Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:592

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
200.099.052/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensbeheer. Vermogensbehoud was niet primaire doelstelling. Niet afgeweken van overeengekomen risicoprofiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 3, p. 145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.099.052/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 453710 / HA ZA 10-851

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2015

inzake

[APPELLANT] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. G.T.J. Hoff te Amsterdam,

tegen:

de naamloze vennootschap SCHRETLEN & CO. N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Schretlen genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 1 november 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2011, gewezen tussen [appellant] als eiser en Schretlen als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 11 februari 2013 doen bepleiten, [appellant] door mr. Hoff voornoemd en Schretlen door mr. Van der Leeuw voornoemd, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ter zitting is afgesproken dat beide partijen nog een akte zullen nemen en dat daarna een comparitie van partijen zal worden gehouden door één van de raadsheren.

Vervolgens hebben beide partijen een akte genomen, eerst Schretlen en daarna [appellant].

Ter zitting van 18 juli 2013 is een comparitie van partijen gehouden. Een minnelijke regeling tussen partijen is tijdens de comparitie niet tot stand gekomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zijn vorderingen zal toewijzen, Schretlen zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen door hem op grond van het vonnis reeds aan haar is betaald, met rente, en Schretlen zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

Schretlen heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.

Schretlen heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.8, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Daarnaast zal het hof hieronder enkele feiten vaststellen die enerzijds gemotiveerd zijn gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

3 Beoordeling

3.1

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de vaststaande feiten neer op het volgende.

3.1.1

Nadat [appellant] zijn IT-onderneming had verkocht beschikte hij in 2005 over vermogen, waarvan hij € 6,25 miljoen had ondergebracht bij de Rabobank Amsterdam.

3.1.2

Bij een introductiegesprek tussen [appellant] en Schretlen, dat op 13 september 2005 plaatsvond, heeft [appellant] aan Schretlen een notitie overhandigd, waarin, voor zover thans van belang, het volgende vermeld is:

Wensen:

(...)

Vermogen

  • -

    Bescherming prioriteit

  • -

    Grootste gedeelte: net zo veilig als sparen, beter rendement

  • -

    Klein gedeelte: meer op kansen inspringen, meer risico”

3.1.3

Op 3 februari 2006 heeft Schretlen aan [appellant] een beleggingsvoorstel (hierna: het beleggingsvoorstel) uitgebracht dat uitging van een belegbaar vermogen van € 4 miljoen. In het beleggingsvoorstel is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“Gevolg van de verkoop van uw onderneming is het wegvallen van uw ondernemingsinkomen in de vorm van salaris uit de eigen B.V. (...) Dit leidt dan ook tot de conclusie dat u in belangrijke mate afhankelijk bent van uw vermogen om te kunnen voorzien in uw kosten van levensonderhoud

(...)

Beleggingsdoelstellingen

  • -

    Uw primaire beleggingsdoelstelling is het realiseren van een rendement waarmee u uw kosten van levensonderhoud kunt financieren. Tijdens de bespreking hebben wij dit gezamenlijk begroot op een bedrag van € 120.000,- per jaar. Dit impliceert een benodigd rendement van 3%, waarbij u als opmerking liet noteren dat dit niet gezien hoeft te worden als een absolute cashflownoodzaak;

  • -

    De jaarlijks verschuldigde vermogensrendementsheffing, te berekenen over een bedrag van € 4.000.000,-, zal jaarlijks uit het rendement van de portefeuille betaald moeten worden;

  • -

    Ook heb u de wens uitgesproken uw vermogen gecorrigeerd voor inflatie (2% tot 2,5% gemiddeld per jaar) in stand te houden;

  • -

    De drie geformuleerde doelstellingen impliceren dat u een rendement nastreeft van circa 6% tot 6,5% per jaar, over het beschikbaar vermogen ad 4 miljoen euro, waarvan 3 miljoen euro ondergebracht binnen Schretlen & Co.

