Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:635

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
23-000686-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BV2202
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1386, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klimop. Veroordeling oud directeur Philips Pensioenfonds tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. Geen verjaring omkoping ex. Art. 328ter Sr (omkoping). Gedeeltelijke vrijspraak. Veroordeling voor oplichting van Philips Pensioenfonds, omkoping en witwassen. Toepassing LOVS oriëntatiepunten voor fraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000686-12

datum uitspraak: 27 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 in de strafzaak onder de parketnummer 15/996539-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Haarlem vrijgesproken van de onder feit 2 impliciet cumulatief ten laste gelegde giften ‘te weten de betaling van in totaal circa EUR 10.500.000 en/of de betaling van in totaal circa EUR 422.500 en/of de betaling van een of meer geldbedrag(en)’. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep richt zich niet tegen deze vrijspraak. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
19 november 2012, 13 september 2013, 30 januari 2014, 25 maart 2014, 22 mei 2014, 1 juli 2014, 16 september 2014, 17 november 2014, 24 november 2014, 16 februari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, Sv, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat door de verdachte en de raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Wat aan de verdachte ten laste is gelegd, is als bijlage 1 aan dit verkorte arrest gehecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Aangezien in hoger beroep een wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, en het hof derhalve op een andere grondslag heeft beraadslaagd dan de rechtbank, zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. Tevens komt het hof tot andere bewijsbeslissingen dan de rechtbank.

Bespreking van de formele verweren

De ten laste gelegde feiten onder 4 en 8 (omkoping: verjaring)

Standpunt verdediging

De verdediging beroept zich zowel in het kader van het onder feit 4 subsidair ten laste gelegde als in het kader van het onder feit 8 ten laste gelegde (passieve niet ambtelijke omkoping) op verjaring.

Beoordeling

De volgende bepalingen zijn van belang, luidend in de ten laste gelegde perioden (feit 4, subsidiair: 1 januari 2001 t/m 1 december 2006; feit 8; 1 januari 2000 t/m 1 december 2006).

Art. 70 Wetboek van Strafrecht (Sr)

1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld.

Art. 71 Sr

De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (…).

Art. 72 Sr

1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend zij.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.

Art. 72 Sr (vanaf 7 juli 2006):

1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.

Art. 328ter eerste lid Sr:

Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, of belofte aanneemt en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Aanvang termijn verjaring

De bestanddelen van het in art. 328ter eerste lid Sr omschreven delict houden, naast het bestaan van een zekere dienstbetrekking en de aanwezigheid van een aanleiding voor de gift of belofte, in: (i) het aannemen van een gift of belofte en (ii) het in strijd met de goede trouw verzwijgen ervan tegenover zijn werkgever.

Hieruit volgt dat dit misdrijf niet reeds na het aannemen van de gift of belofte is voltooid. De voltooiing ervan hangt af van de vervulling van het onder (ii) beschreven delictsbestanddeel, te weten de verzwijging tegenover de werkgever. Het in strijd met de goede trouw verzwijgen van het aannemen van een gift of belofte merkt het hof aan als één voortdurende omissie. Daardoor is het delict pas voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is. Een andersluidende opvatting, namelijk dat van het verzwijgen in de zin van deze wetsbepaling reeds sprake is en de strafbaarheid te dier zake onomkeerbaar is ingetreden zodra de dader een eerste gelegenheid om tegenover zijn werkgever melding te maken van het aannemen van de gift of belofte ongebruikt heeft laten verstrijken, doet naar 's-hofs oordeel geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft door ook na die eerste gelegenheid onverminderd te blijven zwijgen. Bovendien zou deze andersluidende opvatting meebrengen dat een pas ná die eerste gelegenheid aan de werkgever gedane mededeling omtrent het aannemen van een gift of belofte de strafbaarheid aan het eerder verzwijgen niet doet ontvallen, nu het misdrijf - in die opvatting - al zou zijn voltooid.

In de onderhavige zaak wordt de verdachte verweten dat hij ten aanzien van iedere afzonderlijke gift en belofte in gebreke is gebleven daarvan melding te maken tegenover zijn werkgever. De termijn van verjaring heeft dus ten aanzien van iedere belofte en gift in elk geval niet eerder een aanvang genomen dan op of na 1 december 2006, de dag waarop zijn dienstbetrekking in het kader waarvan de beloften en giften hebben plaatsgehad, werd beëindigd.

Stuiting van de verjaring

Het begrip ‘daad van vervolging’ als bedoeld in art. 72 eerste lid Sr moet worden opgevat als iedere

daad uitgaande van of namens het openbaar ministerie of de rechter, die erop is gericht om een voor tenuitvoerlegging vatbare strafrechtelijke uitspraak te verkrijgen.

In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (HR 29 januari 2010, NJ 2010/231). Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen (vgl. HR 17 december 2013, NJ 2014/204). Zowel onder de oude als huidige wetgeving is nog geen sprake van verjaring en is op een datum gelegen vóór afloop van de verjaringstermijn de verjaring gestuit door het verrichten van een daad van vervolging. Het hof wijst op het op 7 november 2007 aan de rechter-commissaris gedane verzoek tot doorzoeking, te verrichten in

de woning van de verdachte (vgl. HR 13 maart 2012, NJ 2012/191). De verjaring is derhalve gestuit op

7 november 2007, een datum gelegen voor afloop van de verjaringstermijn. Na de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen is - gelet op de datum waarop dit arrest wordt gewezen - evenmin een periode verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (artikel 72, tweede lid, Sr), zodat het recht tot strafvordering nog niet is verjaard.

De verjaring is dus nog niet ingetreden.

Vrijspraken

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 tweede alternatief, feit 4 primair, feit 7 en feit 9 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. De redenen hiertoe worden hierna gegeven onder ‘Bespreking van de ten laste gelegde feiten’.

Bespreking van de ten laste gelegde feiten

Inleidende overwegingen

Het dienstverband van de verdachte bij Philips

De verdachte is in 1985 in dienst getreden bij het Philips concern, waar hij van 1990 tot 1 januari 2002 werkzaam was als hoofd van de afdeling Vastgoed bij Stichting Philips Pensioenfonds.

Stichting Philips Pensioenfonds (PPF) - die de pensioengelden van werknemers van Philips beheert -

is de opdrachtgever van Philips Real Estate Investment Management BV (hierna: PREIM) die voor

PPF de onroerendgoedbeleggingen beheert.

De getuige [getuige 1] was vanaf juni 2005 directeur van PPF.

PREIM heette voorheen Schootse Poort Onroerend Goed BV. Beide entiteiten zullen hierna worden aangeduid als PREIM.

De verdachte vormde van januari 2002 tot eind 2006 samen met de getuige [getuige 2] de directie

van PREIM. Die directie is verantwoordelijk voor het besturen van de onderneming, het vormen

en het uitvoeren van het beleid.

De verdachte heeft als hoofd van de afdeling Vastgoed en later als directeur van Schootse Poort Onroerend GOED BV/PREIM in directienotities/memo’s aanbevelingen gedaan over de aan- en verkoop van onroerend goed. Deze directienotities/memo’s waren gericht aan zijn mededirecteur(en).

Door ondertekening van zo’n directienotitie/memo werd een bepaald voornemen of een bepaalde beslissing geaccordeerd.

Projecten waar de verdachte in het kader van zijn werkzaamheden bij Philips - onder meer -

bij was betrokken

De verdachte was uit hoofde van zijn functie betrokken bij de verkoop door PPF van het project Ceylonstaete en het [vastgoedpakket] (hierna te noemen: het project 126), alsmede de aankoop

van het project Eurocenter.

Het besluit tot verkoop van het pakket onroerende zaken aan [rechtspersoon 1]

is genomen door de directie van PREIM: de verdachte en de getuige [getuige 2].

De verdachte heeft het voorstel tot verkoop van dit pakket aan de getuige [getuige 2] voorgelegd,

omdat [getuige 2] destijds als CEO en als zijn ‘Authorised Executive’ boven de verdachte stond.

Zij waren weliswaar binnen PREIM beiden directeur en nergens was vastgelegd dat de verdachte

in een gezagsverhouding tot [getuige 2] stond, maar in de praktijk functioneerde dat wel als zodanig.

