Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5827

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
23-003039-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:496, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003039-11

datum uitspraak: 10 juni 2015

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 29 juni 2011 in de strafzaak onder parketnummer 15/840046-10 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

adres: [adres 1]

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2015 heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat zij berust in de in het vonnis van de rechtbank Haarlem van 29 juni 2011 gegeven vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, de officier van justitie niet ontvangen dient te worden in het ingestelde hoger beroep voor zover betrekking hebbende op het onder 3 ten laste gelegde.

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 3 ten laste is gelegd. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en is dit is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak van deze feiten. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2013 en 27 mei 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging

De raadsman heeft aangevoerd dat bij de behandeling van de onderhavige zaak de redelijke termijn op zodanige wijze is overschreden dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft betoogd dat de verjaringsregels sinds april 2013 aangepast zijn zodat de door de Hoge Raad in het standaardarrest uit 2008, Hoge Raad 17 juni 2008, LJNBD2578, aangehaalde bescherming van de verdachte door die regel, achterhaald is.

Het hof overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Regel is dat een overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf (Hoge Raad, 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 r.o. 3.5.1. en r.o. 3.5.2.). In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd noch overigens, ziet het hof aanleiding om van deze jurisprudentie van de Hoge Raad af te wijken in de door de raadsman bepleite zin.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd

– voor zover in hoger beroep nog relevant – dat:

1:

(zaaksdossier C1)

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2008 tot en met 2 april 2008 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meerdere althans een blanco Grieks(e) paspoort(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat blanco Griekse paspoort(en) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2:

(zaaksdossier C2)

hij, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 30 april 2010 te Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, twee personen, te weten:

- [medeverdachte 1] (22 september 1989 te Teheran, Iran) en/of

- [medeverdachte 1] (01 januari 1983 te Teheran, Iran)

althans één of meer ander(en), behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door en/of uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,

of die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 1] daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),(al dan niet tegen betaling van een geldbedrag of in het vooruitzicht gestelde beloning,)

(voor/aan) voornoemd(e) perso(o)n(en) - (die niet over een verblijfstitel voor Nederland beschikte(n)) –

- ontmoet en/of opgevangen en/of onderdak geboden en/ofonderdak geregeld (in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam en/of in de woning aan de [adres 3] te Almere) en/of

- (al dan niet telefonisch) informatie verstrekt met betrekking tot de werkwijze van de smokkel (onder meer over het verstrekken van (pas)foto’s ten behoeve van een te vervalsen paspoort en/of over het ondernemen van een reis onder de naam van een ander) en/of

- geld geleend en/of verstrekt (om hun onkosten in Nederland te kunnen betalen) en/of

- vliegtickets en/of treintickets geregeld en/of betaald (voor de reis van Amsterdam naar Bremen en van Bremen naar Edinburgh) en/of

- stukken verstrekt voor het valselijk op (laten) maken van reisdocumenten en/of

(een) (ver)vals(t)(e) (Frans(e)) paspoort(en) verstrekt en/of geregeld en/of

- begeleid in hun/zijn reis en/of vervoerd (in Amsterdam en/of op het Centraal Station van Amsterdam)

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis wederrechtelijk was, terwijl verdachte van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

4:
(zaaksdossier C6 en C7)

hij op of omstreeks 14 september 2010 te Amsterdam, althans in Nederland een of meer wapens voorhanden heeft gehad te weten:

A. (aangetroffen op de [adres 4] te Amsterdam):

- een pistool (merk Walther, model P22, kaliber .22LR) en/of

- een pistool (merk Ceska Zbrojov-Praha, kaliber 6.35) en/of

- een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9mm)

(allen wapens van categorie III, onder 1)

en/of

- 50 kogelpatronen (kaliber .22LR) en/of

- 50 kogelpatronen (kaliber 6.53mm) en/of

- 15 kogelpatronen (kaliber 9mm)

