Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:622

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
23-004758-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:214, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promis, DNA bewijs, alternatieve scenario verworpen, gekwalificeerde diefstal en opzetheling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004758-14

datum uitspraak: 26 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2014 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684324-14 en 13-667042-12 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 28 februari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op het Osdorpplein, in elk geval op of aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meer vitrine(s) van Juwelier [bedrijf] (gelegen aan het [adres bedrijf]) heeft weggenomen een of meer siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of Juwelier [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van voornoemde vitrine's door (met kracht) met een hamer, in elk geval een hard en/of stomp en/of zwaar voorwerp, voornoemde vitrine(s) in te slaan, welke diefstal met braak en/of verbreking werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer (onbekende) omstander(s), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/ofzijn mededader(s),

- (dreigend) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) voorhanden heeft/hebben gehad en/of getoond en/of voorgehouden aan en/of gericht (gehouden) op voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer (onbekende) omstander(s) en/of

- (daarbij) dreigend voornoemde [slachtoffer 1] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Ik ga je schieten. Ik schiet je dood. Ik ga je schieten.", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;


2 primair:

hij op of omstreeks 18 februari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motorfiets (kenteken [kentekennummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer slot(en) op of aan voornoemde motorfiets;


2 subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 februari 2014 tot en met 15 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een motorfiets (kenteken [kentekennummer]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover van belang en kort samengevat, betoogd dat niet vastgesteld kan worden dat de bloedvlek in de tas een daderspoor is. Er is van de bloedvlekken niet beschreven of die vers cq. nat waren. Het is dus mogelijk dat het bloed al voorafgaand aan de overval in de tas zat. De afwezigheid van bloed op de plaats delict maakt dat de theorie van het OM, één van de daders heeft zich bij het inslaan van het ruitje gesneden, onaannemelijk is. Bovendien heeft de verdachte een alternatieve verklaring gegeven voor de aanwezigheid van het bloed, namelijk dat hij in de dagen voorafgaand aan de overval aan de scooter heeft geklust en daarbij gewond is geraakt. Voorgaande dient tot vrijspraak te leiden.

Het hof overweegt als volgt.

Op 28 februari 2014 wordt de winkel “[bedrijf]” op het Osdorpplein te Amsterdam overvallen door drie personen. Daarbij is een vitrine ingeslagen met een hamer. De vitrine is niet geheel kapot geslagen, er is slechts een gat ontstaan. Er is door het gebroken glas gereikt om de buit, in dit geval plateau’s met ringen, te pakken. Het is niet ondenkbaar dat de degene die door het glas gereikt heeft daarbij gewond is geraakt. Dat er geen bloedsporen op de plaats delict zijn aangetroffen, betekent niet dat de dader niet gewond is geraakt. Zeer kort na de overval, ongeveer tien minuten later, wordt de buit aangetroffen in de tas waarin de buit vervoerd is. In deze tas zit bloed, dat met het DNA van de verdachte matcht. Niet is vastgesteld dat het bloedspoor vers is, echter evenmin is vastgesteld dat het bloedspoor niet vers is.

De verdachte heeft eerst op zitting in eerste aanleg schriftelijk een verklaring afgelegd over de aanwezigheid van zijn bloed in de tas. Hij heeft verklaard dat hij een week voor de overval, de dag weet hij niet, een kennis heeft geholpen bij het maken van een scooter. Daarbij zou hij zich verwond hebben. De tas die de kennis gebruikte voor zijn gereedschap zou de tas zijn waarin de buit is aangetroffen. Daarna heeft hij hieromtrent geen vragen meer willen beantwoorden, niet in eerste aanleg en niet in hoger beroep. Hij geeft onvoldoende specifieke en onvoldoende verifieerbare aanknopingspunten om zijn lezing te controleren. Er kan niet vastgesteld worden op welke dag hij aan de scooter gesleuteld heeft, met wie dat was of hoe zijn bloed dan in de tas terecht gekomen is. Ook onder die omstandigheden acht het hof de verklaring van de verdachte over het aantreffen van zijn bloed vlak na de overval in de tas met de buit, onaannemelijk en zal deze ter zijde schuiven.

