Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5712

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
200.171.637
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling. Nieuwe schulden toerekenbaar ontstaan. Plan van aanpak tot aflossing van de nieuwe schulden is onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.171.637/01

insolventienummers rechtbank : C/13/13/454-R en C/13/13/455-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2015

in de zaak van

1 [X] ,

2. [Y] ,

beiden wonende te [x] ,

appellanten,

advocaat: mr. S. van Beers te Zeist.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna [X en Y] genoemd.

[X en Y] zijn bij per fax op 17 juni 2015 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2015, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X en Y] tussentijds heeft beëindigd zonder toekenning van de zogenoemde schone lei.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 25 augustus 2015. Bij die behandeling zijn [X en Y] verschenen, bijgestaan door mr. Van Beers voornoemd, die het beroepschrift mondeling nader heeft toegelicht. Voorts is namens de bewindvoerder, E. Kranenburg, verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift met bijlagen 1 tot en met 5, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, de uitgebrachte verslagen van de bewindvoerder bij brief van 17 augustus 015, alsmede een verslag met de laatste stand van zaken van 21 augustus 2015, en de namens [X en Y] op 24 augustus 2015 nader overgelegde stukken producties 7 tot en met 10. [X en Y] hebben verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[X en Y] hebben in het beroepschrift verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en hen alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien eventueel met verlenging van de looptijd. Zij hebben gesteld dat zij aan de verplichtingen uit de schuldsanering hebben voldaan, en voor zover dat niet het geval zou zijn, deze tekortkoming hen niet te verwijten valt en niet zo ernstig is dat deze tot tussentijdse beëindiging zou moeten leiden. Daartoe hebben [X en Y] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. Zij hebben zich ingespannen zoveel mogelijk inkomsten voor de boedel te verwerven. [X] heeft nu een baan gevonden voor 32 uur per week en werkt daarnaast 4 uur per week bij de brandweer. [Y] heeft regelmatig gesolliciteerd. Zij heeft geen nieuwe baan gevonden, maar heeft wel haar uren kunnen uitbreiden tot 30 uur per week. [X en Y] hebben erkend dat er nieuwe schulden zijn ontstaan. Zij stellen echter dat de nieuwe schuldenlast lager ligt doordat zij diverse betalingen hebben verricht. Met hulp van vrienden die maandelijks een bedrag van in totaal € 325,- willen storten, en de afdracht van vakantietoeslag en kinderbijslag willen [X en Y] de nieuwe schuldenlast afbetalen. Zij stellen daartoe in staat te zijn, ook mede door hulp van de budgetbeheerder en een nog te benoemen beschermingsbewindvoerder.

[X en Y] stellen dat zij een moeilijke periode hebben gehad en dat zij naast de zorg voor drie kinderen, van wie er een therapie nodig heeft, en de inspanningsverplichting geen energie hadden hun financiële administratie bij te houden. [X en Y] hebben dit ingezien om welke reden zij met ingang van november 2014 een budgetbeheerder hebben ingeschakeld. Zij hadden echter pech met de eerste budgetbeheerder, genaamd SPBB. Pas eind januari 2015 bleek dat SPBB niets voor hen kon betekenen. [X en Y] moesten op zoek naar een nieuwe budgetbeheerder, die zij medio april 2015 hebben gevonden in de persoon van de heer [Z] In de tussentijd is de schuldenlast echter toegenomen en zijn [X en Y] verder in de problemen geraakt. Zij stellen het tij thans te kunnen keren en verzoeken het hof hen de kans te geven de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde te brengen.