(zijnde munitie van categorie III)

en/of een geluidsdemper (van categorie I onder 3)

en/of een extra magazijn (Walther P22) en/of een extra magazijn (Glock 26), bestemd voor een wapen van categorie III, onder 1

en/of een busje pepperspray (van categorie II onder 6) en/of

B. (aangetroffen op de [adres 5] te Amsterdam)

- een zwaard van 50 cm lang van categorie IV onder 2 en/of

- een busje pepperspray van categorie II onder 6 en/of

- een stroomstootwapen van categorie II onder 5 en/of

- een houten wapenstok van categorie IV onder 3;

5:
(zaaksdossier C8)

hij op of omstreeks 14 september 2010 te Amsterdam in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van de Dominicaanse Republiek (voorzien van het nummer 0056238T en op naam gesteld van [medeverdachte 2] ), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was;

6:
(zaaksdossier C9)

hij op of omstreeks 14 september 2010, te Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 25.315,00 euro en/of 365 Britse Ponden, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken en overweegt hiertoe als volgt.

Voor zover al zou komen vast te staan dat de verdachte één of meer blanco Griekse paspoorten in de woning van [medeverdachte 3] in Almere heeft gezien, brengt dit niet met zich dat hij op enig moment over deze paspoorten feitelijke zeggenschap heeft gehad. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan evenmin bewezen worden, dat de verdachte de paspoorten in nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen voorhanden heeft gehad.

Het enkele feit dat de verdachte als intermediair bij de verkoop van voornoemde paspoorten zou hebben opgetreden, is daarvoor onvoldoende.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:

(zaaksdossier C2)

hij tezamen en in vereniging met anderen op tijdstippen in de periode van 01 september 2009 tot en met 30 april 2010 te Amsterdam, twee personen, te weten:

- [medeverdachte 1] (22 september 1989 te Teheran, Iran) en

- [medeverdachte 1] (01 januari 1983 te Teheran, Iran)

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie,

immers hebben hij en zijn mededaders,

(voor/aan) voornoemde personen - die niet over een verblijfstitel voor Nederland beschikten -

- ontmoet en

- stukken verstrekt voor het valselijk op (laten) maken van reisdocumenten en valse Franse paspoorten verstrekt en geregeld

terwijl verdachte zijn mededaders wisten dat die toegang en die doorreis wederrechtelijk waren;

4:

(zaaksdossier C6 en C7)

hij op 14 september 2010 te Amsterdam wapens voorhanden heeft gehad te weten:

A. (aangetroffen op de [adres 4] te Amsterdam):

- een pistool (merk Walther, model P22, kaliber .22LR),

- een pistool (merk Ceska Zbrojov-Praha, kaliber 6.35), en

- een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9mm)

(alle wapens van categorie III, onder 1)

en

- 50 kogelpatronen (kaliber .22LR),

- 50 kogelpatronen (kaliber 6.53mm), en

- 15 kogelpatronen (kaliber 9mm)

(zijnde munitie van categorie III)

en een geluidsdemper (categorie I onder 3), en

een extra magazijn (Walther P22) en een extra magazijn (Glock 26), bestemd voor een wapen van categorie III, onder 1, en

een busje pepperspray (categorie II onder 6), en

B. (aangetroffen op de [adres 5] te Amsterdam)

- een zwaard van 50 cm lang van categorie IV onder 2,

- een busje pepperspray van categorie II onder 6,

- een stroomstootwapen van categorie II onder 5, en

- een houten wapenstok van categorie IV onder 3.

5:
(zaaksdossier C8)

hij op 14 september 2010 te Amsterdam in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van de Dominicaanse Republiek (voorzien van het nummer 0056238T en op naam gesteld van [medeverdachte 2] ), waarvan hij wist dat het vervalst was.

6:
(zaaksdossier C9)

hij op 14 september 2010 te Amsterdam een voorwerp, te weten een geldbedrag van 25.315,00 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 2, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5

Op 14 september 2010 is een doorzoeking verricht in de woning waar de verdachte woonde aan de [adres 4] te Amsterdam.1

In een linnenkast in de slaapkamer werd een paspoort uit de Dominicaanse Republiek ten name van [medeverdachte 2] aangetroffen. Op bladzijde 12 van dat paspoort is een vals Schengenvisum van Duitsland aangebracht. Het betreft dus een vervalst paspoort.2

De verdachte heeft verklaard dat hij dit paspoort heeft aangetroffen in een tasje in zijn auto, nadat hij deze auto had uitgeleend aan een snorder, van wie hij de naam niet kent; de verdachte was vergeten het paspoort aan die snorder terug te geven.

Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring van de verdachte op grond van de volgende omstandigheden. Hij heeft geen identificerende informatie verschaft over deze snorder, het paspoort is op een minder voor de hand liggende plaats aangetroffen en in de auto van de verdachte met het kenteken [kenteken] is een pasfoto aangetroffen die vermoedelijk is gebruikt om in te scannen en te printen in het Schengenvisum van het hierboven bedoelde paspoort.3

Gelet daarop gaat het hof ervan uit dat de verdachte niet alleen het in zijn linnenkast aangetroffen vervalste paspoort voorhanden had, maar ook dat hij wist dat dit vervalst was.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 6

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe

– kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Het bedrag dat de verdachte voorhanden had, betreft kasgeld van grillroom [grillroom] (naar het hof begrijpt: [grillroom] ). De verdachte was bedrijfsleider van deze grillroom, die voor een belangrijk deel contante omzet genereerde. Uit de door de boekhouder aangeleverde stukken blijkt dat het bedrag in kas eind juni 2010 ruim € 21.000,00 bedroeg. Dat bedrag is weliswaar lager dan het bedrag dat bij de verdachte is aangetroffen, maar dat is verklaarbaar nu de verdachte gedurende 2 tot 3 jaar telkens een deel van de opbrengsten opzij heeft gelegd. Over de legale bron van het geld heeft de verdachte consistent verklaard. Gelet op zijn niet op voorhand volstrekt onaannemelijke verklaring ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie deze kritisch te toetsen. Het Openbaar Ministerie heeft weliswaar vóór de terechtzitting van 27 mei 2015 aan de verdediging aanvullende stukken ter beschikking gesteld, maar deze doen vermoeden dat het onderzoek verkeerd is ingestoken nu hierbij op de financiële positie van de verdachte (in privé) is ingezoomd, terwijl deze niet direct relevant is omdat het geld niet van hem is maar van [grillroom] .

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Tijdens de doorzoeking op 14 september 2010 van genoemde woning waar de verdachte verbleef, is in een jaszak van zijn colbert een bedrag van € 5.165 aangetroffen en onder de matras van een kinderledikant een bedrag van € 20.550.4

De bergplaatsen van deze bedragen zijn, mede gezien de hoogte daarvan, ongebruikelijk te noemen.

Uit onderzoek naar loonstaten over de periode van 1 januari 2008 tot en met 14 september 2010 van [grillroom] , het bedrijf waar de verdachte werkte, bleek dat aan hem in 2008 een jaarloon van

€ 9.398 was uitbetaald en in 2009 van € 14.577.5

Tijdens zijn verhoor op 15 september 2010 verklaarde de verdachte dat hij geen neveninkomsten, uitkering, spaargeld of investeringen had.6

Uit berekening van het NIBUD blijkt dat de verdachte in zijn gezinssituatie als basis 679 euro en gemiddeld 950 euro per maand te kort komt om zijn maandelijkse lasten te kunnen dragen.7

Aldus kan het aangetroffen bedrag van in totaal € 25.315 niet verklaard worden uit legale inkomsten van de verdachte. Nu deze evenmin kan worden verklaard uit legaal verworven vermogensbestanddelen is sprake van een vermoeden van witwassen en mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld die concreet en min of meer verifieerbaar moet zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Het hof stelt vast dat de verdachte geen enkel stuk heeft overgelegd waarin enig aanknopingspunt kan worden gevonden dat, zoals hij stelt, de genoemde bedragen van [grillroom] afkomstig zijn. Ook heeft de verdachte kennelijk niet bijgehouden hoeveel geld hij – beweerdelijk – periodiek opzij heeft gelegd, en dus aan de omzet heeft onttrokken, en evenmin welk bedrag voor het afdragen van (loon)belasting gereserveerd diende te worden. Opmerkelijk in dit verband is dat in de grootboekhouding van [grillroom] een aanmerkelijk lager bedrag onder de post ‘loonheffing/premie te betalen’ is opgenomen dan het bedrag dat bij de verdachte is aangetroffen. De lezing van de verdachte vindt ook overigens geen steun in de administratie van [grillroom] .

