Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:660

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
23-000620-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BV2204
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1395, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klimop. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Verwerping verweer nietige dagvaarding inzake art. 140 Sr (criminele organisatie). Verwerping verweren niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie en bewijsuitsluiting die zien op de onmogelijkheid om nog enig tegenonderzoek te kunnen uitvoeren. Gedeeltelijke vrijspraak. Geen verandering van inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van de strafbare feiten inzake de implementatie van Speelgoedrichtlijn 2009/48/EG in de Regeling wapens en munitie. Veroordeling voor valsheid in geschrift, witwassen, omkoping, deelneming aan een criminele organisatie en de Wet wapens en munitie. Hof gaat voorbij aan advies detentieongeschiktheid. Toepassing LOVS oriëntatiepunten voor fraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2015, afl. 3, p. 111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000620-12

datum uitspraak: 27 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 in de strafzaak onder de parketnummer 15/996551-06 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
19 november 2012, 10 december 2012, 30 januari 2013, 13 september 2013, 24 oktober 2013,
5 november 2013, 7 november 2013, 14 november 2013, 18 november 2013, 10 december 2013,
17 december 2013, 28 januari 2014, 30 januari 2014, 11 februari 2014, 20 maart 2014, 17 april 2014, 27 mei 2014, 16 september 2014, 20 oktober 2014, 29 oktober 2014, 16 februari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Wat aan de verdachte ten laste is gelegd is als bijlage 1 aan dit verkorte arrest gehecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Aangezien in hoger beroep een wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, en het hof derhalve op een andere grondslag heeft beraadslaagd dan de rechtbank, zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. Ook komt het hof tot een andere bewijsbeslissing.

Bespreking van de formele verweren

Geldigheid van de dagvaarding (de ten laste gelegde feiten onder 2 en 7)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft gesteld dat inzake de ten laste gelegde feiten onder 2 en 7 (deelname aan een criminele organisatie), de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard. Immers, het oogmerk van de criminele organisatie kan niet gericht zijn op een culpoos delict als schuldwitwassen. Dat is zowel onbegrijpelijk als tegenstrijdig (par. 230, pleitnotities).

Beoordeling

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van art. 261, eerste lid, Sv behelst de inleidende dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de inleidende dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen (HR 21 april 1998, NJ 1998/782). Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn (HR 14 mei 1996, NJ 1997/720), in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig (HR 14 oktober 1975, NJ 1976/149 en HR 8 december 1987, NJ 1988/539) en in de derde plaats voldoende feitelijk. Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig als daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar bestaanbaar zijn. Een dagvaarding behoeft zich niet uit te laten over de voor de strafbaarheid irrelevant zijnde aard en omvang van nadere bijzonderheden waarvan de vermelding niet op straffe van nietigheid wordt verlangd (HR 5 mei 1964, NJ 1964/418).

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de inleidende dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten (HR 14 november 2000, NJ 2001/18). Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt (HR 29 november 1988, NJ 1989/682 en HR 26 januari 1988, NJ 1988/792). Ook de inhoud van de door de verdediging overgelegde pleitnotities mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen (HR 20 maart 2001, NJ 2001/330), net als de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting (HR 9 november 2004, NbSr 2004/470).

Het hof verstaat de verweren van de verdediging omtrent de nietigheid van de inleidende dagvaarding aldus dat de betwiste gedeelten van de tenlastelegging naar de mening van de verdediging innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk zijn. Het hof is van oordeel dat gezien de inhoud van het complete dossier en het geheel van de ten laste gelegde feiten in onderlinge samenhang bezien, de verdachte in staat moet worden geacht de tekst van de tenlastelegging te hebben begrepen. Daarnaast heeft de verdachte tijdens zijn verhoren, in het bijzonder op de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2014, blijk gegeven begrip te hebben van de tenlastelegging.

De inleidende dagvaarding behelst derhalve naar het oordeel van het hof een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. Het hof is, gezien het bovenstaande, van oordeel dat de inleidende dagvaarding aan de vereisten van art. 261 Sv voldoet en verwerpt derhalve het verweer.

Overigens - doch dit ten overvloede - is het hof van oordeel dat het bij hetgeen de verdediging aanvoert eerder gaat om een kwalificatieverweer en niet om een nietigheidsverweer.

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie en bewijsuitsluiting ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder 8 (Wet wapens en munitie)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de ten laste gelegde overtreding van de Wet wapens en munitie (WWM), dan wel dat bewijsuitsluiting dient te volgen, omdat de wapens (een revolver en een seinpistool) in strijd met de geldende OM-aanwijzing inbeslagneming zijn vernietigd en de verdachte geen onderzoek daarnaar meer heeft kunnen doen laten uitvoeren. Het gaat om een onherstelbaar vormverzuim (par. 253 t/m 257, 272, pleitnotities).

Beoordeling

Voorop wordt gesteld dat de verdachte geen algemeen recht heeft op een contra-expertise (vgl. HR 2 februari 1993, NJ 1993/476 en HR 13 mei 1997, NJ 1998/152). Voorts geldt dat ook indien de verdachte in een vroeg stadium van de strafprocedure met een verzoek tot contra-expertise komt, maar een dergelijk onderzoek niet meer mogelijk is omdat er geen onderzoeksmateriaal meer beschikbaar is, het rapport van de eerder ingeschakelde deskundige niet zonder meer onbruikbaar is voor het bewijs (vgl. HR 24 mei 1988, NJ 1988/898 en HR 17 juni 2014, NJ 2014/341), of dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de vervolging (vgl. HR 16 april 2013, NJ 2013/248).

In onderhavige zaak heeft de verdachte op 13 februari 2008 schriftelijk afstand gedaan van de wapens. Bij uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2012 is de verdachte veroordeeld voor, onder meer, overtreding van de Wet wapens en munitie. De verdediging heeft in eerste aanleg niet verzocht om een contra-expertise en ook bij schriftuur van 21 februari 2012 is alleen verzocht om het horen van de deskundige [deskundige 1]. De verdediging is vervolgens ter terechtzitting van 14 november 2013 in de gelegenheid gesteld om de deskundige [deskundige 1] te horen. Tevens is op de betreffende zitting, op verzoek van het openbaar ministerie, de deskundige [deskundige 2] gehoord. Ter zitting heeft de deskundige [deskundige 1] verklaard dat hij een oordeel kon geven over de wapens aan de hand van de foto’s. De deskundige [deskundige 2] heeft zelf het proces-verbaal van bevindingen inzake de inbeslaggenomen wapens opgemaakt (proces-verbaal van 21 november 2007, PLO 920/07-358500).

Voorafgaand aan de betreffende verhoren is door het openbaar ministerie te kennen gegeven dat de wapens op last van de betreffende officier van justitie zijn vernietigd. De gang van zaken met betrekking tot de vernietiging van de wapens is beschreven in een proces-verbaal van bevindingen van 28 oktober 2013 (dat is overgelegd ter terechtzitting van 14 november 2013). Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de wapens, conform het landelijk geldend BIT-protocol (in werking getreden op 1 januari 2010), begin 2012 zijn vernietigd.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden leiden tot het volgende oordeel.

Nu er in zijn algemeenheid geen recht bestaat op een contra expertise, is er naar het oordeel van het hof, behoudens bijzondere omstandigheden die zich in deze zaak niet voordoen, ook geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, op de enkele grond dat een contra-expertise niet meer mogelijk is omdat de wapens zijn vernietigd.

Het verweer wordt verworpen.

Ambtshalve overweegt het hof dat, op grond van wat door het openbaar ministerie is verwoord, uitgesloten wordt geacht dat de vernietiging van de wapens is ingegeven door een moedwillige of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, waardoor diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 20 oktober 1998, NJ 1999/122 en HR 14 januari 2003, NJ 2003, 288). Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces, van een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden, of van een vormverzuim dat zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen (vgl. HR 19 februari 2013, NJ 2013/308).

