Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:658

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
23-000617-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BV2199
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1384, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klimop. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. Veroordeling voor valsheid in geschrift en deelneming aan een criminele organisatie. Toepassing LOVS oriëntatiepunten voor fraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000617-12

datum uitspraak: 27 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 in de strafzaak onder de parketnummer 15/996517-08 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 november 2012, 13 september 2013, 30 januari 2014, 11 februari 2014, 16 september 2014,
1 december 2014, 3 december 2014 en 16 februari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij
artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Wat aan de verdachte ten laste is gelegd is als bijlage 1 aan dit verkorte arrest gehecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Aangezien in hoger beroep wijzigingen van de tenlastelegging zijn toegelaten, en het hof derhalve op een andere grondslag heeft beraadslaagd dan de rechtbank, zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Bespreking van de ten laste gelegde feiten

De ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 (valsheid in geschrift)

De verdachte heeft deze feiten bekend. Het hof merkt de verdachte aan als pleger en niet als feitelijk leidinggever, aangezien uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zelf de strafbare handelingen heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en [rechtspersoon 1] (voorheen: [rechtspersoon 1]) slechts heeft gebruikt als middel om de strafbare gedragingen te kunnen plegen.

Het ten laste gelegde feit onder 3 (deelname aan een criminele organisatie)

Standpunt verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 3 vrijspraak bepleit en daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

De verdachte is in 1999 ingegaan op een voorstel van de medeverdachte [medeverdachte 1], destijds een zeer gerespecteerd zakenman, om ‘iets in vastgoed’ te gaan doen. De verdachte had geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de goede bedoelingen van de medeverdachte [medeverdachte 1]. De verdachte heeft weliswaar facturen valselijk opgemaakt, maar hij verkeerde in de veronderstelling dat dit nodig was om geld te creëren om het bedrijf [rechtspersoon 1] mee op te zetten. Hij heeft zich in zijn naïviteit, die in de periode 1999-2002 volgens de verdediging ‘aandoenlijke proporties’ aannam, laten meeslepen. Deze naïviteit staat in de weg aan een bewezenverklaring van het onvoorwaardelijke opzet op deelname aan een criminele organisatie en het oogmerk van de criminele organisatie. Dat de verdachte als medepleger facturen heeft vervalst, wat de verdachte niet ontkent, is volgens de verdediging niet gelijk te stellen met deelname aan een criminele organisatie. De verdachte werd door de medeverdachte [medeverdachte 1] ook niet betrokken in de besluitvorming en hij wist niet van enige benadeling van Bouwfonds (paragrafen 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 2.19, 2.21 en 2.24, pleitnotities).

Beoordeling

Het hof verwerpt het verweer, op de navolgende gronden.

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij als directeur bij Bouwfonds bij derden zogenoemde geldpotjes creëerde waaruit ‘moeilijke facturen’ werden betaald, om zodoende deze ‘moeilijke betalingen’ niet in de administratie van Bouwfonds te hoeven verantwoorden. De verdachte, zo verklaart de medeverdachte [medeverdachte 1], was een dergelijke tussenpersoon “die wilde samenwerken, die groot wilde worden, die rijk wilde worden en bereid was betalingen te verrichten”. De verdachte had volgens de medeverdachte [medeverdachte 1] een faciliterende rol en hij werd daarvoor betaald.

De verdachte is dit samenwerkingsverband in 1999 aangegaan met de inmiddels overleden [medeverdachte 2] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] (hierna ook wel: ‘het drietal’). Ten behoeve van deze samenwerking heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] een aparte vennootschap opgericht - te weten [rechtspersoon 1], hierna [rechtspersoon 1]- en in het WTC te Amsterdam een kantoorruimte gehuurd.

Deze vennootschap verkreeg inkomsten door het uitschrijven - door de verdachte of zijn echtgenote [getuige], op aanwijzingen van het drietal - van valselijk opgemaakte facturen voor zogenaamd door [rechtspersoon 1] verrichte werkzaamheden. De onder feit 1 ten laste gelegde factuur is hiervan een voorbeeld. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof evenwel af dat vanuit de vennootschap nooit enige werkzaamheden zijn ondernomen. De gehuurde kantoorruimte in het WTC is ook nooit als zodanig gebruikt. De door middel van de valse facturen ontvangen geldbedragen werden vervolgens (voor het grootste deel) doorbetaald aan derden. Daartoe werden valse facturen verzonden aan [rechtspersoon 1], zoals de onder feit 2 ten laste gelegde facturen. De op deze kostenfacturen omschreven werkzaamheden en diensten zijn in werkelijkheid niet voor [rechtspersoon 1] verricht. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat [rechtspersoon 1] als doorgeefluik heeft gefungeerd. Het verschil tussen de door [rechtspersoon 1] ontvangen bedragen, en de vervolgens aan derden doorbetaalde gelden, mocht de verdachte houden. De verdachte omschrijft dat zelf als ‘provisie’ die hij krijgt door “facturen te sturen”.