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte een niet verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de in zijn woning aangetroffen contante geldbedragen. Daar komt bij dat het hof het niet aannemelijk acht dat een boekhouder een bedrijf opdracht geeft om contant geld te sparen ten behoeve van toekomstige afdrachten aan de Belastingdienst en evenmin dat een dergelijk groot geldbedrag bij een werknemer thuis, in een colbert en in een kinderledikant, wordt bewaard met alle risico’s van dien, terwijl het bedrijf wel over een bankrekening beschikt.

Tot slot constateert het hof dat de verdachte naar eigen zeggen8 vóór zijn aanhouding gedurende pas ongeveer één jaar bedrijfsleider was. Hij zou het in zijn woning aangetroffen bedrag echter gedurende twee à drie jaar opzij hebben gezet, dus mede gedurende een periode waarin de verdachte nog geen bedrijfsleider was. Ook dit ligt naar het oordeel van het hof niet in de rede.

Gelet op het voorafgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat het geld een legale bron, te weten [grillroom] , heeft onaannemelijk is. Nu er ook overigens geen aanknopingspunt is voor een legale herkomst van de aangetroffen bedragen, kan het niet anders zijn dan dat deze van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit ook wist.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 4 bewezen verklaarde, voor zover betrekking hebbende op een zwaard en een wapenstok, levert geen strafbaar feit op, zodat de verdachte in zoverre van alle rechtsvervolgingen zal worden ontslagen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 4 – behoudens voor zover het een zwaard en een wapenstok betreft – 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde – behoudens voor zover betrekking hebbende op een zwaard en een wapenstok – het levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vervalst is.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Nadere overweging met betrekking tot de kwalificatie van feit 6

Uit de bewezenverklaring van feit 2 vloeit naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks voort dat aannemelijk is geworden dat het onder 6 bewezen verklaarde geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is dit evenmin anderszins aannemelijk geworden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde en gekwalificeerde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2, 4, behoudens voor zover betrekking hebbende op een zwaard en een wapenstok, 5 en 6 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de in het vonnis vermelde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen heeft de rechtbank een beslissing genomen als in het vonnis vervat.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als door de rechtbank opgelegd.

De raadsman heeft in dit verband het volgende aangevoerd.

Bij de behandeling van de onderhavige zaak is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Bovendien is de verdachte ten gevolge van de lange procesduur in zijn verdedigingsbelangen geschaad. De toenmalige boekhouder van [grillroom] , de heer [boekhouder] , is in de tussentijd overleden en kan dus niet meer over de administratie van [grillroom] verklaren. Hij had mogelijk kunnen bevestigen dat het in de tenlastelegging onder 6 genoemde bedrag afkomstig is uit de omzet van [grillroom] .

Hiermee dient in strafmatigende zin rekening gehouden te worden. De door de rechtbank opgelegde straf is, gelet op de strafeis van de officier van justitie, onbegrijpelijk. Gelet hierop en de ten aanzien van feit 6 bepleite vrijspraak, dient de op te leggen straf (nog) verder gematigd te worden.

Daarnaast wordt verzocht het in beslag genomen geld, als omschreven onder feit 6, aan de verdachte terug te geven, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de overige beslagbeslissingen heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in overweging genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Hij heeft voor twee te smokkelen personen valse Franse paspoorten geregeld. Door aldus te handelen heeft hij het internationale overheidsbeleid inzake de bestrijding van mensensmokkel doorkruist en het vertrouwen geschaad dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde documenten gesteld moet kunnen worden. Daarnaast dragen feiten als de onderhavige bij aan het in stand houden van een illegaal circuit hetgeen, onder meer, het beeld en de positie van legale vreemdelingen schaadt.

Daarnaast heeft de verdachte diverse wapens en munitie voorhanden gehad. Hij had daarvoor geen wapenvergunning. Illegaal wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en de maatschappij.