De relatie tussen de verdachte en de [rechtspersonen].

De verdachte had financiële belangen in drie [rechtspersonen]:

[rechtspersoon 2], [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 4].

De aandelen van [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3] waren (juridisch) niet in handen van de verdachte, wel had hij de facto recht op 99% resp. 96,15% van het eigen vermogen van [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 3].

Voor [rechtspersoon 4] gold dat 69% van de aandelen in bezit waren van [rechtspersoon 2] B.V. De overige aandelen waren voor om en nabij de 25% in handen van [getuige 3] en voor het overige in handen van de [medeverdachte 1].

[rechtspersoon 5]

De verdachte was sinds 4 januari 2007 bestuurder van deze BV, met zelfstandige bevoegheid. De [medeverdachte 1] houdt 1% van de aandelen en [rechtspersoon 2] 99%.

[rechtspersoon 5] wordt hierna genoemd: [rechtspersoon 5].

Het hof zal eerst - alvorens het onder 1 ten laste gelegde feit te beoordelen - het ten laste gelegde feit onder 2 (de passieve niet ambtelijke omkoping) bespreken.

Het ten laste gelegde feit onder 2 (de passieve niet ambtelijke omkoping: project 126)

Standpunt verdediging

De verdachte is het niet eens is met de bewezenverklaring in het vonnis. Er is onvoldoende bewijs voor feit 2 (pleitnotities, par. 25, 26, 27, 29 en 32).

Beoordeling

Het hof acht dit feit - op de wijze als hierna omschreven - wettig en overtuigend bewezen. Het verweer dat slechts is gefilosofeerd over een winstverdeling en dat nimmer een daadwerkelijke belofte dan wel gift is gedaan wordt verworpen, aangezien uit de bewijsmiddelen volgt dat door de medeverdachte

[medeverdachte 2] uit hoofde van de belofte tot uitkering en verrekening is overgegaan. Gewezen wordt in dit verband op de verklaring van de [medeverdachte 2] die op de terechtzitting van 19 mei 2011 heeft verklaard (pag. 25/26):

“Uw hoofdvraag was of er een verband is tussen project 126 en het geld dat ik [verdachte] in het vooruitzicht stel? Dat verband was er absoluut, het was nodig om aan tafel te blijven zitten.” Alsmede:

“U vraagt mij waarom ik 400.000 euro aan [verdachte] betaal en of er een relatie met project 126 is. Ja, … Er is causaal verband met project 126.”

Deze verklaring vindt steun in het op 9 augustus 2007 opgenomen OVC-gesprek tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], alsmede het aantekenboekje van de [medeverdachte 1] waaruit in samenhang bezien volgt dat het naar aanleiding van de belofte al tot uitbetaling/verrekening is gekomen.

Het ten laste gelegde feit onder 1, eerste alternatief (oplichting project 126)

Standpunt verdediging

De verdediging stelt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte PREIM dan wel [getuige 2] valselijk heeft bewogen tot afgifte van pakket 126, zodat vrijspraak dient te volgen. In dit verband wordt naar voren gebracht dat onderhandse verkoop bij Philips de norm was en derhalve geen oplichtingsmiddel

van de verdachte, dat de swap nooit de doelstelling is geweest, alsmede dat het onderhandelingsresultaat wel degelijk zeer aanvaardbaar was: externe partijen taxeerden, hij bezat een mandaat bij verkoop te gaan tot 10 procent onder de balanswaarde, het pakket is uiteindelijk voor zes miljoen euro boven de balanswaarde verkocht, waarbij komt dat de verdachte een punt had door de taxatiewaarde van Kanaalcentrum te hoog te vinden, gelet op de taxaties van [getuige 4] (pleitnotities, par. 9, 10, 16, 17, 18, 19 en 21).

Beoordeling

Het hof is van oordeel dat - kort samengevat - wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte PPF heeft opgelicht. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

In het kader van de (voorgenomen) verkoop van een omvangrijk onroerend goed pakket (het latere pakket-126, waarvan de samenstelling nog niet meteen vaststond) heeft de verdachte aan de getuige [getuige 2], zijn mededirecteur, stukken toegezonden waarin de verdachte zijn mededirecteur stapsgewijs informeerde over de stand van zaken met betrekking tot een (eventuele) verkoop van zo’n pakket. In deze stukken kwam ook de eventuele aankoop door PPF van het project Symphony - een prestigieus onroerend goed complex aan de Zuidas te Amsterdam (hierna Symphony) - aan de orde. Daarnaast

vroeg de verdachte in deze stukken de getuige [getuige 2] toestemming bepaalde vervolgstappen in het onderhandelingstraject met betrekking tot de eventuele aan- en verkoop te (mogen) zetten. Alhoewel nergens was vastgelegd dat de verdachte in een gezagsverhouding tot de getuige [getuige 2] stond, functioneerde het in de praktijk wel zo. De verdachte heeft hierover op 22 mei 2014 ter terechtzitting in hoger beroep verklaard (pag. 5) dat hij niet in zijn eentje verantwoordelijk was voor de in- en verkoop en exploitatie van onroerend goed van PPF, alsmede dat hij de getuige [getuige 2] wekelijks informeerde.

De getuige [getuige 2] verklaart - samengevat en naar de kern genomen - over de verkoop van pakket-126 dat de swap (hof: de verkoop door PPF aan Bouwfonds van pakket-126 en de aankoop van Symphony door PPF van Bouwfonds) hem is voorgespiegeld door de verdachte, dat het voor hem als een verrassing kwam dat Bouwfonds niet meer geïnteresseerd was in een swap, maar dat dat geen struikelblok vormde, omdat PPF daarvoor te graag Symphony wilde, dat de verkoopprijs voor hem op basis van de hem ter beschikking staande gegevens acceptabel was omdat hij had gekeken naar de balanswaarde per 31 december 2004, naar de notitie van [getuige 5] alsmede naar hetgeen hem bekend was met betrekking tot de drie kantoorcomplexen, Telespy, Schiphol-Rijk en Kanaalcentrum, dat hij vertrouwde op de kennis en kunde van de mensen van PREIM en dat hij geen reden had aan hun betrouwbaarheid en integriteit te twijfelen.

Naar aanleiding van de memo van 8 november 2005 (D-0816) verklaart de getuige [getuige 2], die als directielid mede goedkeuring moest geven en heeft gegeven voor de verkoop van pakket-126 op

17 juni 2008 tegen over de FIOD (G53-05, pag. 15):

Als je het op de keper beschouwt heb ik niet veel aan de zin in de notitie beginnend met: het onderhandelingsresultaat kan als zeer aanvaardbaar worden bestempeld. Die zin heeft volgens mij maar één doel, namelijk de zaak anders voor te stellen dan zij feitelijk was en ook bij [verdachte] bekend was.”

Over de bij die brief gevoegde notitie verklaart de getuige [getuige 2] tijdens dat verhoor (G53-05, pag. 19 en 20):

“Het stuk dat was bijgevoegd bij de notitie van 8 november 2005, kwam bij mij destijds over als een weloverwogen stuk waar meerdere mensen aan hadden gewerkt. Als je nu de opmerkingen leest die [getuige 5] (hof: [getuige 5]) er later over heeft gemaakt wordt echter duidelijk dat [verdachte] er een behoorlijke invloed op heeft gehad. (…) Ik heb niet de indruk gehad op basis van de notitie van [getuige 5] dat deze was ingekleurd door [verdachte]. Deze notitie is mij destijds gepresenteerd als een notitie van [getuige 5]. (…) Het was mij niet bekend dat haar naam aan een notitie was gekoppeld die haar mening niet goed weergaf en waarvan zij de inhoud zelfs niet ondersteunde. In die zin kan je het opnemen ervan als bijlage bij de notitie waar wij het nu over hebben, als een vorm van misleiding beschouwen. (…) Als ik de redenering had gevolgd die ik heb gevolgd maar als input de mening van Esther had meegenomen in plaats van de mening zoals deze in de notitie terecht is gekomen, had ik wel moeten concluderen dat er een zeer mager verkoopresultaat zou worden gerealiseerd, in plaats van zoals ik feitelijk aannam, een heel redelijk verkoopresultaat en zou ik [verdachte]’s bewering dat een zeer aanvaardbaar resultaat was gerealiseerd bestreden (hof: hebben). Het ligt niet voor de hand dat ik onder die omstandigheden akkoord was gegaan. Als [verdachte] bij mij was gekomen met een stuk papier en had gezegd dat [getuige 5] daarop had opgeschreven wat hij haar had gevraagd op te schrijven, maar dat zij het er zelf niet mee eens was, had ik zeer zeker geen akkoord gegeven. Door mij willens en wetens onjuiste informatie te verschaffen, terwijl ik daar geen weet van had, werd ik misleid (…).” Voorts verklaart hij bij de FIOD op 8 juli 2008 (G53-07, pag. 27):

“Achteraf overziend zou ik geenszins dezelfde beslissing hebben genomen, geen sprake van. Ik zou nimmer toestemming tot deze verkoop hebben gegeven”.