Het hof verwerpt de verweren.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 28 februari 2014 te Amsterdam op het Osdorpplein, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een vitrine van Juwelier [bedrijf], gelegen aan het [adres bedrijf], heeft weggenomen sieraden, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of Juwelier [bedrijf], waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak van voornoemde vitrine door met een hamer voornoemde vitrine in te slaan, welke diefstal met braak werd vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en onbekende omstanders, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte of zijn mededader,

- dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad en getoond en/of heeft gericht op voornoemde [slachtoffer 1] en/of (onbekende) omstander(s) en/of

- daarbij dreigend voornoemde [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je schieten. Ik schiet je dood. Ik ga je schieten.";


2 subsidiair:

hij op 28 februari 2014 een motorfiets, kenteken [kentekennummer], voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Op 28 februari 2014 stond [slachtoffer 4] in de winkel [bedrijf] aan het [adres bedrijf] te Amsterdam toen hij een aantal harde klappen hoorde. Hij zag twee mannen bij het raam staan. Eén van de mannen had een hamer in zijn hand, waarmee hij op het raam sloeg. Hij sloeg een keer of tien met de hamer op het raam. Het raam ging stuk doordat de man met de hamer er tegenaan sloeg. Een gehandschoende hand kwam door het gat in het raam. Er werden twee tableaus met ringen uit de vitrine gepakt. Nadat de tableaus waren weggepakt, stapten de twee mannen bij een derde man achterop een scooter.1

[slachtoffer 1] was getuige van deze overval. Hij liep rond 11:45 uur richting de bibliotheek aan het Osdorpplein te Amsterdam. Hij was ter hoogte van juwelier [bedrijf] toen er een scooter aan kwam rijden die voor de deur van de juwelier stopte. Eén persoon bestuurde de scooter en er zat iemand achterop. De getuige liep langs de scooter toen hij harde klappen hoorde. Hij keek om en zag dat een persoon met een hele grote hamer op het raam van de juwelier sloeg. De getuige riep vrijwel direct: “Hey klootzak, wat doe je?”. Hij zag toen dat deze persoon direct een pistool uit zijn broeksband trok. De getuige zag dat de persoon het pistool op hem richtte. Hij zag dat de persoon zijn rechterarm gestrekt en wijzend in de richting van de getuige hield. In zijn rechterhand had de persoon een pistool. De getuige stond op drie tot vijf meter van de persoon vandaan. De persoon richtte het pistool op de getuige en riep hierbij: “Ik ga je schieten. Ik schiet je dood. Ik ga je schieten”. De getuige zocht dekking achter een betonnen pilaar. Hij zag dat twee andere mannen ondertussen de sieraden uit de vitrine pakten. De persoon met het vuurwapen scande de omgeving, terwijl de twee anderen ondertussen sieraden uit het raam/de vitrine van de juwelier pakten. . Ineens klommen alle drie de personen op de scooter en reden met hoge snelheid weg in de richting van de Don Boscostraat.2 Later heeft de getuige verklaard dat een van de jongens ook het pistool richtte op twee vrouwen die voorbij liepen. De jongen riep tegen de vrouwen: “Niet kijken of ik schiet!”.3

[slachtoffer 2] kwam op die dag rond 11:45/11:50 uur vanuit de bibliotheek gelopen. Ze hoorde veel lawaai en zag dat iemand op het raam aan het rammen was. Ze zag dat een persoon aan het graaien was door het raam, eentje stond naast hem en de derde persoon zat op de brommer. Even later reden ze met z’n drieën weg op de brommer. De middelste persoon had een “Turksetas” bij zich, een grote tas met ruitjes met wit, blauw en rood. De getuige keek naar ze toen ze wegreden. De achterste persoon op de scooter zei op dat moment: “Niet kijken, omdraaien, omdraaien”. Waarna de middelste persoon zei: “Nee, schieten, schieten”. Daarna reden ze weg.4

[getuige 1] hoorde een klap en gebonk. Hij zag een jongen met een vuurwapen rondzwaaien om mensen op afstand te houden. De jongen riep ook iets.5

