Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:593

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
200.011.591/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Verwijzing naar eerdere jurisprudentie. Geen onaanvaardbaar zware financiële last. Betaalde rente komt niet voor vergoeding in aanmerking. Afnemer moet een derde deel van restschuld betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.011.591/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 254836/CV EXPL 04-6475

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van xxx 2015

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. P.N. van Regteren Altena te Amsterdam (onttrokken),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 12 juni 2008 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 24 april 2008, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen Dexia als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met producties.

Op de rol van 17 september 2013 heeft de advocaat van [appellant] zich onttrokken. Voor [appellant] heeft zich nadien niet opnieuw een advocaat gesteld.

Op de rol van 1 oktober 2013 is voor de memorie van antwoord in incidenteel appel akte niet-dienen gevraagd en verleend.

Ten slotte heeft Dexia arrest gevraagd.

[appellant] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Dexia zal afwijzen en Dexia zal veroordelen tot betaling van € 3.973,55 alsmede tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter voldoening aan het vonnis aan Dexia heeft betaald, met rente en met veroordeling van Dexia in de proceskosten van beide instanties. Dexia heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en in incidenteel appel dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, zo begrijpt het hof, de conventionele vordering integraal dan wel tot een bedrag van € 4.462,71 zal toewijzen, met rente en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, met rente en nakosten.

Geen van partijen heeft in hoger beroep bewijs van stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje ‘De feiten’, a tot en met e, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellant] heeft tijdig een opt-outverklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.2

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2.1

[appellant] is in november 2000 een leaseovereenkomst met de naam WinstVerDriedubbelaar (hierna: de leaseovereenkomst) aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: Dexia).

3.2.2

Op grond van de leaseovereenkomst heeft [appellant] een bedrag van Dexia geleend. Met dat bedrag zijn effecten aangekocht die [appellant] van Dexia heeft geleast. Over het geleende bedrag was [appellant] rente verschuldigd. De leaseovereenkomst is een zogenoemd restschuldproduct.

3.2.3

De leaseovereenkomsten is geëindigd door het verstrijken van de looptijd van 36 maanden. Dexia heeft een eindafrekening opgesteld volgens welke [appellant] nog een bedrag van € 13.389,47 aan Dexia verschuldigd was.

3.3

Dexia heeft [appellant] gedagvaard en in conventie gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, [appellant] te veroordelen tot betaling van € 13.389,47, met rente. [appellant] heeft in reconventie gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen hij in het kader van de leaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald dan wel tot betaling van een schadevergoeding van € 4.132,50, met rente.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in conventie de vordering van Dexia tot een bedrag van € 3.317,99 toegewezen en in reconventie de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van de conventie en de reconventie.

3.4

De geschilpunten die de drie grieven in principaal appel in onderhavige zaak aan de orde stellen, zijn ook aan het hof voorgelegd in de zaken die hebben geleid tot de arresten van het hof van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 en 1136). Die punten zijn: (i) beleggingstechnische gebreken, (ii) dwaling, (iii) bedrog, (iv) misbruik van omstandigheden en (v) eigen schuld. Het hof heeft in die zaken ten aanzien van die punten, alles afwegende, onvoldoende gegronde redenen aanwezig geacht om terug te komen op eerdere jurisprudentie. Met die eerdere jurisprudentie doelt het hof in het bijzonder op de vier richtinggevende arresten van dit hof van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), waarmee het hof een nadere invulling heeft gegeven aan de normen die de Hoge Raad heeft geformuleerd bij arresten van 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2811, BH2815 en BH2822), en die de Hoge Raad bij arresten van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4012 en BP4063) heeft bevestigd.

3.5

Uit hetgeen [appellant] naar voren brengt, blijkt niet dat zijn zaak wat betreft de genoemde punten verschilt van de zaken die in de arresten van 1 april 2014 voorlagen. Hetgeen in die arresten ten aanzien van de punten (i) tot en met (v) is overwogen en beslist geldt ook in onderhavige zaak. Voor zover [appellant] beoogt te stellen dat de reclame-uitingen van Dexia misleidend waren, geldt dat in de richtinggevende arresten van dit hof van 1 december 2009 is geoordeeld, dat de ter hand gestelde informatie voor de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument niet misleidend was. Hetgeen [appellant] in dat verband naar voren brengt, is onvoldoende om terug te komen op die eerdere jurisprudentie. Het vorenstaande geldt ook voor de fiscale opinie. Overigens heeft de kantonrechter, anders dan [appellant] meent, niets overwogen over de fiscale opinie.