De getuige [getuige 5], de medewerkster die de notitie schreef waaraan de getuige [getuige 2] refereert, heeft over de gang van zaken rond de totstandkoming van die notitie verklaard (adus haar verklaring, zoals opgenomen in het op ambtsbelofte/eed opgemaakt proces-verbaal AH-0970, pag. 101, 102, 104 en 105):

“Ik had in november 2005 een afwaardering becijferd en overlegde deze aan [verdachte]. Hij vond dat de afwaardering meer moest zijn. (…) Ikzelf vond echter dat ik een goede afwaarderingsnotitie had gemaakt en was het niet met [verdachte] eens. Ik heb dit toen nog met [medeverdachte 3] besproken en deze adviseerde mij om de afwaardering maar aan te passen aan wat [verdachte] wilde. Omdat [medeverdachte 3], mijn directe leidingevende, en [verdachte] boven mij stonden heb ik dat maar gedaan. (…) Ik was het wel eens met het maken van een analyse. (…) Bij de renovatiekosten van Kanaalcentrum heeft [verdachte] aangegeven welk bedrag dat moest zijn … Dat was volgens mij puur gebaseerd op zijn eigen ervaring. Ik heb daar verder geen onderbouwing van gezien. (…) Ik wist niet dat hij die berekeningen in een directienotitie wilde verwerken, dat zag ik pas toen ik de getekende directienotitie in kopie kreeg. Ik vond dat hij me dat wel had moeten zeggen. (…) Ik vroeg me wel af toen [verdachte] zei dat hij het niet eens was met mijn eerste analyse en aangaf waar ik vervolgens rekening mee moest houden, waarom doe je het dan niet zelf als je toch precies weet wat er in moet komen staan. (…) … ik vind mijn eerste berekening meer een weergave van de werkelijkheid.”

De getuige [getuige 5] heeft - na bouwkunde te hebben gestudeerd - in 2003 de opleiding Master Real Estate behaald. Onderdeel van die opleiding was het beoordelen en maken van taxaties. De getuige

[getuige 5] heeft verklaard dat haar opleiding overeenkwam met het werk waar zij mee bezig was.

De medeverdachte [medeverdachte 3] bevestigt dat de getuige [getuige 5] zich hierover tot hem heeft gewend. Voorts heeft de medeverdachte [medeverdachte 3] verklaard dat hij weet dat een prijs van 400 miljoen aan de orde is geweest, dat hij vond dat dat de ondergrens was waarvoor PPF het had moeten verkopen en dat hij dit ook aan de verdachte heeft aangegeven.

De getuige [getuige 6], hoogleraar taxatieleer, die in 2006 in opdracht van PPF onderzoek deed naar de vastgoedportefeuille van PPF, constateert bij dat onderzoek dat met name in 2002-2005 een underperformance optreedt. Hij verklaart - beknopt weergegeven - dat bij Philips in 2005 helemaal niets meer werd verkocht boven de taxatiewaarde, terwijl met name in 2005 (het jaar waarin de verkoop van

pakket-126 was opgenomen) een stijgende markt was te zien. De door hem hierover aan de verdachte gestelde vragen beantwoordt de verdachte commercieel gezien heel vreemd, aldus de getuige, die aangeeft dat de verklaring die de verdachte hiervoor gaf was dat het in een grote deal zat, dat het een kwestie van geven en nemen was alsmede dat het gezocht moest worden in het feit dat het zo lang

duurde voor hij een overeenkomst had met de andere partij.

In een concept rapport d.d. 5 november 2007 van Deloitte, aangetroffen bij de doorzoeking op het bedrijfsadres van PREIM (proces-verbaal AH-0973, pag. 185/186) is met betrekking tot het project

126 een verschillenanalyse van de portefeuille opgenomen die met betrekking tot de verschillende onderdelen van het verkochte pakket inhoudt dat:

‘ - Segment 1 Buitenveldert appartementen: verkoop … niet tegen marktconforme waarden

  • -

    Segment 2 Buitenveldert kantoren: niet verkocht tegen marktconforme prijzen

  • -

    Segment 3: Telespy: acceptabel

  • -

    Segment 4: Unisys: marktconform

  • -

    Segment 5: Nachtwachtlaan: marktconform

  • -

    Segment 6: Kanaalcentrum: niet marktconform

De conclusie luidt: Samengevat lijken de kantoor/appartementen in Buitenveldert, alsmede de kantoorcomplexen Unisys en Kanaalcentrum verkocht te zijn tegen prijzen die beneden de te verwachten waarde op basis van markttransacties liggen. Deze complexen omvatten samen circa 81% van de verkoopprijs van de Portefeuille ….zijn we van mening dat de door Preim gekozen verkoopprocedure inferieure opbrengsten heeft gegenereerd voor PPF ten opzichte van het biedingsproces’.

Het hof is in het licht van dit alles van oordeel dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid in een door hem aan [getuige 2] gezonden memo d.d. 8 november 2005 heeft vermeld dat het onderhandelingsresultaat als zeer aanvaardbaar kan worden bestempeld, alsmede dat hij valselijk en listig in die brief een te hoge afwaardering heeft opgenomen. De verdachte wist op dat moment dat dat niet klopte. De verdachte laat de getuige [getuige 5] haar rapport aanpassen, hij bepaalt - zonder nadere onderbouwing en zonder anderen daarbij te betrekken - wat er in moet komen te staan, dit terwijl de verdachte op dat moment - gelet op de afspraken die hij heeft gemaakt met de [medeverdachte 2] - een belang heeft bij een zo laag mogelijke verkoopprijs. Dit laatste heeft hij evenwel niet aan zijn werkgever dan wel mededirecteur gemeld. De verdachte doet zich voor als een integere, loyale medewerker hetgeen hij niet is. Hij kan zich bij dit alles niet verschuilen achter het feit dat ondergeschikten eveneens het memo hebben ondertekend. Het lijkt onwaarschijnlijk dat zij op de hoogte waren van de belangen die de verdachte zelf had. Hier komt nog bij dat de verdachte uit de verklaringen niet naar voren komt als iemand die bijdraagt aan een open bedrijfscultuur.

Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte met de woorden “dat het onderhandelingsresultaat als zeer aanvaardbaar kan worden bestempeld” eigenlijk doelt op een uitsluitend voor hem zelf zeer aanvaardbaar resultaat, zonder dat dit kenbaar is voor zijn mededirecteur c.q. zijn werkgever.

Het hof acht het onder 1 eerste alternatief ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder dit feit tweede alternatief ten laste gelegde, omdat niet is gebleken dat de verdachte zich het pakket onroerend goed op enig moment wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht (Sr).

Het ten laste gelegde feit onder 3 (witwassen, project 126)

Standpunt verdediging

De verdachte dient van feit 3 te worden vrijgesproken, omdat de facturen niet vals zijn (pleitnotities par. 34).

Beoordeling

Allereerst wordt ingegaan op de factuur van [rechtspersoon 5] aan [rechtspersoon 6], kort samengevat, een BV van [verdachte 7].