2.2

De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Hoewel er diverse zittingen zijn geweest, hebben [X en Y] weinig actie ondernomen om de situatie recht te trekken. De nieuwe schulden zijn verder opgelopen, te weten tot een totaalbedrag van € 16.209,86. De bewindvoerder heeft bij gebreke van een betalingsbewijs niet kunnen verifiëren of [X en Y] op de nieuwe schulden hebben afbetaald, zoals zij stellen. De bewindvoerder erkent dat door betaling van de ontslagvergoeding door de ex-werkgever van [X] de boedelachterstand thans is teruggebracht tot € 2.136,86. De bewindvoerder heeft geen inzicht gekregen van [X en Y] in de budgetbeheerrekening en weet niet hoe het budgetbeheer verloopt. Ten aanzien van het door [X en Y] overgelegde plan van aanpak betreffende de nieuwe schulden heeft de bewindvoerder verklaard dat de nieuwe schuldenlast hoger is dan waarvan het plan uitgaat en dat in het plan geen voorziening is getroffen voor de boedelachterstand. Hij stelt er weinig vertrouwen in te hebben dat door middel van het overgelegde plan van aanpak [X en Y] de schuldsaneringsregeling tot een goed einde zullen brengen.

2.3

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat – zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw – uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieplicht niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

2.4

Het hof is van oordeel dat [X en Y] ernstig zijn tekortgeschoten in meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Gebleken is dat zij nieuwe bovenmatige schulden hebben laten ontstaan die blijkens opgave van de bewindvoerder een totaalbedrag van € 16.209,86 belopen. Tevens hebben [X en Y] een boedelachterstand laten ontstaan van € 2.136,81. [X en Y] gaan weliswaar uit van een lager bedrag aan nieuwe schulden maar zij hebben verzuimd bewijzen over te leggen van door hen gestelde betalingen, zodat het hof voor de hoogte van de nieuwe schuldenlast zal uitgaan van het door de bewindvoerder opgegeven bedrag, welke opgave van recente datum is, te weten 20 augustus 2015. [X en Y] hebben na de zittingen van de rechtbank waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld de schulden in te lopen en orde op zaken te stellen, de schulden nog verder laten oplopen. Dit is ook geschied in de periode gelegen tussen het bestreden vonnis en de behandeling van het hoger beroep. Dat het budgetbeheer door SPBB niet van de grond is gekomen, was in januari 2015 reeds duidelijk en [X en Y] hebben sindsdien een half jaar de tijd gehad orde op zaken te stellen. [X en Y] hebben verder geen feiten of omstandigheden gesteld die de gevolgtrekking wettigen dat hen ten aanzien van het ontstaan van de aanzienlijke nieuwe schuldenlast geen verwijt kan worden gemaakt. De nieuwe schulden en de boedelachterstand kunnen dan ook aan hen worden toegerekend.

Het hof gaat voorbij aan het door [X en Y] gepresenteerde plan van aanpak. In het plan van aanpak is geen voorziening getroffen voor de boedelachterstand en is ten onrechte uitgegaan van afdracht van de gehele vakantietoeslag. Voorts zijn [X en Y] blijkens het plan volledig afhankelijk van de giften van derden tot en met juni 2017, waardoor het plan uiterst kwetsbaar is en niet in de lijn ligt met de achterliggende motieven van de Wet Schuldsanering. Verder is gebleken dat het budgetbeheer nog niet helemaal rond is, dat de financiën nog steeds niet zijn overgedragen en dat het verzoek tot het instellen van beschermingsbewind nog steeds niet is ingediend. Daarom valt niet in te zien waarom [X en Y] die het tot nu toe ook met de kinderbijslag en een gedeelte van de vakantietoeslag niet hebben gered, het de komende tijd wel zullen redden zonder deze inkomsten.

2.5

Gezien de omvang worden de nieuwe schulden en de boedelachterstand als bovenmatig aangemerkt. Het hof acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet realistisch dat [X en Y] gedurende de resterende looptijd van de schuldsaneringsregeling, ook bij een eventuele verlenging, in staat zullen zijn de nieuwe schulden en de boedelachterstand die tezamen ongeveer € 18.300,-- bedragen, te voldoen. Het verzoek van [X en Y] om hen in de gelegenheid te stellen de regeling alsnog tot een goed einde te brengen wordt dan ook afgewezen.

2.6

De genoemde tekortkomingen van [X en Y] kunnen niet als geringe tekortkomingen buiten beschouwing blijven en zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig, dat slechts tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei gerechtvaardigd is. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, F.J.P.M. Haas en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.