Vrijspraak van het ten laste gelegde feit onder 2 (deelname aan criminele organisatie)

Het hof spreekt de verdachte vrij van deelname aan een criminele organisatie, voor zover deze organisatie het oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de vastgoedprojecten Hollandse Meester, Solaris en Coolsingel. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte op enigerlei wijze deelnemingsgedragingen heeft verricht inzake genoemde vastgoedprojecten. Wel heeft de verdachte één valse factuur verstuurd in het vastgoedproject Solaris, maar dat is naar het oordeel van het hof in onderhavige zaak van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van het behoren tot een samenwerkingsverband.

Bespreking van de overige ten laste gelegde feiten

Inleidende overweging

De verdachte was (middellijk) bestuurder van [rechtspersoon 1] ([rechtspersoon 1]) en [rechtspersoon 2] ([rechtspersoon 2]). Hij voerde, al dan niet handelend binnen genoemde vennootschappen, diverse ‘secretariaatswerkzaamheden’ uit voor de medeverdachte [medeverdachte 1]. In het kader van deze werkzaamheden’ heeft de verdachte als ‘potje’ (voor gelden) gefungeerd en om een legale herkomst van de aard van de ontvangen en overgedragen geldbedragen te verzorgen heeft de verdachte zich met gebruikmaking van zijn BV’s schuldig gemaakt aan het opmaken van valse facturen, brieven en overeenkomsten.

Het hof merkt de verdachte aan als pleger, aangezien uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zelf de strafbare handelingen heeft verricht en [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] alleen heeft gebruikt als middel om de strafbare gedragingen te kunnen plegen.

Het ten laste gelegde feit onder 4 (het voorhanden hebben van valse geschriften)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd. De verdachte heeft verklaard dat hij inmiddels weet dat beide facturen vals zijn, maar dat hij dat niet wist op het moment dat hij ze van de medeverdachte [medeverdachte 2] ontving. Hij heeft de medeverdachte [medeverdachte 2] vergezeld op een reis naar Italië voor het uitzoeken van marmer voor de lobby van het project Eurocenter en vertrouwde er op dat de door de medeverdachte [medeverdachte 2] (op naam van [architectenbureau]) ingediende facturen in orde waren. De raadsman heeft in dat verband aangevoerd dat de verdachte destijds het vertrouwen had dat de facturen echt waren, onder verwijzing naar de uitleg die de medeverdachte [medeverdachte 1] aan de verdachte gaf over zijn wens om niet op de voorgrond te treden (opdat hij niet kon worden aangesproken voor een tegenprestatie). De verdachte vertrouwde daarbij de medeverdachte [medeverdachte 1] volledig, vanwege diens maatschappelijke positie. Voorts is de omstandigheid dat de medeverdachte [medeverdachte 2] geen werkzaamheden voor [rechtspersoon 1] heeft verricht, onvoldoende om een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te schragen. In de facturen is niet opgenomen dat de werkzaamheden ten behoeve van [rechtspersoon 1] zijn uitgevoerd. Daar komt bij dat uit een factuur niet in alle gevallen de onderliggende rechtsverhouding hoeft te blijken. Partijen kunnen verplichtingen voldoen ten behoeve of in naam van derden, zonder dat dit uit de daarbij opgemaakte factuur blijkt. Ondersteuning voor dit standpunt ziet de raadsman in de omstandigheid dat een andere factuur van de medeverdachte [medeverdachte 2] aan [rechtspersoon 1] niet is ten laste gelegd. Dat de verdachte er destijds van uitging dat het een echte factuur betrof, blijkt voorts uit de door hem gemaakte correctie en herberekening op de factuur van 18 februari 2005, waarna een iets lager te betalen bedrag resteert. De raadsman wijst er voorts op dat de verdachte in de projecten Eurocenter en Symphony veelvuldig werkzaamheden heeft verricht, al dan niet door het inschakelen van de getuige [getuige 1]. Vanuit die betrokkenheid wist de verdachte van de betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte 2], en heeft hij ook echte facturen voldaan (par. 16, 98-116 en 223-225, pleitnotities).

Beoordeling

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte wordt, kort gezegd, verweten het voorhanden hebben van twee valse facturen van [architectenbureau]. (hierna: [architectenbureau]) van 18 februari 2005 en van 28 april 2005. Beide facturen zijn uitgeschreven aan [rechtspersoon 1], ieder voor een bedrag van € 140.190 (exclusief reimbursables) en hebben beide als omschrijving ‘For architectural services, Interior Design and Concept Design’. De facturen zijn vals, zo wordt de verdachte verweten, omdat de op de facturen vermelde werkzaamheden niet zijn verricht voor [rechtspersoon 1].

Gelet op de tenaamstelling ([rechtspersoon 1], t.a.v. de directie) en de omschrijving (‘For architectural services’) van de facturen, kunnen deze naar het oordeel van het hof niet anders worden uitgelegd dan dat daarmee aan [rechtspersoon 1] werkzaamheden in rekening worden gebracht die door [architectenbureau] voor [rechtspersoon 1] zijn verricht. De stelling van de verdediging dat in de facturen niet is opgenomen dat de werkzaamheden ten behoeve van [rechtspersoon 1] zijn verricht, faalt dan ook.

Uit de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat geen sprake was van door [architectenbureau] voor [rechtspersoon 1] verrichte werkzaamheden. De verdachte wist ook dat er geen werkzaamheden door [architectenbureau] voor [rechtspersoon 1] waren verricht, en dat de facturen dus vals waren, zo volgt uit zijn verklaring dat hij de facturen enkel heeft betaald omdat hij daartoe van de medeverdachte [medeverdachte 1] de opdracht had gekregen en hij anders niets met de facturen zou doen.

De stelling dat uit een factuur niet in alle gevallen de onderliggende rechtsverhouding hoeft te blijken, en dat in het rechtsverkeer partijen regelmatig ten behoeve of in naam van derden verplichtingen voldoen zonder dat de precieze structuur van alle kruisende verplichtingen in de factuur worden weergegeven, verwerpt het hof. Deze stelling mag in zijn algemeenheid juist zijn, maar nu het hier, zoals hiervoor overwogen, gaat om valse facturen, gaat deze stelling hier niet op. Dit laatste geldt eveneens voor de verwijzing door de verdediging naar het arrest van hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAM:2012:BY5525). Dat arrest ziet op een andere situatie, te weten dat er wel een reële overeenkomst was op grond waarvan wel werkzaamheden werden verricht.

Op grond van het voorgaande acht het hof het onder feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het ten laste gelegde feit onder 5 (witwassen: wetenschap)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor witwassen en daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd. De verdachte ontkent niet dat de onderhavige facturen vals zijn, noch dat hij (met uitzondering van de [medeverdachte 2]-facturen van het ten laste gelegde feit 4) daarvan kennis had. De verdachte begreep echter niet dat hij met zijn handelingen bijdroeg aan het verdelen van verduisterde gelden, bovendien was zijn rol van ondergeschikte aard. Aldus is er geen sprake van opzet bij het witwassen. De verdachte ging de gang van zaken weliswaar steeds vreemder vinden maar kreeg - omdat het om gerespecteerde mensen ging - geen argwaan. Daar komt bij dat hij door de medeverdachte [medeverdachte 1] werd ‘gecompartimenteerd’, het een uiterst geraffineerde vorm van verduistering betrof en veel betrokken partijen geen vermoeden hadden. De verdachte ging er voorts van uit dat de gelden die van [rechtspersoon 5] ([rechtspersoon 5]) en de medeverdachte [medeverdachte 3] werden ontvangen (weliswaar ontvangen op basis van, op zichzelf genomen, valse facturen) een legitieme herkomst hadden en het gebruik van de valse facturen om deze gelden weer door te betalen een legitiem zakelijk doel diende. Alsdan ontbreekt bij de verdachte het opzet tot witwassen (par. 150 t/m 153 pleitnotities).

