Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5691

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
14/00385, 14/00386
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:2203, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:600, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Riool- en afvalstoffenheffing; overschrijding opbrengstlimiet? immateriële schadevergoeding? Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat de opbrengstlimiet voor de afvalstoffenheffing niet is overschreden. De opbrengstlimiet voor de rioolheffing is evenmin overschreden; de opbouw van een voorziening om te komen tot een ideaalcomplex past in de voor de gemeente geldende comptabiliteitvoorschriften. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond en dat van belanghebbende ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0358
V-N Vandaag 2016/291
Belastingblad 2016/152 met annotatie van P. de Bruin
Mr. M.P. van der Burg annotatie in NTFR 2016/808
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 14/00385 en 14/00386

8 december 2015

uitspraak van de meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende

alsmede op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/3727 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij de “woonlastennota 2012” met dagtekening

29 februari 2012 aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag rioolheffing opgelegd ten bedrage van € 210 alsmede een aanslag afvalstoffenheffing ten bedrage van € 290,52.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 28 juni 2012, het bezwaar afgewezen en beide aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 24 april 2014 heeft de rechtbank op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep als volgt beslist, waarbij de heffingsambtenaar wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiser”:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag in de afvalstoffenheffing tot een bedrag van € 264,10;

- handhaaft de aanslag rioolrechten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 210,80 en

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 juni 2014 en het door belanghebbende ingestelde hoger beroep op 4 juni 2014, aangevuld bij brief ontvangen op 4 juli 2014. Partijen hebben een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’:

“2.1. Eiser bewoont met zijn gezin een eigen woning in de gemeente [Z]. Verweerder heeft hem de in geding zijnde aanslagen in de rioolheffing en in de afvalstoffenheffing opgelegd.

2.2.

Eiser heeft een aantal bladzijden uit het Gemeentelijk Rioleringsplan [Z] 2009-2014 overgelegd. Dit plan vermeldt dat de gemeente [Z] sinds 1997 een financieringsmethodiek volgt waarbij de gemeente overgaat naar "ideaalcomplex", een systeem waarbij door middel van het vormen van een voorziening de boekwaarde van de riolering in de toekomst kan worden afgeboekt en toekomstige investeringen uit de jaarlijkse exploitatie betaald kunnen worden.

2.3.

Tot de stukken behoren ook de volgende documenten:

- een bladzijde uit de gemeentelijke begroting met vermelding van gegevens uit de jaarrekening over 2010, de begroting voor 2011 en de begroting voor 2012; de posten baten en lasten voor riool en rioolgemalen laten bij een opbrengst aan rioolrechten van € 8.685.000 voor 2012, per saldo een tekort zien van € 412.000 (post 722 en 726); de begrotingsgegevens laten op de posten voor vuilophaal en –afvoer per saldo een overschot zien van € 697.000 (post 721 en 725);

- een "Bijlage 11 Kostenonderbouwing afvalstoffenheffing" met een bedrag "Totaal Bijdrage Gemeenten" vanuit de aangesloten gemeenten van € 23.043.359; dit stuk is onderdeel van de begroting voor 2012 van de Gewestelijke Afvalstoffendienst (GAD) en ook opgenomen bij de begrotingsstukken van de gemeente [Z];

- een raadsvoorstel van 31 oktober 2011 waarin staat verwoord dat de tarieven voor de rioolheffing voor het belastingjaar 2012 moeten leiden tot een opbrengst van € 8.705.000 om uit te komen op 100%-dekking voor de met het riool samenhangende lasten; op basis van die geraamde opbrengst is het tarief per rioolaansluiting berekend;

- een raadsvoorstel van 31 oktober 2011 waarin staat verwoord dat de tarieven voor de afvalstoffenheffing 2012 gelijk zullen zijn aan die in 2011 en dat € 374.468 zal worden onttrokken aan de Egalisatiereserve Afvalstoffen; rekening houdend met die onttrekking is in het voorstel het dekkingspercentage berekend op 100%; bij de berekening van de stand van de egalisatiereserve maakt het raadsvoorstel melding van een overschot op de bijdrage aan de GAD over 2010 van € 1.314.000, maar geen positief resultaat over enig later jaar; het raadsvoorstel vermeldt de volgende tarieven voor een meerpersoonshuishouden: 2009 € 226,56, 2010 € 239,76, 2011 € 290,52 en 2012 € 290,52;