U hebt aangegeven dat u met uw vermogen niet te veel risico wenst te lopen. Anderzijds bent u zich bewust van het feit dat zonder het nemen van risico geen uitzicht kan worden gekregen op een rendement dat boven het risicovrije rendement ligt van een spaarrekening of staatsobligatie. Er zal naar gestreefd worden een oplossing voor dit dilemma te vinden door het vermogen (zeer) breed te spreiden over en binnen de verschillende beleggingscategorieën en ten dele gebruik te maken van beleggingsproducten met een garantiestructuur.

Randvoorwaarden voor de effectenportefeuille

(...)

 Het vermogen mag voor het overgrote deel belegd worden met een lange beleggingshorizon, 6 jaar of langer

(...)

 U streeft naar een optimaal rendement op basis van de door u geschapen risicokaders. Daarbij is instandhouding van het vermogen belangrijk voor u, maar u wenst geen specifieke hoofdsomgarantie.

(…)

1.1

Asset Allocation

(...)

Beleggingscategorie Bandbreedte Belang in % Belang in €

Aandelen 25%-50% 35,00% 1.050.000,-

(...)

Vastrentende waarden 30%-70% 40,00% 1.200.000,-

(...)

Alternatieve beleggingen 0%-35% 25,00% 750.000,-

3.1.4

Op 13 juli 2006 is tussen partijen een vermogensbeheerovereenkomst (hierna: de overeenkomst) tot stand gekomen, waarin, voor zover thans van belang, het volgende vermeld staat:

Artikel 4. Doelstellingen, beperkingen

a. a) De Cliënt ([appellant] – hof) zal bij het aangaan van deze Overeenkomst aan Schretlen een schriftelijke opgave verstrekken waarin de doelstellingen en uitgangspunten van de Cliënt terzake het Vermogensmanagement zijn omschreven. Deze doelstellingen en uitgangspunten worden vastgelegd in Bijlage 2 van deze Overeenkomst.

(...)

d) Schretlen verplicht zich tot het in acht nemen van de door de Cliënt geformuleerde uitgangspunten en doelstellingen alsmede bovenbedoelde instructies.

(...)

Bijlage 2

(...)

De doelstellingen en uitgangspunten zijn gebaseerd op het beleggingsvoorstel d.d. 3 februari 2006.

Doelstellingen

  • -

    Het beleggingsbeleid is gericht op realisatie van een constante stroom van cash flow (waaronder rente en dividend).

  • -

    Het beleggingsbeleid is gericht op behoud van het vermogen.

Uitgangspunten

 De beleggingen geschieden met een lange beleggingshorizon (een lange beleggingshorizon heeft betrekking op een periode van minimaal vijf jaar).

(...)

 Uw portefeuille zal beheerd worden op basis van het onderstaande mandaat.

(...)

Beleggingscategorie Bandbreedte

Aandelen 25%-45%

(...)

Vastrentende waarden 30%-70%

(...)

Alternatieve beleggingen 0%-35%”

3.1.5

Bij e-mail van 17 oktober 2007 heeft [appellant], voor zover thans van belang, als volgt aan Schretlen bericht:

“Mijn herhaalde klacht is altijd geweest, dat het leek alsof van koerstijgingen naar boven niet genoeg werd geprofiteerd, maar dat een te verwachten demping naar beneden ook niet in voldoende mate aanwezig was.

(...)

Op dit moment is de performance ruim 4%, waarbij bv de AEX zo’n beetje weer op het oude topniveau van juli staat. Dat is maar marginaal beter dan een deposito, met in de praktijk veel meer onrust en schommelingen. Je ziet mijn probleem inzake jullie toegevoegde waarde?

(...)

Maar we proberen het gewoon nog een keer! Mijn plan/verzoek daartoe is nu het volgende:

(...)