Beoordeling

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gefungeerd als betaalkantoor, waarbij de verdachte uit de (vooruit)betaling van € 1.850.000 steeds op aanwijzingen van de medeverdachte [medeverdachte 1] valse facturen heeft geaccepteerd en betaald.

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met de betaling van € 1.850.000 door [rechtspersoon 5] bij de verdachte een ‘potje’ heeft gevormd om verschillende betalingen te doen. Door valse facturen te versturen aan [rechtspersoon 5] en de medeverdachte [medeverdachte 3] en daarmee een substantieel bedrag te ontvangen (in opdracht van de medeverdachte [medeverdachte 1]) en vervolgens valse facturen te accepteren en te betalen, heeft de verdachte gelden witgewassen, omdat hij op deze wijze de werkelijke aard en de herkomst van de gelden heeft verhuld. Immers, de gelden werden - anders dan de valse facturen pretenderen - niet verkregen voor werkzaamheden door [rechtspersoon 1]. Door vervolgens deze gelden door te betalen aan derden ([rechtspersoon 4], de medeverdachte [medeverdachte 2] en [rechtspersoon 3]) heeft de verdachte (wederom) de werkelijke aard van deze geldbedragen verborgen en/of verhuld. Immers, met behulp van valse stukken (opdrachtbevestigingen en facturen) werd voorgewend dat deze betalingen werden gedaan voor bepaalde werkzaamheden in Eurocenter, terwijl deze werkzaamheden nimmer zijn verricht.

De verdachte wist dat hij valse facturen opmaakte en accepteerde en wist derhalve ook dat hij, door aldus te handelen, het zicht op de aard en herkomst van de geldbedragen heeft bemoeilijkt. Uit al zijn handelingen volgt dat, zonder redelijke economische grond, met geld is geschoven op een manier die geschikt was het spoor aan de waarneming te onttrekken. Het ‘compartimenteren’ door de medeverdachte [medeverdachte 1] maakt dat niet anders. Immers, de verdachte wist binnen de beperkte informatie die hij kreeg dat hij valse stukken opmaakte en accepteerde. De stelling van de raadsman dat de verdachte er op mocht vertrouwen dat de substantiële bedragen die van [rechtspersoon 5] en de medeverdachte [medeverdachte 3] (op basis van valse facturen) werden ontvangen desondanks een legitieme herkomst hadden en het gebruik van de valse facturen om deze gelden weer door te betalen een legitiem zakelijk doel diende, is eenvoudigweg onhoudbaar, alleen al vanwege de geheimzinnigheid waarmee dit alles werd omgeven.

Het ten laste gelegde feit onder 5 (witwassen: voorafgaand delict)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van 29 oktober 2014 (in aanvulling op zijn pleitnotities, par. 154 t/m 156: valsheid als grondedelict) betoogd dat er een gelijkenis is met de situatie welke ten grondslag heeft gelegen aan het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2014 (ECLI: NL: HR:2014:3046 ) De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat geld dat afkomstig is van hawallah-bankieren nog niet van misdrijf afkomstig is omdat dit geen voorafgaand aan de witwashandeling gepleegd misdrijf betreft.

Beoordeling

Het hof verwerpt het verweer. Naar het oordeel van het hof gaat de raadsman uit van een onjuiste lezing van het arrest. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat vermogensbestandsdelen in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" in de zin van de art. 420bis en 420quarter Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het voorhanden hebben daarvan (vgl. r.o. 2.4). In de onderhavige zaak is daarvan sprake, omdat de verdachte de gelden heeft verkregen op basis van een valse overeenkomst (met [rechtspersoon 5]) en op basis van die overeenkomst verstuurde valse facturen. Er is derhalve sprake van geldbedragen die afkomstig zijn uit voorafgaand gepleegde misdrijven.

Het ten laste gelegde feit onder 7 (deelname aan een criminele organisatie)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van dit feit vrijspraak bepleit en daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

De verdachte ontkent kennis te hebben gehad van het oogmerk van de organisatie, anders dan het opmaken van valse stukken en opzettelijk te hebben deelgenomen. De provisie die de verdachte ontving, zijnde het verschil tussen de ontvangen en uiteindelijk doorbetaalde bedragen, zag mede op tot dan toe onbetaalde werkzaamheden voor [rechtspersoon 8]. Daarnaast ging de verdachte ervan uit dat fêteren van zakenrelaties aanvaardbaar en gebruikelijk was in de branche. Daarbij wordt verwezen naar het Verwey Jonkers rapport waarin wordt opgemerkt dat het destijds in de branche gebruikelijk was facturen slechts van een beperkte omschrijving te voorzien, terwijl de verhouding tussen inspanning en gedeclareerd bedrag vaak ver te zoeken was. In de PwC rapportage is voorts melding gemaakt van een niet transparante werkwijze binnen de branche. Uit het inschakelen van [getuige 1] blijkt actieve betrokkenheid van de verdachte met de projecten Eurocenter en Symphony, hetgeen moet worden meegewogen in de beoordeling van de rol van de verdachte. Voor het overige bleven zijn contacten met medeverdachten beperkt (wat blijkt uit zijn agenda), zijn rol was vooral ondersteunend en uitvoerend (paragrafen 193, 195, 205, 213-215, 216-218, 223-225, 248-250 pleitnota).

Beoordeling

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte is in 2003 of 2004 begonnen met het maken van de zogeheten SBS- overzichten. Die overzichten laten een weergave zien van ontvangen gelden en gedane betalingen die de verdachte voor of namens de medeverdachte [medeverdachte 1] of [rechtspersoon 5] heeft gedaan. De verdachte maakte deze overzichten dan ook op als verantwoording naar de medeverdachte [medeverdachte 1]. In dat kader beheerde de verdachte gedurende een aantal jaren het ‘potje’ van € 1.850.000. Daartoe had de verdachte regelmatig overleg met de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2], in welk kader ook valse brieven werden opgesteld, om het geheel een legitiem uiterlijk te geven. De uitvoering van het beheer van het ‘potje’ lag ook in handen van de verdachte. Die uitvoering manifesteerde zich in het als medepleger plegen van de misdrijven die tot het oogmerk van de criminele organisatie behoorden, welke betrokkenheid de verdachte ook niet ontkent. Zoals hiervóór vastgesteld heeft de verdachte valse facturen en overeenkomsten opgemaakt en op basis daarvan betalingen van [rechtspersoon 5] ontvangen. Deze betalingen zijn vervolgens op basis van valse opdrachtbevestigingen en facturen betaald aan derden. Voor zijn werkzaamheden mocht de verdachte bovendien een deel van de ontvangen bedragen houden en hij hield daartoe een aparte administratie bij.

Dat de verdachte daarna en daarnaast in Eurocenter ene [getuige 1] heeft ingehuurd en aan het werk heeft gezet om, aanvullend, (legitieme) omzet te genereren, maakt dat niet anders. Het hof ziet geen aanleiding om dit mee te wegen in de beoordeling van de rol van de verdachte, zeker niet nu de daarmee samenhangende kosten werden doorbelast aan de eigenaar van het project en niet ten laste kwamen van het potje van [rechtspersoon 5].

De verdachte heeft door zijn faciliterende handelingen de door de medeverdachte [medeverdachte 1] opgezette constructie om derden mee te laten profiteren van het project Eurocenter ondersteund en heeft aldus deelgenomen aan een criminele organisatie, omdat hij met genoemde gedragingen een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekten tot en rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie (vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3). De verdachte behoorde ook tot die organisatie en hij had ook wetenschap van het oogmerk van de organisatie. Dat hij daarbij niet dezelfde informatiepositie had als de medeverdachte [medeverdachte 1] (die bij de verdachte en ook bij anderen de genoemde potjes heeft gecreëerd, maar zijn informatie ‘compartimenteerde’ en alleen verstrekte indien dat noodzakelijk was) maakt dat niet anders.

