Tot de gedingstukken behoort een verklaring van 4 juli 2012 van [O], directeur van [A] In de verklaring beschrijft [O] bedrijfsbezoeken aan Thailand in augustus 2007 en juni 2012. De foto’s die tijdens het bezoek van juni 2012 zijn genomen, behoren eveneens tot de gedingstukken.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Partijen houdt verdeeld:

  • -

    of de UTB’s door een daartoe bevoegde ambtenaar zijn uitgereikt;

  • -

    of het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden en zo ja, of dit dient te leiden tot vernietiging van de UTB’s;

  • -

    of de Chinese oorsprong van de goederen voldoende aannemelijk is gemaakt;

  • -

    of de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW zijn vervuld.

3.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“4.1. De rechtbank zal eerst het standpunt van eiseres over de bevoegdheid van verweerder beoordelen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inspecteur van Belastingdienst/Douane Nijmegen de utb’s onbevoegd heeft opgelegd, omdat ingevolge de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Zuid bevoegd was, zijnde de inspecteur waaronder eiseres ressorteert. Verweerder bestrijdt dat hij niet bevoegd was om de utb’s op te leggen dan wel de beslissingen op bezwaar te nemen. De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wijst met betrekking tot de douane één inspecteur aan, de algemeen directeur, die landelijk bevoegd is. De ressorteerbepalingen zijn in het leven geroepen om te bereiken dat belastingplichtigen zo veel mogelijk inzicht hebben in welke inspecteur en ontvanger hun fiscale aangelegenheden pleegt te regelen. De ambtenaren van de Douane Nijmegen die de bestreden besluiten hebben genomen, staan in het register van ambtenaren die gemachtigd zijn om namens de inspecteur te handelen.

4.2.

Uit artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) volgt dat de bevoegdheid van de inspecteur niet is bepaald naar de geografische indeling van Nederland en dat de inspecteur landelijk bevoegd is. Eiseres refereert aan de zogenaamde ressorteerbepalingen in de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, waaruit een andere bevoegdheidsverdeling zou blijken. De rechtbank stelt voorop dat deze ressorteerbepalingen, als zijnde van lagere orde, in beginsel geen afbreuk doen aan de geldigheid en de reikwijdte van een bepaling in de AWR; een wet in formele zin. Deze bepalingen hebben dan ook niet tot gevolg dat de landelijke bevoegdheid die in de AWR is neergelegd, wordt beperkt in de door eiseres bepleite zin. Deze ressorteerbepalingen zijn in het leven geroepen om te bereiken dat belastingplichtigen zo veel mogelijk inzicht hebben in welke inspecteur en ontvanger hun fiscale aangelegenheden pleegt te regelen (zie de toelichting op de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2002, 247). De rechtbank heeft voorts, gelet op het door verweerder overgelegde Mandaatbesluit Belastingdienst/Douane van 1 januari 2010, nr. DLK 2010/0001, geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaren die de bestreden besluiten hebben genomen.

4.3.1.

Primair is in geschil of het verdedigingsbeginsel is geschonden. Eiseres stelt zich op het standpunt dat dit het geval is, omdat verweerder ten tijde van het opleggen van de utb’s niet beschikte over voldoende documentatie om deze te onderbouwen. Eiseres kon zich dan ook niet verweren tegen de utb’s, omdat zij niet op de hoogte was van alle gronden en feiten op basis waarvan de utb’s werden opgelegd. De documentatie was onvolledig – zo ontbrak het OLAF-rapport – en had niet altijd betrekking op de onderhavige zendingen. Zonder het OLAF-rapport kan geen navordering plaatsvinden. Pas na het hoorgesprek is het geanonimiseerde deel van het OLAF-rapport aan de gemachtigde gezonden samen met de correspondentie in het kader van de nacontrole van de 33 certificaten van oorsprong. Deze stukken hadden bij het opleggen van de utb’s al moeten worden overgelegd. Uit hetgeen verweerder wel heeft overgelegd, kan niet de conclusie worden getrokken dat de oorsprong van de spaarlampen China was. Evenmin kan uit de documentatie worden afgeleid dat de certificaten van oorsprong zijn ingetrokken. Niet alle vragen die namens eiseres zijn gesteld naar aanleiding van de documentatie zijn beantwoord.

