Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5820

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
23-004186-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis rechtbank Amsterdam na terugwijzing door Hoge Raad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004186-13

datum uitspraak: 4 december 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 3 september 2013- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-993196-06 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1948,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep ter terechtzitting van 23 januari 2012 door het gerechtshof toegelaten wijzigingen, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij als bestuurder van [bedrijf 1] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 juni 2003 tot en met 31 mei 2004, te Gouda en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, hierna te noemen wijziging(en) in het aantal aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1], waarover hij (middels de door hem gehouden vennootschappen [bedrijf 2]) toen en daar beschikte, niet onverwijld aan de Minister van Financiën, althans aan de [bedrijf 3], heeft/ hebben gemeld, op door de Minister van Financiën, althans de [bedrijf 3], bepaalde wijze, te weten;

  • -

    de toename van 1.000.000 aandelen op of omstreeks 6 juni 2003 en/ of 18 juni 2003 (D-08-01)

  • -

    de toename van 568.000 aandelen op of omstreeks 19 juni 2003 (D-08-02)

  • -

    de toename van 150.000 aandelen op of omstreeks 30 juni 2003 en/ of 1 juli 2003 (D-08-03)

  • -

    de toename van 322.743 aandelen op of omstreeks 10 juli 2003 en/ of 11 juli 2003 (D-08-04)

  • -

    de toename van 33.200 aandelen op of omstreeks 28 augustus 2003 en/ of 16 september 2003 (D-08-06)

  • -

    de toename van 65.211 aandelen op of omstreeks 25 september 2003 en/ of 2 oktober 2003 (D-33 en D-05)

  • -

    de toename van 6.700 aandelen op of omstreeks 26 september 2003 en/ of 9 oktober 2003 (D-08-07)

  • -

    de toename van 10.000 aandelen op of omstreeks 8 oktober 2003 en/of 21 oktober 2003 (D-08-08)

  • -

    de toename van 90.214 aandelen op of omstreeks 19 november 2003 (D-34)

  • -

    de toename van 1.558.216 aandelen op of omstreeks 16 januari 2004 (D-23-01)

  • -

    de afname van 23.192 aandelen op of omstreeks 18 februari 2004 (D-23-03)

  • -

    de toename van 173.445 aandelen op of omstreeks 18 maart 2004 (D-23-05)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:

- het hof de tenlastelegging zoals gewijzigd ter terechtzitting van 23 januari 2012 als grondslag neemt voor de beoordeling in hoger beroep en de verdachte zal vrijspreken van het bij voornoemde wijziging meer of anders tenlastegelegde.

- het hof het onder voetnoot 3 in het vonnis genoemde bewijsmiddel als volgt zal corrigeren:

 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 9 juli 2008, met nummer 31674, opgemaakt in de wettige vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

- het hof de bewijsmiddelen aanvult met het volgende bewijsmiddel:

Een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte van de [bedrijf 3] (verder: de [bedrijf 3]), gevestigd te Amsterdam, van 6 september 2004 en inhoudende (AAN-03, dossiernummer 31674, p. 107, 109 en 110):

Melding bestuurder ex artikel 2a Wmz 1996:

Ontstaansdatum

Ontvangst

Tijdsverschil

Transactiegegevens

Prijs

11-7-2003

5-8-2003

25 dagen

Koop 322.743

€ 0,50

Ontstaansdatum

Ontvangst

Tijdsverschil

Transactiegegevens

Prijs

16-9-2003

2-10-2003

16 dagen

Koop 33.200

€ 0,62

3-10-2003

9-10-2003

6 dagen

Koop 65.211

€ 0,61

9-10-2003

21-10-2003

12 dagen

Koop 6.700

€ 0,63

21-10-2003

7-11-2003

17 dagen

Koop 10.000

€ 0,66

19-11-2003

24-11-2003

5 dagen

Koop 90.214

€ 0,75

Ontstaansdatum

Ontvangst

Tijdsverschil

Transactiegegevens

Prijs

16-1-2004

23-1-2004

7 dagen

Koop 1.558.216

€ 1,03

Ontstaansdatum

Ontvangst

Tijdsverschil

Transactiegegevens

Prijs

18-2-2004

30-3-2004

41dagen

Verkoop 23.192

€2,00

Ontstaansdatum

Ontvangst

Tijdsverschil

Transactiegegevens

Prijs

18-3-2004

8-6-2004

82 dagen

Koop 173.445

€2,10

Oplegging van straf

De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 60.000,00, subsidiair 318 dagen hechtenis, waarvan € 20.000,00, subsidiair 135 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00, subsidiair 365 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een beursgenoteerde onderneming gedurende bijna een jaar opzettelijk en stelselmatig wijzigingen in zijn aandelenbezit niet onverwijld gemeld bij de [bedrijf 3] ([bedrijf 3]). De verdachte is daardoor ernstig tekort geschoten in zijn wettelijke meldingsverplichtingen en het voldoen aan de financiële toezichtwetgeving. Per 1 september 2002 dienen bestuurders en commissarissen van de beursgenoteerde ondernemingen hun aandelenbezit en mutaties in aandelen in de eigen en daaraan gelieerde NV’s bij de [bedrijf 3] te melden. Deze nieuwe verplichting is uitgebreid ter kennis gebracht van betrokkenen en van een toelichting voorzien. Het doel van deze wetswijziging is het vergroten van de transparantie van zeggenschap en kapitaalbelangen in beursvennootschappen. De verdachte heeft door zijn nalatigheid deze transparantie geschaad. Het hof neemt het de verdachte met name kwalijk dat hij – nadat hij is aangemaand door de [bedrijf 3] en duidelijk was geworden dat de communicatie tussen de [bedrijf 3] en zijn bedrijfsjurist niet goed verliep – niet heeft gecontroleerd of zijn bedrijfsjurist vervolgens, zoals de verdachte haar had aangezegd, de meldingen onverwijld en juist heeft gedaan. De verdachte heeft gesteld dat hij wist en begrijpt dat hij eindverantwoordelijk is en die controle had dienen uit te voeren, maar dat hij prioriteit had gegeven aan het runnen van het in zwaar weer verkerende bedrijf. Ook thans nog acht de verdachte dat een juiste keuze en laat hij daardoor zien dat hij geen oog heeft voor het belang van de door de wetgever beoogde transparantie.

De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof een hogere strafmaat dan door de rechtbank is opgelegd. Voor het opzettelijk schenden van de transparantie en de werking van de Nederlandse effectenmarkt is, in beginsel, geen andere straf dan een onvoorwaardelijke geldboete op zijn plaats. Een deels voorwaardelijke geldboete zou niet alleen een onvoldoende vergeldend karakter hebben, maar ook een onvoldoende waarschuwend effect inhouden. Men zal ervan doordrongen moeten zijn, dat schendingen van financiële toezichtwetgeving zeer wel kunnen leiden tot oplegging van een forse geldboetes.

Ten voordele van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat hij blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 november 2015 niet eerder ter zake van soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld en evenmin nadien.

Ook zal het hof ten voordele van de verdachte rekening houden met de omstandigheid dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgehad binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. Na terugwijzing door de Hoge Raad is de zaak in hoger beroep niet binnen 2 jaren afgedaan. Een geringe overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met 3 maanden is daarvan het gevolg. Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een geldboete van

€ 100.000,00 hebben opgelegd. Gelet echter op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, acht het hof een geldboete van € 90.000,00 passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2a van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem bij wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep op 23 januari 2012 meer of anders is tenlastegelegd.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 90.000,00 (negentigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. P.C. Römer en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 december 2015.