In verband met project 126 kan worden vastgesteld dat de medeverdachte [medeverdachte 1] is overgegaan tot omkoping van de medeverdachte [medeverdachte 6] (door het doen van een betalingsbelofte) om aan tafel te komen bij Philips. De medeverdachte [medeverdachte 1], handelde blijkens zijn eigen verklaringen, hier echter alleen. Het hof is - gelet hierop - van oordeel dat het vorenstaande onvoldoende is om, inzake het project 126, te kunnen spreken van een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, nu de omkoping zich heeft afgespeeld tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6].

Het ten laste gelegde feit onder 8 (art. 26 Wet wapens en munitie: seinpistool)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft het volgende betoogd. Het seinpistool is volgens de deskundigen, een vrijgesteld zwartkruidwapen van vóór 1945. Slechts het feit dat het seinpistool blijkens het daarop aangebrachte stempel in 1955 in Engeland is getormeerd met nitro-kruit, zou het wapen weer als verboden classificeren. De verdachte ontkent de markeringen op het seinpistool ooit te hebben gezien. Indien dit stempel niet zichtbaar was is niet voldaan aan het vereiste schuldverband (par. 269 t/m 273, pleitnotities).

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring inzake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 WWM is vereist dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie (vgl. HR 26 januari 1999, NJ 1999, 537 en HR 2 februari 2010, NJ 2010, 86). Voor de vereiste bewustheid is niet relevant of de verdachte moet hebben gezien of een bepaald kenmerk op het wapen aan te treffen was op grond waarvan de verdachte had kunnen zien dat het wapen niet onder een vrijstelling zou vallen. Dat is een eis die de wet niet stelt en overigens ook niet volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Het verweer wordt verworpen.

Het deskundigenoordeel

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de deskundige [deskundige 1] niet heeft verklaard conform de wens van de verdediging en de raadsman acht het oordeel van de deskundige ook onjuist. Voorts wordt een beroep gedaan op de mening van de heer Van Driel, volgens de verdediging een vermaard wapendeskundige (par. 274 t/m 277, pleitnotities).

Beoordeling

Het enkele feit dat de, door het hof ter terechtzitting in hoger beroep en op verzoek van de verdediging, beëdigde en gehoorde deskundige [deskundige 1] voor de verdediging teleurstellend heeft verklaard maakt nog niet dat daarmee zijn verklaringen onjuist zijn. De enkele verwijzing naar een publicatie van de heer Van Driel (waarvan in de pleitnotities alleen een citaat is opgenomen zonder vindplaats) ter onderbouwing van het betoog om de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] ter zijde te leggen, is in dat opzicht onvoldoende gesubstantieerd.

Het verweer kan daarom niet slagen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

PRIMAIR:

(PROJECT SOLARIS):

Hij in de periode van 3 juli 2000 tot en met 5 juli 2000, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

  • -

    een factuur van [rechtspersoon 1] gericht aan [rechtspersoon 6] ten bedrage van Fl.325.000 (exclusief btw) (D-1427-2), en

  • -

    een factuur van [rechtspersoon 2] gericht aan [rechtspersoon 6] ten bedrage van Fl.575.000 (exclusief btw) (D-1427-3),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid op die facturen vermeld dat door [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] werkzaamheden zijn verricht voor [rechtspersoon 6], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden niet zijn verricht, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

PRIMAIR:

(PROJECT EUROCENTER):

Hij in de periode van 24 februari 2006 tot en met 7 september 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

  • -

    een brief van [rechtspersoon 1] gericht aan [rechtspersoon 3] BV d.d. 28 december 2005 (D-1036), en

  • -

    een brief van [rechtspersoon 1] gericht aan [rechtspersoon 3] BV d.d. 10 augustus 2006 (D-1373), en

  • -

    vier facturen van [rechtspersoon 3] BV telkens gericht aan [rechtspersoon 1] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000 (exclusief btw) (D-0851 en D-0848 en D-0869 en D-0882 en D-0883 en D-0884 en D-1169-4),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die brieven vermeld dat,

  • -

    door [rechtspersoon 3] BV werkzaamheden en/of diensten zijn/zouden worden verricht voor [rechtspersoon 1], en

  • -

    die brieven gedateerd op respectievelijk 28 december 2005 en 10 augustus 2006,

terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet zijn/zouden worden verricht en die brieven geantedateerd waren, en op die facturen vermeld dat,

  • -

    door [rechtspersoon 3] BV werkzaamheden en/of diensten zijn verricht voor [rechtspersoon 1], en

  • -

    de facturen D-0882 en D-0883 en D-0884 en D-1169-4 gedateerd op respectievelijk 24 februari 2006 en 5 juni 2006 en 13 september 2006 en 6 januari 2007,

terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht en die facturen geantedateerd waren,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

PRIMAIR:

(PROJECT EUROCENTER):

Hij in de periode van 18 februari 2005 tot en met 13 november 2007 in Nederland opzettelijk voorhanden heeft gehad,

- twee, facturen van [architectenbureau] gericht aan [rechtspersoon 1] ten bedrage van in totaal Euro 280.380,- (exclusief btw) (D-3207-2 en/of D-3209-1),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl verdachte wist dat die geschriften bestemd waren tot gebruik als ware die geschriften echt en onvervalst en bestaande die valsheid hierin dat op die facturen is vermeld dat:

- door of namens [architectenbureau] werkzaamheden en/of diensten zijn verricht ten behoeve van [rechtspersoon 1], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht;

5.

PRIMAIR:

(PROJECT EUROCENTER):

Hij in de periode van 3 juni 2004 tot en met 28 februari 2007, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van geldbedragen tot een totaal bedrag van Euro 1.925.000 (exclusief btw), de werkelijke aard of de herkomst heeft verborgen of verhuld, doordat die geldbedragen waren verkregen op basis van:

  • -

    een valse overeenkomst tussen [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 5] (D-0069/D-1056), en

  • -

    drie valse facturen van [rechtspersoon 1] aan [rechtspersoon 5] ten bedrage van in totaal circa Euro 1.850.000 (exclusief btw) (D-1053 en D1052 en D-0900), en

  • -

    een valse factuur van [rechtspersoon 1] aan [rechtspersoon 7] ten bedrage van in totaal circa Euro 75.000 (exclusief btw) (D-1037/D-0260), en

doordat een gedeelte van die geldbedragen was doorbetaald op basis van:

  • -

    twee valse facturen van [rechtspersoon 4] aan [rechtspersoon 1] ten bedrage van in circa totaal Euro 200.000 (exclusief btw) (D-2801/D-0867/D-1629 en D-2886/D-1769), en

  • -

    twee valse facturen van [architectenbureau] aan [rechtspersoon 1] ten bedrage van in totaal circa Euro 280.380 (exclusief btw) (D-3207-2 en D-3209-1), en

  • -

    twee valse brieven van [rechtspersoon 1] aan [rechtspersoon 3] BV (D-1036 en D-1373), en

  • -

    valse facturen van [rechtspersoon 3] BV aan [rechtspersoon 1] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000 (exclusief btw) (D-0851 en/of D-0848 en/of D-0869 en/of D-0882 en/of D-0883 en/of D-0884 en/of D-1169-4),

terwijl hij, verdachte wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

6.

Hij op 21 december 2006, te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, aan iemand die, anders dan als ambtenaar werkzaam is in dienstbetrekking, te weten R.J. Lagaunne, in dienst zijnde bij Philips, naar aanleiding van hetgeen die Lagaunne in zijn betrekking heeft gedaan dan wel zal doen, een gift, te weten horloges, heeft gedaan van die aard, dat verdachte en zijn mededader redelijkerwijs moesten aannemen dat die Lagaunne deze gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever;

7.