- het restant van ongeveer 3 mln onder het huidige mandaat beheren, waarbij ik jullie nogmaals dringend verzoek om de portefeuille te analyseren en te gaan voor een betere combinatie van rendement en bescherming.”

3.1.6

Bij brief van 2 november 2007 heeft Schretlen, voor zover thans van belang, als volgt aan [appellant] bericht:

“Tijdens ons gesprek op 19 september 2007 spraken wij met u over de ontwikkeling van uw vermogen en meer specifiek de ontwikkeling van het rendement op de portefeuille.

U hebt het gevoel dat het rendement op de effectenportefeuille tegenvalt met de over het tot nu toe in 2007 gerealiseerde 2,89%. Over de gehele periode van twaalf maanden bedraagt het rendement na aftrek van kosten 3,91%. U uitte vooral uw zorg over de fluctuaties in de portefeuille.

Wij spraken met u af een alternatieve beleggingsstructuur te maken waarin wij meer specifiek sturen op twee beleggingsdoelstellingen. Uitgangspunt daarbij is een verdeling van het vermogen over twee portefeuilles, namelijk

  • -

    een effectenportefeuille waarin het beleid wordt gericht op de financiering van uw kosten van levensonderhoud, en;

  • -

    een tweede effectenportefeuille waarin wij ons richten op de realisatie van vermogensgroei.

(...)

Kanttekening

De structuur moet er voor zorgen dat u uw financiële positie in belangrijke mate hebt beschermd. Het toepassen van garantieproducten in portefeuille 2 brengt een bescherming in uw vermogen, terwijl de obligaties in portefeuille 1 door de hoge kredietwaardigheid ook bescherming bieden. Wij merken echter op dat bijvoorbeeld een sterk stijgende rente voor koersdruk kan zorgen in beide portefeuilles. Door enerzijds gebruik te maken van garantieproducten en anderzijds actief te sturen op de gemiddelde looptijd van de obligaties trachten wij de tussentijdse koersfluctuaties te beperken.

(…)

Teneinde de volatiliteit van de portefeuille te verminderen geven wij u in overweging het in aandelen te beleggen vermogen gedeeltelijk in te vullen met garantieproducten. Nadeel hiervan is dat dit mogelijk tot gevolg heeft dat het uiteindelijk behaalde rendement wat lager uitvalt.”

Schretlen stelt voor in portefeuille 1 een bedrag van € 3,1 miljoen geheel in obligaties te beleggen, met een streefrendement (na aftrek van kosten) van 4,5% en in portefeuille 2 een bedrag van € 1,250 miljoen in garantiefondsen, met een streefrendement van 6% tot 6,5%.

3.1.7

Bij e-mail van 18 november 2007 heeft [appellant], voor zover thans van belang, als volgt aan Schretlen bericht:

“Ik heb jouw schrijven ontvangen (…).

Gezien de samenstelling van de huidige portefeuille en de problemen daarin, zie ik verder niet echt de voordelen van jouw voorstel.”

3.1.8

Bij e-mail van 4 december 2007 heeft Schretlen, voor zover thans van belang, als volgt aan [appellant] bericht:

“De vraag is nu hoe gaan we verder, ik vind dat je je moet houden aan het geformuleerde beleid omdat dat de meeste kans geeft de op voorhand gestelde doelen te realiseren. Wil je deze doelen bijstellen, dan kan een beleid zoals besproken met obligaties en aandelengarantiestructuren nader besproken worden. Hier zul je denk ik voor jezelf een duidelijker beeld moeten hebben. Het spreekt voor zich dat wij (...) je hierbij graag van dienst zijn.”