3.6

Wat betreft de bezwaren van [appellant] tegen de optieconstructie geldt het volgende. De optieconstructie houdt in dat 12 maanden respectievelijk 24 maanden na de eerste aankoop van een pakket aandelen hetzelfde pakket aandelen wordt gekocht voor de dezelfde aankoopkoersen als bij de eerste aankoop, ongeacht of ten tijde van de tweede en de derde aankoop de koersen zijn gestegen (of gedaald). Uit het voorgaande volgt reeds dat, anders dan [appellant] veronderstelt, niet in opties is belegd en dat hij dus niet is blootgesteld aan het risico van beleggen in opties en ‘hefboomwerking’. Met de optieconstructie werd bereikt dat [appellant] na 12 en na 24 maanden niet met stijgende aandelenkoersen te maken zou krijgen. Dat de koersen van de aandelen in de jaren daarna ook zouden kunnen dalen, met als gevolg dat de overeengekomen aankoopkoersen in dat geval hoger zouden zijn dan de werkelijke koersen ten tijde van de tweede en/of derde aankoop, is een feit van algemene bekendheid waartegen Dexia [appellant] niet behoefde te beschermen.

3.7

Uit het vorenstaande volgt dat de grieven in principaal appel falen.

3.8

In de hiervoor genoemde arresten wordt onderscheid gemaakt tussen de reeds betaalde rente en aflossing enerzijds en de restschuld anderzijds. Op de voet van art. 6:101 BW blijft een deel van de schade op grond van aan hem zelf toe te rekenen omstandigheden (eigen schuld) voor rekening van de afnemer. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de reeds betaalde rente en aflossingen alsmede de restschuld mede het gevolg zijn van aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden, daarin bestaande dat uit de leaseovereenkomst voldoende duidelijk kenbaar was dat werd belegd met geleend geld, dat de overeenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moest worden betaald en dat het geleende bedrag moet worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten op het tijdstip van verkoop daarvan. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat van de afnemer mag worden verwacht dat hij alvorens de overeenkomst aan te gaan, zich redelijke inspanningen getroost om de leaseovereenkomst te begrijpen. Indien ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst zou zijn gebleken dat de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer naar redelijke verwachting toereikend was om de betalingsverplichtingen te voldoen, blijven de schadeposten rente en aflossing in beginsel geheel voor rekening van de afnemer. Deze schade kan dan geheel worden toegerekend aan de omstandigheid dat, naar de afnemer wist of moest weten, met geleend geld is belegd. Alleen indien ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten de betalingsverplichtingen naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden, kan een deel van de betaalde rente en aflossing voor vergoeding in aanmerking komen. Van de restschuld wordt in beginsel steeds twee derde deel vergoed.

3.9

In het zogenoemde categoriemodel dat de kantonrechter heeft toegepast worden de betaalde (rente)termijnen steeds beschouwd als schade die voor (gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking komt, ook als de betalingsverplichtingen naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden. Met de ongenummerde eerste grief in incidenteel appel betoogt Dexia dat het bestreden vonnis, dat gebaseerd is op het categoriemodel, niet in stand kan blijven. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de grief slaagt. De tweede ongenummerde grief in incidenteel appel is voorgedragen voor het geval dat [appellant] in hoger beroep (alsnog) zou betogen dat de leaseovereenkomst een onaanvaardbare zware last op hem legde. [appellant] heeft geen memorie van antwoord in incidenteel appel genomen met als gevolg dat hij de incidentele grieven van Dexia onbesproken heeft gelaten en niet het standpunt heeft ingenomen dat de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware laste op hem legde. Ook in eerste aanleg is onvoldoende gesteld of gebleken dat daarvan sprake was. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de gegevens die in het bestreden vonnis onder 10 worden vermeld, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet die conclusie kunnen dragen.

3.10

De aanduiding van de ongenummerde grief die Dexia aanvoert tegen de afwijzing van haar vordering in reconventie berust kennelijk op een vergissing. Dexia heeft in eerste aanleg [appellant] gedagvaard en een vordering in conventie ingesteld. Het hof begrijpt de grief aldus dat hij gericht is tegen de hoogte van het bedrag dat in conventie is toegewezen. De grief slaagt. Dexia vordert, zo begrijpt het hof, subsidiair betaling van in totaal € 4.462,71, zijnde een derde deel van de restschuld van € 13.389,47. Die vordering is toewijsbaar met, zoals gevorderd en niet bestreden, de wettelijke rente vanaf 24 april 2008.

3.11

De grieven in principaal appel falen en de grieven in incidenteel appel slagen.

3.12

Hetgeen [appellant] in eerste aanleg heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn eis, voor zover dit als gevolg van de hierboven gegeven oordelen opnieuw aan de orde zou moeten komen, kan niet leiden tot een andere beoordeling.

4 Slotsom en kosten

De slotsom van het bovenstaande is dat het bestreden vonnis in conventie moet worden vernietigd, voor zover het betreft het bedrag dat [appellant] aan Dexia moet betalen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal en het incidenteel appel, inclusief de nakosten als na te melden.

5 Beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt het bestreden vonnis in principaal appel, voor zover het betreft het bedrag dat [appellant] aan Dexia moet betalen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan Dexia te betalen een bedrag van € 4.462,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2008 tot de dag van de algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis voor al het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Dexia gevallen, in principaal beroep op € 262,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat en in incidenteel beroep op € 447,- aan salaris advocaat alsmede op € 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris advocaat en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, almede met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf veertien dagen na de betekening van dit arrest;

wijst af het anders of meer gevorderde;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, J.W. Hoekzema, en W.A.H. Melissen en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 maart 2015 door de rolraadsheer.