Uit de bewijsmiddelen volgt - naar de kern genomen - dat van de in de factuur genoemde

werkzaamheden/diensten geen sprake is en dat de factuur vals is. De factuur heeft betrekking op een gedeelte van het bedrag dat aan de verdachte in het project 126 is beloofd in het kader van passieve ambtelijke omkoping van de verdachte door de [medeverdachte 2]. Teneinde een deel van die belofte te realiseren heeft [rechtspersoon 5], waarvan de verdachte enig bestuurder is, aan [rechtspersoon 6] een valse factuur gestuurd. Op deze wijze wordt voorgewend dat door [rechtspersoon 5] voor dit bedrag is gewerkt en wel voor [rechtspersoon 6], terwijl het in werkelijkheid gaat om een betaling die verband houdt met - en ook in mindering is gebracht op - het toegezegde winstdeel in het kader van de omkoping. Door deze handeling is sprake van het verhullen van de werkelijke aard en herkomst van dit geld. Een en ander vindt bevestiging in een bij de [medeverdachte 1] aangetroffen aantekeningenschriftje waarin is opgenomen:

’12 juli 2007 [voornaam1]-[voornaam 2]-[voornaam 3] 12,4 – 400.000 al verr.’.

Bovendien wordt aan dit bedrag gerefereerd in een OVC-gesprek tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat op 9 augustus 2007 is opgenomen, waarin de [medeverdachte 1] zegt : “Dat is duidelijk. Dus die gaat gewoon … eigenlijk gaat het gewoon om tien en een half plus uh, zeven vijftiende van vier, en daar gaat gewoon van af die vier die is al verrekend, hè?”

Voor de door [rechtspersoon 5] aan [rechtspersoon 7] (eveneens een BV van [verdachte 7]) toegezonden factuur geldt dat [verdachte 7] over die factuur heeft verklaard dat de verdachte daar (hof: het pand waarvoor middels de ten laste gelegde factuur huur bij [verdachte 7] in rekening wordt gebracht) alleen zit, dat hij het kantoor van de verdachte niet nodig heeft en dat er geen enkel officieel stuk is. Ook ten aanzien van deze factuur is het hof van oordeel dat deze vals is.

Naar het oordeel van het hof kan evenwel niet worden bewezen dat de door [rechtspersoon 5] aan [rechtspersoon 8] toegezonden factuur vals is, aangezien de bewijsmiddelen daartoe ontbreken, in zoverre slaagt het verweer.

Het hof acht dit feit - met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen - wettig en overtuigend bewezen. Overwogen wordt nog dat het hof de verdachte aanmerkt als pleger, omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zelf de strafbare handelingen heeft verricht en [rechtspersoon 5] alleen als middel heeft gebruikt om de strafbare gedragingen te kunnen plegen.

Het ten laste gelegde feit onder 4 (primair: verduistering, subsidiair: passieve niet ambtelijke omkoping, project Ceylonstaete)

Standpunt verdediging

Door de verdediging is naar voren gebracht dat [getuige 8] niet wist dat de verdachte betrokken was bij [rechtspersoon 3] waardoor causaal verband ontbreekt en de verdachte moet worden vrijgesproken (pleitnotities par. 39 en 45).

Beoordeling

Het hof stelt voorop dat de verdachte van het onder dit feit primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, aangezien niet is gebleken dat de verdachte zich het pakket onroerend goed op enig moment wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht (Sr).

In verband met hetgeen subsidair onder dit feit ten laste is gelegd wordt het navolgende overwogen.

De in lid 1 van artikel 328ter Sr opgenomen norm beoogt de zuiverheid van de dienstbetrekking te beschermen. Dat degeen die omkoopt niet weet wie hij omkoopt is daarbij niet van belang. Het gaat in lid 1 vooral om de verzwijging door de werknemer alszodanig. Het vertrouwen tussen de werknemer en de werkgever behoort niet te worden beschaamd door het verzwijgen van giften of beloftes. Dat daarvan met betrekking tot het project Ceylonstaete wel sprake van is, zal duidelijk zijn. Immers, de verdachte - die de vastgoedportefeuille van PPF beheerde - heeft over de drie betalingen van - om en nabij de –

€ 1.800.000 (D-2114, D-2115 en D-2116, in totaal fl. 12.000.000) aan [rechtspersoon 3] ter terechtzitting in hoger beroep op 22 mei 2014 verklaard dat deze door hem gekregen beloning, zowel was terug te voeren op de tip die hij had gegeven, als op werkzaamheden die hij nog voor [getuige 8] zou gaan uitvoeren. In verband met dit laatste merkt het hof (evenwel) op dat de verdachte tevens heeft verklaard dat [getuige 8] dat laatste nog niet hoefde te weten, alsmede dat inderdaad zou kunnen dat zou blijken dat [getuige 8] helemaal niet zou willen dat de verdachte voor [getuige 8] zou gaan werken. Gezien deze laatste woorden acht het hof het volstrekt ongeloofwaardig dat de betaling van € 5.400.000 deels betrekking had op nog door de verdachte ten behoeve van [getuige 8] te verrichten werkzaamheden, te meer indien daarbij wordt betrokken dat de betalingen in 2002, 2003 en 2004 zijn gedaan en de verdachte tot eind 2006 in dienstbetrekking was van Philips. De verdachte bevestigde daarnaast op voornoemde zitting dat hij het niet nodig vond Philips te melden dat het contact met [getuige 8] tot stand was gekomen door een tip van hem. In het licht van dit alles wordt het verweer verworpen, waarbij nog wordt betrokken dat de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard (ter terechtzitting op 9 mei 2011, pag.4) dat hij door middel van directienotities toestemming heeft gevraagd aan [getuige 9] om met [getuige 8] te mogen onderhandelen.

Het hof acht het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het ten laste gelegde feit onder 5 (witwassen, project Ceylonstaete)

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat niet gezegd kan worden dat de in dit ten laste gelegde feit vermelde handelingen verhullend zijn geweest, dit onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad (pleitnotities par. 39 en 45).

Beoordeling

Dit verweer wordt verworpen, omdat het hof tot een bewezenverklaring komt van het bepaalde in

art. 420bis, eerste lid, onder a Sr (de werkelijke aard en de herkomst verbergen of verhullen),

waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad waar de verdediging aan refereert, niet van toepassing is.

Op de bankrekening van [rechtspersoon 3] - en niet op de rekening van de verdachte - worden geldbedragen gestort. Voorgewend wordt dat die bedragen zijn verschuldigd op basis van een winstdelings- en vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [rechtspersoon 9] en [rechtspersoon 3]. In werkelijkheid gaat het om bedragen die de verdachte ontvangt uit hoofde van passieve niet ambtelijke omkoping. [rechtspersoon 3] heeft hier niets mee van doen, behoudens dat deze rechtspersoon door de verdachte wordt gebruikt om de aard en herkomst van de verkregen gelden te verbergen en te verhullen. Dat het fiscaal verantwoord wordt in de belastingaangifte van de verdachte, doet daar niet aan af, aangezien ook in die aangifte de werkelijke aard van het geld te weten omkopingsgeld niet is opgegeven. Hier zien we juist een klassiek voorbeeld van witwassen.

Overigens wordt ook hier de verdachte aangemerkt als pleger, in welk verband wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder feit 3 in dit kader is overwogen.

De ten laste gelegde feiten onder 6 en 8 (witwassen en passieve niet ambtelijke omkoping: project Eurocenter)

Standpunt verdediging

De verdediging voert aan dat een belofte in de zin van art. 328ter Sr niet kan worden bewezen, terwijl evenmin blijkt welk handelen of nalaten van de verdachte tegenover de vermeende belofte heeft gestaan. Ook betwist de verdediging dat de verdachte een belangrijke rol zou hebben gespeeld bij Eurocenter

dan wel bij het verlagen van de huurgarantie. Het is zeker niet ondenkbaar - aldus de verdediging - dat betalingen zijn verricht aan [rechtspersoon 4] voor door [getuige 3] verrichte werkzaamheden. Tevens wordt aangevoerd dat geenszins vaststaat dat de overige beloften/giften betrekking hebben op hetgeen de verdachte in het kader van zijn dienstbetrekking zou hebben gedaan dan wel nagelaten Vrijspraak van feit 8 leidt tevens tot vrijspraak van feit 6 (pleitnotities, par. 95, 100, 122, 124, 125

en 127).