Hieruit volgt dat eiseres zich niet naar behoren kan verdedigen.

4.3.2.

Verweerder bestrijdt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. De brief waarin het voornemen tot het achteraf boeken van antidumpingrechten is aangekondigd, bevat voldoende informatie. Dat het OLAF-rapport nog niet was voltooid doet hier niet aan af. Dit rapport en de later ter beschikking gestelde documentatie dienden enkel ter ondersteuning of verduidelijking van de documentatie die bij de brief met het voornemen was gevoegd. Evenmin is sprake van onzorgvuldig handelen.

4.4.1.

De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsbeginsel niet is geschonden en overweegt hieromtrent het volgende. Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar standpunten met betrekking tot het voornemen om de utb’s op te leggen naar voren te brengen en zij heeft dit bij brief van 1 maart 2011 ook gedaan. Niet is gesteld of gebleken dat eiseres feiten had kunnen achterhalen die thans door tijdsverloop niet meer te achterhalen zijn. De verdeling van de bewijslast en de weging van het door partijen ingebrachte bewijs zijn onderwerpen die zich bij uitstek lenen voor een rechterlijke toetsing, zodat eiseres zich door een vermeend tekort aan bewijs aan de zijde van verweerder niet benadeeld hoeft te voelen.

4.4.2.

Verweerder heeft bij het opstellen van de utb’s rekening gehouden met de in de brief met het voornemen genoemde bijlagen en deze bijlagen eveneens aan eiseres verstrekt. De gemachtigde van eiseres heeft na het hoorgesprek in de bezwaarfase aanvullende documentatie ontvangen. De rechtbank acht aannemelijk dat partijen beschikken over dezelfde stukken en dat eiseres geen (relevante) stukken zijn onthouden.

4.4.3.

Van een onzorgvuldige voorbereiding van de utb’s is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft, zoals hiervoor opgemerkt en blijkt uit die utb’s, rekening gehouden met de tot dan toe bekende bevindingen uit het onderzoek van het OLAF alsook met de opmerkingen van eiseres. De utb’s zijn zodanig en naar het oordeel van de rechtbank in lijn met artikel 6, derde lid, van het CDW gemotiveerd dat niet kan worden gezegd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat partijen verschillen van mening over de waardering en interpretatie van de feiten zijn geschillen van juridische aard die kunnen worden getoetst in de bezwaar- en beroepsfase. De enkele omstandigheid dat deze toetsing na en niet vóór het uitreiken van de utb’s plaatsvindt, vormt op zichzelf geen wezenlijke schending van de verdedigingsbelangen van eiseres (vgl. Hof Amsterdam 28 april 2011, 10/00166, LJN: BQ7221).

4.4.4.

Gelet op voormelde omstandigheden ziet de rechtbank niet in hoe eiseres in haar verdedigingsbelang is geschaad. Het beroep van eiseres op schending van het verdedigingsbeginsel kan derhalve niet slagen.

4.5.

Subsidiair is in geschil of verweerder, nu hij afwijkt van de aangiften, heeft aangetoond dat de oorsprong van de spaarlampen China is en niet Thailand.