(PROJECT EUROCENTER):

Hij in de periode van 3 juli 2000 tot en met 13 november 2007 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

-valsheid in geschrift;

-witwassen;

8.

hij op 13 november 2007 te Bilthoven, een wapen van categorie III, te weten een seinpistool voorhanden heeft gehad,

en

een wapen van categorie I onder 7, te weten een (nabootsing van een) revolver, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen of met een voor ontploffing bestemd voorwerp (te weten een revolver van het merk/type Original Smithe Gun), een voorwerp vermeld op de lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het ten laste gelegde feit onder 8 (art. 13 Wet wapens en munitie: Original Smithe Gun)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de inbeslaggenomen revolver onder de vrijstellingsregeling valt, omdat de verdachte ervan overtuigd is, dat het een antieke penvuurrevolver betrof en niet uitgesloten moet worden geacht dat de revolver is vervaardigd vóór 1 januari 1945. Dit dient te leiden tot vrijspraak (par. 258 t/m 260, pleitnoties).

De raadsman heeft voorts het volgende betoogd. Op 2 juli 2014 is de Regeling wapens en munitie gewijzigd als gevolg van implementatie van Richtlijn 2009/48/EG van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (de Speelgoedrichtlijn). Een veroordeling is in het kader van de gewijzigde regelgeving niet langer mogelijk. Nu het onderdeel van de tenlastelegging ‘te weten een revolver van het merk/type Original Smithe Gun) zijnde een voorwerp vermeld op de lijst a of lijst b van de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage 1’ niet langer relevant is, moet worden bewezen dat de vernietigde revolver geen antiek zwartkruidwapen was, geen vóór 1945 gefabriceerd replica-zwartkruidwapen was, geen (antiek) penvuurwapen was, geen speelgoedwapen was. Er dient daarom vrijspraak te volgen (par. 261 t/m 268, pleitnoties).

Beoordeling

Omdat de verweren in de kern zien op de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit zal het hof deze als zodanig ook beoordelen.

Vrijstellingsregeling

Ten aanzien van de beoordeling van het verweer zijn de volgende, ten tijde van de inbeslagneming op 13 november 2007, geldende bepalingen van belang:

Wet wapens en munitie

Artikel 13

1.Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan.

2.Onze Minister kan, onverminderd artikel 9, ontheffing verlenen van een of meer verboden genoemd in het eerste lid, met het oog op:

a. gebruik door de krijgsmacht;

b. onderwijs ten behoeve van de politie en de overige openbare dienst;

c. doorvoer van wapens of munitie.

3.Op een ontheffing met het oog op doorvoer is artikel 20, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Regeling wapens en munitie

Artikel 18

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3 van deze regeling wordt van het verbod in artikel 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 31, eerste lid, van de wet vrijstelling verleend voor het doen binnenkomen of uitgaan, vervoeren, voorhanden hebben en overdragen van:

a. vuurwapens die voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt op de wijze, beschreven in bijlage II bij deze regeling;

b. vuurwapens die zijn vervaardigd vóór 1 januari 1870;

c. vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers, pistolen en combinatiewapens die ontworpen en bestemd zijn om te worden geladen met:

1º. losse kogels en zwart kruit; of

2º. patronen, uitgezonderd randvuurpatronen in het kaliber .22 en centraalvuurpatronen;

d. vuurwapens in de vorm van geweren en pistolen, niet zijnde revolvers, die ontworpen en bestemd zijn om te worden geladen met patronen waarvan de voortdrijvende lading bestaat uit zwart kruit of alleen ontstekingsas, met uitzondering van randvuurpatronen in het kaliber .22 met een patroonlengte van meer dan 18 mm;

e. geschut dat ontworpen en bestemd is om te worden geladen met losse projectielen en zwart kruit, los of in kardoezen;

f. kennelijk gebruikte lege patroon- en kardoeshulzen bestemd voor dan wel deel uitmakend van een verzameling;

g. patroonmagazijnen en patroonhouders voorzover het personen betreft die bevoegd zijn de wapens of de munitie waarvoor deze voorwerpen bestemd zijn voorhanden te hebben;

h. [vervallen;]

i. projectielen en hulzen, eventueel samengevoegd tot patronen, die een onderdeel vormen van een monster-, verzamel- of overzichtsbord, voor zover zij niet zijn voorzien van een ontstekende, voortdrijvende of brisante lading en voorzover zij op deugdelijke wijze permanent op het bord bevestigd zijn.

2. De vrijstellingen zoals vermeld onder c, d en e zijn uitsluitend van toepassing op wapens die zijn vervaardigd vóór 1 januari 1945.

3. De vrijstelling van het eerste lid, aanhef en onder a, geldt voor vuurwapens die na inwerkingtreding van dit artikel voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt uitsluitend indien uit een door een erkenninghouder of de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder afgegeven en door de korpschef goedgekeurde verklaring blijkt dat het betreffende vuurwapen voor gebruik als zodanig ongeschikt is gemaakt op de wijze, beschreven in bijlage II van deze regeling.

Uit het bepaalde in art. 13, tweede lid, WWM volgt dat voor het voorhanden hebben van wapens van categorie I (waaronder de in beslag genomen revolver valt) ontheffing kan worden verleend. In tegenstelling tot wat wordt betoogd door de raadsman, wordt voor wapens van categorie I geen vrijstelling verleend, indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in art. 18, tweede lid, Regeling wapens en munitie (Rwm). Deze vrijstellingsregeling is immers, blijkens het bepaalde in art. 18, eerste lid, Rwm, alleen van toepassing voor het verbod in art. 26 WWM (wapens van categorie II en III). De verdachte kan zich dan ook niet met vrucht beroepen op genoemde vrijstellingsbepaling.

Het hof verwerpt het verweer.

Verandering in de wetgeving

Ten aanzien van de beoordeling van het verweer zijn de volgende, ten tijde van de inbeslagneming op 13 november 2007, geldende bepalingen van belang:

Wet wapens en munitie

Artikel 2

1.Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

Regeling wapens en munitie

Artikel 3

Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen;

b. voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen daarmee een sprekende gelijkenis vertonen;

Lijst a Nabootsingen van vuurwapens

De op de lijsten a en b vermelde wapens zijn verboden in (een combinatie van) de voor wapens gebruikelijke kleuren en in (een combinatie van) de voor de krijgsmacht gebruikelijke kleuren. Indien op lijst a of b een andere dan de voor wapens gebruikelijke of voor de krijgsmacht gebruikelijke kleur wordt vermeld, is het desbetreffende voorwerp tevens in die kleur verboden. Betekenis letters laatste kolom:

r = revolver

i... = imitatie...

s...= speelgoed...

Original smithe gun imitatie revolver ir

Ter gelegenheid van de implementatie van Richtlijn 2009/48/EG (Speelgoedrichtlijn) is in 2014 de Regeling wapens en munitie gewijzigd.

Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2014, nr. 528911 houdende wijziging van de Regeling wapens en munitie in verband met het in overeenstemming brengen met de Richtlijn 2009/48/EG (speelgoedrichtlijn), het aanwijzen van een vakexamen voor erkenninghouders en het formaliseren van bestaand beleid met betrekking tot sportschutters en schietverenigingen (Stct. 2014, nr. 18098, p. 4 en 5)

ARTIKEL I

De Regeling wapens en munitie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan de onderdelen a en b wordt aan het slot van het onderdeel toegevoegd: , met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.

De wetsgeschiedenis bij genoemde gewijzigde regeling luidt als volgt:

Artikelsgewijs

Artikel I.

Onder A en F.

De Speelgoedrichtlijn staat er aan in de weg dat voorwerpen, voor zover zij als speelgoed in de zin van de richtlijn zijn aan te merken en aan de in die richtlijn genoemde veiligheidseisen voldoen, in Nederland worden verboden. Nederland is verplicht de Speelgoedrichtlijn na te komen en de nationale regelgeving die daarmee in strijd is aan te passen. Dit betekent dat in artikel 3 van de Rwm voorwerpen als bedoeld in de richtlijn worden uitgezonderd van de werking van dit artikel. Een wetswijziging (wijziging van artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7, van de Wet wapens en munitie) wordt niet noodzakelijk geacht. Door nu in artikel 3 van de Rwm een uitzondering voor speelgoedwapens als bedoeld in de richtlijn op te nemen, voldoet Nederland aan de Speelgoedrichtlijn. De bijlage 1 a is naar aanleiding van deze richtlijn te komen vervallen. In bijlage 1 b staat ook een aantal wapens die onder de Speelgoedrichtlijn vallen. Verder blijkt deze bijlage verouderd en in de praktijk niet meer goed hanteerbaar. Deze bijlage vervalt derhalve ook.