- deze beide raadsvoorstellen bevatten een uitgewerkte berekening ter onderbouwing van het vast te stellen tarief, rekening houdend met de kosten van kwijtschelding, mutaties in de reserves en de toerekening van rente.

2.4.

Tot de stukken behoort ook een verslag van de raadsvergadering van 9 november 2011, de vergadering waarop de gemeenteraad van [Z] de verordeningen en de tarieven voor het heffingsjaar 2012 heeft vastgesteld. Dit verslag bevat passages met de volgende strekking:

- vanuit de raad: de GAD heeft in de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 aanzienlijke exploitatievoordelen behaald die zich voor de gemeente [Z] vertaalden in positieve resultaten van respectievelijk € 1.579.000, € 1.027.000, € 683.0000 en € 1.314.000; deze overschotten zijn deels teruggegeven aan de Hilversumse burger, deels niet; het patroon van deze positieve resultaten zou kunnen leiden tot een verlaging van 11,3% van het tarief;

- vanuit B&W: de GAD begroot jaarlijks een te hoog bedrag en dit resulteert in een jaarlijkse terugbetaling aan de gemeente [Z] van € 1 mio tot € 1,5 mio; B&W zijn hierover in overleg met de GAD met het oog op een scherpere begroting.

2.5.

De gemeenteraad heeft de Verordening rioolheffing 2012 en de Verordening afvalstoffenheffing 2012 op 9 november 2011 vastgesteld en deze zijn op de juiste wijze bekendgemaakt.”

2.1.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling daarop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.1.3.

De heffingsambtenaar heeft een tot het onder 2.2. genoemde Gemeentelijk Rioleringsplan [Z] 2009-2014 behorende doorrekening van de exploitatie riolen en rioolgemalen in het kader van de herziening naar het “ideaalcomplex” overgelegd. Uit dit stuk volgt dat tot het jaar 2026 de tarieven rioolrechten zijn gesteld op € 201 en jaarlijks gelijk zijn, en vanaf 2027 met 39,98% dalen tot € 120,64 en vervolgens tot 2040 gelijk blijven.

2.1.4.

Het onder 2.3. genoemde raadsvoorstel van 31 oktober 2011 voor het vaststellen van de Verordening Afvalstoffenheffing 2012 bevat de volgende opstelling (in €):

Onttrekking aan en verloop van egalisatiereserve afvalstoffen

In onderstaande kostenopzet is de onttrekking aan de egalisatiereserveafvalstoffen de “sluitpost” en wordt geraamd op € 374.000.

lasten

721.1 Kosten Gewestelijke afvalstoffendienst (GAD) 7.994.000

721.1 Overdekking ivm. BTW-compensatiefonds 748.000

614.4 Kosten kwijtschelding 430.000

721.1 Administratiekosten Afdeling Belastingen 39.000 +/+

9.211.000

baten

725.1 Geraamde opbrengsten afvalstoffenheffing 8.836.532

980.4 Onttrekking aan de Egalisatiereserve Afvalstoffen 374.468 +/+

9.211.000 -/-

Netto ten laste van de gemeente komende kosten 0

Dekkingspercentage: 100%

Het geraamde verloop van de egalisatiereserve Afvalstoffen ziet er dan als volgt uit:

a stand reserve per 1.1.2011 392.000

b af: benodigd voor tarief 2011 457.000 -/-

c bij: overschot GAD 2010 1.314.000 +/+

d stand reserve per 31.12.2011 1.249.000 =

e af: benodigd voor tarief 2012 374.000 -/-

f bij: resultaat GAD 2011 ? +/-

g stand reserve per 31.12.2012 875.000 =

(…)”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de bestreden aanslagen terecht en voor het juiste bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of de Verordening rioolheffing 2012 en de Verordening afvalstoffenheffing 2012 algeheel dan wel partieel onverbindend zijn omdat de geraamde baten van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing de geraamde lasten ter zake overtreffen (overschrijding van de opbrengstlimiet).