4.6.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het OLAF-rapport geen specifiek bewijs bevat ten aanzien van de onderhavige zendingen en dat uit de brief van de Thaise autoriteiten niet kan worden afgeleid dat de gebruikte certificaten van oorsprong daadwerkelijk zijn ingetrokken. Uit de verklaring van [O] kan worden afgeleid dat in Thailand voldoende bewerking heeft plaatsgevonden. In de fabriek in Thailand waren de machines aanwezig om de spaarlampen te assembleren en om de printplaten aan de fluorbuizen te solderen. Er was voorts een inbrandlijn aanwezig met de vereiste computergestuurde schakelingen en de juiste controles werden uitgevoerd op de inbrandprocedures. Ook heeft [O] de bedrukkingen op de lampvoet met de leidinggevenden besproken en de details van de verpakkingen van de diverse typen lampen doorgenomen. Uit de foto’s blijkt dat de fabriek in Thailand was toegerust om deze bewerkingen uit te voeren. De leden van de OLAF-missie hebben een bezoek gebracht aan het verkeerde pand. Dat zij geen toegang kregen tot dit pand en dat zij te horen kregen dat niemand van[B] beschikbaar was om informatie te verstrekken, wekt dan ook geen verbazing. De verklaringen die eiseres in de beroepsfase heeft overgelegd, weerspreken de bevindingen van het OLAF. Het onderzoek in Thailand is onzorgvuldig verricht en kan geen basis vormen om tot navordering over te gaan. De utb’s zijn volgens eiseres dus onvoldoende onderbouwd en kunnen daarom niet in stand blijven.

4.6.2.

Verweerder heeft aangevoerd dat de boeking achteraf ex artikel 220 van het CDW is gebaseerd op een rapport van het OLAF met bijlagen en diverse andere bescheiden die hij ook heeft overgelegd, waaruit onmiskenbaar blijkt dat de onderdelen van de ingevoerde spaarlampen uit China komen. Verweerder verwijst naar de lijst met de gegevens op basis waarvan invoeren in Thailand vanuit China zijn gekoppeld aan invoeren in de EU vanuit Thailand, naar de verklaringen over de werkzaamheden die in Thailand hebben plaatsgevonden en het OLAF-rapport. De onderdelen die[B] heeft ingevoerd, zijn volgens de geraadpleegde Thaise douanedocumenten afkomstig uit China en aangegeven onder post 8539, de post voor spaarlampen. Er heeft onvoldoende bewerking in Thailand plaatsgevonden. De utb’s zijn derhalve terecht opgelegd.

4.7.1.

Het terzijde stellen van de bevindingen van een onderzoeksmissie door het OLAF is dusdanig ingrijpend, dat dit in het algemeen slechts gerechtvaardigd zal zijn indien de door eiseres aangevoerde grieven tegen de bevindingen van de onderzoeksmissie van het OLAF dermate ernstig zijn, dat geen geloofwaardigheid aan de bevindingen van het OLAF (meer) kan worden toegekend. Hierna zal de rechtbank eerst beoordelen of het door verweerder ingebrachte bewijs voldoende is om de juistheid van diens standpunt te onderbouwen over de niet-preferentiële oorsprong van de spaarlampen. Indien het antwoord daarop bevestigend luidt, zal de rechtbank beoordelen of de door eiseres ingebrachte grieven voldoende ernstig zijn om toch te betwijfelen of dit bewijs mede betrekking heeft op de onderhavige zendingen.

4.7.2.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat uit de bevindingen in het onderzoeksrapport van het OLAF en de bijlagen alsmede de correspondentie met het Department of Foreign Trade volgt dat de oorsprong van de spaarlampen China is en dat deze bevindingen mede betrekking hebben op de onderhavige zendingen spaarlampen. De douaneautoriteiten zijn erin geslaagd een aantal invoerzendingen in Thailand vanuit China aan de hand van de factuurnummers van enerzijds de leveringen door de Chinese leverancier van de onderdelen aan[B] en anderzijds de leveringen van spaarlampen door[B] aan [A] – die overeenkomen – te koppelen aan uitvoerzendingen vanuit Thailand naar de EU. Deze koppeling is ook gemaakt voor de onderhavige aangiften. Voorts vertonen de overige gegevens van de aangiften en de daarbij horende bescheiden opvallende overeenkomsten met de gegevens die in het OLAF-rapport en de daarbij horende bijlagen (inclusief de Letters of Confirmation) zijn opgenomen. Eiseres heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de gang van zaken rond de door haar aangegeven spaarlampen anders zou zijn geweest dan die rond de zendingen naar Italië zoals deze blijkt uit de Letters of Confirmation.

4.7.3.