3.1.9

Op verzoek van [appellant] heeft drs. [X] (hierna: [X]) de effectenportefeuille van [appellant] geanalyseerd. De eindconclusie van het verslag van [X] van 14 april 2009 bevat de volgende passages:

7. Eindconclusie

Op grond van de aan mij beschikbaar gestelde informatie concludeer ik het volgende:

1. Uit het beleggingsvoorstel van 2006 is gebleken dat u een defensief beleggingsbeleid wenste met als belangrijk uitgangspunt vermogensbehoud. Schretlen gaf aan invulling te kunnen geven aan die wens en daarbij een rendement te behalen van circa 6,5%. De voorgestelde invulling van de portefeuille voldeed echter mijns inziens niet aan de wens van een defensief en op vermogensbehoud gericht beleid. Daarvoor hadden te veel beleggingscategorieën een bovengemiddeld/hoog risicogehalte.

(...)

3. (...) Naar mijn inschatting bestond de portefeuille op basis van de aanschafwaarde voor 62,9% uit hoog risico (46,9%) dan wel bovengemiddeld risico (16,0%) producten. Dat is niet verenigbaar met de doelstelling van vermogensbehoud.”

3.1.10

Begin 2010 is de vermogensbeheerrelatie tussen partijen beëindigd.

3.1.11

Op verzoek van Schretlen is door [Y] van Dynamic Credit Partners Europe (hierna: DCP) de effectenportefeuille van [appellant] geanalyseerd. In het rapport van DCP van 8 juni 2010 is, voor zover thans van belang, vermeld:

“Per 28 maart 2008 was de portefeuille als volgt ingevuld:

(...)

Kort samengevat is onze conclusie dat:

1. De beleggingsdoelstellingen redelijkerwijs zijn te realiseren met de portefeuille zoals Schretlen die heeft samengesteld; en

2. Schretlen gedurende de beheerrelatie doorlopend voor een portefeuillesamenstelling heeft gezorgd die in lijn is met het in het beleggingsvoorstel vastgelegde risicoprofiel van de portefeuille.

(...)

Samenvatting en conclusies:

(...)

 Schretlen is binnen de bandbreedtes gebleven van het beleggingsvoorstel en heeft de portefeuille, zoals beoogd, breed gespreid en garantie structuren gebruikt om het neerwaartse risico verder te beperken.

 (…)

 Doordat de meeste financiële markten in 2008 tegelijkertijd daalden bood de door Schretlen nagestreefde spreiding geen bescherming tegen koersdalingen van de portefeuille op korte termijn. Deze situatie op de financiële markten tussen 2008-2009 kunnen als hoogst uitzonderlijk worden bestempeld (dit is het zogenaamde ‘staartrisico’, de kans op extreme uitkomsten).”

3.1.12

In een tweede rapport van DCP van 15 november 2010, is voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“Met behulp van de geselecteerde producten was het ten tijde van het formuleren van het beleggingsvoorstel (in 2006) wel redelijk om te veronderstellen dat de geformuleerde lange termijn doelstellingen gehaald zouden worden:

Verwacht 5-jaars (!) Historisch

gemiddelde Rendement

Rendement na (na dezelfde

Beleggingscategorie Portefeuille % kosten kosten)

(...)

Portefeuille 100% 6,5% 7,8%

(gebaseerd op: Beleggingsvoorstel voor Dhr. [appellant], d.d. 3-Feb-2006, Toelichting Portefeuille Mandaat, blz. 12-18)”

3.2

[appellant] heeft Schretlen in rechte betrokken en gevorderd, samengevat, dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Schretlen jegens [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat Schretlen gehouden is tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, met nevenvorderingen. Volgens [appellant] was het door Schretlen gehanteerde risicoprofiel offensiever dan bij het cliëntenprofiel van [appellant] passend was. Vermogensbehoud (na correctie voor inflatie en voldoening van de vermogensrendementsheffing) was zijn belangrijkste beleggingsdoelstelling. Na verkoop van zijn onderneming genoot [appellant] immers geen arbeidsinkomsten meer en was hij voor zijn levensonderhoud in belangrijke mate afhankelijk van het rendement van het belegde vermogen. Daaruit volgt dat een defensief beleggingsprofiel passend was. Schretlen had [appellant] bovendien beter moeten voorlichten over de onverenigbaarheid van de doelstellingen uit het beleggingsvoorstel met die van de overeenkomst. Had [appellant] die informatie ontvangen, dan had er wezenlijk anders belegd moeten worden dan is gebeurd. Daarnaast verwijt [appellant] Schretlen dat Schretlen zich niet gehouden heeft aan het in de overeenkomst neergelegde risicoprofiel. Uit onderzoek van de door [appellant] geraadpleegde deskundige [X] is gebleken dat in de portefeuille van [appellant] het aandeel van producten met een bovengemiddeld en hoog risico veel te hoog is geweest in relatie tot de doelstelling van vermogensbehoud.

