Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5751

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
23/000318-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoek schorsing voorlopige hechtenis afgewezen. Toetsingskader artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a EVRM. Ernstige bezwaren ten aanzien van een zeer ernstig feit en geschokte rechtsorde. Hof geoordeeld dat geen sprake was van noodweer(exces).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER

Beschikking op een verzoek strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

wonende te [adres],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Zoetermeer te Zoetermeer.

Het hof heeft gezien het verzoekschrift met bijlagen strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis, namens de verdachte door de raadsman ingediend, dat op 30 juni 2015 bij het hof is binnengekomen.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door raadsman

mr. C.F. Korvinus.

Het hof heeft gelet op artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De feiten en de rechtsgang

De verdachte is op 1 oktober 2014 in verzekering en aansluitend op 3 oktober 2014 door de rechter-commissaris in bewaring gesteld op basis van ernstige bezwaren tegen de verdachte, betreffende de verdenking van – kort gezegd – poging doodslag. Als grond voor het bevel tot bewaring heeft de rechter-commissaris gewezen op de geschokte rechtsorde.

Bij beschikking van 13 oktober 2014 heeft de rechtbank de gevangenhouding van de verdachte bevolen voor de duur van negentig dagen en is het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen. De verdachte is tegen voornoemde beschikking in beroep gekomen bij dit hof. Bij herstelbeschikking van 25 november 2014 heeft het hof het beroep, voor zover houdende het bevel tot gevangenhouding, afgewezen. Voorts is bij voormelde beschikking de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 6 november 2014 geschorst tot aan de inhoudelijke terechtzitting bij de rechtbank Amsterdam.

Ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van de verdachte bij de rechtbank Amsterdam is namens de verdachte wederom een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan. De rechtbank heeft dit verzoek op 31 oktober 2014 afgewezen.

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 14 januari 2015 ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot – kort gezegd – een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

Op 23 januari 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis alsook tegen eventuele tussenbeslissingen.

Bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2015 is de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 11 maart 2015 geschorst tot aan de inhoudelijke terechtzitting van 29 mei 2015 bij dit hof.

Het hof heeft de verdachte bij arrest van 12 juni 2015 ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot – voor zover van belang - een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Sinds die datum is de verdachte weer gedetineerd.

De verdachte heeft tegen voornoemd arrest cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

De behandeling in raadkamer

De raadsman van de verdachte heeft bij de behandeling in raadkamer op 8 juli 2015 aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 december 2014 in de zaak [naam] vs. Nederland (EHRM 09-12-2014, 15911/08), dat een herleving van het voorarrest wegens het bestaan van een geschokte rechtsorde moet worden gestaafd aan de hand van concrete feiten en omstandigheden waaruit de maatschappelijke onrust zou blijken. De raadsman acht de herleving van het voorarrest in dit geval in strijd met deze uitspraak, nu er op de dag van de uitspraak van het hof geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan gezegd zou kunnen worden dat de rechtsorde bij continuering van de schorsing geschokt zou zijn en er ook overigens geen grond (meer) aan een voortduring van de schorsing in de weg stond. Evenmin rechtvaardigt het enkele gegeven dat er sprake is van een veroordelend arrest het voortduren van de voorlopige hechtenis, aldus de raadsman. Hij heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van

3 februari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:683).

De raadsman meent ten slotte dat de persoonlijke belangen van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis thans zwaarder dienen te wegen dan het belang van de maatschappij bij voortduring daarvan, nu de verdachte in het familiebedrijf van zijn vader werkt, de zorg heeft voor zijn kinderen en overigens bereid is zich aan elke door het hof te stellen voorwaarde te houden.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen schorsing van de voorlopige hechtenis.

De beoordeling

In de situatie waarvan hier sprake is, is het toetsingskader van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a., van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) leidend. Hierin is bepaald – kort en zakelijk weergegeven – dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve wanneer er sprake is van rechtmatige detentie volgens de wettelijke voorschriften, na een veroordeling door een daartoe bevoegd gerecht.

Noch aan de tekst van artikel 5 EVRM, noch aan de jurisprudentie van het EHRM naar aanleiding van dit artikel kan voorts worden ontleend dat als uitgangspunt heeft te dienen dat een verdachte hangende een beroep in cassatie zijn berechting in vrijheid moet kunnen afwachten.

Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de voorlopige hechtenis van de verdachte dient voort te duren. Gelet op het arrest van 12 juni 2015 – waarvan niet is gebleken dat dit op een juridische of feitelijke misslag berust – en het bepaalde in artikel 75, tweede lid, Sv, zijn er ernstige bezwaren tegen de verdachte dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Doodslag, een zogenoemd twaalfjaarsfeit, is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwet kent. Het recht op leven behoort tot de fundamenteelste rechten die in onze rechtsorde dienen te worden beschermd. Een poging om iemand te doden veroorzaakt dan ook in het algemeen veel onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen, zeker waar deze poging in een voor het publiek toegankelijke horecagelegenheid dan wel op de openbare weg heeft plaatsgehad, en in de directe omgeving van het slachtoffer. Gelet daarop en op het feit dat er thans sprake is van een veroordeling in twee feitelijke instanties, waarbij een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur is opgelegd, is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat de rechtsorde ernstig zal zijn geschokt in die zin dat vrijlating van de verdachte thans zal leiden tot maatschappelijke onrust. Er is daarom ook een grond om de voorlopige hechtenis te laten voortduren.

De door de raadsman aangehaalde uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden is in dit verband niet relevant, nu de voorlopige hechtenis niet alleen is gebaseerd op het bepaalde in artikel 75, tweede lid, Sv.

Er is dus sprake van ernstige bezwaren ten aanzien van een zeer ernstig feit, en van een geschokte rechtsorde. In die situatie kan van een schorsing alleen sprake zijn als zich zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden voordoen. Daarvan is niet gebleken.

Wat betreft de stelling van de raadsman dat er geen sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden overweegt het hof nog het volgende. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat gedurende de gehele procedure – ook waar het betreft de beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis – de vraag of er al dan niet sprake is geweest van een noodweer(exces)-situatie een belangrijke rol heeft gespeeld. Aangenomen mag daarom worden dat het hof de voorlopige hechtenis eerder heeft geschorst met het oog op de mogelijkheid van honorering van het verweer van de verdachte op dit punt, hetgeen uiteindelijk tot ontslag van rechtsvervolging zou hebben geleid. Thans is dit verweer echter in hoogste feitelijke instantie beoordeeld. Het hof heeft op dit punt geoordeeld – kort weergegeven – dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een feitelijke situatie waarin de verdachte zich noodzakelijk diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam, waarbij het hof overigens van oordeel is dat het handelen van de verdachte (tegen)aanvallend en niet verdedigend was.

In die omstandigheden en nu niet is gebleken van zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld, zal het hof het verzoek van de verdachte afwijzen, omdat het belang dat de verdachte heeft bij zijn invrijheidstelling niet opweegt tegen de gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die in het bevel tot zijn gevangenhouding zijn aangewezen, welke ook thans nog grond geven tot voortduring van zijn vrijheidsbeneming.

De beslissing

Het hof:

WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Deze beschikking is gegeven op 8 juli 2015 in raadkamer van dit hof door

mr. J.L. Bruinsma, voorzitter,

mrs. M.J.G.B. Heutink en H.A. Marquart Scholtz, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Amsterdam, 8 juli 2015,

de advocaat-generaal