Beoordeling

In het kader van deze ten laste gelegde feiten acht het hof het navolgende van belang.

Op 21 oktober 2003 factureert [rechtspersoon 4] aan [rechtspersoon 10] (hierna: [rechtspersoon 10]) een bedrag van € 136.134 met op de factuur de omschrijving (D-2237):

‘ingevolge onze overeenkomst d.d. 28 oktober 2003 bent u ons een bemiddelingsfee verschuldigd’.

Op 16 januari 2004 stuurt [rechtspersoon 4] BV (D-1992) een factuur aan Bouwfonds Ontwikkeling ten bedrage van € 2.000.000 onder verwijzing naar de brief van Bouwfonds van

30 oktober 2003.

Op resp. 1 juli 2004 (D-1636), 15 oktober 2004 (D-2076) en 15 december 2004 (D-2078) stuurt [rechtspersoon 4] drie facturen aan [rechtspersoon 11] ten bedrage van resp. € 1.225.207 en tweemaal € 680.670: totaal € 2.586.547.

Op 2 juni 2005 stuurt [rechtspersoon 3] een factuur naar [rechtspersoon 12]

ad € 332.500, omschrijving (D-1593):

‘inzake onze afspraak aangaande het project Eurocenter te Amsterdam.’

Alle genoemde bedragen zijn exclusief BTW.

De gefactureerde bedragen worden op de bankrekening van [rechtspersoon 4] overgeboekt

door Bouwfonds Ontwikkeling BV op 11 februari 2004 (D-0746) en door [rechtspersoon 10] op 31 oktober 2003

(D-2238). [rechtspersoon 11] betaalt de facturen op resp. 20 juli 2004 (D-0745), 12 november 2004

(D-2077) en 19 januari 2005 (D-2079) en [rechtspersoon 12] betaalt op 9 juni 2005 aan [rechtspersoon 3] (D-1594).

Alle facturen en betalingen hiervoor genoemd - behoudens de factuur die betrekking heeft op het winstrecht - vinden hun grondslag in de zogenaamde bouwclaims die in het kader van het project Eurocenter zijn gehonoreerd (D-3168: overzichtschema Eurocenter).

Het winstrecht staat (min of meer) op zichzelf en is neergelegd in twee brieven, een brief van

23 mei 2000 van [rechtspersoon 4] aan Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV, ter attentie van [medeverdachte 2], (D-1982) alsmede een brief van 30 oktober 2003 van Bouwfonds Ontwikkeling BV aan [rechtspersoon 4] (D-0620).

De brief van 23 mei 2000 is namens [rechtspersoon 4] ondertekend door [getuige 3] en

namens Bouwfonds Vastgoedontwikkeling door [medeverdachte 2]. De brief van 30 oktober 2003 is

namens [rechtspersoon 4] ondertekend door de [medeverdachte 1] en namens Bouwfonds Ontwikkeling BV door de medeverdachte [medeverdachte 4].

Uit de door de [medeverdachte 2] over (de afkoop van) het winstrecht en de bouwclaims afgelegde verklaringen (ter terechtzitting in eerste aanleg op 19 mei 2011 als verdachte, en bij de

rechter-commissaris als getuige op 5 september 2012 en 29 oktober 2012) kan - naar de kern samengevat - worden afgeleid dat zowel het winstrecht als de bouwclaim(s) zijn gehonoreerd, omdat [getuige 3] - die voor de [medeverdachte 2] de reputatie had van iemand die wel eens mensen betaalde - fungeerde als breekijzer om ervoor te zorgen dat Bouwfonds bij PPF (in de hoedanigheid van [verdachte]) in het project Eurocenter aan tafel kon komen, waarbij hoe een en ander op papier komt niet van belang is.

In het kort komt het erop neer dat “om aan tafel te komen bij PPF” een bedrag van om en nabij de

€ 7.000.000 (€ 2.000.000 winstrecht en € 5.000.000) naar [rechtspersoon 4] en naar [rechtspersoon 10] gaat. Immers, ook aan [rechtspersoon 10] wordt geld betaald op grond van twee bouwclaims (D-0067 en D-0054). Dit laatste gebeurt op verzoek van de [medeverdachte 2], aangezien hij met [getuige 3] heeft afgesproken dat ook aan hem een deel van de bouwclaim(s) ten goede komt. Al deze bedragen komen uiteindelijk ten laste van de winst van Bouwfonds.

Geconfronteerd met het overzichtschema van de geldstromen in Eurocenter (D-3168) verklaart de [medeverdachte 2] op 19 mei 2011 ter terechtzitting in eerste aanleg (pag. 20):

Wat een vloedgolf aan geld verdwijnt er in de zakken van diverse personen.”

Onder de (rechts)personen die in dit verband de revue passeren bevindt zich [rechtspersoon 4].

Deze rechtspersoon heeft (aldus het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van beschrijving

van [rechtspersoon 4], AH-0082, pag. 4) in 2004 geen andere omzet dan de afkoop winstrecht

van € 2.000.000 en de bouwclaim van € 2.586.542, en in 2005 en 2006 in het geheel geen omzet.

Over deze rechtspersoon kan - naast hetgeen hiervoor reeds is opgemerkt te weten dat de verdachte hierin de facto participeert voor 69% - het navolgende worden opgemerkt.

Op 8 mei 2000 wordt de statutaire naam van [rechtspersoon 13] gewijzigd in [rechtspersoon 4]. Op diezelfde datum wordt de statutaire naam van [rechtspersoon 14] gewijzigd in [rechtspersoon 2].

Op 18 mei 2000 wordt de verdachte houder van 399 van de 400 aandelen in [rechtspersoon 2] (hierna: [rechtspersoon 2]). Een maand later wordt dit bijgesteld naar 396 aandelen, 99% van de aandelen in de Holding. [medeverdachte 1] is in bezit van 4 aandelen, 1% van de aandelen in de [rechtspersoon 2]. Daarnaast wordt [rechtspersoon 2] op 18 mei 2000 houder van 69% van de aandelen in [rechtspersoon 4] (276 aandelen van de 400). [getuige 3] heeft 104 (26%) aandelen en [medeverdachte 1] 20 (5%). [medeverdachte 1] en [getuige 3] waren beiden bestuurder/directeur van [rechtspersoon 4] (D-2211: aandeelhoudersregister [rechtspersoon 4]).

Op 23 mei 2000 zendt [getuige 3] namens [rechtspersoon 4] een brief aan Bouwfonds ter attentie van de [medeverdachte 2]. In deze brief worden overeengekomen afspraken bevestigd, - onder meer – dat Bouwfonds 25% van de projectwinst (betreffende de herontwikkeling Boelelaan: hof: het project Eurocenter) aan [rechtspersoon 4] verschuldigd zal zijn (D-0032). Hierbij wordt vermeld dat:

‘onze diensten (hof: de diensten van [rechtspersoon 4]) hoofdzakelijk zullen bestaan uit

activiteiten op het gebied van de coördinatie en verhuur van het project’.

De [medeverdachte 2] verklaart hierover dat de overeenkomst van 23 mei 2000 op voorhand de lading niet dekt en hij bevestigt hetgeen de medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard, te weten dat hij geen activiteiten van [getuige 3] heeft gezien.

Vervolgens wordt bij brief van 30 oktober 2003 voornoemd winstrecht afgekocht voor € 2.000.000

(D-0620). In de brief staat - onder meer -:

  • -

    [rechtspersoon 4] draagt de verdere werkzaamheden en activiteiten inzake de verhuur en coördinatie geheel over aan Bouwfonds Ontwikkeling;

  • -

    de vergoeding van 25% van de projectwinst van Bouwfonds Ontwikkeling aan Universum Vastgoed vervalt in zijn geheel;

  • -

    Bouwfonds is een aanbreng- en verkoopcourtage verschuldigd aan [rechtspersoon 4] voor de door haar verrichte bemiddeling en activiteiten op het gebied van de ontwikkelingsovereenkomst en verhuur ter hoogte van € 2.000.000,- , exclusief BTW (…)

  • -

    Na betaling van de voornoemde courtage hebben partijen geen verplichtingen jegens elkaar en verlenen elkaar ter zake over en weer finale kwijting.

