Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5714

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
200.173.200
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing schuldsaneringsregeling. CJIB-schuld niet te goeder trouw ontstaan én onbetaald gebleven. Dat betrokkenen geen auto meer heeft en de afspraken met de DWI nakomt, is onvoldoende om de hardheidsclausule toe te passen. Er is onvoldoende inzicht verschaft in zijn persoonlijke ontwikkeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.173.200/01

rekestnummer rechtbank : C/13/583515 / FT RK 15/620

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 september 2015

in de zaak van

[X] ,

wonende te [Y] ,

appellant,

advocaat: mr. S. Mahabier te Amsterdam-Zuidoost.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [X] genoemd.

[X] is bij per fax op 14 juli 2015 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2015, waarbij het verzoek van [X] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 8 september 2015. Bij die behandeling is [X] verschenen, bijgestaan door mr. Mahabier voornoemd, die het verzoekschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de namens [X] bij de pleitnotitie overgelegde bijlage. [X] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[X] heeft in het verzoekschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [X] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [X] meent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de boetes aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) en de schuld aan de woningbouwvereniging aan toelating tot de schuldsanering in de weg staan. Eén CJIB-boete is ontstaan vanwege het niet correct instellen van de blauwe parkeerschijf en de andere twee boetes zijn op dezelfde dag met een verschil van vier minuten van elkaar opgelegd vanwege overschrijding van de maximumsnelheid, aldus [X] . De schuld aan de woningbouwvereniging is niet ontstaan als gevolg van de detentie, maar is ruim vóór en ná de detentie ontstaan. Mocht het hof desondanks van oordeel zijn dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan, dan doet [X] een beroep op artikel 288, derde lid, Faillissementswet (Fw). [X] is niet meer in het bezit van een auto. Hij leeft al jaren onder bijstandsniveau omdat er beslag gelegd is op zijn uitkering. Hij doet zijn best zijn schulden af te lossen en komt de afspraken met de Dienst Werk en Inkomen (DWI) betreffende zijn re-integratie correct na. Een nieuwe detentie valt bovendien niet te verwachten.

2.2

Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [X] daarin niet is geslaagd.

2.3

Vast is komen te staan dat [X] (onder meer) een schuld aan het CJIB heeft die per 12 mei 2015 € 1.422,- beloopt. Deze schuld is blijkens de aan [X] verzonden beschikkingen/aanmaningen opgebouwd uit vorderingen betreffende drie verkeersovertredingen, begaan in januari 2014, ten bedrage van € 97,-, € 190,- en € 201,-. Het had op de weg van [X] gelegen aan de hand van stukken aannemelijk te maken dat de aan de boetes verbonden verhogingen niet vermeden konden worden, bijvoorbeeld door het tijdig treffen van een betalingsregeling. [X] heeft weliswaar gesteld met het CJIB een betalingsregeling te hebben getroffen van € 50,- per maand, maar hij heeft niet aangegeven en evenmin met stukken onderbouwd wanneer deze regeling is geëffectueerd en hoeveel hij tot op heden heeft afgelost op de schuld. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat [X] niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de CJIB-schuld.

Deze schuld die ook ten opzichte van de totale schuldenlast als substantieel wordt aangemerkt, staat aan toelating van [X] tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

2.4

Het verzoek van [X] om op de voet van artikel 288, derde lid, Fw te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, wordt afgewezen. [X] heeft geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen. De omstandigheid dat [X] thans niet meer in het bezit is van een auto alsmede dat hij de afspraken met de DWI nakomt, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. [X] die naar eigen zeggen ongeveer twee jaar geleden voor het laatst een medische keuring heeft ondergaan en geschikt is bevonden voor arbeid gedurende 20 uur per week, heeft onvoldoende inzicht verschaft in zijn persoonlijke ontwikkeling. Zo is niet gebleken van voldoende inspanningen om aan het werk te geraken en is onvoldoende informatie voorhanden met betrekking tot zijn medische en psychische toestand. Evenmin is duidelijk geworden hoe het door hem gevolgde re-integratietraject tot op heden verloopt en is ook niet is gebleken van een sociaal vangnet.

2.5

Het vonnis waarvan beroep wordt derhalve bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, A.M.P. Geelhoed en M.A.J.G. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.