De betreffende consideransen en bepalingen uit Richtlijn 2009/48/EG luiden:

(3) Door technologische ontwikkelingen op de speelgoedmarkt doen zich echter nieuwe vraagstukken voor in verband met de veiligheid van speelgoed en is meer bezorgdheid

onder consumenten ontstaan. Om rekening te houden met deze ontwikkelingen en om het kader voor verhandelen van speelgoed te verduidelijken, moeten bepaalde aspecten van Richtlijn 88/378/EEG worden herzien en verbeterd; omwille van de duidelijkheid moet die

richtlijn worden vervangen door de onderhavige richtlijn.

(9) Speelgoed dat in de communautaire handel wordt gebracht, dient te voldoen aan de desbetreffende communautaire wetgeving en het is de verantwoordelijkheid van de marktdeelnemers dat hun speelgoed voldoet aan de gestelde eisen, in overeenstemming met de respectieve rol die ze vervullen in de toeleveringsketen, teneinde algemene belangen zoals gezondheid en veiligheid, en de consumenten en het milieu in grote mate te beschermen en eerlijke mededinging op de communautaire markt te waarborgen.

(11) Alle marktdeelnemers die een rol vervullen in de toeleverings- en distributieketen moeten passende maatregelen nemen om te waarborgen dat het speelgoed dat zij in de handel brengen onder normale en redelijkerwijs te voorziene gebruiksomstandigheden geen gevaar vormt voor

de veiligheid en de gezondheid van kinderen en dat zij uitsluitend speelgoed op de markt aanbieden dat aan de desbetreffende communautaire wetgeving voldoet. Deze richtlijn zorgt voor een duidelijke en evenredige verdeling van de verplichtingen overeenkomstig de rol van elke marktdeelnemer in de toeleverings- en distributieketen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna „speelgoed” genoemd).

Het huidige artikel 3 Rwm luidt (inwerkingtreding 2 juli 2014):

Artikel 3

Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG;

b. voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen daarmee een sprekende gelijkenis vertonen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG;

Voorts geldt ten aanzien van verandering in de wetgeving het volgende.

De strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Een uitzondering daarop wordt echter gerechtvaardigd ingeval sprake is van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten. Ingeval na het begaan van het feit de delictsomschrijving is gewijzigd in voor de verdachte gunstige zin, is art. 1, tweede lid, Sr toepasselijk indien, die wetswijziging voortvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit. Met betrekking tot veranderingen die verband houden met delictsomschrijvingen, waaronder begrepen veranderingen in de bestanddelen, alsmede het vervallen van strafbaarstellingen, bijvoorbeeld in verband met de invoering van een ander handhavingsregime kan niet worden gezegd dat deze zijn ingegeven door een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het begane strafbare feit (vgl. HR 12 juli 2011, NJ 2012/78).

Ten laste is gelegd dat de verdachte een wapen van categorie I onder 7, te weten een (nabootsing van een) revolver, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of met een voor ontploffing bestemd voorwerp, (te weten een revolver van het merk/type Original Smithe Gun), zijnde een voorwerp vermeld op de lijst a of lijst b van de bij de Rwm behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.

Uit de verklaringen van de deskundigen volgt dat de revolver ook een voorwerp is dat een sprekende gelijkenis toont met een vuurwapen in de zin van art. 3, onder sub a Rwm en op grond daarvan reeds onder het verbod valt. De deskundige [deskundige 2] heeft ter terechtzitting van 14 november 2013 immers verklaard dat een Original Smithe Gun geen echt wapen is en dat het wapen veel gelijkenis toont met een echt vuurwapen. De deskundige [deskundige 1] heeft dit bevestigd en heeft over dit laatste aspect verklaard dat het wapen gelijkenis vertoond met een bestaand wapen, zijnde een Colt 1860. Een Original Smithe Gun is geen bestaand wapen, maar een fantasienaam om patentproblemen te vermijden met de fabrikanten ‘Colt’ en ‘Smith en Wesson’.

Verder is niet aannemelijk geworden, evenmin is zulks gesteld door de raadsman, dat onderhavig wapen een product is dat ontworpen of bestemd is om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt, als bedoeld in art. 2, eerste lid van de Speelgoedrichtlijn. Dus ook onder de huidige wetgeving is het voorhanden hebben van een dergelijk wapen strafbaar.

Ten slotte volgt naar het oordeel van het hof uit de toelichting op de gewijzigde Regeling wapens en munitie niet dat de wetgever blijk heeft gegeven van een verandering van inzicht omtrent de strafwaardigheid van het feit. Bijlage 1a komt enkel te vervallen vanwege de implementatie van de Speelgoedrichtlijn, die blijkens consideransen 3, 9 en 11 – kort gezegd - ziet op speelgoed dat in de communautaire handel wordt gebracht, en dient te voldoen aan de desbetreffende communautaire wetgeving. Dat heeft geleid tot een aanpassing aan nieuwe technologische ontwikkelingen, de controleerbaarheid van de veiligheid van speelgoed en de bescherming van de consument. Het hof merkt hierbij op dat hoewel in het huidige art. 3 Rwm nog steeds een verwijzing naar de lijsten a en b is opgenomen, dit, gelet op de toelichting op de nieuwe regeling, een kennelijke misslag moet zijn.

Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Naar ’s hofs oordeel is verder ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten uitsluit, zodat deze strafbaar zijn.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het iemand, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, doen van een gift onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 15 april 2014 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het hof hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Uit de bewezen verklaarde feiten volgt dat de verdachte voor bijna drie miljoen euro heeft witgewassen en valse facturen heeft opgesteld en voorhanden heeft gehad. Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is derhalve op zijn plaats, waarbij het hof voorts de volgende factoren betrekt.

De verdachte heeft een reeks van valse overeenkomsten en facturen opgesteld en geaccepteerd, en de daarmee samenhangende geldstromen beheerd. Hij heeft daarvoor een ruime vergoeding ontvangen. De omvang van dit voordeel is, bij gebrek aan een (volledig bewaard gebleven) deugdelijke administratie, moeilijk te becijferen. Het loopt uiteen van bijna € 1 miljoen die in de ontnemingsprocedure is gevorderd, tot (na diverse correcties) maximaal € 225.064 zoals bij pleidooi verdedigd. Uit het dossier blijkt echter wel dat de verdachte het afgesproken (wisselend) percentage waar mogelijk probeert te verhogen, en zijn inkomsten in ieder geval zelf goed bijhoudt.

Door mee te werken aan het witwassen (met het opstellen en accepteren van valse overeenkomsten en facturen) werd de werkelijke aard van de geldstromen verhuld en werd(en) de uiteindelijk gerechtigde(n) bewust buiten beeld gehouden. Het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van geschriften en daarop gestoelde betalingen, is daarbij in ernstige mate geschaad.

Anders dan de verdediging stelt had de verdachte daarin geen beperkte rol, maar juist een centrale, faciliterende rol. Opvallend is ook het kennelijke gemak waarmee de verdachte overging tot deze handelingen, terwijl hij zich zeer wel bewust was van de onjuistheid van de door hem opgestelde en gehanteerde stukken. De verdachte is ook niet op enig moment - uit eigen beweging - gestopt, maar heeft meegewerkt tot het moment van de landelijke invallen. Dat de verdachte niet wist (omdat de medeverdachte [medeverdachte 1] hem, zoals ook zijn medeverdachten, slechts beperkt informeerde), acht het hof daarbij niet van belang. Het hof acht immers bewezen dat de verdachte wist dat de gelden afkomstig waren uit enig misdrijf.

