Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:55

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2015
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
200.142.208/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag statutair bestuurder (tevens aandeelhouder). Bepaling in aandeelhoudersovereenkomst (voor ontslag bestuurder is unaniem besluit van de AVA vereist) strijdt met de statutaire regeling (twee derde meerderheid, conform artikel 2:244 lid 2 BW). Vordering tot nakoming aandeelhoudersovereenkomst stuit af op het bepaalde in artikel 2:8 lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 244
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/107
AR 2015/103
RN 2015/25
RO 2015/21
AR 2015/495
AR 2015/737
JONDR 2015/327
JIN 2015/60 met annotatie van E. Baghery
JOR 2015/69 met annotatie van mr. R.G.J. Nowak
AR-Updates.nl 2015-0075
OR-Updates.nl 2015-0045 met annotatie van T.L.M. van der Weijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF

zaaknummer : 200.142.208/01 SKG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/551136 / KG ZA 13-1222

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2015

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 1] ,

gevestigd te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 2] ,

gevestigd te [woonplaats] (gemeente [gemeente]),

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 3] ,

gevestigd te [woonplaats],

4. [appellant sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [appellant sub 5],

wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]),

6. [appellant sub 6],

wonende te [woonplaats] ([gemeente]),

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 7] ,

gevestigd te [woonplaats],

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat mr. E.F. Seunke te Haarlem.,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat mr. N.H.M. ten Bokum te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna (ook) [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd. Appellanten afzonderlijk zullen respectievelijk (ook) worden aangeduid als [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7].

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 12 februari 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014, onder bovenvermeld rol-/zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie tevens (wat betreft [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6]) eisers in reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven overeenkomstig de appeldagvaarding, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 2 juli 2014 door hun advocaten doen bepleiten, aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Partijen hebben bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen een poging te doen hun geschillen met behulp van een mediator te regelen. Nadat was gebleken dat mediation niet tot het beoogde resultaat leidde, is vervolgens arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en de in eerste aanleg door [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] ingestelde reconventionele vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met uitzondering van het dictum onder 7.6, en [appellanten] alsnog zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.627,77 inclusief btw ter zake van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure (het hof leest:) in hoger beroep.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.10) de feiten genoemd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief I keren [appellanten] zich tegen het feit onder 2.7. Hierop komt het hof zo nodig nog terug. Voor het overige zijn de feiten niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Op een enkel punt aangevuld met andere feiten die enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of onvoldoende zijn betwist, zijn deze feiten de volgende.

( i) [appellant sub 6], is op 9 juli 2008 opgericht door [geïntimeerde], [appellant sub 1], [appellant sub 2], en [appellant sub 3]. [geïntimeerde], [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] houden ieder 25% van de aandelen in [appellant sub 6]. Het bestuur van [appellant sub 6] wordt gevormd door [geïntimeerde], [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. De onderneming van Red Blue houdt zich bezig met het detacheren bij klanten van hoger opgeleide IT-consultants.

(ii) De aandelen in [geïntimeerde] worden indirect gehouden door [X] (hierna: [X]). De aandelen in [appellant sub 1] worden indirect gehouden door [appellant sub 4]. De aandelen in [appellant sub 2] worden indirect gehouden door [appellant sub 5]. De aandelen in [appellant sub 3] worden indirect gehouden door [appellant sub 6].

(iii) In artikel 13 van de akte van oprichting van [appellant sub 6] van 9 juli 2008 is het volgende opgenomen:

“(…) Benoeming, schorsing en ontslag, bezoldiging.

1. De directeuren worden benoemd door de algemene vergadering.

2. Iedere directeur kan te allen tijde door de algemene vergadering worden geschorst en ontslagen.

3. Voor de benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders geldt dat een besluit slechts kan worden genomen met een meerderheid van twee/derden (2/3) van het aantal uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigende de helft van het geplaatst kapitaal, een en ander zoals bedoeld in artikel 244 lid 2 Boek 2 Burgerlijk Wetboek.