Het hof acht bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de ten laste gelegde criminele organisatie vanaf het moment dat hij op aanwijzingen van het drietal, op naam van [rechtspersoon 1], facturen is gaan sturen voor niet verrichte werkzaamheden. Zo de verdachte er bij de eerste contacten met de medeverdachte [medeverdachte 1] nog vanuit is gegaan een legitieme samenwerking op het terrein van de vastgoedontwikkeling aan te gaan, moet hij vanaf dat moment hebben begrepen dat daarvan geen sprake was. In ieder geval volgt uit de aard van deze handeling - het op aanwijzing van derden sturen van een valse factuur en het zodoende op oneigenlijke gronden ontvangen van geld - dat de verdachte vanaf dat moment (in zijn algemeenheid) heeft geweten dat de organisatie tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven (in de zin van onvoorwaardelijk opzet).

De eerste factuur (in het dossier) betreft de factuur van 24 februari 1999 voor een ‘introduktie courtage’ van fl. 75.000 aan Bouwfonds (betaald op 26 maart 1999).

Sindsdien is tot aan de betaling van [rechtspersoon 4] aan [rechtspersoon 1] op 12 november 2002, in feite sprake geweest van het door de verdachte creëren van een papieren werkelijkheid: een facturen- en geldstroom zonder enige realiteitswaarde. Aangezien de verdachte voor dit strafwaardig handelen rijkelijk werd beloond -blijkens de hoogte van de genoten ‘provisie’ waaruit aanzienlijke salarissen aan hem en zijn toenmalige echtgenote (waar nauwelijks werkzaamheden tegenover stonden) konden worden betaald, alsmede de afkoop van alimentatie en een betaling van fl. 600.000 van [rechtspersoon 1] aan [rechtspersoon 2]- acht het hof iedere vorm van naïviteit bij de verdachte omtrent het misdadige oogmerk van de organisatie en zijn deelname daaraan, uitgesloten. Dit verhoudt zich ook niet met de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] dat de verdachte rijk wilde worden en bereid was tot het verrichten van betalingen.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte door bovengenoemde faciliterende handelingen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, omdat hij met genoemde gedragingen een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekten tot en rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie (vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3). De verdachte behoorde tot die organisatie en hij had ook wetenschap van het oogmerk van de organisatie.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

(PROJECT SOLARIS)

PRIMAIR

Hij op 19 december 2000 in Nederland, een factuur van [rechtspersoon 1] gericht aan [rechtspersoon 3] ten bedrage van Fl. 1.000.000 (exclusief btw) (D-0992/D-1574/D-1974), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of laten opmaken, immers heeft hij valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op die factuur vermeld dat door of namens [rechtspersoon 1] werkzaamheden en diensten zijn verricht ten behoeve van [rechtspersoon 3], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en diensten niet zijn verricht, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

2

PRIMAIR

Hij in de periode van 17 juli 2000 tot en met 27 december 2000, in Nederland, opzettelijk voorhanden heeft gehad,

  • -

    vijf valse facturen van [rechtspersoon 5] gericht aan [rechtspersoon 1] ten bedrage van in totaal Fl. 1.100.000 (exclusief btw) (D-1964 en D-1934 en D-1935 en D-1936 en D-1937), en

  • -

    een valse factuur van [rechtspersoon 6] gericht aan [rechtspersoon 1] ten bedrage van Fl. 300.000 (exclusief btw) (D-1973),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl verdachte wist dat die geschriften bestemd waren tot gebruik als ware die geschriften echt en onvervalst, en bestaande die valsheid hierin dat op die facturen is vermeld dat door of namens [rechtspersoon 5] of [rechtspersoon 6] werkzaamheden en/of diensten zijn verricht ten behoeve van [rechtspersoon 1], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht;

3

(PROJECTEN HOLLANDSE MEESTER & SOLARIS & COOLSINGEL)

Hij in de periode van 24 februari 1999 tot en met 12 november 2002, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer valsheid in geschrift.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Naar ’s hofs oordeel is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten uitsluit, zodat deze strafbaar zijn.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Valsheid in geschrift.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, subsidiair 100 (honderd) dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitiele documentatieregister van 6 februari 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het hof hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Uit de bewezenverklaarde feiten volgt dat de verdachte een valse factuur voor een miljoen gulden heeft opgemaakt en daarnaast valse facturen voorhanden heeft gehad tot een bedrag van bijna anderhalf miljoen gulden. Naast dit benadelingsbedrag slaat het hof acht op het voordeel dat aan de verdachte zelf is toegekomen. Uitgaande van de betaling van [rechtspersoon 1] aan [rechtspersoon 2], de hoogte van de jaarsalarissen voor de verdachte en zijn echtgenote, en het bedrag voor het afkopen van de alimentatie, gaat het om een bedrag van minimaal een miljoen gulden (ongeveer € 450.000). Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is derhalve op zijn plaats, waarbij het hof voorts de volgende factoren betrekt.

