Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:643

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
23-001577-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Lampion.

Vrijspraak voorbereiding moord. Bewezenverklaring medeplegen van het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen met munitie. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001577-13

datum uitspraak: 27 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 maart 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-740023-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats],

thans uit andere hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Lelystad, te Lelystad

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2014, 13 mei 2014, 21 januari 2015, 13 februari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:
hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 20 oktober 2011 tot en met 10 november 2011, althans op of omstreeks 09 en/of 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer en/of Amstelveen en/of Amsterdam, ter voorbereiding van het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer perso(o)n(en) ([betrokkene], dan wel een of meer anderen) van het leven te beroven, opzettelijk een of meer voorwerpen, te weten:

- een (gestolen) auto (voorzien van valse/vervalste nummerplaten)

- een (doorgeladen) pistool (merk: Glock, type 17) en/of

- een patroonhouder (voor een Glock 17) en/of

- een of meer andere (vuur) wapens en/of

- 27, althans een of meer patronen (van 2 verschillende kalibers) en/of

- een of meer motorhelmen en/of

- handschoenen en/of

- een of meer muts(en)/petje(s) en/of

- een afgeknipte sok en/of

- een blauw magneetzwaailicht ("politiezwaailicht") en/of

- donkere kleding;

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

subsidiair:
hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of omstreeks 09 en/of 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer en/of Amstelveen en/of Amsterdam, een wapen van categorie II en/of III, te weten een vuurwapen (pistool, merk Glock, type 17), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten 27 patronen (12 patronen 9mm Luger en 15 patronen 7.35 Browning), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Voor de leesbaarheid zal in het hiernavolgende daar waar gesproken wordt over de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte 1] en de aangever [betrokkene], dezen (ook) worden aangeduid als respectievelijk [verdachte], [medeverdachte 1] en [betrokkene].

Op 10 november 2011 omstreeks 01.27 uur, belden [betrokkene] en [getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1]) naar het alarmnummer 112 met de mededeling dat zij op de A9 vanuit Amstelveen richting Haarlem een Audi A3 met kenteken [kenteken] achtervolgden, omdat zij vermoedden dat de twee inzittenden van die auto van plan waren geweest om een liquidatie uit te voeren bij de woning van [betrokkene] gelegen aan de [adres]. [betrokkene] gaf in de gesprekken met het alarmnummer aan dat hij voor zijn leven vreesde en dacht dat hij net als zijn broer geliquideerd zou worden.

Op 10 november 2011 omstreeks 02.28 uur werd halverwege het talud van de Rijksweg A9 ter hoogte van hectometerpaal 41.9 te Zwanenburg een zwarte Audi A3 voorzien van het kenteken [kenteken] aangetroffen. In of nabij de auto werden geen inzittenden aangetroffen en de auto was ernstig beschadigd (total-loss). Uit onderzoek bleek dat de Audi was gestolen en dat de kentekenplaten vals waren. De Audi lag nabij een sloot en aan de overzijde van die sloot waren op de kant sporen zichtbaar, die erop duiden dat daar vermoedelijk personen uit de sloot waren geklommen.

Naast de Audi werd in het gras een vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock, type 17, aangetroffen. Dit pistool was doorgeladen en voor direct gebruik geschikt. In de kamer van het pistool bevond zich een 9 mm Luger patroon en in de patroonhouder zaten nog 12 patronen. In het portier van de Audi A3, aan de passagierskant, werden 15 patronen van kaliber 7.65 mm Browning aangetroffen. In en nabij de Audi werden verder nog de volgende voorwerpen aangetroffen: een blauw magneet zwaailicht, twee motorhelmen (één in de kofferbak van de Audi en één drijvend in de sloot parallel aan de Rijksweg A9), een zwarte muts, een afgeknipte sok en een honkbalpet.