Uit het hiervoor onder 2.9 genoemde rapport van het OLAF en de daarop ter zitting door verweerder gegeven toelichting blijkt dat het OLAF heeft geconstateerd dat in de periode 2007 en 2008[B] onderdelen heeft ingevoerd uit China aangegeven onder de post 8539. Uit de afgelegde verklaringen blijkt dat deze onderdelen in Thailand zijn geassembleerd en verpakt met behulp van de twee machines waarover[B] volgens de door haar ingevulde Letters of Confirmation de beschikking had. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de beschrijvingen die zijn gegeven van de werkzaamheden die in Thailand hebben plaatsgevonden. Hieruit volgt dat geen sprake is van postverspringing of van voldoende toegevoegde waarde in Thailand. Er is derhalve geen sprake van de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde bewerking of verwerking die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt zoals bedoeld in artikel 24 van het CDW.

4.7.4.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiseres tegen de conclusies van het OLAF heeft ingebracht niet van dien aard is dat de bevindingen van de onderzoeksmissie van het OLAF geen stand kunnen houden. Integendeel, uit de verklaring van [O] kan worden afgeleid dat partijen het eigenlijk eens zijn over de aard van de werkzaamheden van[B] in Thailand. Voorts heeft eiseres, die kennelijk wil afwijken van de in Thailand bij de invoer van de onderdelen aangegeven post en land van uitvoer, geen enkel bewijs geleverd waaruit zou blijken dat in werkelijkheid goederen van een andere tariefpost en/of afkomstig uit een ander land zouden zijn ingevoerd.

4.7.5.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat verweerder de antidumpingrechten in beginsel terecht heeft nagevorderd.

4.8.

Meer subsidiair is in geschil of de boeking achteraf achterwege had moeten blijven op grond van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW omdat sprake zou zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten. Op eiseres rust de bewijslast haar stelling aannemelijk te maken.

4.9.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van een vergissing, zijnde een actieve gedraging van de Thaise autoriteiten. Zij hebben immers certificaten van oorsprong afgegeven. De Thaise autoriteiten zijn uitgebreid op de hoogte gesteld van de specificaties, de oorsprong en de bewerkingen voordat zij de certificaten van oorsprong afgaven. Ook is sprake van een vergissing, een actieve gedraging, van de Nederlandse douaneautoriteiten. De onderhavige aangiften zijn niet gecontroleerd, terwijl de aangiften van andere aangevers wel zijn gecontroleerd. Er was voldoende aanleiding om te controleren, zeker nu het de taak van de douane is om te controleren. Eiseres kon deze vergissingen niet ontdekken. Er was immers een OLAF-onderzoek nodig om de oorsprong van de spaarlampen vast te stellen. Voorts is eiseres te goeder trouw geweest. Dat eiseres aan de voorschriften heeft voldaan, is niet in geschil.

4.9.2.

Verweerder stelt zich op het tegenovergestelde standpunt. Er is wel degelijk gecontroleerd, alleen niet de zes in geding zijnde aangiften. De douaneautoriteiten van de Europese Unie doen wat zij kunnen. De afgifte van de certificaten van oorsprong kan niet als een vergissing van de bevoegde autoriteiten worden aangemerkt. Het gaat immers om niet-preferentiële oorsprong. De Thaise autoriteiten hebben niet gehandeld op grond van een systeem van administratieve samenwerking. Een eventuele bewuste uitspraak van de Thaise autoriteiten – quod non – levert geen vergissing op. Verweerder wijst er voorts op dat de Thaise autoriteiten, toen zij op verzoek van de Italiaanse douane een onderzoek instelden en de beschikking kregen over de Letters of Confirmation, direct het standpunt innamen dat geen sprake was van niet-preferentiële oorsprong. Het is dus niet aannemelijk dat de Thaise autoriteiten bij de aanvraag van de certificaten van oorsprong beschikten over de juiste en volledige gegevens.

4.10.1.

De rechtbank stelt voorop dat de tweede en derde alinea van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW toepassing missen omdat geen sprake is van preferentiële oorsprong.