De verdachte heeft met de drijfveer op een gemakkelijke wijze veel geld te verdienen - als eigenaar van een goedlopend assurantiebedrijf daartoe bepaald niet genoodzaakt- zich ervoor geleend enige jaren als doorgeefluik van gelden te functioneren. Als schakel in een samenwerkingsverband met onder andere [medeverdachte 2] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3], heeft hij zich aan een flink aantal valsheiddelicten schuldig gemaakt. Dergelijke delicten veroorzaken nadeel en leiden tot schending van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer gesteld moet kunnen worden in de juistheid van geschriften.

Het hof heeft acht geslagen op de lange periode waarin de strafbare feiten zijn begaan, bijna vier jaar van begin 1999 tot november 2002.

Op zich is aannemelijk dat de verdachte in de jaren dat hij aan de criminele organisatie deelnam niet de volledige omvang overzag van wat zich binnen het samenwerkingsverband afspeelde. Dit laat onverlet dat de verdachte als doorgeefluik telkens grote tot zeer grote geldbedragen heeft ontvangen. Aan dit opstellen en ontvangen van valse facturen, en het ontvangen en betalen van gelden voor niet verrichte werkzaamheden, heeft de verdachte veel geld overgehouden, terwijl daar geen legitieme grondslag voor was. Het hof acht het handelen van de verdachte dan ook zeer strafwaardig. Het zijn juist dergelijke, in dit geval zeer goed betaalde, faciliterende rollen als die de verdachte heeft vervuld, die grootschalige fraude- en witwasverbanden (mede) mogelijk maken, doordat door de valse facturen een onjuist karakter wordt meegegeven aan geldbedragen.

Ook heeft de verdachte slechts beperkt blijk gegeven zich bewust te zijn van de ernst van zijn zelfverkozen kwalijke rol. Daar komt bij dat de verdachte niet zelf, uit eigen beweging is gestopt, maar dat hem de samenwerking door het drietal (eenzijdig) is opgezegd. Dat van het door de verdachte ontvangen bedrag niets resteert en het de verdachte daarmee aan de mogelijkheid heeft ontbroken met het openbaar ministerie te transigeren (hij kon op geen enkele wijze aan de ontnemingsvordering voldoen), is niet aan anderen maar slechts aan (het bestedingspatroon van) de verdachte toe te rekenen.

Het hof heeft oog gehad voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals de raadsman die naar voren heeft gebracht, en zoals die blijken uit het de verdachte betreffende reclasseringsrapport van 18 januari 2013.

Deze laatstgenoemde (persoonlijke) omstandigheden doen er naar het oordeel van het hof echter niet aan af dat het handelen van de verdachte een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigt. Het hof gaat voorbij aan het verzoek van de verdediging aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Dit zou geenszins recht doen aan de hiervoor geschetste ernst van de feiten.

Door de verdediging is als strafverminderend aspect nog aangevoerd dat de verdachte van meet af aan heeft meegewerkt aan het onderzoek. Het hof onderkent dat, maar het leidt, gezien de ernst van de strafbare feiten en de lange duur waarbinnen de feiten zijn gepleegd, niet tot matiging van de straf.

Ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het hof als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft in beginsel het volgende te gelden.

Wat betreft de berechting van een zaak in eerste aanleg dient de zaak ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel, eveneens behoudens bijzondere omstandigheden.

Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Als beginpunt van de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde termijn heeft te gelden het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem inzake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld (HR 17 juni 2008, NJ 2008/358). De inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding dienen als zodanige handelingen te worden aangemerkt (vgl. HR 5 juni 2007, JOL 2007/393, r.o 3.3 en HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, r.o 3.12). Nu de verdachte niet in verzekering is gesteld heeft als aanvangstermijn van de redelijke termijn te gelden 11 juni 2010, zijnde de datum waarop de inleidende dagvaarding is betekend. Ten aanzien van de procedure bij het hof is de termijn aangevangen op 7 februari 2012, de datum waarop door de verdachte hoger beroep is ingesteld. Het hof doet op 27 februari 2015 uitspraak.

Gelet hierop kan worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis is gewezen, 27 januari 2012, de vervolging van verdachte minder dan twee jaar in beslag heeft genomen, zodat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden.

In hoger beroep heeft de vervolging evenwel meer dan drie jaar geduurd. Het hof acht deze duur van de strafprocedure in hoger beroep onwenselijk maar niet onredelijk, in aanmerking nemend de enorme omvang en de complexiteit van het Klimop-dossier, alsook de tijd die de behandeling van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen.

Al het voorgaande, waarbij het hof tevens acht heeft geslagen op de overigens nog door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden, brengt met zich dat aan de verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt opgelegd en die hoger is dan door de rechtbank is opgelegd, wat een gevolg is van het anders waarderen van de strafmaatbepalende factoren.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van
mr. R. Cozijnsen en mr. M.E. Olthof, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2015.