Op 10 november 2011 omstreeks 03.22 uur meldde een inwoner uit Zwanenburg dat een zwaar gewonde man zich bij zijn woning had gemeld. De aldaar ter plaatse gekomen verbalisanten troffen een gewonde man aan, naar later bleek [medeverdachte 1], met kletsnatte en met gras en modder besmeurde kleding en schoenen. [medeverdachte 1] heeft tijdens het onderzoek door het ambulancepersoneel tegen de politie gezegd dat hij in een auto had gezeten, die betrokken was geweest bij een ongeluk. [medeverdachte 1] heeft zich bij zijn verhoor door de politie op vragen over met wie hij op 10 november 2011 in de auto zat op zijn zwijgrecht beroepen.

Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden neemt het hof als vaststaand aan dat [medeverdachte 1] ten tijde van het ongeval in die Audi A3 zat.

Verbalisanten hebben daarna een onderzoek ingesteld bij de [adres], de woning van [betrokkene] en zijn partner. Aldaar hebben zij gesproken met [getuige 2] (hierna te noemen: [getuige 2]), de partner van [betrokkene]. [getuige 2] vertelde dat haar kinderen op 9 november 2011 omstreeks 19.30 uur nabij de woning een zwarte Audi hadden zien staan met daarin een man. Op 10 november 2011 om 01.00 uur had [getuige 2] de Audi nog steeds op de hoek zien staan. Op het moment dat zij langs de Audi was gelopen, was de auto weggereden. Omdat [getuige 2] de situatie niet vertrouwde heeft zij [betrokkene] gebeld, die met de auto onderweg was en hem geïnformeerd over de aanwezigheid van een Audi, die een ‘10’ in het kenteken had. Direct daarop is [betrokkene] naar Amstelveen richting de [adres] gereden.

Ook uit buurtonderzoek is naar voren gekomen dat verschillende buurtbewoners in de avond van 9 november 2011 een zwarte Audi A3 op de [adres] geparkeerd hadden zien staan met daarin één of meerdere personen.

[betrokkene] en [getuige 1] hebben verklaard dat zij op weg naar de [adres]een zwarte Audi A3 met een ‘10’ in het kenteken zagen rijden, waar ze vervolgens achteraan zijn gaan rijden. Bij het stoplicht is [betrokkene] naast de Audi gestopt en hebben hij en [getuige 1] naar binnen gekeken. De bestuurder probeerde zijn gezicht te bedekken en de passagier dook weg. Vervolgens is [betrokkene] achter de Audi aan de snelweg A9 opgereden. Op de snelweg doofde de Audi de lichten en reed met grote snelheid van hen weg. In de buurt van het Rottepolderplein waren [betrokkene] en [getuige 1] de Audi uit het zicht verloren.

[betrokkene] heeft de chauffeur van de Audi omschreven als een grote, licht getinte man met Marokkaans/Turks uiterlijk, met een bol gezicht en stoppelbaard. De man droeg een muts en handschoenen. Volgens [betrokkene] was de chauffeur groter dan de passagier, maar de passagier heeft hij niet goed kunnen zien, omdat deze wegdook. [medeverdachte 1] past volgens de politie in het signalement dat [betrokkene] heeft gegeven van de bestuurder van de Audi.

De honkbalpet, die in de nabijheid van de gecrashte Audi A3 is aangetroffen, is aan de voorzijde van de binnenrand, een plaats waar zich biologische contactsporen van de drager(s) kunnen bevinden, bemonsterd voor DNA-onderzoek. De bemonstering is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderworpen aan een DNA-onderzoek. Uit dit DNA- onderzoek is een DNA-profiel verkregen van een man, waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard. Dit DNA-profiel is opgenomen in de DNA-databank en is vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Daarbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [verdachte].