4. De bezoldiging en de verdere arbeidsvoorwaarden van iedere directeur worden vastgesteld door de algemene vergadering.”

(iv) Op 25 augustus 2008 is tussen [geïntimeerde], [X] en appellanten in principaal appel sub 1 tot en met 5 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij met “achterliggende aandeelhouders” wordt gedoeld op de natuurlijke personen die de uiteindelijke zeggenschap over de aandeelhouders hebben en partij zijn bij de overeenkomst, derhalve [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [X]):

“IN AANMERKING NEMENDE DAT:

(…)

d) [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [geïntimeerde] gezamenlijk de dagelijkse leiding over [appellant sub 6] en de Onderneming op zich zullen nemen, terwijl [appellant sub 3] voornamelijk de rol van financier zal hebben;

e) Partijen hun afspraken met betrekking tot de samenwerking als Aandeelhouders (en Achterliggende Aandeelhouder) in [appellant sub 6] in de onderhavige aandeelhoudersovereenkomst (…) wensen vast te leggen.

(…)

2.4

De Aandeelhouders en de Achterliggende Aandeelhouders zullen al hun invloed, (stem)rechten en bevoegdheden dusdanig uitoefenen dat aan het bepaalde in deze Aandeelhoudersovereenkomst uitvoering wordt gegeven dan wel kan worden gegeven en Partijen zullen ook overigens zodanig handelen dan wel nalaten als op grond van de redelijkheid en billijkheid en het doel van deze Aandeelhoudersovereenkomst van hen mag worden verwacht. (…)

3. BESTUUR, BESLUITVORMING EN VERTEGENWOORDIGING

3.1.

Het bestuur wordt gevormd door de Bestuurders, op het moment van het aangaan van deze Aandeelhoudersovereenkomst zijnde [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [geïntimeerde].

3.2

De Bestuurders zullen hun werkzaamheden ten behoeve van [appellant sub 6] verrichten op grond van de tussen de Bestuurders en [appellant sub 6] gesloten managementovereenkomsten, (…).

(…)

Besluitvorming

3.4.

De Bestuurders hebben in vergaderingen van het Bestuur gelijke stemmen. Besluiten van het Bestuur worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen.

3.5

De volgende besluiten van het Bestuur kunnen slechts worden genomen na voorafgaande schriftelijke goedkeuring door de AVA:

(…)

k) het aangaan, wijzigen of beëindigen van overeenkomsten tussen enerzijds [appellant sub 6] en anderzijds haar Bestuurders en/of (Achterliggende) Aandeelhouders, dan wel enige aan hen gelieerde (rechts)persoon;

l) het aangaan, beëindigen of wijzigen van managementovereenkomsten door [appellant sub 6];

(…)

Vertegenwoordiging

3.7.

De Bestuurders zijn gezamenlijk bevoegd [appellant sub 6] te vertegenwoordigen in die zin dat steeds twee van de drie Bestuurders tezamen [appellant sub 6] kunnen vertegenwoordigen.

(…)

Ontslag

3.9

Een besluit tot ontslag van een Bestuurder zal door de AVA uitsluitend kunnen worden genomen met unanimiteit van de stemmen in een vergadering waarin het gehele geplaatste aandelenkapitaal vertegenwoordigd is.

(…)

6. VERPLICHTE AANBIEDING VAN AANDELEN

6.1. (…)

In aanvulling op het bepaalde in artikel 11, afdeling B van de Statuten is een Aandeelhouder eveneens verplicht alle door hem gehouden Aandelen aan de andere Aandeelhouders aan te bieden zonder gerechtigd te zijn dit aanbod in te trekken indien de managementovereenkomst tussen [appellant sub 6] en de Aandeelhouder eindigt op verzoek van [appellant sub 6] dan wel wordt beëindigd door de rechter, op grond van gewichtige redenen, vergelijkbaar met de redenen genoemd in artikel 7:685 BW.

