Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:563

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
23-005069-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005069-13

datum uitspraak: 24 februari 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 november 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-167057-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van
10 februari 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 september 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) (met gebalde vuist) heeft geslagen en/of gestompt op/tegen het hoofd en/of het lichaam, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Verweren gevoerd ter terechtzitting in hoger beroep

De verdachte heeft van meet af aan ontkend het tenlastegelegde te hebben begaan en heeft ook in hoger beroep volhard in zijn ontkenning. Door en zijdens de verdachte is aangevoerd dat hij niet de persoon is die het slachtoffer heeft geslagen en dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling.

Het hof overweegt als volgt. Op 15 september 2013 doet de heer [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) op het politiebureau aangifte van mishandeling. Hij verklaart dat hij die avond na werktijd buiten stond bij restaurant [bedrijf], alwaar hij werkzaam is. Nadat hij het restaurant heeft afgesloten en zijn collega’s vertrekken richting het Rembrandtplein ziet hij dat een man (licht getint dan wel blank, tussen de 1,60 en 1,70 meter lang, met een mager postuur en tussen de 20 en 30 jaar oud met donkerblonde stekels naar achter gekamd) tegen een raam van het restaurant staat te plassen. [slachtoffer] spreekt de man hierop aan. De man is het hier niet mee eens. Op het moment dat hij klaar is met plassen geeft de man [slachtoffer] een duw, waardoor deze ten val komt. [slachtoffer] is net weer opgestaan als hij ziet dat een andere man met een mager postuur, rond de 1,90-2,00 meter lang, tussen de 25-30 jaar oud met kort bruin haar op hem afloopt. Hij voelt dat deze man hem opzettelijk en met kracht met zijn linker vuist op zijn linkerwang/jukbeen slaat. Direct voelt hij een stekende pijn en proeft hij bloed in zijn mond. Hij deinst naar achter en voelt vervolgens dat de man hem opnieuw met kracht met zijn rechtervuist een klap tegen zijn lip geeft. Deze man heeft hem daarna op de grond gegooid waardoor hij met zijn achterhoofd op de tramrails belandt. Hij ziet dat beide mannen wegrennen in de richting van Muntplein.1 Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de bovenlip van [slachtoffer] dik is, aan de binnenzijde blauw verkleurd is, en aan de binnenzijde een forse zwelling van het slijmvlies zichtbaar is. Op zijn achterhoofd is een rode verkleuring van 1 bij 1 cm zichtbaar en die plek is pijnlijk bij aanraking. Zijn neus is gezwollen en pijnlijk bij aanraking. Er is ook sprake is van asdrukpijn op grond waarvan een breuk van het neustussenschot niet wordt uitgesloten.2

Verbalisant [verbalisant 1] (hierna ook: [verbalisant 1]) wordt aangesproken door [getuige 1] die hem meldt dat er gevochten wordt in de Reguliersdwarsstraat. Aldaar hoort hij van[getuige 2] dat er een vechtpartij geweest is en dat zijn collega (het hof begrijpt: [slachtoffer]) door twee mannen tegen de vlakte is geslagen. [getuige 2] wijst hierbij naar twee mannen die hierbij betrokken zouden zijn geweest. Het signalement van de verbalisant van deze mannen is als volgt: NN1: blanke huidskleur, ongeveer 1,90 meter lang, kort donker haar en een zwarte jas en NN2: man, licht getinte huidskleur, ongeveer 1,75 meter lang, kaal hoofd met een grijs vest. [getuige 2] verklaart tegen [verbalisant 1] dat de lange man met zwarte jas zijn collega tegen de grond heeft geslagen.3 Ook [getuige 1] verklaart tegen [verbalisant 1] dat hij heeft gezien dat de jongen met de zwarte jas zijn collega tegen de grond sloeg. Voorts heeft een beveiliger werkzaam tegenover het restaurant [bedrijf] tegen verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat hij heeft gezien dat de man met de zwarte jas de oudere man tegen de grond sloeg.4 [verbalisant 1] ziet dat de beide NN’s door zijn collega’s staande worden gehouden. Op grond van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] wordt de verdachte die nacht om 03:05 door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aangehouden op de Reguliersdwarsstraat.5 Bij de politie verklaart [getuige 2] als getuige gehoord dat hij de mannen die betrokken waren bij de mishandeling van zijn collega aan de politie heeft aangewezen en heeft gezien dat de lange man van ongeveer twee meter, met zwarte jas en halflang zwart haar die nacht is aangehouden door de politie.6

De verdachte heeft verklaard dat hij ter plekke was, 1.95 m lang is en een zwarte jas droeg.

Gelet op het feit dat alle getuigen en [slachtoffer] zelf verklaren dat een lange man van rond de 1,90 meter, tussen de 20 en 30 jaar oud, met zwarte jas de persoon is geweest die [slachtoffer] heeft geslagen, en door [getuige 2] ook gezien is dat deze man is aangehouden – te weten de verdachte –, wordt het verweer van de verdachte verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 september 2013 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met gebalde vuist heeft geslagen tegen het hoofd, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 550 euro subsidiair 11 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 350 euro subsidiair 7 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt mishandeling. Dit is een ernstig feit waarbij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer wordt aangetast. Het hof houdt echter ook rekening met de beperkte financiële middelen van de verdachte en het feit dat hij momenteel geen werk heeft. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een werkstraf passend en geboden is.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 januari 2015 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. M. Lolkema en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Docter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
24 februari 2015.

mr. M. Gonggrijp- van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[...]

1 [...]

2 [...]

3 [...]

4 [...]

5 [...]

6 .