3.2.Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Toetsingskader overschrijding van de opbrengstlimiet

4.1.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende in de wet en jurisprudentie verwoorde regelgeving en uitganspunten in aanmerking genomen:

“4.1. Artikel 228a van de Gemeentewet bepaalt dat onder de naam rioolheffing een belasting kan worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan (onder meer) de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater. Het tweede lid bepaalt dat het moet gaan om heffing "ter zake" van de daartoe te maken kosten.

Artikel 15.33 van de Wet milieubeheer bepaalt dat de gemeenteraad ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen een heffing kan instellen (afvalstoffenheffing).

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat de geraamde opbrengst van de rioolheffing, respectievelijk de afvalstoffenheffing niet hoger mag zijn dan de geraamde kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de activiteiten die in artikel 228a van de Gemeentewet, respectievelijk artikel 15.33 van de Wet milieubeheer zijn genoemd (opbrengstlimiet).

4.3.

Bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden en de stelplicht en bewijslast daaromtrent, verwijst de rechtbank naar de volgende overwegingen in het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777:

- 3.3.4. In die gevallen waarin de belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’.

- 3.3.5. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de hiervoor in 3.3.4 bedoelde stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De zinsnede in onderdeel 3.2.3 van het arrest BNB 2009/159 ‘teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen’, houdt derhalve niet in dat de heffingsambtenaar moet bewijzen dat die twijfel ongegrond is.

- 3.3.6. Voorts zij eraan herinnerd dat tot de ‘lasten ter zake’ niet alleen posten behoren die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten waarvoor de rechten worden geheven, maar dat daartoe ook behoren aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat die indirecte kosten meer dan zijdelings met die diensten moeten samenhangen. De desbetreffende kostenposten kunnen slechts dan niet (geheel of ten dele) als ‘lasten ter zake’ worden aangemerkt indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen (vgl. o.m. HR 4 juni 2010, nr. 08/00313, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, BNB 2010/234).

- 3.3.7. Ten slotte zij erop gewezen dat in het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen (vgl. HR 26 april 1989, nr. 25542, BNB 1989/242).

4.1.2.

De rechtbank is naar het oordeel van het Hof van het juiste toetsingskader uitgegaan.

4.2.

Rioolheffing

4.2.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn grieven ten aanzien van de rioolheffing beperkt tot de vraag of de gemeente [Z] de zogenoemde opbrengstlimiet heeft geschonden door over te gaan van een financieringsmethodiek van activeren en afschrijven naar een zogeheten ‘ideaalcomplex’ (beheer, onderhoud en vervangingsinvesteringen direct uit de exploitatie). Deze overgang naar een ideaalcomplex brengt mee dat door de gemeente [Z] in de jaren tot 2026 een voorziening wordt opgebouwd om in 2026 de dan resterende boekwaarde van het rioolstelsel in één keer te kunnen afboeken. De opbouw van deze voorziening heeft zijn weerslag in de raming van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de in artikel 228a van de Gemeentewet genoemde activiteiten (tezamen: de riolering). Belanghebbende betwist dat de hogere voorzieningslasten die in de overgangsfase naar het ideaalcomplex als lasten terzake van de riolering, waarvoor de opbrengsten van de rioolheffing mogen worden geraamd. Door dit toch te doen overschrijdt de gemeente [Z] de opbrengstlimiet, aldus belanghebbende.

4.2.2.

De rechtbank heeft belanghebbendes stelling afgewezen en heeft als volgt geoordeeld:

“4.4.1. Verweerder heeft in reactie op de stelling van eiser dat de opbrengstlimiet voor de rioolheffing is geschonden, verwezen naar bladzijden uit de begroting van de gemeente [Z] (de posten 722 en 726) en naar de onderbouwing bij het raadsvoorstel, uitkomende op een dekkingspercentage van 100%. Daarbij heeft hij verwezen naar het Gemeentelijk Rioleringsplan 2009-2014.