Van het bij de Audi A3 aangetroffen pistool zijn de binnenzijde van de slede en de zichtbaar geworden delen, na verwijdering daarvan, bemonsterd ten behoeve van DNA-onderzoek door het NFI. Uit dit onderzoek is een onvolledig DNA-profiel verkregen van minimaal drie personen waarvan minimaal één man, dat vergeleken is met het DNA-profiel van de honkbalpet. Het DNA-profiel dat is aangetroffen op de honkbalpet matcht met dit DNA-mengprofiel. Op grond van eerdergenoemde match tussen het DNA-profiel op de honkbalpet en het DNA-profiel van [verdachte] kan worden vastgesteld dat de binnenzijde van het pistool celmateriaal bevat dat van [verdachte] afkomstig kan zijn, vermengd met celmateriaal van minimaal twee andere personen.

Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [adres] is een bodywarmer aangetroffen, die door het NFI is onderzocht op de aanwezigheid van glasdeeltjes. Daarbij zijn twaalf glasdeeltjes aangetroffen, die zijn onderworpen aan een vergelijkend glasonderzoek met referentieglas afkomstig van ruiten van de Audi A3. Daarbij zijn drie glasdeeltjes aangetroffen, die bleken overeen te komen met glasdeeltjes van de Audi A3 en waarvoor geldt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van de vernielde autoruiten, waartoe het referentieglas heeft behoord, dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp.

Door de raadsman is gesteld dat de resultaten van dit glasvergelijkend onderzoek niet kunnen bijdragen aan het bewijs omdat de overeenkomsten van de in de bodywarmer van de verdachte aangetroffen glasdeeltjes en het referentieglas afkomstig van de Audi A3 onvoldoende onderscheidend zouden zijn.

Het hof verwerpt dit verweer. De raadsman is er bij zijn stellingname ten onrechte aan voorbij gegaan dat de conclusie van het NFI omtrent de overeenkomst van de in de bodywarmer aangetroffen glasdeeltjes en het referentieglas mede is gebaseerd op de omstandigheid dat de aangetroffen glasdeeltjes blijken overeen te komen met drie verschillende referentieglasbronnen.

Tevens werd bij DNA-onderzoek door het NFI aan de binnenzijde van de kraag van genoemde bodywarmer DNA-materiaal dat matcht met het DNA-profiel van [verdachte] aangetroffen, waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

De woning van [verdachte] werd in het kader van een ander onderzoek (Klepel) middels een camera geobserveerd. Beelden uit dit onderzoek zijn in het onderhavige zaaksdossier gevoegd.

Uit deze camerabeelden blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 9 november 2011 in de avond bij de woning van [verdachte] arriveerden en dat beiden de woning na 8 minuten weer verlieten, waarbij gezien werd dat [medeverdachte 1] anders gekleed was dan toen hij de woning binnen ging, namelijk geheel in het zwart. De onder [medeverdachte 1] na zijn aanhouding in beslag genomen kleding bleek overeen te komen met diens kleding die zichtbaar is op de camerabeelden.

Uit onderschept ‘pingverkeer’ van [verdachte] volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 9 november 2011 en de dagen daarvoor intensief ping-contact onderhielden.

Op 5 november 2011 pingden [verdachte] en [medeverdachte 1] onder meer de volgende teksten:

[verdachte]: “OT spelen, Morge otters spelen... ‘s avonds spelen we online”,

[medeverdachte 1]: “oke man ik neemoystick mee”,

[verdachte]: “Ja dodelijk gevaarlijk, Dan is het erop of eronder, daarom moeten we zus spreken”

[medeverdachte 1]: “Zus is zelf een ei”,

[verdachte] “Dit is hun taak eigenlijk, Je moet toch weten met wie je neukt, Maar ja als de tijd

rijp is gebeurt het”.

Op 6 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar:

[medeverdachte 1]: “Die joden reageren niet”,

[verdachte]: “Plan b is er, Laten we gewoon gaan dammen bouwen, Of heb je je otter pak niet aan vandaag, Hoelaat spreken we af’,

[medeverdachte 1]: “rond 3?”,

[verdachte]: “Neem die fietssleutels ook mee”,

[medeverdachte 1]: “die zijn thuis lummel”.