4.10.2.

De rechtbank is van oordeel dat de certificaten van oorsprong die eiseres bij de aangiften heeft overgelegd geen bewijs kunnen leveren ten aanzien van de oorsprong van de ingevoerde goederen in de zin van artikel 24 van het CDW. Deze door de Thaise autoriteiten naar Thais recht afgegeven certificaten van oorsprong zijn niet afgegeven in het kader van een systeem van administratieve samenwerking tussen de Europese Unie en Thailand. De Thaise autoriteiten kunnen daarom niet als bevoegde douaneautoriteiten worden aangemerkt, zodat niet van een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten kan worden gesproken.

4.10.3.

Het beroep dat eiseres doet op de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/10290, faalt, omdat de feiten die aan deze uitspraak ten grondslag liggen, wezenlijk verschillen van de feiten die in de onderhavige beroepen zijn vastgesteld. Het geval waarin de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof te Amsterdam bevestigde dat sprake was van een actieve gedraging betrof 29 aangiften ten invoer, waarbij vaststond dat een aantal aangiften voor soortgelijke goederen gedaan door deze belanghebbende – over welke aangiften niet was nagevorderd – fysiek was opgenomen. Deze fysieke opname vormde de actieve gedraging, waaraan de desbetreffende belanghebbende voor de in geding zijnde aangiften het door artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW beschermde vertrouwen kon ontlenen. Van een actieve gedraging is in het onderhavige geval geen sprake.

4.10.4.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat eiseres, een ervaren marktdeelnemer, had moeten begrijpen dat risico’s zijn verbonden aan de invoer van spaarlampen uit Zuidoost Azië en dat zij, om haar positie in te dekken, meer informatie had moeten opvragen bij [A] dan wel zelf onderzoek had moeten plegen naar de oorsprong van de spaarlampen. Ook had eiseres in dit geval (meer) financiële zekerheid van [A] kunnen verlangen. De risico’s kan eiseres niet zonder meer afwentelen op de Europese Unie. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd als gevolg waarvan de belangenafweging in dit geval anders moet uitvallen.

4.10.5.

Omdat geen sprake is van een vergissing van de bevoegde autoriteiten faalt het beroep op artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW. De overige voorwaarden hoeven geen bespreking.”

5 Beoordeling van het geschil

A. Bevoegdheid ambtenaren

5.1.

De algemeen directeur Douane is aangewezen als inspecteur (artikel 1:4 van de Algemene douaneregeling, gelezen in samenhang met artikel 4 en 5 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003). Blijkens het overgelegde mandaatbesluit van 1 januari 2010, nr. DLK 2010/0001, en een drietal uittreksels uit het bij dit besluit behorende register A, heeft de algemeen directeur Douane aan de ambtenaren die de UTB’s hebben uitgereikt en de ambtenaar die het bezwaarschrift heeft behandeld, mandaat verleend om namens hem de bevoegdheid van inspecteur uit te oefenen en ondermandaat verleend om de door de minister van Economische Zaken aan de inspecteur gemandateerde bevoegdheden uit te oefenen.

5.2.

Anders dan belanghebbende heeft betoogd wordt de landelijke bevoegdheid van de inspecteur niet beperkt door de regeling van artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 11 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, waarin is bepaald onder welke inspecteur een belastingplichtige ressorteert. Die regeling beoogt slechts duidelijk te maken tot welke functionaris een belastingplichtige zich moet richten voor zijn fiscale aangelegenheden (vgl. Hoge Raad 14 juni 2013, nr. 12/02697, ECLI:NL:HR:2013:BZ4198).

5.3.

Gelet op het vorenoverwogene dient de stelling dat de bestreden UTB’s onbevoegd zijn uitgereikt te worden verworpen.

B. Beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging

5.4.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 18 december 2008 in zaak C-349/07 (Sopropé) volgt dat ‘eerbiediging van de rechten van de verdediging’ een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt dat ook van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist, voor zover hier van belang, dat de (potentiële) adressaat van een besluit dat zijn belang aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren.

5.5.