(…)

10. NON-CONCURRENTIE EN RELATIEBEDING

10.1

Gedurende de looptijd van deze Aandeelhoudersovereenkomst en ten aanzien van een gewezen (Achterliggende) Aandeelhouder gedurende een periode van vierentwintig (24) maanden na beëindiging daarvan, zullen Partijen en aan hen direct of indirect gelieerde (rechts)personen zich direct, noch indirect in Nederland in welke hoedanigheid dan ook bezighouden met vergelijkbare activiteiten als die van [appellant sub 6], behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van alle Partijen.

10.2

Het is Partijen en aan hen direct of indirect gelieerde (rechts)personen niet toegestaan gedurende de looptijd van deze Aandeelhoudersovereenkomst en ten aanzien van een gewezen Aandeelhouder gedurende een periode van zesendertig (36) maanden na beëindiging daarvan:

a. a) werknemers, opdrachtgevers of andere bij [appellant sub 6] betrokken personen of zakelijke relaties ertoe te bewegen of trachten te bewegen hun contacten met [appellant sub 6] geheel of gedeeltelijk te verbreken;

b) met werknemers, voormalig werknemers, personen werkzaam (geweest) anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst of sollicitanten aan wie door [appellant sub 6] in de voorafgaande zes (6) maanden een aanbieding tot het aangaan van een (arbeids)overeenkomst is gedaan, arbeidsovereenkomsten of andere overeenkomsten aan te gaan;

c) met opdrachtgevers of andere bij [appellant sub 6] betrokken personen of zakelijke relaties (…) overeenkomsten aan te gaan.

(…)

10.5

Bij overtreding van één of meerdere verplichtingen uit hoofde van het onderhavige artikel verbeurt de in overtreding zijnde Partij (…) aan [appellant sub 6] een onmiddellijk opeisbare boete van € 250.000,- (…), vermeerderd met een bedrag van € 5.000,- (…) voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander onverminderd het recht van [appellant sub 6] om volledige schadevergoeding te vorderen.

(…)

11. GEHEIMHOUDING

11.1

Partijen verbinden zich jegens elkaar op geen enkele wijze aan Derden enige kennis, informatie of gegevens te openbaren betreffende deze Aandeelhoudersovereenkomst, [appellant sub 6] en haar onderneming, omtrent welke kennis, informatie of gegevens geheimhouding is opgelegd of waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of behoren te kennen.

(…)

13. OVERIGE BEPALINGEN

13.1

Deze Aandeelhoudersovereenkomst omvat de algehele overeenstemming tussen de Aandeelhouders. De Aandeelhouders sluiten uitdrukkelijk de toepasselijkheid van eventuele eerdere overeenkomsten of gemaakte schriftelijke of mondelinge afspraken terzake van het aangaan van de onderhavige Aandeelhoudersovereenkomst uit.

(…)

13.4

Voorzover dwingend recht zich hiertegen niet verzet, prevaleren bij tegenstrijdigheid de bepalingen van deze Aandeelhoudersovereenkomst boven de bepalingen van Statuten. (…).”

(v) Op 25 augustus 2008 is een managementovereenkomst gesloten tussen [appellant sub 6] en [geïntimeerde]. In artikel 2 van deze overeenkomst is onder meer opgenomen dat de managementvergoeding moet worden gefactureerd per twee maanden achteraf en dat [appellant sub 6] deze vergoeding dient te voldoen binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur. In artikel 3 (“Geheimhouding”) is onder het tweede lid opgenomen:

“Het is de Management B.V. verboden zonder schriftelijke toestemming van de Vennootschap goederen, waaronder schriftelijke stukken dan wel kopieën daarvan, de onderneming(en) van de Vennootschap en met de Vennootschap gelieerde ondernemingen betreffende, voor zichzelf te behouden, dan wel aan derden ter beschikking te stellen, alles in de meest ruime zin des woords. Deze goederen zijn en blijven eigendom van de Vennootschap en met de Vennootschap gelieerde ondernemingen.”