Wij hopen hiermee met u een traject af te sluiten welke naar onze volle tevredenheid heeft geleid tot een succesvol resultaat voor alle partijen.’

IJdele hoop voor Bouwfonds, zoals al vrij snel blijkt, dit gezien de hiervoor vermelde bouwclaimbeta-lingen aan [rechtspersoon 4] door de ingeschakelde aannemer [rechtspersoon 11]. Deze betalingen worden gedaan uit de winstmarge - tussen de opbrengst en de kosten - die behoort toe te komen aan Bouwfonds. Betalingen op grond van een ‘bouwclaim’, die zijn grondslag (eveneens) vindt in het feit dat [getuige 3] heeft gefungeerd als breekijzer om de [medeverdachte 2] namens Bouwfonds aan tafel te krijgen bij PPF in de persoon van de verdachte. De verdachte die - nadat er afspraken zijn gemaakt met [getuige 3] - opeens een stuk makkelijker wordt en zijn halsstarrige houding laat varen,

die opeens normale, in economische zin acceptabele, voorwaarden stelt (aldus de medeverdachte

[medeverdachte 2] op 19 mei 2011 ter terechtzitting in eerste aanleg, pag. 10, en - als getuige in de zaak van de verdachte - ter terechtzitting van 27 juni 2011, pag. 3), maar wiens economisch belang van 69% in [rechtspersoon 4] er uiteindelijk toe leidt dat van de betalingen aan [rechtspersoon 4] van

€ 2.000.000 (afkoop winstrecht), € 2.586.547 (afhandeling bouwclaim) en € 136.134 (bemiddelingsfee): totaal € 4.722.681, een bedrag van € 3.258.658 (69%) aan de verdachte toekomt.

Het hof is op grond van dit alles van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is voor de onder feit 8 tenlastegelegde passieve niet ambtelijke omkoping van de verdachte. Immers, nadat de afspraken tussen [getuige 3] en de [medeverdachte 2] over het winstrecht zijn gemaakt, verandert de houding van de verdachte en wordt Bouwfonds na 23 mei 2000 bij de verdachte aan tafel toegelaten. Van de afspraken - tussen [getuige 3] en de [medeverdachte 2] - die de verdachte niet meldt bij zijn werkgever profiteert de verdachte door het economische belang dat hij in [rechtspersoon 4] heeft. Hieraan doet niet af dat de [medeverdachte 2] verklaart dat hij pas in 2006/2007 het vermoeden kreeg dat de verdachte betrokken was bij [rechtspersoon]. Het gaat immers niet om wetenschap bij de [medeverdachte 2], maar om wetenschap bij de verdachte die accepteert dat na tussenkomst van [getuige 3] voornoemde sommen toevloeien aan een rechtspersoon waarin hij een - voor het Philips Pensioenfonds en Bouwfonds niet zichtbaar - economisch belang heeft van 69%, een rechtspersoon die verder geen activiteiten heeft, terwijl de verdachte op 20 mei 2011 ter terechtzitting in eerste aanleg heeft erkend (pag. 9 en 10) dat hij (al) in mei 2000 weet dat Bouwfonds geld aan [rechtspersoon 4] gaat betalen en hij dus geld van Bouwfonds zal gaan krijgen indien Bouwfonds winst maakt op het project Eurocenter. Tevens heeft de verdachte op die zitting verklaard dat hij op de hoogte was van het winstrecht van 25%, dat hij het vond kunnen dat hij zelf verdiende aan een project waar ook Philips bij was betrokken en dat hij het niet nodig vond dit te melden bij Philips, terwijl bovendien uit de verklaring van de [medeverdachte 1] kan worden opgemaakt dat de constructie is opgezet om de verdachte buiten beeld te houden (V16-03, pag. 9 en 10).

De betalingen aan [rechtspersoon 4] die in 2004 volgen en waaraan voornoemde omkoping van de verdachte ten grondslag ligt, vinden vervolgens plaats door middel van valse brieven, valse overeenkomsten en valse facturen waarmee niet alleen de werkelijke aard van die betalingen wordt verhuld maar eveneens dat het gaat om uiteindelijk voor de verdachte bestemd (omkopings)geld. Immers, in die stukken staat niet waar het werkelijk om gaat, maar worden begrippen gehanteerd die de lading niet dekken en werkzaamheden omschreven die niet zijn uitgevoerd. Geoordeeld wordt dan ook dat ook het onder feit 6 tenlastegelegde witwassen wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ook hier wordt de verdachte aangemerkt als pleger, waarvoor verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder feit 3 in dit verband is overwogen.

Het ten laste gelegde feit onder 7 (valsheid in geschrift: project Eurocenter)

Het hof is van oordeel dat uit hetgeen hiervoor is opgenomen weliswaar blijkt dat de onder dit ten laste

gelegde feit opgenomen stukken vals zijn alsook dat de verdachte er wetenschap van had dat dit alles gebeurde, maar uit de stukken van het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte zelf daadwerkelijk betrokken is geweest bij het opstellen van die stukken dan wel dat hij bij het opstellen van die stukken nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. Geoordeeld wordt dat vrijspraak dient te volgen voor dit feit.

Het ten laste gelegde feit onder 9 (deelname aan een criminele organisatie: projecten Eurocenter en 126)

Onder het ten laste gelegde feit wordt de verdachte verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die ziet op de projecten Eurocenter en 126.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen niet zonder meer dat de verdachte in het project Eurocenter met de [medeverdachte 2] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De [medeverdachte 2] heeft bij herhaling en consistent verklaard dat hij pas in 2007 wetenschap verkreeg dat achter de Universum vennootschappen de verdachte schuilging als één van de ontvangers van de geldbedragen. In de visie van de [medeverdachte 2] deed hij zaken met [getuige 3]. Het dossier bevat ook geen bewijsmiddelen die in een andere richting wijzen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [getuige 3] als ‘breekijzer’ heeft gefungeerd bij de totstandkoming van het project Eurocenter, [getuige 3] daarvoor geldbedragen ontving, deze geldbedragen in feite (grotendeels) toekwamen aan

de verdachte, maar deze wel daarbij buiten beeld bleef, ook voor de [medeverdachte 2].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste alternatief, 2, 3 primair, 4 subsidiair, 5 primair, 6 primair en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(PROJECT 126):

Hij in de periode van 31 januari 2005 tot en met 1 februari 2006 in Nederland met het oogmerk zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en het aanwenden van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtselen, Stichting Pensioenfonds en/of [getuige 2] heeft bewogen tot afgifte van een pakket onroerend goed voor een prijs van Euro 384.510.000 hebbende hij verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- op 8 november 2005 per brief aan [getuige 2] en/of PREIM medegedeeld dat het onderhandelingsresultaat, gezien de balanswaarde van het pakket en de toenmalige waarde van de drie kantoorcomplexen in verband met verslechterende marktomstandigheden, als "zéér aanvaardbaar" kan worden bestempeld, terwijl hij, verdachte op dat moment wist dat het onderhandelingsresultaat voor PREIM hoger had kunnen zijn,

- aan [getuige 2] en/of PREIM per brief van 8 november 2005 aangegeven dat drie kantoorcomplexen die deel uitmaken van het pakket een waardevermindering van circa EUR 10 a 15 miljoen hadden ondergaan en daarbij ter onderbouwing hiervan een afwaarderingrapport van [getuige 5] als bijlage bijgevoegd, terwijl hij, verdachte wist dat deze afwaardering (feitelijk) onjuist was en aan [getuige 5] (nadat zij tot een afwaardering van circa EUR 3,1 miljoen kwam) heeft aangegeven dat zij op een afwaardering van circa EUR 18 miljoen moest uitkomen en/of; (D-1323 en D-1325),

- zich voorgedaan als een betrouwbare loyale en integere medewerker binnen PREIM en/of PPF

terwijl verdachte zijn competenties niet heeft aangewend ten goede van zijn werkgever en heeft verzwegen dat hij een eigen geldelijk belang had bij deze verkooptransactie, waardoor Stichting Philips Pensioenfonds werd bewogen tot afgifte van het voornoemde pakket onroerend goed voor de prijs van Euro 384.510.000,-;

2.

