Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:630

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
200.141.442-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inschrijving van de echtscheiding staat niet in de weg aan de mogelijkheid van hoger beroep tegen nevenvoorzieningen en de akte van berusting evenmin. Maatgevend voor de akte is de Haviltex-formule.

Het hof ziet geen aanleiding tot aanpassing c.q. wijziging echtscheidingsconvenant

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 februari 2015

Zaaknummer: 200.141.442/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/533298/FA RK 12-10631

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.C.A. Stoop te Heerhugowaard (onttrokken),

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J. van Embden te Amstelveen (onttrokken).

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 5 februari 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 6 november 2013 van de rechtbank Amsterdam, hersteld bij beschikking van 24 december 2013, met kenmerk C/13/533298/FA RK 12-10631.

1.3.

De vrouw heeft op 9 mei 2014 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De man heeft op 5 augustus 2014 een verweerschrift in het voorwaardelijk hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5.

De man heeft op 10 februari 2014 en 1 september 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 4 september 2014 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 11 september 2014 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn op 20 september 2003 gehuwd. Hun huwelijk is op 15 januari 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 6 november 2013 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun relatie respectievelijk huwelijk zijn geboren [kind A] [in 1] 2003, [kind B] [in 2] 2007 en [kind C] [in 3] 2011 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen, die bij de vrouw verblijven.

2.2.

In het door partijen op respectievelijk 21 juni 2013 en 24 juni 2013 overeengekomen echtscheidingsconvenant is – voor zover thans van belang – het volgende vermeld:

Artikel 2 DE KINDEREN

2.3.

Met ingang van 1 januari 2013 betaalt de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling per bankbetaling een bijdrage voor de kinderen van € 500,- per kind per maand. Dit bedrag werd overeengekomen in het kader van voorlopige voorziening. Partijen zijn overeengekomen dit als definitieve kinderalimentatie te bepalen.

2.7.

De in dit artikel opgenomen kinderalimentatie kan uitsluitend worden gewijzigd in geval van een wijziging van omstandigheden die zo ingrijpend is dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden.

Artikel 3 PARTNERALIMENTATIE

De vrouw doet afstand van haar recht op partneralimentatie.”

2.3.

In een door partijen op 24 juni 2013 ondertekend stuk met het opschrift ‘gezamenlijke akte van berusting tevens gezamenlijk verzoek tot inschrijving’ verklaren partijen:

“te hebben kennis genomen van en te berusten in de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van [handgeschreven: 6-11-2103] 2013, zaaknummer, bij welke beschikking tussen ondergetekenden, de echtscheiding werd uitgesproken. [handgeschreven: C/13/533298 12-10631]”

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren op [geboortedatum 1]. Hij is alleenstaand.

Hij is zanger van beroep. Het netto bedrijfsresultaat van zijn eenmanszaak [X] Produkties bedroeg in 2009 € 2.499,-, in 2010 € 46.629,-, in 2011 € 27.036,- en in 2012 € 27.877,-.

Aan kale huur betaalt hij € 1.350,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalde hij in 2013 € 137,- per maand.

Hij heeft een schuld aan de Belastingdienst in verband met achterstallige inkomstenbelasting, omzetbelasting en wegenbelasting van thans circa € 13.000,-.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren op [geboortedatum 2]. Zij vormt met de kinderen een eenoudergezin.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – overeenkomstig het onder 2.2 vermelde convenant bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2013 een bijdrage in de kosten van de kinderen zal betalen van € 500,- per kind per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en het echtscheidingsconvenant in zoverre, te bepalen dat hij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van € 136,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2013 dan wel met ingang van de datum van indiening van het hoger beroepschrift (5 februari 2014).

De man verzoekt voorts, in het geval [kind A] bij hem woonachtig zal zijn, de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] op nihil te stellen en in dier voege de bestreden beschikking en het echtscheidingsconvenant te wijzigen.

3.3.

De vrouw verzoekt primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en de man te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep. Subsidiair verzoekt zij – naar het hof begrijpt - de bestreden beschikking te bekrachtigen en het door de man in hoger beroep verzochte af te wijzen.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw - naar het hof begrijpt: voor zover de bestreden beschikking en het echtscheidingsconvenant ten aanzien van de kinderalimentatie worden vernietigd en aangepast – de man te veroordelen tot betaling van een naar goede justitie te bepalen alimentatie voor de vrouw met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking (6 november 2013), de huwelijkse voorwaarden c.q. het daarin opgenomen verrekenbeding af te wikkelen op basis van een alsdan nader in te dienen voorstel, althans een verdeling vast te stellen, en voorts de beschikking in hoger beroep zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.4.