Op camerabeelden is te zien hoe op 28 februari 2014 om 11:49 uur een scooter met drie personen uit de richting van de Don Boscostraat en in de richting van het Osdorpplein rijdt. Om 11:50 uur rijdt de scooter met drie personen op het Osdorpplein in de richting van juwelier [bedrijf]. Om 11:52 uur komen ze weer in beeld en rijden ze in de richting van Tussen Meer.6

[getuige 2] ging om 11:55 uur naar de moskee en liep in de [adres 2]. Zij liep ter hoogte van de box ruimtes toen zij bijna werd aangereden door iemand op een scooter. Twee andere jongens kwam tegelijkertijd aangerend. Zij kwamen alle drie vanuit de richting Hoekenes. Ze herkende de bestuurder als “[medeverdachte]” (het hof begrijpt: verdachte [medeverdachte]), bewoner van perceel [adres 2] hoog. Ze zag hoe de jongens met de scooter de boxgang binnen gingen.7

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben een onderzoek ingesteld naar de boxruimte aan de [adres 2]. In de daar achter liggende gang stond een scooter. Op de buddyseat van de scooter zat bloed. Aan het einde van de gang lag een witte geruite big shopper. In deze big shopper zagen verbalisanten een grijze handschoen met daaronder een plateau met ringen. Aan de binnenzijde van de big shopper zat bloed [AAGR0503NL#01].8

Na onderzoek van het DNA door het NFI blijkt het bloed in de tas [AAGR0503NL#01] een match te geven met het DNA van de verdachte. De kans dat dit bloedspoor matcht met het DNA van de verdachte, maar dat hij niet de donor van het bloedspoor is, is kleiner dan één op één miljard.9

[benadeelde 2] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn scooter, een Gilera Runner 180, kleur grijs, met kenteken [kentekennummer].10 Hij herkende de scooter die gebruikt is bij de overval op de juwelier aan het Osdorpplein als zijn scooter. Als kenmerken geeft hij op:

  • -

    Gilera sticker op het hitteschild van de uitlaat;

  • -

    aluminium traanplaan op de treeplanken;

  • -

    de grijze kap over het vliegwiel is bevestigd met twee bouten. De onderste twee bouten zijn afgebroken;

  • -

    rode hulpveer achter is van het merk Biturbo. Op deze veer zit aan de onderzijde roest;

  • -

    op de zijkant van de cilinder staat “381/1 Gilardoni 2/2”;

  • -

    over het voorspatbord zit een kap met carbonlook. Deze kleuren waren vervaagd;

  • -

    gat in de kap bij de rechter treeplank;

  • -

    achter zit een gladde band van het merk Michelin type Power Pure SC;

  • -

    links op het middenconsole hoort een tankklepje te zitten, die zat niet op de motor.11

Verbalisant [verbalisant 3] heeft vastgesteld dat deze kenmerken aanwezig waren op/aan de motor van het merk Gilera type Runner 180 cc die aangetroffen is aan de [adres 2] te Amsterdam op 28 februari 2014. De scooter had geen kentekenplaat. Door de dienst Forensische Opsporing is geconstateerd dat het chassisnummer en het motornummer verwijderd waren.12

Bewijsoverweging

De verdachte heeft samen met twee anderen een overval gepleegd op juwelier [bedrijf]. Zij kwamen aan bij de juwelier. Eén van hen sloeg met een hamer de vitrine in. Terwijl twee van de jongens zich bezig hielden met de vitrine en de buit hield de derde de omgeving in de gaten en bedreigde de omstanders met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Vervolgens gingen zij er gedrieën op de scooter vandoor, waarbij één van hen de blauwwit geruite tas met de buit vasthield. Bij aankomst in de [adres 2] bestuurde één van hen de scooter en de andere twee jongens kwamen tegelijkertijd aangerend. Zij gingen met de scooter de box in, waar later ook de buit is teruggevonden. In de tas met de buit is bloed aangetroffen van de verdachte. Er is niet meer vast te stellen wie van de jongens welke rol op zich nam tijdens de overval, maar uit het voorgaande volgt dat de samenwerking tussen de jongens nauw en intensief was. Zij arriveerden ongeveer gelijktijdig, er was duidelijk sprake van een rolverdeling en zij kwamen met zijn drieën bij de juwelier en vertrokken na de diefstal voorts op één scooter.