Bij het bepalen van de straf slaat het hof acht op de lange periode (medio 2000 tot eind 2007) waarin de verdachte heeft meegewerkt aan strafbare feiten.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dat wat resteert aan zijn vermogen ter beschikking heeft gesteld aan de benadeelde partijen, de Belastingdienst en het UWV (par. 335, pleitnoties). Ter terechtzitting van 16 februari 2014 heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat het openbaar ministerie akkoord is gegaan met de vaststellingsovereenkomst die door de verdachte en de benadeelde partijen is gesloten. Het hof neemt daar notie van en merkt daarbij wel op dat de vordering van het UWV, naar blijkt uit het vonnis van de rechtbank Midden Nederland van 5 maart 2014 (met kenmerk ECLI:NL:RBMNE:2014:1004) voortkomt uit niet opgegeven werkzaamheden voor de medeverdachte [medeverdachte 1] in het kader van de door de verdachte genoten arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Het hof onderkent dat de media-aandacht voor de verdachte bepaald belastend is geweest. Echter, deze aandacht is het direct gevolg van de aard en (ongekend) grote omvang van de gepleegde fraude waaraan de verdachte een belangrijke bijdrage heeft geleverd, over een lange periode. Alsdan ziet het hof geen aanleiding dit te verdisconteren in de op te leggen straf.

De raadsman heeft nog het volgende betoogd ten aanzien van de strafmaat.

Sfeerovergang

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat op 12 april 2006 een onderzoek ex art. 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is uitgevoerd bij (de accountant) van de verdachte. Volgens het getuigenverhoor van de belastingambtenaar [getuige 2] is daarbij een groot aantal documenten overgelegd, welke hebben geleid tot nader onderzoek tegen de verdachte dan wel door het openbaar ministerie als bewijsmiddel zijn gebruikt in zijn strafzaak Er zijn aanwijzingen dat sprake is geweest van controlebevoegdheden die mede zijn gebruikt voor opsporingsdoeleinden. Omdat handelingen die mede als opsporingshandeling ten onrechte niet zijn geverbaliseerd, kenmerkt de aanvang van het onderzoek zich door een gebrek aan verslaglegging. Het gebruik van stukken en informatie uit de controleonderzoeken leidt tot een schending van art. 6 EVRM. Het gaat om drie schendingen van vormvoorschriften bij het voorbereidend onderzoek die niet meer kunnen worden hersteld. Dit moet worden meegewogen in de strafmaat (par. 286, 287, 302, 304, 306, 307, 310 pleitnotities).

Beoordeling

Het hof overweegt als volgt.

De getuige [getuige 2] (controlemedewerker, tevens ‘bouwaccountant’ bij de Belastingdienst) heeft verklaard dat hij naar aanleiding van de bevindingen bij [rechtspersoon 5], tezamen met zijn collega [getuige 3] op grond van artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) op 12 april 2006 op het kantoor van K2-3 Accountants (de adviseur van [rechtspersoon 1]) een derdenonderzoek heeft ingesteld. De getuige [getuige 2] en zijn collega wilden bij [rechtspersoon 1] vaststellen wie de begunstigden waren van de opdracht die [rechtspersoon 5] aan [rechtspersoon 1] ad. € 1.850.000 had verstrekt. Het was immers mogelijk dat [rechtspersoon 1] op haar beurt de ontvangen bedragen uit deze opdracht weer had doorbetaald, en dan wilden ze controleren of deze (uiteindelijke) begunstigden deze ontvangsten in hun fiscale aangifte hadden verantwoord.

Voorafgaand aan dit derdenonderzoek heeft de getuige [getuige 2] op 7 april 2006 telefonisch contact gehad met de verdachte. Vanwege diens komende afwezigheid is afgesproken het derdenonderzoek op het kantooradres van zijn adviseur te laten plaatsvinden. Gedurende dat onderzoek bij [rechtspersoon 1] stond de administratie van [rechtspersoon 1] voor de getuige [getuige 2] en zijn collega voor inzage ter beschikking. De getuige [getuige 2] heeft een aantal documenten uit de administratie van [rechtspersoon 1] gekopieerd. Alle gekopieerde documenten zijn opgenomen in het controledossier. Voor vragen omtrent documenten en specificaties hebben de getuige [getuige 2] en zijn collega gesproken met de adviseur van [rechtspersoon 1]. Er zijn aan hem geen inhoudelijke vragen gesteld over de bedrijfsactiviteiten van [rechtspersoon 1] (getuige [getuige 2], G002-01, p. 27, 30 ).

De verdachte is op 13 november 2007, meer dan een jaar na het derdenonderzoek bij [rechtspersoon 1], aangehouden (proces-verbaal van aanhouding en overdracht van 15 november 2007, VERD30-01).

Uit het verhoor van de getuige [getuige 2] volgt dat documenten zijn gekopieerd uit de administratie van [rechtspersoon 1]. Voorts volgt uit de FIOD-verhoren van de verdachte dat hij is geconfronteerd met deze stukken. Dit heeft echter geen strafprocessuele gevolgen zoals de raadsman betoogt.

Daarbij stelt het hof voorop dat op controleonderzoeken, zoals verricht door de Belastinginspecteur, in beginsel, niet het bepaalde van art. 6 EVRM van toepassing is (vgl. EHRM 21 september 1994, NJ 1995/463, Fayed/UK, r.o. 61, 62 en 63). Ten tweede is de verdachte, bij het hierboven omschreven boekenonderzoek, op geen enkel moment gedwongen geweest om wilsafhankelijke informatie te verschaffen aan de Belastinginspecteur. Het ging immers om een derdenonderzoek bij [rechtspersoon 1], waarbij alleen stukken uit de administratie zijn gekopieerd en (ook aan de adviseur van de verdachte) geen inhoudelijke vragen zijn gesteld (over de bedrijfsactiviteiten van [rechtspersoon 1]). Aldan is er geen sprake geweest van een situatie waarin het ‘privilege against self-incrimination’ aan de orde is geweest (vgl. EHRM 29 juni 2007, NJ 2008/25, O’Halloran & Francis/UK, r.o.44 e.v.).

Verder is van misbruik van bevoegdheden alleen dan sprake indien de bevoegdheden uit de AWR uitsluitend zijn toegepast met het oog op een ander doel dan de controle op naleving van de belastingvoorschriften (vgl. HR 21 november 2006, NJ 2006/653). De getuige [getuige 2] heeft in dit kader verklaard dat het derdenonderzoek bij [rechtspersoon 1] een fiscale strekking had. Voorts is ook anderszins niet aannemelijk geworden dat jegens de verdachte controlebevoegdheden zijn gebruikt die alleen zijn gebruikt voor opsporingsdoeleinden. Naar het oordeel van het hof volgt dat ook uit het proces-verbaal aanleiding onderzoek (AH-074) en de uitgebreide getuigenverhoren die door de controle- en opsporingsambtenaren van de Belastingdienst in eerste aanleg bij de rechter-commissaris zijn afgelegd.

Het strafmaatverweer wordt dan ook door het hof verworpen.

Eendaadse samenloop

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van eendaadse samenloop inzake het voorhanden hebben van de valse facturen. Het gaat dan om de facturen die betrekking hebben op de getuige [medeverdachte 2] (het ten laste gelegde feit onder 4) en de daarop betrekking hebbende witwashandelingen (het ten laste gelegde feit onder 5: par. 160 t/m 163, pleitnotities).

Beoordeling

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Art. 55, eerste lid, Sr bepaalt:

Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Art. 56, eerste lid, Sr bepaalt:

Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of overtreding opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Wil er sprake zijn van eendaadse samenloop dan dienen de betrokken strafbepalingen een vergelijkbare strekking te hebben, dient er sprake te zijn van eenheid van tijd en plaats, alsmede een wezenlijke samenhang te zijn in de overtreding van de verschillende strafbepalingen (vgl. HR 15 februari 1932, NJ 1932/p. 289 en HR 24 april 1984, NJ 1984/639).

Wil er sprake zijn van een voortgezette handeling dan dient er sprake te zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit en verder dient er sprake te zijn van de gelijksoortigheid van de betrokken bewezenverklaarde strafbare feiten (vgl. HR 23 september 1980, NJ 1981/7).