3.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen. Gelet op de duidelijke bewoordingen van het beleggingvoorstel, kan niet worden volgehouden dat vermogensbehoud de primaire beleggingsdoelstelling was. Daarmee wordt immers miskend dat in de overeenkomst een andere primaire beleggingsdoelstelling is genoemd, te weten het generen van inkomsten. Voor het realiseren van de in het beleggingsvoorstel genoemde beleggingsdoelstellingen is een rendement vereist van meer dan 6,5%, waar het risicovrije rendement op een spaarrekening of staatsobligatie in die periode 4% bedroeg. Voor het realiseren van dit extra rendement moest extra risico worden genomen en dat is, zo blijkt uit het beleggingsvoorstel, ook aan [appellant] meegedeeld. Hieruit volgt dat partijen kunnen worden gehouden aan het in de overeenkomst vastgelegde risicoprofiel. Voorts overweegt de rechtbank dat [appellant] zijn stelling dat Schretlen de bandbreedtes die bij zijn risicoprofiel zouden passen niet in acht heeft genomen, niet heeft gesubstantieerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het door [X] in zijn rapport genoemde aandeel van de vastrentende waarden (48,8%) binnen de in de overeenkomst genoemde bandbreedte van 30-70% ligt. Hetzelfde geldt voor de categorieën aandelen en alternatieve beleggingen. Aan het verwijt van [appellant] dat Schretlen hem niet adequaat heeft voorgelicht over c.q. gewaarschuwd voor de onverenigbaarheid van de doelstelling van vermogensbehoud met die van rendement, waardoor hem de mogelijkheid is ontnomen wezenlijk anders te beleggen dan is gebeurd, gaat de rechtbank voorbij, omdat vermogensbehoud niet de primaire beleggingsdoelstelling was.

3.4

Grief I strekt ten betoge dat Schretlen niet adequaat is omgegaan met de doelstelling vermogensbehoud, althans niet voldoende heeft gewaarschuwd voor de (koers)risico’s die werden gelopen om het gewenste rendement te halen. De rechtbank heeft in r.o. 4.4 uit de notitie van [appellant] van 13 september 2005 (zie 3.1.1) en het beleggingsvoorstel van Schretlen van 3 februari 2006 (zie 3.1.2) ten onrechte de conclusie getrokken dat, gelet op de duidelijke bewoordingen van het beleggingsvoorstel, niet volgehouden kan worden dat vermogensbehoud de primaire beleggingsdoelstelling was. Daarmee wordt immers miskend, aldus de rechtbank, dat in de overeenkomst een andere primaire beleggingsdoelstelling is genoemd, te weten het genereren van inkomsten. [appellant] betoogt dat hij uit het feit dat in bijlage 2 bij de overeenkomst (zie 3.1.4) onder de eerste bulletpoint ‘realisatie van een constante stroom van cash flow’ werd genoemd en onder de tweede bulletpoint ‘behoud van het vermogen’ niet heeft begrepen en niet heeft behoeven te begrijpen, dat daarmee de eerste bulletpoint belangrijker was dan de tweede. De beleggingsdoelstellingen worden in de bijlage bij de overeenkomst nevenschikkend genoemd. Wat [appellant] betreft waren beide doelstellingen van belang met als prioriteit bescherming. Schretlen brengt daartegen in dat uit de samenhang van het aanvaarde beleggingsvoorstel en de overeenkomst onmiskenbaar blijkt dat de hoofddoelstelling van [appellant] het genereren van inkomsten was, zij het dat [appellant] geen absolute cash flow noodzaak had. Dienaangaande geldt het volgende.