4.4.2.

Eiser heeft de uitgangspunten van deze berekening betwist in die zin dat de geraamde opbrengst en de tariefstelling niet alleen betrekking heeft op de afschrijving van reeds aanwezige activa maar ook bedoeld is met het oog op het vormen van een voorziening ter afboeking van de op enig moment nog resterende boekwaarde. Ook heeft hij nog gesteld dat de kosten voor het ontstoppen en het verzorgen van aansluitingen geëlimineerd zouden moeten worden.

4.4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is het vormen van een op een gemeentelijk rioleringsplan gebaseerde voorziening en de gefaseerde overgang naar een systeem van ideaalcomplex echter geen beletsel de daarop gebaseerde en geraamde opbrengst aan te merken als opbrengst ter bestrijding van de in artikel 228a genoemde kosten (Kamerstukken II, Nota naar aanleiding van het verslag, 30 578, nr. 6, blz. 14 en 15).

De gemeenteraad heeft de opbrengst voor het ontstoppen en de aanleg van rioolaansluitingen ook gerekend tot de inkomsten ter bestrijding van de kosten als genoemd in artikel 228a. Anders dan eiser stelt, ziet de rechtbank geen reden de daarmee gemoeide kosten aan te merken als kosten die daarop geen betrekking hebben, laat staan dat eiser gemotiveerd twijfel heeft gewekt dat de daarmee gemoeide kosten hoger zijn geweest dan de daarvoor berekende opbrengst.”

4.2.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht erop gewezen dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 228a van de Gemeentewet niet volgt dat een op een gemeentelijk rioleringsplan gebaseerde voorziening en de gefaseerde overgang naar een systeem van ideaalcomplex een beletsel vormt om de daarop geraamde opbrengst als lasten ter zake te ramen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat ingevolge artikel 186 van de Gemeentewet de begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag van een gemeente worden ingericht overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur te geven regels. Deze regels zijn neergelegd in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van 17 januari 2003, Stb. 2003, 27 (tekst 2012; hierna: het BBV). Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van

16 januari 2015 (13/04173, ECLI:NL:HR:2015:67), dient de gemeentelijke begroting als uitgangspunt voor de ramingen en gaat het er hierbij om of de toerekening van lasten aan het desbetreffende jaar in die ramingen niet in strijd komt met de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften. Belanghebbende heeft weliswaar in hoger beroep gesteld dat de handelwijze van de gemeente in strijd komt met het BBV, doch heeft niet gemotiveerd met welke bepaling van het BBV de handelwijze van de gemeente strijd oplevert. Het Hof is evenmin gebleken dat de handelwijze van de gemeente strijdig is met enige bepaling uit het BBV. Uit voornoemd arrest van de Hoge raad van 16 januari 2015 volgt dat een gefaseerd gevormde voorziening ter afboeking van de op enig moment nog resterende boekwaarde van het aanwezige rioolstelsel niet in strijd komt met het BBV; een ideaalcomplex wordt op zichzelf beschouwd immers niet in strijd met het BBV geacht zodat ervan uit kan worden gegaan dat de opbouw van een voorziening om te komen tot zo’n ideaalcomplex eveneens past in de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de gemeente een dermate lange periode (30 jaar) daartoe heeft uitgetrokken, dat dit totstandkomingstraject niet onredelijk of in strijd met het BBV kan worden geacht. De omstandigheid dat volgens de in onderdeel 2.1.3 vermelde doorrekening in het kader van de overgang naar een ideaalcomplex de tarieven rioolrecht met ingang van 2027 aanzienlijk lager zullen zijn, brengt het Hof evenmin tot een ander oordeel.

4.2.4.