Het hof stelt op basis van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] vast dat dit de scooter van aangever [benadeelde 2] is. Aangever [benadeelde 2] heeft specifieke kenmerken gegeven aan de hand waarvan zijn scooter herkend kan worden. Minstens negen van deze kenmerken waren aanwezig aan/op de scooter die is aangetroffen op de [adres 2]. Voorts stelt het hof vast dat deze door de verdachte en zijn mededaders is gebruikt bij de overval op juwelier [bedrijf] op 28 februari 2014. Uit de handelingen van de verdachte, de scooter te gebruiken, terwijl er geen kentekenplaten op de scooter zaten en het chassis- en motornummer waren verwijderd, volgt dat hij ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op heling van de scooter.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, met braak vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en onder 2 subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot acht maanden jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een gedrag beïnvloedende maatregel voor de duur van twaalf maanden subsidiair zes maanden jeugddetentie.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat er een kentering in het leven van de verdachte heeft plaatsgevonden. Hij boekt op alle gebieden vooruitgang. Een GBM is dan een te zwaar middel. Als het hof vindt dat er een stok achter de deur nodig is, dan pleit de verdediging voor het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een juwelier op klaarlichte dag. Hij en zijn twee mededaders hebben de vitrine ingeslagen met een hamer en hebben daaruit sieraden weggenomen en daarmede geen enkel respect getoond voor de eigendommen van een ander. Onschuldige omstanders die hen tot de orde wilden roepen, bedreigden zij met een vuurwapen. Voorts probeerden zij de opsporing te bemoeilijken door gebruik te maken van een gestolen scooter als voertuig.

Dit is een zeer ernstig feit. Naast de (financiële) schade die een dergelijk feit met zich meebrengt, kunnen getuigen van een dergelijke overval nog tijden psychisch last daarvan ondervinden. Voorts versterken zulke feiten de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2].

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende rapporten:

  • -

    een rapport van de Raad van 6 augustus 2014, waarin geadviseerd wordt om aan de verdachte een Gedragsbeïnvloedende Maatregel (GBM) op te leggen,

  • -

    een rapport van de Raad van 27 oktober 2014 inhoudende een plan van aanpak GBM.

De Raad blijft ter terechtzitting bij het eerdere advies.

Namens de Jeugdbescherming Amsterdam is aangevoerd dat de verdachte sinds zijn in vrijheidsstelling kort geleden heeft laten zien dat hij meewerkt aan hulpverlening. Met de agressieregulatie is nog niets gedaan. Het is van belang dat eerst de praktische zaken worden geregeld.

Vader vertelt dat het thuis goed gaat en dat de verdachte luistert. De verdachte is veranderd.

Het hof neemt het advies van de Raad over en maakt deze tot de zijne.

Het hof acht gelet op het voorgaande een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats, te meer nu de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 februari 2015 eerder voor een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld. Daarnaast is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel betreffende het gedag van de jeugdige passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 800,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof stelt bij de beoordeling van de vordering voorop dat een enkel psychisch onbehagen onvoldoende is voor toekenning van een schadevergoeding voor immateriële schade op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het dient te gaan om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, althans de benadeelde zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij de vordering, gelet op bovenstaande, onvoldoende onderbouwd heeft. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf] Juwelier

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.855,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel, gelet op de gelaagde organisatiestructuur, dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 77w, 77gg, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter te Amsterdam van 16 januari 2013 opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 30 uur subsidiair 15 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de maatregel zal bestaan uit: meewerken aan de behandeling en begeleiding uit Care Express, meewerken aan behandeling agressie regulatie/JOVO bij De Waag, begeleid wonen van HVO Querido, het zich houden aan de aanwijzingen van Jeugdbescherming Regio Amsterdam en/of Reclassering Nederland.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 (zes) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf] Juwelier

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf] Juwelier in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 16 januari 2013, parketnummer 13-667042-12, te weten van:

taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. J.A.M. de Wit en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. A.M.R. Karsemeijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2015.

De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]

1 [....]

2 [....]

3 [....]

4 [....]

5 [....]

6 [....]

7 [....]

8 [....]

9 [....]

10 [....]

11 [....]

12 [....]