3.5

In het beleggingsvoorstel is vastgelegd dat [appellant] een rendement wenste van minimaal 6,5%. Voor het behoud van het vermogen was genoemd rendement nodig, gezien de kosten van levensonderhoud van € 120.000,- van [appellant] en de jaarlijks verschuldigde vermogensrendementsheffing van € 40.000,-, die beide uit het rendement van de portefeuille betaald moesten worden. Daarnaast wenste [appellant] het vermogen gecorrigeerd voor inflatie van gemiddeld 2% tot 2,5% per jaar in stand te houden. Voor vermogensbehoud in de situatie van [appellant] was een rendement van minimaal 6,5% nodig. Zou het rendement lager zijn, dan zou [appellant] op zijn vermogen interen. Risicovrij kon maximaal een rendement van 4% worden behaald. Dat het in die omstandigheid niet mogelijk was een rendement van minimaal 6,5% te behalen zonder koersrisico’s te lopen, is een feit van algemene bekendheid. Dat [appellant] zich daarvan bewust was althans bewust had moeten zijn, volgt uit het onder 3.1.3 weergegeven citaat uit het beleggingsvoorstel: “Anderzijds bent u zich bewust van het feit dat zonder het nemen van risico geen uitzicht kan worden gekregen op een rendement dat boven het risicovrije rendement ligt”. Anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, volgt uit de daarop volgende zin, dat ernaar gestreefd zal worden een oplossing voor dit dilemma – de wens minimaal 6,5% rendement te behalen en de wens zo min mogelijk koersrisico te lopen – te vinden door het vermogen (zeer) breed te spreiden over en binnen de verschillende beleggingscategorieën en ten dele gebruik te maken van beleggingsproducten met een garantiestructuur niet dat dan risicovrij werd belegd, maar dat op die manier getracht werd het koersrisico zo veel mogelijk te beperken.

3.6

Voor zover [appellant] met zijn stelling dat vermogensbehoud zijn primaire beleggingsdoelstelling was, bedoelt dat hij geen koersrisico wenste te lopen, gaat het hof daaraan voorbij, omdat dat in tegenspraak is met de in de overeenkomst vastgelegde doelstelling van een constante stroom van cash flow van, zo volgt uit het beleggingsvoorstel, minimaal 6,5%. Het hof herhaalt dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan beleggen risico’s zijn verbonden en dat tegenover een kans op een hoger rendement in de regel een hoger risico staat. Voor zover [appellant] aanvoert dat hij als opmerking heeft laten noteren dat het bedrag van € 120.000,- niet gezien hoeft te worden als een absolute cashflownoodzaak, geldt dat uit de gevoerde en onder 3.1.5 e.v. weergegeven correspondentie volgt dat [appellant] veel belang hechtte aan een hoger rendement dan risicovrij kon worden gerealiseerd. Het hof wijst op de brief van 2 november 2007 van Schretlen aan [appellant], waarin Schretlen ter vermindering van de volatiliteit van de portefeuille, waarover [appellant] regelmatig klaagde, voorstelt de portefeuille te splitsen in een aandelenportefeuille (€ 1,25 miljoen) met (gedeeltelijk) garantieproducten, met mogelijk een wat lager rendement en een obligatieportefeuille (€ 3,1 miljoen). Uit de notitie van [appellant] van 28 november 2007 volgt dat [appellant] zich naar aanleiding van het voorstel van Schretlen heeft afgevraagd of en waarom dan wel een hoger rendement zou worden behaald en waarom, als het rendement toch steeds tussen de 0% en 5% ligt, niet gekozen wordt voor deposito’s. [appellant] heeft genoemd voorstel bij e-mail van 18 november 2007 (zie 3.1.7) van de hand gewezen, omdat hij gezien de samenstelling van de huidige portefeuille en de problemen daarin, niet echt de voordelen van het voorstel van Schretlen inzag. Gezien het vorenstaande kan niet gezegd worden dat behoud van het vermogen belangrijker was dan het te behalen rendement.