Naar het oordeel van het Hof heeft de gemeente in haar ramingen van de lasten ter zake van de opbrengsten van de rioolheffing de opbrengstlimiet daarvan niet overschreden.

4.3.

Afvalstoffenheffing

Kosten van de Gewestelijke Afvalstoffendienst (de GAD)

4.3.1.

De rechtbank heeft belanghebbende gevolgd in zijn stelling dat de gemeente met de geraamde kosten van de GAD de opbrengstlimiet overschrijdt, en heeft geoordeeld dat deze overschrijding leidt tot partiële onverbindendheid van de Verordening Afvalstoffenheffing 2012. De rechtbank heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd:

“4.5.1. Verweerder heeft in reactie op de stelling van eiser dat de opbrengstlimiet voor de afvalstoffenheffing is geschonden, verwezen naar de Kostenonderbouwing afvalstoffenheffing (afkomstig van de GAD), bladzijden uit de begroting van de gemeente [Z] (de posten 721 en 725) en naar de onderbouwing bij het raadsvoorstel, uitkomende op een dekkingspercentage van 100%. Hij heeft daarbij gesteld dat het gemeentelijke aandeel van de begroting van de GAD, 1-op-1 wordt overgenomen van de begroting van de GAD.

4.5.2.

Eiser heeft de juistheid van de ramingen betwist en er daarbij op gewezen dat in een reeks van jaren de feitelijke opbrengst van de afvalstoffenheffing hoger was dan de kosten voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen en dat de gemeenteraad zich hiervan bij de tariefstelling voor het jaar 2012 bewust was.

4.5.3.

Op grond van de overschrijding gedurende een reeks van jaren, de inbreng van raadsfracties en de uitlatingen van de verantwoordelijke wethouder acht de rechtbank inderdaad gerede twijfel aanwezig dat voor het jaar 2012 de opbrengstlimiet niet zou worden geschonden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de wethouder tijdens de raadsvergadering bevestigt dat de GAD al meerdere jaren te veel begroot, dat dit resulteert in een jaarlijkse teruggave aan de gemeente van € 1 tot € 1,5 mio en dat B&W een scherpere begroting willen. Kennelijk heeft de gemeenteraad hierin geen reden gezien reeds voor het jaar 2012 te toetsen of de opbrengstlimiet zou worden geschonden, dan wel op voorhand rekening te houden met de te verwachten teruggave aan de gemeente door de GAD.

Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake was van redelijke twijfel dat de opbrengstlimiet zou worden geschonden en dat deze twijfel niet zozeer is weggenomen als wel is versterkt.

4.5.4.

Verweerder heeft gesteld dat bij de berekening van de afvalstoffenheffing de kostenonderbouwing van de GAD, een zelfstandig publiekrechtelijk orgaan, 1-op-1 is overgenomen en dat de gemeente verplicht is voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen de overeengekomen gemeentelijke bijdrage als kosten voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen te voldoen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de door de GAD in rekening gebrachte bijdrage niet op andere activiteiten betrekking heeft dan op het beheer van huishoudelijke afvalstoffen, inclusief de kosten van preventie, controle en voorlichting.

Door echter geen rekening te houden met de in een reeks van jaren terugbetaalde overschotten en ook bij de tariefstelling voor het jaar 2012 geen rekening te houden met een voorzienbaar overschot over 2012 heeft de gemeente niettemin de opbrengstlimiet geschonden.”

4.3.2.

Het Hof komt tot een ander oordeel dan de rechtbank. Tussen partijen staat vast dat de gemeente met een zelfstandig publiekrechtelijk orgaan (de GAD) een langdurige overeenkomst is aangegaan, waarbij de GAD zich – samengevat – heeft verplicht tot het inzamelen en verwerken van het afval, en de gemeente zich heeft verplicht tot betaling voor afname van deze diensten. Eveneens staat vast dat in de jaren voorafgaand aan het voorliggende kalenderjaar 2012, de GAD de kosten telkens te hoog heeft begroot en het teveel betaalde vervolgens heeft terugbetaald aan de in de regio deelnemende gemeenten. De hoogte van het bedrag fluctueert. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente in haar raming rekening heeft gehouden met de te verwachten teruggaven, nu de gemeente een egalisatiereserve Afvalstoffenheffing (zie onder 2.1.4.) heeft gevormd, waaraan dotaties (+/-) plaatsvinden. De gemeente heeft voorts onweersproken gesteld dat onttrekkingen aan de egalisatiereserve enkel ten behoeve van afvalstoffenverwerking plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de aanschaf van ondergrondse afvalcontainers in de gemeente [Z].

