Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5818

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
23-005411-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:29, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

poging tot oplichting (cassatieberoep)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-005411-13

Datum uitspraak: 24 juni 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 november 2013 in de strafzaak onder de parketnummers

15-800945-13 en 13-651047-12 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1969,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

verblijfadres: [adres] .

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 en 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

van 10 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van

het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

feit 1:
hij op of omstreeks de periode van 26 juli 2013 tot en met 09 augustus 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) (een medewerker van) [bedrijf] Schiphol te bewegen tot de afgifte van diverse horloges (o.a. van het merk Rolex), in elk geval van enig goed, (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) ter betaling een of meerdere valse creditcards/betaalpassen (o.a. met nummer [nummer] ) aangeboden aan de medewerker van [bedrijf], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:
hij op of omstreeks 09 augustus 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk een valse of vervalste betaalpas, waardekaart of enige andere voor het publiek beschikbare kaart, te weten een Visacard (met daarop vermeld het nummer [nummer] en/of de naam gesteld [verdachte] , en/of [verdachte] ), bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, heeft afgeleverd, voorhanden heeft gehad, heeft ontvangen, zich heeft verschaft, heeft vervoerd, heeft verkocht of heeft overgedragen, zulks terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die pas of kaart bestemd was voor gebruik als ware deze echt en onvervalst;

feit 3:
hij op of omstreeks 26 april 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [Bank] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)

-zich voorgedaan als rechtmatige houder en/of bevoegd gebruiker van (Visa)kaarten met nummers [nummers] en/of

-met voornoemde kaarten geldopnames verricht en/of

-vervolgens een handtekening geplaatst onder de winkelier bon en/of journaal bon,

waardoor [Bank] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

De verdachte wordt onder dit feit -kort gezegd- verweten dat hij op 26 april 2013 met verschillende Visa(kaarten) geldopnames heeft verricht bij [Bank] op Schiphol en daarvoor heeft getekend, waarbij hij zich wederrechtelijk heeft voorgedaan als rechtmatige houder dan wel bevoegd gebruiker

van die (Visa)kaarten. Hiermee zou hij voornoemde bank hebben bewogen tot de afgifte van die geldbedragen.

De verdachte heeft verklaard dat hij de opnames met de kaarten die op zijn naam stonden rechtmatig heeft gedaan.

Namens [Bank] (EMS) heeft [naam] op 13 augustus 2013 aangifte gedaan, en - kort gezegd - verklaard dat met door de Amerikaanse bank [bank] uitgegeven Visa Cards (waarbij het gaat om drie kaarten, met nummers genoemd in de aangifte) fraude

is gepleegd in die zin dat met de bewuste cards ‘frauduleuze transacties hebben plaats gevonden’… terwijl de bewuste creditcards ‘nimmer uit het bezit van de cardhouder zijn geweest’ en de ‘originele’ creditcards ‘nog steeds in het bezit’ zijn ‘van de cardhouder’. ‘Op de card (het hof begrijpt: waarmee genoemde frauduleuze handelingen zouden hebben plaatsgevonden) staat de naam van [verdachte] ’. [naam] verklaart voorts dat ‘om privacy redenen’ de ‘betrokken bank de naam van de cardhouder’ niet ‘wil prijsgeven’.

Op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 november 2013 is [naam] als getuige gehoord en heeft daar verklaard (pag. 4 proces-verbaal terechtzitting) dat de buitenlandse bank niet heeft willen aangeven op wiens naam de kaarten waren afgegeven en dat hij niet durft te zeggen of deze bank uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de kaarten niet op naam van de verdachte waren afgegeven.

Aldus kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatig houder of bevoegd gebruiker, terwijl hij dat niet was. Nu dit de kern van het ten laste gelegde frauduleuze handelen behelst, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 ten laste gelegde zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:
hij op 9 augustus 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een listige kunstgreep een medewerker van [bedrijf] Schiphol te bewegen tot de afgifte van horloges van het merk Rolex, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk ter betaling een valse creditcard met nummer [nummer] heeft aangeboden aan de medewerker van [bedrijf] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:
hij op 9 augustus 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk een valse betaalpas, te weten een Visacard met daarop vermeld nummer [nummer] en de naam [verdachte] en [verdachte] , bestemd voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, wist dat die pas bestemd was voor gebruik als ware deze echt en onvervalst.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot oplichting.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een valse pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat de pas bestemd is voor gebruik als ware deze echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Amsterdam van 8 november 2012 (parketnummer 13-651047-12) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 76 dagen.

Tegen voormeld vonnis van de rechtbank Noord-Holland is door de verdachte en het openbaar ministerie

hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van

de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en de tenuitvoerlegging van de bij vonnis

van 8 november 2012 door de rechtbank Amsterdam voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf

van 76 dagen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een valse creditcard voorhanden gehad waarvan hij wist dat deze bestemd was om te gebruiken als een echte kaart. De verdachte heeft getracht een medewerker van [bedrijf] op Schiphol te bewegen tot de afgifte van horloges van het merk Rolex door deze kaart als betaalmiddel aan te bieden. De verdachte heeft zodoende getracht zich de horloges toe te eigenen zonder daarvoor op een legale wijze te betalen. Voorts heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat in het handelsverkeer aan creditcards wordt gehecht. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 mei 2015 is de verdachte eerder ter zake van een soortgelijk strafbaar feit onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 232 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 8 november 2012 onder parketnummer 13-651047-12 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen. Deze vordering is in hoger beroep

opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te verlengen of deze straf om te zetten in een taakstraf. De verdachte wordt nu immers veroordeeld voor feiten soortgelijk als waarvoor de genoemde straf van 76 gevangenisstraf indertijd voorwaardelijk is opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 8 november 2012, parketnummer 13-651047-12, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 76 (zesenzeventig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.F. Gerding, mr. S. Clement en mr. W.H. van Benthem, in tegenwoordigheid van

mr. R. Cozijnsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

24 juni 2015.

[.......]

.