3.7

Grief II strekt ten betoge dat Schretlen zich niet heeft gehouden aan het in de overeenkomst neergelegde risicoprofiel. [appellant] erkent dat de door [X] in zijn rapport genoemde percentages aandelen (23,5%), vastrentende waarden (48,8%) en alternatieve beleggingen (9,2%) binnen de bandbreedtes van het in de overeenkomst vastgelegde risicoprofiel vallen. In eerste aanleg is echter – ook door [X] – onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat ook naar de in 2006/2007 gehuldigde inzichten structured products en perpetuals wat koersrisico betreft met aandelen gelijk dienden te worden gesteld en dat bedrijfsobligaties voor toepassing van het risicoprofiel ten dele, voorzichtigheidshalve voor de helft (ruim 10,3%), tot aandelen behoren te worden gerekend. Met inachtneming van deze uitgangspunten geldt dat slechts 25,07% van de portefeuille bestond uit vastrentende waarden. [appellant] handhaaft dan ook zijn subsidiaire standpunt dat Schretlen zijn vermogen risicovoller heeft belegd dan was overeengekomen in de overeenkomst. Schretlen betwist dat bedrijfsobligaties voor de helft tot aandelen moeten worden gerekend. Schretlen betoogt dat [appellant] niet alle bedrijfsobligaties over één kam kan scheren. Bedrijfsleningen zijn niet per definitie risicovol en staatsleningen zijn niet per definitie niet-risicovol, aldus Schretlen. Dienaangaande geldt het volgende.

3.8

Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat bedrijfsobligaties in de portefeuille vanwege het (koers)risico voor de helft tot aandelen gerekend moeten worden, onvoldoende heeft toegelicht. Ter onderbouwing voert [appellant] alleen aan dat het vaste jurisprudentie is bedrijfsobligaties voor de helft tot aandelen te rekenen, ook volgens de in 2006/2007 heersende opvattingen. Hij verwijst in dat verband zonder enige toelichting uitsluitend naar twee uitspraken van de Commissie van Beroep van het Kifid uit 2010. Nu onvoldoende gesteld of gebleken is dat de bedrijfsobligaties in de portefeuille van [appellant] niet periodiek een variabele of vaste rente over de hoofdsom zouden vergoeden, hun hoofdsom niet na een bepaalde periode zou worden afgelost/terugbetaald en de bedrijfsobligaties geen goede creditrating hadden, valt zonder nadere toelichting die ontbreekt niet in te zien dat de bedrijfsobligaties in de portefeuille van [appellant] voor de helft tot aandelen moeten worden gerekend. Zonder de door [appellant] bepleite herkwalificatie van bedrijfsobligaties maken vastrentende waarden ruim 35% uit van de portefeuille. Daarmee blijft het percentage vastrentende waarden binnen de bandbreedte die in de overeenkomst is vastgelegd en behoeft niet te worden ingegaan op de kwalificatie van structured products en perpetuals.

3.9

DCP concludeert in haar tweede rapport van 15 november 2010 dat met behulp van de geselecteerde producten het ten tijde van het formuleren van het beleggingsvoorstel (in 2006) redelijk was om te veronderstellen dat de geformuleerde lange termijn doelstellingen gehaald zouden worden (zie 3.1.11). [appellant] erkent dat de rendementsverwachting rekenkundig klopt en op basis van historische rendementen haalbaar is, maar dat is zijns inziens niet relevant voor de beoordeling. Het gaat er om of zij haalbaar is zonder voor [appellant] onaanvaardbare risico’s te nemen. Gelet op het cliëntenprofiel van [appellant] had niet, althans niet zonder uitdrukkelijke instemming en daaraan voorafgaand gegeven uitdrukkelijke waarschuwing, mogen worden belegd in producten die bij tegenvallende beurzen zo’n grote waardedaling van zijn portefeuille tot gevolg zouden hebben, aldus [appellant].