De man verzoekt – naar het hof begrijpt - het door de vrouw in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Anders dan de vrouw bepleit, is de man ontvankelijk in zijn hoger beroep. Het hoger beroep van de man is niet gericht tegen de bij de bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding. Het feit dat de echtscheiding inmiddels met instemming van beide partijen is in geschreven in de registers van de burgerlijke stand, staat niet in de weg aan het recht van de man om in hoger beroep te komen van de bij de bestreden beschikking uitgesproken nevenvoorzieningen. Voor zover de vrouw betoogt dat de man, door ondertekening van de onder 2.3 vermelde akte van berusting, afstand heeft gedaan van zijn recht om van die nevenvoorzieningen in hoger beroep te komen, verwerpt het hof dit betoog. Voor de uitleg van die akte is maatgevend de Haviltex-formule. De tekst van de akte is onmiskenbaar geheel en uitsluitend toegespitst op de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding van partijen. De door de vrouw aangevoerde bijkomende omstandigheden als weergegeven in haar verweerschrift en in haar pleitnota, zijn niet voldoende om af te wijken van de duidelijke tekst van de akte en te concluderen dat de man ook in de nevenvoorzieningen heeft berust, zodat daartegen zijnerzijds geen hoger beroep meer zou openstaan.

4.2.

De man verzoekt – kort gezegd – aanpassing c.q. wijziging van de door partijen in het onder 2.2 vermelde convenant overeengekomen en in de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Hij stelt primair dat die bijdrage, gelet op zijn draagkracht en de behoefte van de kinderen, te hoog is, terwijl de bijdrage van openbare orde is zodat de hoogte daarvan dient te kloppen.

Subsidiair stelt hij dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, in de eerste plaats omdat hij inmiddels meer inzicht heeft in zijn financiën en daaruit is gebleken dat hij feitelijk in een slechtere financiële positie verkeert dan ten tijde van het ondertekenen van het convenant in juni 2013 en in de tweede plaats omdat [kind A] thans bij hem verblijft.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4.3.

Het hof ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding het onder 2.2 vermelde convenant te wijzigen in de door de man gewenste zin. Voor zover partijen in het convenant zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven die gelden voor kinderalimentatie, is voldoende aannemelijk geworden dat dit een bewuste keuze van hen beiden is geweest. Voldoende is komen vast te staan dat, zoals door de vrouw is gesteld en door de man niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, de door partijen in het convenant gemaakte afspraken ten aanzien van de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijks-voorwaarden in nauwe onderlinge samenhang moeten worden bezien. Bovendien was de man zich, blijkens zijn mededeling ter zitting in hoger beroep, ten tijde van het ondertekenen van het convenant bewust van zijn financiële omstandigheden en is het concept convenant in het bijzijn van een advocaat getekend, terwijl partijen het concept van tevoren ieder met hun eigen advocaat hebben besproken. Dat de man het convenant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, ‘uit emotionele gevoelens’ heeft ondertekend, moet daarom voor zijn rekening blijven en doet aan zijn eigen keuze niet af.

Niet gebleken is voorts dat de financiële omstandigheden van de man sinds het ondertekenen van het convenant in juni 2013 en de bestreden beschikking van 6 november 2013 in relevant opzicht zijn gewijzigd. Integendeel, de advocaat van de man heeft ter zitting aangegeven dat het bedrijfsresultaat van de eenmanszaak van de man in 2013 € 31.000,- bedroeg. Het resultaat was in 2013 dus hoger dan in 2012.

De omstandigheid dat [kind A] thans bij de man verblijft kan evenmin leiden tot wijziging van het convenant, reeds omdat de man ter zitting heeft verklaard dat het de bedoeling is dat [kind A] spoedig weer bij de vrouw zal gaan wonen. Gelet op het voorgaande wijst het hof het subsidiaire verzoek van de man eveneens af.

De bestreden beschikking wordt derhalve bekrachtigd.

4.4.

Het hof komt dan ook niet toe aan het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vrouw, zodat dit buiten bespreking blijft.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. A. van Haeringen en mr. S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015.