Op 7 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar:

[verdachte]: “ik leg die sleutels en die spulletjes” en “Die G gebruik ik”.

[medeverdachte 1]: “Oke... Dus onze dikke zus is compleet. Die is rond?”

[verdachte]: “We gaan straks ff en potje vechten” en “niet 100 maar hoogstwaarschijnlijk”

[medeverdachte 1]: “Wooooow”

[verdachte]: “Diegene zei: Tsss is en makkie”

[medeverdachte 1]: “wou je de sleutels en spullen voor de deur leggen al”.

Op 8 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar:

[verdachte]: “Die fiets van die hoer staat vandaag aan de overkant” en “Morgen vanaf de ochtend gaan we neuken oke”

[medeverdachte 1]: “Was je ff rondje maken…”

[verdachte]: “Ja”

[medeverdachte 1]: “Oke haha op je fiets”

[verdachte]: “Penozee” en “Zus nog steeds niks zeker”

[medeverdachte 1]: “Nee nicht”

[verdachte]: “Die varkensslet bewwegt dus wel” en “Ik denk dat ze af en toe” en “Vam fiets ruilen”

[medeverdachte 1]: “Zie je zo”

Op 9 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar:

[verdachte]: “Heb je zus gesproek”

[medeverdachte 1]: “Nee zus nog steeds geen drol..” en “Neger wel gesproken die gaat naar rotterdam vandaag dan horen we het” en “Ik ben allee met die kleine thuis man.”.

[medeverdachte 1]: “Ik leg me spullen en mezelf voor de deur neer je kan me komen halen”

[verdachte]: “Ik ga ff chekke” en “Hoelaat ben je er” en “Mocht het nodig zijn”

[medeverdachte 1]: “Kan vanaf half 6 bewegen”

[verdachte]: “Niemand thuis”

[medeverdachte 1]: Ik kom nuy” en “2 min”

Ten aanzien van de primair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten onrechte door de rechtbank is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, te weten de voorbereidingshandelingen voor een aanslag op het leven van [betrokkene]. De advocaat-generaal heeft daartoe, mede onder verwijzing naar nieuwe stukken die in hoger beroep zijn ingebracht, waaronder stukken die zien op het onderzoek Lampion 2, aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat vastgesteld kan worden dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] de inzittenden waren van de Audi A3, toen die in de vroege ochtend van 10 november 2011 verongelukte, dat de verongelukte Audi A3 de auto was die op 9 november 2011 op de [adres] nabij de woning van [betrokkene] te Amstelveen stond, dat de verdachte en [medeverdachte 1] ook toen in die auto zaten en dat zij daar waren met het doel om [betrokkene] van het leven te beroven en daartoe een pistool met patronen alsmede een zeer snelle auto bij zich hadden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft gemotiveerd bepleit dat de verdachte overeenkomstig het oordeel van de rechtbank dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor een moordaanslag op [betrokkene]. De vrijspraak door de rechtbank was gebaseerd op de constatering dat concrete feiten en omstandigheden waaruit het bewijs zou kunnen volgen, ontbraken. De stukken van het onderzoek Lampion 2 hebben daarin geen verandering gebracht.

Overwegingen en oordeel van het hof

Het hof leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich in de avond van 9 november 2011 en vroege ochtend van 10 november 2011 gezamenlijk enige tijd in een gestolen Audi A3 voorzien van valse kentekenplaten hebben opgehouden in de dichte nabijheid van de woning van [betrokkene]. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt dat zij rond 01.00 uur van de [adres] zijn weggereden. Korte tijd daarna werd de Audi A3 door [betrokkene] gezien, waarna door [betrokkene] een achtervolging werd ingezet. Op de A9 is de Audi A3 met zeer hoge snelheid gaan rijden, waarna een ongeluk heeft plaatsgevonden waarbij de Audi A3 van de weg is geraakt en halverwege het talud nabij een sloot is terechtgekomen.