Bovendien had de verdachte een vervalst reisdocument voorhanden. Hiermee heeft hij het vertrouwen geschaad dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde documenten gesteld moet kunnen worden.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Door de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2015 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht alles afwegende in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden.

Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door de gestelde duur van de procedure zodanig in zijn verdedigingsbelangen is geschaad dat hij hiervoor in strafmatigende zin zou moeten worden gecompenseerd. Het overlijden van de boekhouder betreft een onvoorziene omstandigheid die hiermee niet in een rechtstreeks verband staat en het hof dient, gelet op de hierboven weergegeven bewijsoverweging, uit te gaan van een bewezenverklaring van feit 6.

Nu het hof geconstateerd heeft dat bij de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, zal het hof echter wel bepalen dat de op te leggen gevangenisstraf in die zin wordt gematigd dat deze 16 maanden bedraagt met aftrek van voorarrest.

Verbeurdverklaring

De bewezen verklaarde feiten behoudens voor zover betrekking hebbende op een zwaard en een wapenstok zijn begaan of voorbereid met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen. Deze behoren de verdachte toe en zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Onttrekking aan het verkeer

Het onder 5 bewezen verklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de in beslag genomen en niet teruggegeven pasfoto. Aangezien deze vermoedelijk gebruikt is voor het vervalsen van een paspoort is het ongecontroleerde bezit ervan eveneens in strijd met het algemeen belang. De pasfoto zal worden onttrokken aan het verkeer.

De in beslag genomen kentekenplaten, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan de verdachte toe. Zij zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten aangetroffen. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten of de belemmering en de opsporing daarvan kunnen dienen. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 57, 63, 197a, 231 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zaken van het onder 1 en 3 ten laste gelegde,

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 4 bewezen verklaarde, voor zover betrekking hebbende op een zwaard en een wapenstok, geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2, 4 – behoudens voor zover betrekking hebbende op een zwaard en een wapenstok – 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- (4) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

- (15 a) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

- (27 a) 4 STK Simkaart;

- (41 a) Geld, 500 euro;

- (42 a) Geld, 2400 euro;

- (43 a) Geld, 8400 euro;

- (44 a) Geld, 9250 euro;

- (45 a) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

- (53 a) 1 STK Gasbusje;

- (60 a) 1 STK Enveloppe;

- (96 a) 1 STK Simkaart, en

- (105 a) 1 STK Agenda.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- (6) 1 STK Kentekenplaat;

- (7) 1 STK Kentekenplaat en

- (65 a) 1 STK Pasfoto.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- (9) 1 STK Honkbalknuppel;

- (10 a) 2 STK Steekwapen;

- (22 a) 1 STK Computer, Acer;

- (23 a) 1 STK Computer, Apple;

- (38 a) Geld, 200 Pound;

- (39 a) Geld, 60 Pound;

- (40 a) Geld, 5 Pound;

- (50 a) 1 STK Printer, Farco;

- (51 a) 1 STK Printer, Farco;

- (115 a) 8 STK Zakhorloge, en

- (116 a) 15 STK Munt.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende, te weten de [rechthebbende] , van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- (52 a) 2 STK Handboei;

- (54 a) 1 STK Vest, en

- (114 a) 1 STK Vest.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2015.

=========================================================================

[…]

:

[…]

1 proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking van 15 september 2010, zaaksdossier C8, pag. 007–010.

2 proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2010, zaakdossier C8, pagina 021.

3 (eerste bijlage behorende bij het proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking van 15 september 2010, zaaksdossier C8, pagina’s 007-010 en 011en 12, en het proces-verbaal van bevindingen A7 van 8 oktober 2010, zaaksdossier C 8, pagina’s 34 en 35).

4 proces-verbaal van bevindingen van 12 oktober 2010, zaaksdossier C9, pagina 038.

5 proces-verbaal van bevindingen van 5 november 2010, zaaksdossier C9, pagina’s 074 en 077.

6 proces-verbaal van verhoor van de verdachte, zaaksdossier C9 pagina 019–020.

7 proces-verbaal van bevindingen van 10 november 2010, zaaksdossier C9, pagina 278.

8 proces-verbaal van verhoor, zaaksdossier C9, pagina 051