Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:654

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
23-000621-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1382, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor BV omdat de vertegenwoordiger als pleger wordt aangemerkt die de BV alleen als middel heeft gebruikt om de strafbare feiten te kunnen plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000621-12

datum uitspraak: 27 februari 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 in de strafzaak onder de parketnummer 15-996528-07 tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
19 november 2012, 10 december 2012, 30 januari 2013, 13 september 2013, 24 oktober 2013, 5 november 2013, 7 november 2013, 18 november 2013, 10 december 2013, 17 december 2013, 28 januari 2014, 30 januari 2014, 11 februari 2014, 20 maart 2014, 17 april 2014, 27 mei 2014, 16 september 2014, 20 oktober 2014, 29 oktober 2014, 16 februari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat namens de verdachte en door de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300.000,-.

Tenlastelegging

Wat aan de verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste is gelegd is als bijlage 1 aan dit verkorte arrest gehecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Aangezien in hoger beroep een wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, en het hof derhalve op een andere grondslag heeft beraadslaagd dan de rechtbank, zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. Tevens komt het hof tot andere bewijsbeslissingen dan de rechtbank.

Bespreking van de formele verweren

Geldigheid van de dagvaarding (de ten laste gelegde feiten onder 2 en 5)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft gesteld dat inzake de ten laste gelegde feiten onder 2 en 5 (deelname aan een criminele organisatie), de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard. Immers, het oogmerk van de criminele organisatie kan niet gericht zijn op een culpoos delict als schuldwitwassen. Dat is zowel onbegrijpelijk als tegenstrijdig (par. 230, 368, pleitnotities).

Beoordeling

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van art. 261, eerste lid, Sv behelst de inleidende dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de inleidende dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen (HR 21 april 1998, NJ 1998/782). Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn (HR 14 mei 1996, NJ 1997/720), in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig (HR 14 oktober 1975, NJ 1976/149 en HR 8 december 1987, NJ 1988/539) en in de derde plaats voldoende feitelijk. Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig als daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar bestaanbaar zijn. Een dagvaarding behoeft zich niet uit te laten over de voor de strafbaarheid irrelevant zijnde aard en omvang van nadere bijzonderheden waarvan de vermelding niet op straffe van nietigheid wordt verlangd (HR 5 mei 1964, NJ 1964/418).

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de inleidende dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten (HR 14 november 2000, NJ 2001/18). Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt (HR 29 november 1988, NJ 1989/682 en HR 26 januari 1988, NJ 1988/792). Ook de inhoud van de door de verdediging overgelegde pleitnotities mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen (HR 20 maart 2001, NJ 2001/330), net als de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting (HR 9 november 2004, NbSr 2004/470).

Het hof verstaat de verweren van de verdediging omtrent de nietigheid van de inleidende dagvaarding aldus dat de betwiste gedeelten van de tenlastelegging naar mening van de verdediging innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk zijn. Het hof is van oordeel dat gezien de inhoud van het complete dossier en het geheel van de ten laste gelegde feiten in onderlinge samenhang bezien, de vertegenwoordiger van de verdachte, [vertegenwoordiger], in staat moet worden geacht de tekst van de tenlastelegging te hebben begrepen. Daarnaast heeft de vertegenwoordiger van de verdachte tijdens zijn verhoren, in het bijzonder op de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2014, blijk gegeven begrip te hebben van de tenlastelegging.

De inleidende dagvaarding behelst derhalve naar het oordeel van het hof een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. Het hof is, gezien het bovenstaande, van oordeel dat de inleidende dagvaarding aan de vereisten van art. 261 Sv voldoet en verwerpt derhalve het verweer. Overigens - doch dit ten overvloede - is het hof van oordeel dat het hier eerder gaat om een kwalificatieverweer, en niet om een nietigheidsverweer.

Vrijspraak van de ten laste gelegde feiten onder 1 t/m 5

Ambtshalve overweging

De vertegenwoordiger van de verdachte is zelf ook verdachte in de Klimopzaak. Hij heeft op verzoek van de medeverdachte [medeverdachte] als ‘potje’ (voor gelden) gefungeerd. Voor het ontvangen en verrichten van betalingen heeft de vertegenwoordiger van de verdachte gebruik gemaakt van zijn BV’s, waaronder de verdachte. De onderhavige ten laste gelegde feiten worden ook de vertegenwoordiger van de verdachte, als pleger dan wel als feitelijk leidinggever, verweten.

In de zaak van de vertegenwoordiger van de verdachte heeft het hof overwogen dat hij als pleger van de strafbare feiten dient te worden aangemerkt, omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat de vertegenwoordiger van de verdachte zelf alle strafbare handelingen heeft verricht en hij zijn BV’s, waaronder de verdachte, daarbij enkel heeft gebruikt als middel om de strafbare gedragingen te kunnen plegen.

Dit leidt er toe dat de verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van
mr. R. Cozijnsen en mr. M.E. Olthof, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2015.