4.3.3.

Naar ’s Hofs oordeel heeft de gemeente met haar wijze van ramen niet de opbrengstlimiet overschreden. Enerzijds mocht de gemeente in haar raming uitgaan van de door de GAD gepresenteerde kosten en behoefde zij in haar raming de door de GAD gepresenteerde kosten niet lager op te voeren dan in rekening gebracht (door – zoals belanghebbende kennelijk wenst – in haar raming de eventuele teruggaaf door de GAD al in mindering te brengen op de kosten), en anderzijds heeft zij de egalisatiereserve Afvalstoffenheffing ingezet voor het tegengaan van tariefschommelingen, een geleidelijke afbouw van de tarieven van de afvalstoffenheffing en zijn onttrekkingen aan de reserve ook anderszins ten behoeve van de afvalstoffenverwerking ingezet dan wel ten goede gekomen aan de betrokken belastingplichtigen. Er is geen sprake van een wijze van ramen en egaliseren die de gemeente redelijkerwijze niet kon hanteren.

Kosten KWD dienstverlening / handhaving

4.3.4.

Belanghebbende stelt dat de in de kostenonderbouwing van de GAD (bijlage 11 genoemd onder de feiten van de rechtbank onderdeel 2.3) vermelde kosten van het bedrijfsafval van kantoren, winkels en dienstverlenende organisaties (KWD) en van handhaving niet als een “last ter zake” mogen worden aangemerkt.

4.3.5.

De opbrengstlimiet brengt mee dat de opbrengst van de afvalstoffenheffing maximaal kostendekkend mag zijn en niet mag worden aangewend voor andere doeleinden dan die ter bestrijding van kosten die verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen (vgl. HR 23 mei 2014, 13/02954, ECLI:NL:HR:2014:1193). Uit de onder 4.1. weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat tot de ‘lasten ter zake’ niet alleen posten behoren die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten waarvoor de rechten worden geheven, maar dat daartoe ook behoren aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat die indirecte kosten meer dan zijdelings met die diensten moeten samenhangen. De desbetreffende kostenposten kunnen slechts dan niet (geheel of ten dele) als ‘lasten ter zake’ worden aangemerkt indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen (vgl. o.m. HR 4 juni 2010, nr. 08/00313, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, BNB 2010/234).

4.3.6.

De heffingsambtenaar heeft onder verwijzing naar de kostenonderbouwing van de GAD gesteld dat de kosten van het bedrijfsafval van kantoren, winkels en dienstverlenende organisaties (KWD) niet tot de kosten worden gerekend, doch enkel eenmalig zijn genoemd bij de opbrengsten. Voorts heeft de heffingsambtenaar gewezen op de accountantscontrole die heeft plaatsgehad op de jaarrekening, en dat daarbij evenmin van gestelde kosten betreffende KWD is gebleken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 (nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777) leidt het Hof af dat op belanghebbende de last rust om te bewijzen dat de door de heffingsambtenaar verschafte gegevens feitelijk onjuist zijn. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd. Redengevend daarvoor is dat belanghebbende zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

4.3.7.

Ten aanzien van de in de kostenonderbouwing van de GAD vermelde kosten van handhaving (van de afvalregulering) acht het Hof aannemelijk dat deze post voldoende – dat wil zeggen meer dan zijdelings – met de diensten van afvalverwerking samenhangt om als “last ter zake” te kunnen worden aangemerkt. Ook op dit punt faalt het betoog van belanghebbende.