Indien en voor zover belanghebbende stelt dat zij niet naar behoren is gehoord en dat dientengevolge de UTB’s dienen te worden vernietigd geldt het volgende. Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 3 juli 2014 in de gevoegde zaken C-129/13 en C-130/13 (Kamino International Logistics BV en Datema Hellmann Worldwide Logistics BV) kan de nationale rechter bij de beoordeling van de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder van het recht om te worden gehoord, rekening ermee houden dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Naar ’s Hofs oordeel is belanghebbende voldoende op de hoogte gesteld van het voornemen UTB’s uit te reiken (vgl. 2.11), waaronder begrepen de achtergrond van dit voornemen, en heeft belanghebbende niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet adequaat kon reageren, laat staan dat deze procedure, onder andere omstandigheden een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

5.6.

Met betrekking tot de stelling van gemachtigde dat hij pas na het hoorgesprek de beschikking heeft gekregen over het missierapport, geldt dat dit niet gedragen wordt door de feiten. Het missierapport, zonder bijlagen is, zo heeft het Hof op de tweede zitting vastgesteld, op 1 december 2010 aan de gemachtigde van belanghebbende gefaxt. Op 10 december 2010 heeft de gemachtigde het gehele missierapport, met alle bijlagen, ongeclausuleerd in mogen zien. Het Hof acht bovendien aannemelijk dat het missierapport, inclusief de annexen die betrekking hebben op de Thaise exporteur[B], op 13 december 2010 in afschrift aan de gemachtigde ter beschikking zijn gesteld.

5.6.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat alle bijlagen bij het missierapport tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en dat dus ook de bijlagen die betrekking hebben op een andere Thaise exporteur (bijlagen 3, 5 (deels), en 13 tot en met 18) verstrekt hadden moeten worden. De inspecteur heeft ter zake betoogd dat geen sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat hij de desbetreffende annexen niet aan zijn navordering ten grondslag heeft gelegd. Het Hof stelt voorop dat de annexen een onlosmakelijk onderdeel vormen van het missierapport, welk rapport dragend is voor het uitreiken van de UTB’s, en dat daarom niet voor twijfel vatbaar is dat sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat aan de betwisting door de inspecteur dat sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken, geen doorslaggevende betekenis toekomt (vgl. HR 25 april 2008, nr. 43448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823).

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur in beginsel verplicht is het complete missierapport aan de rechter over te leggen. In zoverre slaagt de stelling van belanghebbende.

5.6.2.

Met betrekking tot de gevolgen die aan deze niet-nakoming dienen te worden verbonden, geldt het volgende. De niet verstrekte bijlagen hebben, blijkens de kenbare tekst van het missierapport, betrekking op een andere exporteur en niet op[B]. Belanghebbende heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij belang heeft bij inzage in de niet overgelegde bijlagen, betreffende de andere exporteur, omdat zij daarmee de methode en de diepgang van het OLAF-onderzoek en de daaruit getrokken conclusies beter kan beoordelen. Het Hof overweegt in dit verband dat, afgezien van de namen van de betrokken bedrijven, de bevindingen van de OLAF-missie ten aanzien van de andere exporteur en de daaruit getrokken conclusies uit het geanonimiseerde rapport reeds volledig kenbaar zijn voor belanghebbende. De niet-verstrekte annexen betreffende de onbekende exporteur kennen bovendien, blijkens de in de index vermelde naam van deze annexen, een evenknie in de wél verstrekte annexen die betrekking hebben op[B]. Het Hof verbindt daarom aan de niet overlegging van de annexen betreffende de andere exporteur, gelet op artikel 8:31 Awb, geen gevolgen.

C. Oorsprong

5.7.

Naar ’s Hofs oordeel heeft de inspecteur met de door hem overgelegde bescheiden aannemelijk gemaakt dat de onderwerpelijke spaarlampen in Thailand zijn vervaardigd uit halffabricaten die van niet-preferentiële Chinese oorsprong zijn. Partijen houdt verdeeld of de bewerkingen die in Thailand hebben plaatsgevonden voldoende zijn om de goederen de niet-preferentiële Thaise oorsprong te verlenen. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.8.