3.10

Het hof volgt [appellant] daarin niet. Ongeveer een jaar na dat het beheer is aangevangen, is de kredietcrisis uitgebroken. De kredietcrisis betrof een zeer uitzonderlijke wijziging van de marktomstandigheden – er deden zich waardedalingen en koersschommelingen voor die tot die tijd in het kader van beleggingen als hier aan de orde niet voor mogelijk werden gehouden – die Schretlen als prudent handelend vermogensbeheerder niet behoefde te verwachten en waarvoor zij dus niet heeft kunnen waarschuwen en waarmee zij geen rekening heeft behoeven te houden. Uit de beleggingsverliezen in die periode kan niet, zoals [appellant] lijkt te doen, worden geconcludeerd dat Schretlen onaanvaardbare risico’s heeft genomen om de lange termijndoelstelling van 6,5% per jaar te halen. Met de woorden ‘tegenvallende beurzen’ heeft [appellant] te weinig oog voor de ernst van de kredietcrisis. Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat Schretlen door te beleggen zoals zij heeft gedaan, de beleggingsdoelstelling vermogensbehoud, de kredietcrisis weggedacht, voorzienbaar in gevaar heeft gebracht.

3.11

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. In de overeenkomst is een beleggingshorizon van minimaal vijf jaar overeengekomen. De deskundige [X] concludeert in hoofdstuk 7 ‘Eindconclusie’ van zijn rapport ‘Analyse effectenportefeuille van de heer [appellant]’ van 14 april 2009 onder meer dat de huidige portefeuille opwaarts potentieel heeft, dat onder aanhoudende ongunstige omstandigheden behoorlijke verdere verliezen mogelijk zijn, dat de herstelpotentie van aandelen, traditionele obligaties en obligatiefondsen afhankelijk is van herstel van de aandelen- respectievelijk obligatiemarkten en dat voor een substantieel deel van de portefeuille (de complexe producten) het herstelpotentieel niet duidelijk is. In de periode 1 januari 2008 tot 18 maart 2009 – de kredietcrisis – is de portefeuille van [appellant] 26,2% minder waard geworden. In de periode 18 maart 2009 tot 1 juni 2010 is de portefeuille 19,5% meer waard geworden. Over de gehele periode is de portefeuille 11,8% (bijna € 330.000,-) in waarde gedaald. (Voor de bedragen verwijst het hof naar de ‘Vervolganalyse van de prestatie van de portefeuille van de heer [appellant] onder beheer van Schretlen’ van [X] van 25 januari 2013 en naar de akte van [appellant] van 23 april 2013 onder 13.) Schretlen stelt onder verwijzing naar het tweede rapport van DCP van 25 maart 2013 dat op basis van een ‘buy and hold strategie’ in de periode 1 april 2010 tot 1 februari 2013 – in theorie – een positief resultaat van ruim € 370.000,- zou zijn behaald, welk bedrag [appellant] niet gemotiveerd betwist. Gezien het – werkelijke en theoretische – herstel van de portefeuille na de kredietcrisis kan niet gezegd worden dat Schretlen onaanvaardbare risico’s heeft genomen. Dat met een andere samenstelling van de portefeuille mogelijk een beter resultaat zou zijn behaald, maakt dat niet anders. Uit het voorgaande volgt dat de tweede grief faalt.

4 Slotsom en kosten

De slotsom van het bovenstaande is dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Schretlen begroot op € 649,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, W. van den Bergh en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2015.