(PROJECT 126):

Hij in de periode van 27 juli 2004 tot en met 1 december 2006 in Nederland anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Philips, naar aanleiding van hetgeen verdachte, in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een belofte tot betaling van 7/15 deel van de te behalen winst op project 126 door (de vennootschappen van) medeverdachte

[medeverdachte 2], heeft aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;

3.

PRIMAIR:

(PROJECT 126):

Hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juli 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van geldbedragen tot een totaalbedrag van Euro 407.500 (exclusief btw), de werkelijke aard en de herkomst heeft verborgen of verhuld doordat die geldbedragen waren verkregen op basis van:

- een valse factuur van [rechtspersoon 5] aan [rechtspersoon 6] (D-0541), en

- een valse factuur van [rechtspersoon 5] aan [rechtspersoon 7] (D-3212),

terwijl verdachte wist dat die geldbedragen geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

SUBSIDIAIR:

(PROJECT CEYLONSTAETE):

Hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 december 2006 in Nederland anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Philips, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn betrekking heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten (in het kader van het project Ceylonstaete), een gift, te weten een geldbedrag van in totaal circa EUR 5.445.363 (Hfl 12.000.000), heeft aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;

5.

PRIMAIR:

(PROJECT CEYLONSTAETE):

Hij in de periode van 1 april 2002 tot en met 13 november 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van een totaal bedrag van circa Euro 5.445.363 (Hfl 12.000.000) (exclusief btw),

de werkelijke aard en de herkomst heeft verborgen of verhuld doordat die geldbedragen waren verkregen op basis van:

- een valse winstdelingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 9] en [rechtspersoon 3] (D-0835) en

- een valse vaststellingsovereenkomst tussen [rechtspersoon 9] en [rechtspersoon 3] (D-0836) en

door die geldbedragen te ontvangen op de bankrekening van [rechtspersoon 3],

terwijl verdachte wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

6.

PRIMAIR:

(PROJECT EUROCENTER):

Hij in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 13 november 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van geldbedragen tot een totaal van Euro 5.055.181 (exclusief btw),

de werkelijke aard en de herkomst heeft verborgen of verhuld doordat die geldbedragen waren verkregen op basis van:

- een (valse of vervalste) brief van [rechtspersoon 4] aan Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV (D-1982) en/of

- een (valse of vervalste) brief van Bouwfonds Ontwikkeling BV aan [rechtspersoon 4] (D-0620) en/of

- een (valse of vervalste) (bouwclaim)overeenkomst tussen [rechtspersoon 11]/[rechtspersoon 14] en [rechtspersoon 4] (D-0036) en/of

- een (valse of vervalste) (bouwclaim)overeenkomst tussen [rechtspersoon 4] en [rechtspersoon 10] (D-0860) en/of

- een (valse of vervalste) factuur van [rechtspersoon 4] aan [rechtspersoon 10]

(D-2237) en/of

- een (valse of vervalste) factuur van [rechtspersoon 4] aan Bouwfonds Ontwikkeling BV (D-1992) en/of

- drie, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [rechtspersoon 4] aan [rechtspersoon 11] (D-1636 en/of D-2076 en/of D-2078) en/of

- een (valse of vervalste) factuur van [rechtspersoon 3] aan [rechtspersoon 12](D-1593)

en

door die geldbedragen te ontvangen op de bankrekening van [rechtspersoon 4] B.V. en/of [rechtspersoon 3], terwijl verdachte wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

8.

(PROJECT EUROCENTER):

Hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 december 2006 in Nederland, meermalen telkens anders dan als ambtenaar werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Philips, naar aanleiding van hetgeen hij

in zijn betrekking heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten (zulks in het kader van het project Eurocenter) een belofte, te weten

- de belofte tot betaling van 25% van de winst (aan [rechtspersoon 4]) die Bouwfonds zal behalen op het project Eurocenter, althans Euro 2.000.000 (exclusief btw) wegens het vervallen van genoemde winstafspraak (D-0619) en

giften, te weten

- een geldbedrag van EUR 2.000.000 (exclusief btw, factuur D-1656/D-1992), en geldbedragen van in totaal EUR 3.055.181 (exclusief btw, facturen D-2237, D-1636, D-2076, D2078, D-1593),

heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Naar ’s hofs oordeel is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten uitsluit, zodat deze strafbaar zijn.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

oplichting

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, aannemen van een gift of een belofte en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, aannemen van een gift of een belofte en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Het onder 6 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, aannemen van een gift of een belofte en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat - indien het hof aan de verdachte een gevangenisstraf oplegt voor de duur van minimaal vier jaren - het hof bij eindarrest de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal bevelen.

De verdediging maakt bezwaar tegen de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf, in welk kader wordt gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn, de overvloedige media-aandacht en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (pleitnotities par.136, 139 en 141). Voor het geval het tot een veroordeling mocht komen wijst de verdediging er tevens op dat PPF niet is benadeeld doordat [getuige 8] bereid was 12 miljoen gulden te betalen aan [rechtspersoon 3] (pleitnotities, par. 56).

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 2 juni 2014 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het hof hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Uit de bewezen verklaarde feiten volgt dat de verdachte voor vele miljoenen euro’s zijn voormalige werkgever heeft benadeeld.

Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is derhalve op zijn plaats, waarbij het hof voorts de volgende factoren betrekt.

De verdachte heeft - tot 1 januari 2002 - in zijn functie als hoofd van de afdeling Vastgoed bij Stichting Philips Pensioenfonds en daarna als directeur van Schootse Poort Onroerend Goed BV/PREIM zich gedurende vele jaren laten omkopen. Wellicht goed hier kort aan te geven waar we het over hebben:

Een omkoping begin 2002 door [getuige 8] ten bedrage van fl. 12.000.000 (€ 5.445.363), welk bedrag

werd uitbetaald door drie betalingen in 2002, 2003 en 2004, van telkens een bedrag van € 1.815.121.

Een omkoping in 2005 door de [medeverdachte 2], inhoudende de toezegging aan de verdachte de helft van de op het project 126 te behalen winst te betalen. Deze winst werd - naar uit aantekeningen van de [medeverdachte 1] blijkt - begroot op bedragen tussen de 20 en 40 miljoen euro. Tot uitbetaling van de helft van die laatste bedragen is het door ingrijpen van justitie niet gekomen, met uitzondering van een betaling van een bedrag van € 422.500 aan [verdachte]. Bovendien heeft in 2004 [rechtspersoon 4], een BV waarin de verdachte een voor derden niet zichtbaar aandeel heeft van 69%, op basis van een afspraak uit 2000 een betaling van € 2.000.000 ontvangen onder de titel ‘afkoop winstrecht’ en betalingen van in totaal € 2.722.681 onder het mom van zogenaamde bouwclaims. Ook deze betalingen werden gedaan om aan tafel te komen bij Philips. Deze laatste betalingen kwamen uit de kas van Bouwfonds. Bouwfonds wist echter - naar blijkt uit de verklaringen van de medeverdachte

[medeverdachte 2] - in het geheel niet dat de betalingen grotendeels aan de verdachte ten goede kwamen. Tel hierbij op dat de verdachte zijn werkgever heeft opgelicht in het project 126, dat hij de omkopingsgelden heeft witgewassen door de uitbetaling te laten plaatsvinden op bankrekeningen van derden (te weten: de [rechtspersonen] en [rechtspersoon 5] en dat hij zich - door de [medeverdachte 2], die toen zelf aan tafel wilde komen bij Philips - op snoepreisjes heeft laten tracteren naar Formule 1- races in Monaco. Een ieder begrijpt dat hier alle grenzen worden overschreden, maar nog zegt de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 1 juli 2014 over de snoepreisjes:

“Dat was meer een grapje van mij, maar [medeverdachte 2] is er serieus op ingegaan. Dat was mooi. Ik heb hem ook wel gezegd dat het een grapje was. en neemt hij - naar het oordeel van het hof - gelet op zijn houding en antwoorden ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedrag.