Uit artikel 24 van het CDW volgt dat goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, van oorsprong zijn uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.

5.9.

Gelet op de stukken van het geding, waaronder de onder 2.10 aangehaalde “Letters of Confirmation”, acht het Hof aannemelijk dat[B] in de jaren 2007 en 2008 lampen heeft vervaardigd door de assemblage van een drietal Chinese halffabricaten, aangeduid als ‘totally tube’, ‘plastic case’ en ‘PCB assembly’. Met betrekking tot de vraag of een assemblage van verschillende onderdelen een ingrijpende verwerking of bewerking vormt, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een dergelijke assemblagehandeling oorsprongbepalend kan worden geacht, wanneer zij vanuit technisch oogpunt en gelet op de omschrijving van het betrokken goed de bepalende productiefase uitmaakt tijdens welke de bestemming van de gebruikte samenstellende delen wordt geconcretiseerd en het betrokken goed zijn specifieke kwalitatieve eigenschappen verkrijgt (Vgl. HvJ EU 31 januari 1979, Yoshida, 114/78, Jurispr. 1979, blz. 151, en HvJ EU 13 december 2007, Brother International, C‑26/88, Jurispr. 2007, blz. I-4253, punt 19). Naar ’s Hofs oordeel volgt uit de stukken van het geding dat in casu geen sprake is van een dergelijke oorsprongsbepalende assemblagehandeling, reeds omdat de omschrijving van de goederen bij invoer in Thailand en de omschrijving van de goederen bij uitvoer uit Thailand naar de Europese Unie zeer specifiek en identiek is (vgl. 2.16). Het Hof leidt hier uit af dat de bestemming van de samenstellende delen op het moment van invoer in Thailand reeds was geconcretiseerd en de goederen niet pas in Thailand hun specifieke kwalitatieve eigenschappen hebben verkregen.

5.10.

Zo dit anders mocht zijn dient op grond van voormelde rechtspraak subsidiair te worden nagegaan of het geheel van de betrokken assemblagehandelingen leidt tot een aanmerkelijke toeneming van de handelswaarde af fabriek van het eindproduct.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat hiervan geen sprake is. Uit het missierapport van OLAF volgt dat de waarde van de Chinese componenten meer dan 80% van de ex-works prijs bedraagt. In de onder 2.13 aangehaalde brief spreekt OLAF over “approximately 85% of the ex-works price”. Deze beweringen van OLAF vinden steun in het voorbeeld dat OLAF in het missierapport heeft gegeven van de door haar uitgevoerde matching (vgl. 2.16), waarbij sprake is van een invoerwaarde van de Chinese onderdelen van $125,370.00 (CIF Bangkok) en een uitvoerwaarde van $ 151,770.00 (FOB Bangkok), hetgeen impliceert dat sprake is van een toegevoegde waarde van minder dan 17,4% van de ex-works prijs. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd vormt voor het Hof geen aanleiding om te twijfelen aan voormelde bevindingen van OLAF. Anders dan belanghebbende heeft bepleit is niet vereist dat het Hof alle berekeningen van OLAF moet kunnen controleren.

5.11.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de inspecteur is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de ingevoerde spaarlampen van niet-preferentiële Chinese oorsprong zijn en dat het hoger beroep van belanghebbende in zoverre faalt.

D. Artikel 220, lid 2, onder b CDW

5.12.