BTW-compensatiefonds

4.3.8.

Belanghebbende stelt dat de gemeente in haar raming ten onrechte de “overdekking BTW-compensatiefonds” als last ter zake heeft aangemerkt. De gemeente zal voor de omzetbelasting die in de geraamde lasten zijn begrepen, een vergoeding uit het BTW-compensatiefonds ontvangen. Tot het bedrag van de geraamde lasten inclusief omzetbelasting en de vergoeding uit het BTW-compensatiefonds heft de gemeente belasting. Hierdoor wordt de BTW, aldus nog steeds belanghebbende, dubbel als last aangemerkt en wordt er geen rekening gehouden met het feit dat de BTW niet op de gemeente drukt vanwege de vergoeding uit het BTW-compensatiefonds.

4.3.9.

Ingevolge artikel 15.33 van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan de verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Onder de hiervoor bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

4.3.10.

De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de kosten exclusief omzetbelasting zijn geraamd voor het jaar 2012. De heffingsambtenaar heeft op dit punt verwezen naar de kostenonderbouwing van de GAD, waarin de BTW niet is vermeld. Tegenover de gemotiveerde weerspreking van de heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de geraamde omzetbelasting tot de lasten is gerekend, anders dan op grond van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar de omzetbelasting waarop een recht op bijdrage uit het BTW-compensatiefonds bestaat, in de raming als last kunnen aanmerken.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten, zodat van onverbindendheid van de verordening om die reden, zoals belanghebbende heeft bepleit, geen sprake kan zijn.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond is, en het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

5 Immateriële schadevergoeding en kosten

5.1.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij heeft geleden door de lange duur van de behandeling in bezwaar en beroep. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat – samengevat – belanghebbende in de bezwaarfase twee maanden heeft benut voor het motiveren van zijn bezwaar en in de beroepsfase een maand heeft benut voor het aanvullen van het beroepschrift.

5.2 .

In het arrest van 12 december 2014, nr. 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562, heeft de Hoge Raad kort samengevat het volgende overwogen: de redelijke termijn begint op het tijdstip waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt daarbij geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadien uitspraak doet.

5.3.

Uit de stukken van het geding volgt dat het bezwaarschrift op 1 maart 2012 door de heffingsambtenaar is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank is gedaan op 24 april 2014, derhalve – afgerond – 26 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. De termijn gemoeid met aanvulling van bezwaar- en beroepschriften vormt geen bijzondere omstandigheid en komt in dezen dus niet voor rekening van belanghebbende (vgl. HR 21 november 2014, nr. 14/01715, ECLI:NL:HR:2014:3321). Dit betekent dat de redelijke termijn

voor de bezwaar- en beroepsfase – afgerond op een eenheid van een half jaar – met een half jaar verstreken is, zodat de rechtbank aan belanghebbende € 500 als immateriële schadevergoeding had moeten toekennen.

5.4.

Aangezien de heffingsambtenaar reeds op 28 juni 2012 op het bezwaar heeft beslist, acht het Hof de overschrijding van de redelijke termijn voornamelijk toerekenbaar aan de beroepsfase. Het Hof zal daarom de Staat veroordelen tot een vergoeding van € 500.

5.5.

Nu het hoger beroep betreffende de vergoeding van immateriële schade is toegewezen, ziet het Hof aanleiding de heffingsambtenaar te gelasten het griffierecht en de proceskosten – voor zover aan de voorwaarden daartoe voldaan – aan belanghebbende te vergoeden (vgl. HR 20 maart 2015, 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660). De rechtbank had de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 210,80. In hoger beroep zijn hier geen grieven tegen gericht, noch is in hoger beroep verzocht om nadere proceskosten, zodat het Hof de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding in stand zal laten.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de oordelen betreffende het griffierecht en de proceskostenveroordeling;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;

- veroordeelt de Staat, de minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 500;

- gelast de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep ten bedrage van € 493 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. E. Polak, voorzitter, B.A. van Brummelen en A.A. Fase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 8 december 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.