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich in de periode van 18 februari 2005 t/m 13 november 2007, schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een tweetal valse facturen, ten bedrage van in totaal € 280.380, afkomstig van [architectenbureau]/[medeverdachte 2] en gericht aan [rechtspersoon 1] (het bewezenverklaarde feit onder 4). Verder is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door, onder andere, gelden over te dragen, terwijl die zijn verkregen uit enig misdrijf en gepleegd in de periode van 4 juni 2004 t/m 28 februari 2007 (het bewezenverklaarde feit onder 5). Naar het oordeel van het hof is hierbij geen sprake van eendaadse samenloop. Er is geen sprake is van eenheid van tijd en plaats, gelet op de data van het versturen en ontvangen van de betreffende facturen en de datum van uitbetaling door de verdachte. Bovendien hebben beide bepalingen geen vergelijkbare strekking.

Het verweer wordt verworpen.

Detentieongeschiktheid

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft verzocht af te zien van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu de verdachte niet in staat zou zijn een nadere vrijheidsstraf te ondergaan (par. 348 pleitnotities). Hierbij heeft de raadsman gewezen op verschillende overgelegde stukken die de gezondheid van de verdachte betreffen en op bevindingen van het Bureau Individuele Medische Advisering (BIMA) van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Deze houden in dat de verdachte momenteel detentieongeschikt is. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de verdachte in de toekomst wel detentiegeschikt zou kunnen worden geacht is, volgens de raadsman, een vrijheidsbenemende straf niet wenselijk of doelmatig. De verdachte heeft grote angst voor opsluiting en een dergelijke strafdreiging zal het herstel van de psychische gezondheid van de verdachte vermoedelijk beletten. Bovendien is geenszins zeker dat de verdachte de straf ooit zal ondergaan. Het is volgens de raadsman daarom beter (een groot deel van) de straf op te leggen in de vorm van een taakstraf.

Beoordeling

Het hof maakt het volgende op uit de stukken die de gezondheid van de verdachte betreffen en komt tot het volgende oordeel.

In een reclasseringsadvies van 6 maart 2013 zijn de bevindingen van door de psychiater [psycholoog 1] uitgevoerde verdiepingsdiagnostiek van 25 februari 2013 opgenomen. Deze bevindingen houden in dat de verdachte lijdt aan een ernstige depressieve stoornis en aan een angststoornis. Deze angststoornis lijkt een combinatie van PTSS-klachten, paniekklachten en gegeneraliseerde angstklachten te zijn. De PTSS-klachten en paniekklachten lijken ‘de laatste tijd’ te zijn versterkt door de strafzaak, de detentie (het hof begrijpt: de voorlopige hechtenis) en de detentiedreiging, aldus [psycholoog 1]. Uit een brief van de psycholoog [psycholoog 2] van 15 oktober 2013 blijkt dat bij de verdachte sprake is van depressieve klachten en van een hoog suïciderisico.

Het Bureau Individuele Medische Advisering (BIMA) heeft op 18 april 2014 aan het openbaar ministerie laten weten dat de verdachte niet geschikt is voor detentie. In een brief van de aan het BIMA verbonden arts [arts], van 28 oktober 2014, schrijft deze arts - op basis van informatie van de huisarts van verdachte en van de instelling waar de verdachte behandeling ondergaat- dat de verdachte ambulant onder behandeling is. De verdachte maakt wel vorderingen maar er is nog steeds sprake van een hoog suïciderisico. Op grond van de verkregen informatie acht [arts] de verdachte op het moment van schrijven niet geschikt voor detentie.

Uit de berichten van het BIMA van 18 april 2014 en 28 oktober 2014 leidt het hof af dat de verdachte in ieder geval gedurende de periode april tot november 2014 detentieongeschikt was, vanwege (hoofdzakelijk) zijn psychische gesteldheid. Uit die berichten blijkt ook dat het BIMA zijn conclusies dat de verdachte op dat moment detentieongeschikt was, telkens heeft gebaseerd op de situatie van de verdachte zoals die op de momenten van schrijven is gebleken en voorts dat in die situatie verandering kan komen. Op 18 april 2014 schrijft het BIMA immers dat de verdachte ‘(nog)’ niet geschikt was voor detentie en op 28 oktober 2014 dat de verdachte ‘op dit moment’ niet geschikt was voor detentie. Ook schrijft [arts] in zijn brief van 28 oktober 2014 dat de verdachte vorderingen maakt en uit het bericht van [deskundige 3] blijkt dat verbetering van de psychische gezondheid van de verdachte in ieder geval niet is uitgesloten. Het hof merkt op dat de verdediging bij pleidooi deze mogelijkheid van verbetering van de situatie van de verdachte ook heeft onderkend.

Ook indien het hof aanneemt dat de detentieongeschiktheid van de verdachte heeft voortgeduurd tot het moment van deze einduitspraak op het hoger beroep, ligt naar ’s hofs oordeel in het feit dat de verdachte momenteel detentieongeschikt is geen reden af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Niet is uitgesloten dat de verdachte in de (nabije) toekomst zodanig herstelt, dat hij gevangenisstraf kan ondergaan. Een nader onderzoek door het BIMA kan dan uitsluitsel geven. Het zou zeer indruisen tegen het rechtsgevoel thans vooruit te lopen op het uitblijven van herstel van de verdachte en af te zien van de straf die op grond van zijn strafbare handelen passend is, terwijl hij na verbetering van zijn situatie wel in staat zou zijn detentie te ondergaan.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat detentiedreiging het herstel van de psychische toestand van de verdachte ‘vermoedelijk’ zal beletten. Dat door de detentiedreiging, na dit arrest, sprake zal zijn van algehele beletting van herstel is echter niet aannemelijk geworden. De psycholoog [psycholoog 1] heeft weliswaar vermeld dat detentiedreiging een factor is geweest die eerder de PTSS-klachten en paniekklachten van de verdachte lijkt te hebben versterkt. Maar medische informatie waaruit blijkt dat de dreiging die uitgaat van bij dit arrest op te leggen gevangenisstraf, op zo’n wijze afbreuk doet aan het herstelperspectief van de verdachte dat dit in feite zou leiden tot blijvende detentieongeschiktheid, is niet aan het hof voorgelegd.

Het hof gaat voorbij aan het verzoek af te zien van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Redelijke termijn

Ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het hof als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft in beginsel het volgende te gelden.

Wat betreft de berechting van een zaak in eerste aanleg dient de zaak ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel, eveneens behoudens bijzondere omstandigheden.

Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Ervan uitgaande dat bedoelde termijn in eerste aanleg een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten 13 november 2007, kan worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis is gewezen, de vervolging van verdachte meer dan vier jaren in beslag heeft genomen. Ten aanzien van de procedure bij het hof is de termijn aangevangen op 7 februari 2012, de datum waarop door de verdachte hoger beroep is ingesteld. Nu het hof op 27 februari 2015 uitspraak doet, heeft de hoger beroepsprocedure meer dan drie jaren in beslag genomen.

Het hof acht de duur van de strafprocedure in eerste aanleg en hoger beroep onwenselijk maar niet onredelijk, in aanmerking nemend de omvang van het door de FIOD verrichte onderzoek waarbij een groot aantal (rechts)personen als verdachte is aangemerkt en dat ook nog na 13 november 2007 heeft plaatsgevonden, de enorme omvang en de complexiteit van het Klimop-dossier, het uitgebreide onderzoek dat mede op verzoek van de verdediging in de zaak van verdachte en in de zaken van medeverdachten heeft plaatsgevonden, alsook de tijd die de behandeling van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen.

Al het voorgaande waarbij het hof tevens acht heeft geslagen op de overigens nog door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden, brengt met zich dat aan de verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 140, 225, 328ter en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6, 7 en 8 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van
mr. R. Cozijnsen en mr. M.E. Olthof, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2015.