Vastgesteld kan worden dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] in de Audi zaten op het moment op het moment dat deze verongelukte.

Nu zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] geen verklaringen hebben willen afleggen omtrent de aard en het motief van hun aanwezigheid op de [adres]en ook overigens niet is gebleken dat die aanwezigheid daar een legitieme reden had, dient naar het oordeel van het hof op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden te worden geconcludeerd dat hun aanwezigheid aldaar niet kan worden verklaard door andere dan criminele motieven.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de activiteiten van [medeverdachte 1] en [verdachte] waren gericht op het voorbereiden van een moord op [betrokkene].

De advocaat-generaal heeft daartoe gewezen op de verklaring van [betrokkene], dat deze vermoedde dat de inzittenden van de Audi van plan waren om hem te liquideren en op de bevindingen uit het onderzoek Lampion zoals die hiervoor bij de feiten en omstandigheden zijn weergegeven. Voorts heeft de advocaat-generaal gewezen op de bevindingen uit het onderzoek Lampion 2 (een onderzoek naar de vermeende opdrachtgevers voor een aanslag op [betrokkene]), zoals die in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Uit bevindingen in het onderzoek Lampion 2 blijkt volgens de advocaat-generaal dat [verdachte] contacten onderhield met vermeende opdrachtgevers, dat [verdachte] geld – een bedrag van € 50.000,- – was toegezegd en dat in dat onderzoek geobserveerde ontmoetingen betrekking hadden op een opdracht tot liquidatie van [betrokkene]. Naast concrete observaties en afgeluisterde gesprekken heeft de advocaat-generaal ter duiding van de contacten gewezen op Cie-informatie.

Het hof overweegt hieromtrent dat de vaststelling dat [medeverdachte 1] en [verdachte] kennelijk uit criminele motieven en voorzien van een gestolen, snelle auto en een geladen vuurwapen bij de woning van [betrokkene] aanwezig waren, op zichzelf nog niet meebrengt dat die criminele motieven waren gelegen in het om het leven brengen van [betrokkene]. Hoewel uit de stukken van het onderzoek Lampion 2 naar voren komt dat sprake is van mogelijk betekenisvolle contacten tussen [verdachte] en andere personen, zoals [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], dat [verdachte] kennelijk verwachtte veel geld te zullen verdienen en dat op latere momenten contacten tussen [betrokkene 1] en [betrokkene] hebben plaatsgevonden, vormen ook deze aanwijzingen onvoldoende grond voor de conclusie dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich hebben schuldig hebben gemaakt aan de gezamenlijke voorbereiding van moord op [betrokkene]. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat geen van de betrokkenen een verklaring heeft willen afleggen en dat ook [betrokkene] niet heeft kunnen of willen ophelderen, wie hem zou (hebben) willen liquideren en om welke reden.

Nu naar het oordeel van het hof aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.

Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde behoeven de door de raadsman opgeworpen bewijsverweren, onder andere ten aanzien van de door de advocaat-generaal gehanteerde verwijzing naar in het dossier aanwezige Cie-informatie, geen verdere bespreking.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft, voor het geval het hof het primair ten laste gelegde niet bewezen mocht achten, gerequireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde overeenkomstig het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte in de gecrashte Audi A3 zat dan wel dat hij het bij de Audi aangetroffen vuurwapen en de aangetroffen munitie - al dan niet tezamen en in vereniging met de medeverdachte [verdachte] - voorhanden heeft gehad.

Overwegingen en oordeel van het hof

Het verweer van de raadsman dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] in de gecrashte Audi A3 zat, vindt zijn weerlegging in de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden. Daarnaast kan uit deze feiten en omstandigheden worden afgeleid dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 9 november 2011 een gezamenlijke afspraak hadden waarover zij in de dagen daarvoor veelvuldig contact hebben gehad en waarbij werd gesproken over wie welke spullen zou meenemen. Tevens stelt het hof vast dat zij op 9 en 10 november 2011 achtereenvolgens elkaar hebben ontmoet, zij samen zijn vertrokken uit de woning van [verdachte] en dat zij zich samen op de [adres] in een Audi A3 hebben opgehouden. Hun activiteiten gedurende deze periode kunnen niet anders worden verklaard dan te zijn ingegeven door criminele motieven.