Belanghebbende heeft betoogd dat het ten onrechte afgeven van niet-preferentiële oorsprongscertificaten door de Thaise autoriteiten dient te worden aangemerkt als een vergissing van de douaneautoriteiten als bedoeld in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. De afgifte van niet-preferentiële oorsprongscertificaten door de Thaise autoriteiten is niet gebaseerd op een overeenkomst tussen de Europese Unie en het koninkrijk Thailand, noch op enige bepaling van secundair recht van de Europese Unie, zodat de Thaise autoriteiten niet als ‘douaneautoriteiten’ in de zin van artikel 220 van het CDW kunnen worden aangemerkt. Het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ EU 14 mei 1996, Faroe Seafood, C-153/94, voert niet tot een ander oordeel, nu dit arrest betrekking heeft op de afgifte van preferentiële oorsprongscertificaten (EUR1) op grond van een verordening van (destijds) de Europese Gemeenschap. De door belanghebbende ter zitting aangevoerde omstandigheid dat in WTO-verband een overeenkomst over harmonisatie van niet-preferentiële oorsprongsregels is gesloten kan naar ’s Hofs oordeel evenmin tot het oordeel leiden dat de Thaise autoriteiten als ‘douaneautoriteiten’ in de zin van artikel 220 van het CDW kunnen worden aangemerkt.

5.13.

De aangiften die het onderwerp vormen van de bestreden UTB’s zijn alle zonder verificatie afgehandeld. De stelling van belanghebbende dat hierin een vergissing van de inspecteur is gelegen (‘stilzitten’) verwerpt het Hof. Gelet op het in de zesde overweging van de considerans van het CDW uitgedrukte doel om de douaneformaliteiten en -controles zoveel mogelijk te beperken, legt het CDW de inspecteur niet de verplichting op om aangiften stelselmatig te verifiëren (vgl. HvJ EU 11 september 2011, C-138/10, DP grup, punt 37). Zo er, na de inwerkingtreding van het CDW, nog betekenis toekomt aan het door belanghebbende aangehaalde arrest Hewlett Packard France (HvJ EU 1 april 1993, C-250/91) kan dit arrest niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat zich in casu niet de in punt 20 van dat arrest geschetste situatie voordoet, dat door de belastingschuldige gedurende een betrekkelijk lange periode een groter aantal importen heeft plaatsgevonden, nog daargelaten dat genoemd arrest betrekking heeft op de tariefindeling en niet op de oorsprong.

5.14.

Anders dan belanghebbende heeft bepleit volgt uit het arrest Hoge Raad 25 september 2009, nr. 07/10290, evenmin dat in casu sprake is van een vergissing in de zin van artikel 220 CDW. Het Hof sluit in dit kader aan bij het oordeel van de rechtbank en maakt overweging 4.10.3 van de rechtbank ter zake tot de zijne.

5.15.

Gelet op het vorenoverwogene is geen sprake van een vergissing in de zin van artikel 220 CDW, zodat de inspecteur niet gehouden is om af te zien van navordering. Het hoger beroep van belanghebbende faalt in zoverre.

E. Getuige

5.16.

De stelling van belanghebbende, dat ambtenaar [G] ter zitting door de rechtbank niet als getuige gehoord had mogen worden, omdat de inspecteur deze getuige niet heeft aangekondigd, dient te worden verworpen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens het proces-verbaal van de zitting was genoemde ambtenaar slechts tot bijstand van de inspecteur aanwezig en is hij niet als getuige gehoord. De nadere stelling van belanghebbende, dat personen die tot bijstand aanwezig zijn enkel uitlatingen mogen doen indien zij werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van de inspecteur, vindt geen steun in het recht.

5.17.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank heeft [G] enkel een verklaring afgelegd over door hem bezochte gebouwen, die hij ter zitting herkende op foto’s die tot het procesdossier behoren, en over de door hem in Thailand uitgevoerde matching van importen van halffabricaten uit China met uitvoerzendingen spaarlampen naar de Europese Unie, welke matching door hem ook reeds wordt beschreven in het onder 2.15 aangehaalde proces-verbaal. Nu is gesteld noch gebleken dat de ambtenaar ter zitting, in strijd met een goede procesorde, nieuwe feiten naar voren heeft gebracht waarop belanghebbende niet adequaat heeft kunnen reageren, ziet het Hof geen aanleiding om de verklaringen van de ambtenaar buiten beschouwing te laten, nog daargelaten dat het buiten beschouwing laten van deze verklaringen niet tot een ander oordeel zou leiden.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en D.B. Bijl, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 8 januari 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.