Het hof acht aannemelijk dat alle media-aandacht rondom de persoon van de verdachte en de daarin reeds verwerkte oordelen, een zware wissel hebben getrokken en nog steeds trekken op de verdachte en zijn privéleven. Tegelijkertijd ziet het hof de media-aandacht voor deze zaak evenwel als een kennelijk onvermijdelijk en bovendien van een eigen dynamiek voorzien fenomeen dat zich bij uitstek in zaken met een zekere impact voordoet. In het geval van de verdachte is de maatschappelijke positie die hij ten tijde van de door hem gepleegde feiten bekleedde, niet geheel onbegrijpelijk een aandachttrekkend aspect.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte een schikking met de benadeelde partijen heeft getroffen.

Ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het hof als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft in beginsel het volgende te gelden.

Wat betreft de berechting van een zaak in eerste aanleg dient de zaak ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel, eveneens behoudens bijzondere omstandigheden.

Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Ervan uitgaande dat bedoelde termijn in eerste aanleg een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten 13 november 2007, kan worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis is gewezen, de vervolging van verdachte meer dan vier jaren in beslag heeft genomen. Ten aanzien van de procedure bij het hof is de termijn aangevangen op 10 februari 2012, de datum waarop door zowel de verdachte als het openbaar ministerie hoger beroep is ingesteld. Nu het hof op 27 februari 2015 uitspraak doet, heeft de hoger beroepsprocedure meer dan drie jaren in beslag genomen.

Het hof acht de duur van de strafprocedure in eerste aanleg en hoger beroep onwenselijk maar niet onredelijk, in aanmerking nemend de omvang van het door de FIOD verrichte onderzoek waarbij een groot aantal (rechts)personen als verdachte is aangemerkt en dat ook nog na 13 november 2007 heeft plaatsgevonden, de enorme omvang en de complexiteit van het Klimop-dossier, het uitgebreide onderzoek dat mede op verzoek van de verdediging in de zaak van verdachte en in de zaken van medeverdachten heeft plaatsgevonden, alsook de tijd die de behandeling van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen.

Al het voorgaande, waarbij het hof tevens acht heeft geslagen op de overigens nog door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden, brengt met zich dat aan de verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt opgelegd, die hoger is dan door de rechtbank is opgelegd, wat het gevolg is van het anders waarderen van de strafmaatbepalende factoren.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren passend en geboden.

Vordering opheffing schorsing voorlopige hechtenis

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat het hof bij eindarrest de opheffing schorsing van het bevel voorlopige hechtenis zal bevelen, indien het hof aan de verdachte een gevangenisstraf oplegt voor de duur van minimaal vier jaar. Het openbaar ministerie heeft de vordering onderbouwd door te stellen dat, in het algemeen, in zaken waarin vier jaar gevangenisstraf of meer is opgelegd, de meeste verdachten zich in voorlopige hechtenis bevinden. In zaken van handel in verdovende middelen, vermogens- en zedendelicten met een geweldscomponent is dat zelfs gebruikelijk. Voor de effectiviteit en geloofwaardigheid van de strafrechtelijke aanpak van witteboordencriminaliteit is dat fnuikend. Het wekt het beeld op van onaantastbaarheid en geeft voeding aan de idee dat witteboordencriminaliteit van overheidszijde minder krachtig wordt bestreden en dat verdachten daarvan een bijzonder positie innemen. In het bijzonder voor de verdachte geldt dat nooit blijk is gegeven van enig inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen. Gelet op de spanning met de onschuldpresumptie en in het bijzonder met het in art. 5 EVRM gegarandeerde recht op persoonlijke vrijheid, acht het openbaar ministerie de vordering slechts gerechtvaardigd wanneer het hof een aanzienlijke gevangenisstraf van vier jaar of meer oplegt (pag. 2 en 3, aanvulling bij bijzonder requisitoir).

Standpunt verdediging

De verdediging verzet zich tegen de vordering en voert daartoe aan dat de verdachte zich, mocht het uiteindelijk tot een gevangenisstraf komen, daar niet aan zal onttrekken, dat hij altijd op de zittingen is geweest en zijn medewerking heeft verleend alsook dat hij vanaf 2007/2008 niet gedetineerd is geweest. Om, opeens na zeven jaar, te moeten menen dat de verdachte wederom voorlopig gehecht moet worden is achterhaald en niet meer te begrijpen. (pleitnotities, par. 142).

Beoordeling

Het hof overweegt en oordeelt als volgt.

Een bevel schorsing voorlopige hechtenis kan op grond van artikel 82 lid 1 Sv te allen tijde worden opgeheven zelfs als de verdachte zich aan de hem gestelde voorwaarden houdt, aangezien het gaat om een aan de rechter toekomende discretionaire bevoegdheid. Deze discretionaire bevoegdheid brengt echter tevens mee dat de rechter evenmin verplicht is de schorsing op te heffen. Alhoewel aan

de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid geen vergaande motiveringseisen worden gesteld, overweegt het hof - gelet op de door het openbaar ministerie aangevoerde principiële argumenten - het navolgende.

De rechter dient bij het nemen van die beslissing de belangen van de samenleving, het slachtoffer en de verdachte tegen elkaar af te wegen en na te gaan of een bevel opheffing schorsing voorlopige hechtenis wenselijk is. Bij die belangenafweging spelen de eis van rechtshandhaving een rol, maar ook het bepaalde van art. 5 EVRM. Doelstelling van art. 5 EVRM is de persoonlijke vrijheid en veiligheid te beschermen tegen willekeurige inbreuken (vgl. EHRM 8 juni 1976, NJ 1978/223, r.o 58 (Engel)). Om deze doelstelling te bereiken, is aan eenieder het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid toegekend en is voorts limitatief aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een inbreuk op dit recht mag worden gemaakt. Er moet voorts een balans zijn tussen het belang dat

in een democratische samenleving bestaat en het recht op vrijheid (EHRM 25 september 2003, NJ 2004/633, r.o 37 (Vasileva)). Het enkele feit dat een ernstig delict is gepleegd is op zich onvoldoende

een voorlopige hechtenis te (blijven) rechtvaardigen (vgl. EHRM 9 december 2014, Appl. nr. 15911/08, r.o. 37 t/m 39 (Geiterfer)).

In onderhavige zaak is de verdachte op 13 november 2007 aangehouden en daarna in voorlopige hechtenis gesteld. De voorlopige hechtenis is op 29 januari 2008 door de rechtbank geschorst. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte de hem gestelde voorwaarden niet naleeft. Gelet daarop en gezien de inmiddels lange duur van de procedure vermag het hof niet in te zien welk doel thans is gebaat bij een bevel opheffing schorsing voorlopige hechtenis. De enkele veroordeling volstaat daarvoor niet, terwijl de door het openbaar ministerie gemaakt algemene vergelijking niet als doorslaggevend wordt aangemerkt, omdat het in iedere zaak gaat om de specifieke omstandigheden van het geval die afzonderlijk en in onderling verband bezien de grondslag vormen een verdachte in voorlopige hechtenis te stellen. Dat de verdachte weinig blijk heeft gegeven van enig inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen leidt niet tot andere afweging, aangezien dit geen grond vormt voor voorlopige hechtenis.

De vordering tot opheffing van het bevel waarbij de voorlopige hechtenis is geschorst wordt derhalve afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 326, 328ter en 420bis van

het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de het onder feit 2 impliciet cumulatief ten laste gelegde giften ‘te weten de betaling van in totaal circa EUR 10.500.000 en/of de betaling van in totaal circa EUR 422.500,- en/of de betaling van een of meer geldbedrag(en)’.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede alternatief, 4 primair, 7 primair, 7 subsidiair en 9 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste alternatief, 2, 3 primair, 4 subsidiair, 5 primair, 6 primair en 8 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 eerste alternatief, 2, 3 primair, 4 subsidiair, 5 primair, 6 primair en 8 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van
mr. R. Cozijnsen en mr. M.E. Olthof, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2015.