Voorts volgt daaruit dat [medeverdachte 1] en [verdachte] beiden in de Audi A3 zaten, toen deze op de A9 verongelukte. Naast de Audi A3 werd in het gras een vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock, type 17, aangetroffen. Dit pistool was doorgeladen en voor direct gebruik geschikt. In de kamer van het pistool bevond zich een 9 mm Luger patroon en in de patroonhouder zaten nog 12 patronen. In het portier van de Audi A3 aan de passagierskant werden 15 patronen van kaliber 7.65 mm Browning aangetroffen. Van het bij de Audi A3 aangetroffen pistool zijn aan de binnenzijde van de slede en de zichtbaar geworden delen na verwijdering daarvan DNA-sporen aangetroffen, die door het NFI zijn onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat de binnenzijde van het pistool celmateriaal bevat dat van [verdachte] afkomstig kan zijn.

Deze omstandigheden duiden er onmiskenbaar op dat het vuurwapen in de Audi A3 aanwezig was ten tijde van het ongeval. In de Audi A3 lagen onder meer ook patronen zichtbaar in een portier. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen waren [medeverdachte 1] en [verdachte] die nacht tezamen op pad en voerden zij gezamenlijk een niet geheel opgehelderd, maar evident crimineel plan uit. Op grond van alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien en nu niet is gebleken van enige omstandigheid die tot een ander oordeel zou kunnen leiden, is geen andere conclusie mogelijk dan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich beiden bewust waren van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in de auto en dan ook over dat wapen en die munitie gezamenlijk de beschikking hadden. Aldus is tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie. Het hof heeft daarbij meegewogen dat de verdachte geen enkele, hem ontlastende, verklaring heeft afgelegd omtrent de aangetroffen Glock en de munitie. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] op 10 november 2011 de tenlastegelegde Glock en de munitie voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
hij tezamen en in vereniging met een ander op 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk Glock, type 17), en munitie van categorie III, te weten patronen (9mm Luger en 7.35 Browning), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] een doorgeladen vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. De omstandigheden waaronder de verdachte en zijn mededader het vuurwapen voorhanden hebben gehad duiden er op dat zij een (onbekend gebleven) misdadig doel nastreefden, in welk licht bezien het in hoge mate verontrustend is dat het vuurwapen ten tijde van dat voorhanden hebben voor onmiddellijk gebruik gereed was.

Voorts heeft het hof in strafverzwarende zin meegewogen dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie van 5 januari 2015 in het verleden eerder voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is veroordeeld tot gevangenisstraffen. Kennelijk hebben die eerdere veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden zich wederom aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie schuldig te maken.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

De in beslag genomen voorwerpen, te weten een jas en een bodywarmer, behoren aan de verdachte toe en dienen aan hem te worden teruggegeven.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

In hoger beroep heeft [benadeelde partij] zich gevoegd als benadeelde partij en vergoeding gevraagd voor de door hem geleden schade aan de Audi A3. Omdat hij zich in eerste aanleg niet heeft gevoegd, kan hij niet worden ontvangen in zijn vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte naar burgerlijk recht wel aansprakelijk is voor de schade aan de Audi A3 en gevorderd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Anders dan de advocaat-generaal komt het hof tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde overtreding van de Wet wapens en munitie. Nu de schade aan de Audi A3 niet door het bewezen verklaarde feit is toegebracht, kan de schadevergoedingsmaatregel niet worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK jas met beslagnummer 4214532;

- 1.00 STK bodywarmer met beslagnummer 4214533.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Wijst af de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van

mr. N.J. Ros, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 februari 2015.