Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:620

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
23-003997-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:402, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

jeugd, Leerplichtzaak, verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM en vrijspraak verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003997-14

datum uitspraak: 26 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 2 oktober 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-128658-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van

12 februari 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 05 september 2013 tot en met 24 april 2014 te Amsterdam, althans in Nederland als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten Het [schoolnaam] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat – de volgende verweren gevoerd. De raadsman stelt zich allereerst op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. . Blijkens het artikel vermeld onder de tenlastelegging (artikel 2 lid 3 van de Leerplichtwet) alsmede blijkens de tekst van de tenlastelegging wordt verdachte verweten in strijd te hebben gehandeld met de leerplicht. Verdachte was echter kwalificatieplichtig en niet leerplichtig en dient derhalve te worden vrijgesproken. Subsidiair pleit de raadsman voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, daar er geen rechtens te respecteren belang meer is bij het vervolgen van de verdachte. Zij is inmiddels 18 jaar en dus niet meer kwalificatieplichtig. Tot slot is de raadsman van mening dat het openbaar ministerie niet voldoende voortvarend heeft gedagvaard in deze zaak, zodat er geen strafoplegging dient te volgen.

Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer overweegt het hof dat het enkele feit dat de verdachte inmiddels 18 jaar is geworden, niet met zich meebrengt dat er geen rechtens te respecteren belang bij vervolging meer is.

Wat betreft het verweer van de raadsman dat de kwalificatieplicht niet ten laste is gelegd en dientengevolge vrijspraak behoort te volgen overweegt het hof als volgt. De tenlastelegging is niet uitsluitend toegespitst op het niet voldoen aan de leerplicht danwel de kwalificatieplicht maar op het niet voldoen aan de verplichtingen voortvloeiend uit de Leerplichtwet. Daaronder valt derhalve mede de kwalificatieplicht. Het artikellid onder de tenlastelegging is daarbij niet richtinggevend voor de kwalificatie van het feit indien bewezen verklaard.

Ten slotte stelt het hof vast dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De feiten op de dagvaarding betreffen immers een pleegperiode tot en met 24 april 2014 en de dagvaarding is op 16 juli 2014 betekend. Nu er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn kan dit ook niet tot enig rechtsgevolg leiden.

Het hof verwerpt mitsdien alle verweren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 5 september 2013 tot en met 24 april 2014 te Amsterdam, als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten Het [schoolnaam] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen jeugddetentie waarvan 40 uur subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar met als bijzondere voorwaarde de maatregel Toezicht en Begeleiding.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uur subsidiair 30 dagen jeugddetentie waarvan 30 uur subsidiair 15 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar met als bijzondere voorwaarde de maatregel Toezicht en Begeleiding door de William Schrikker Groep.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ongeoorloofd schoolverzuim.Ondanks waarschuwingen bleef de verdachte verzuimen naar school te gaan. Een en ander heeft ertoe geleid dat de verdachte nog niet beschikt over enige startkwalificatie terwijl zij zich in een levensfase bevindt, waarin onderwijs en vorming van cruciaal belang zijn voor haar verdere leven. De verdachte lijkt zich daarvan slechts in beperkte mate bewust te zijn.

Het hof ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, nu dat naar het oordeel van het hof geen toegevoegde waarde heeft.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. J.A.M. de Wit en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van

mr. A.M.R. Karsemeijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2015.

De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]