In artikel 4.2 van de managementovereenkomst is een opzegtermijn van tenminste drie maanden opgenomen. In de artikelen 4.3 en 4.4 is bepaald dat de managementovereenkomst met onmiddellijke ingang kan worden opgezegd (onder meer) indien de management bv (ernstig) tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen dan wel indien de management bv de hoedanigheid van statutair bestuurder van [appellant sub 6] krachtens een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders verliest of indien de management bv niet langer aandeelhouder is van de vennootschap.

(vi) In de periode van (ongeveer) half november 2012 tot (ongeveer) april 2013 heeft [geïntimeerde], als gevolg van arbeidsongeschiktheid van [X], geen werkzaamheden ten behoeve van [appellant sub 6] verricht.

(vii) Op 23 augustus 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderzijds [X]. Hierin is [geïntimeerde], in de persoon van [X], medegedeeld dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] het voornemen hebben om [geïntimeerde] als statutair bestuurder te ontslaan. Dit gesprek is bevestigd in een e-mail van

23 augustus 2013 van [appellant sub 5] aan [X]. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“Ron [[appellant sub 4], hof] en ik hebben besloten de samenwerking met jou in het managementteam te stoppen. We willen [appellant sub 6] niet meer dagelijks met z’n drieën besturen. Het ligt niet aan jou als persoon, maar de chemie in het managementteam is niet goed en dat is niet goed voor [appellant sub 6]. Als het niet over managementzaken gaat, kunnen we het goed met elkaar vinden en dat zorgt voor een verschrikkelijk vervelend dubbel gevoel bij deze beslissing.

Het managementteam staat los van het eigendom. Laat dat duidelijk zijn.

Waarom net nu je bezig bent met een comeback? Ron en ik zijn er afgelopen donderdag achter gekomen dat we er beiden definitief geen vertrouwen in hebben dat de juiste chemie nog wel komt. Afgelopen woensdag hebben we bepaald dat we het je z.s.m. moesten zeggen. Als we nog langer door zouden gaan, zou je geen eerlijke kans hebben. Vandaar ook dat we vonden dat –hoe ontzettend moeilijk het ook is– juist nu de knoop doorgehakt moest worden.

Er zijn geen draaiboeken, vooruit bedachte scenario’s of verborgen agenda’s. Mede op basis van jouw wensen, willen we kijken hoe we nu verder gaan.

Geef jezelf voldoende tijd om het te laten bezinken en geef zelf aan wanneer, waar en met wie je (…) wilt praten over het vervolg.”

Vanaf 23 augustus 2013 is [geïntimeerde] door haar mede-bestuurders vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van [appellant sub 6].

(viii) Bij brief van 11 september 2013 is [geïntimeerde] uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders van [appellant sub 6] op 2 oktober 2013. Op de agenda is onder meer opgenomen de bespreking, de advisering en de besluitvorming over het voorgenomen ontslag van [geïntimeerde] als statutair bestuurder per 3 oktober 2013. Nadien is besloten de vergadering uit te stellen naar 7 oktober 2013. In een e-mail van 18 september 2013 van [appellant sub 5] is opgenomen dat de vergadering op 7 oktober 2013 niet doorgaat en voor onbepaalde tijd is uitgesteld.

(ix) Bij brief van 19 september 2013 heeft de raadsvrouw van [geïntimeerde] gedaagden gesommeerd tot nakoming van artikel 3.9 van de aandeelhoudersovereenkomst.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, kort weergegeven, primair gevorderd:

1. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] te verbieden om in de aandeelhoudersvergadering van [appellant sub 6] of buiten een vergadering een besluit te nemen tot ontslag van [geïntimeerde] als statutair bestuurder van [appellant sub 6], op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- per overtreding;

2. [appellant sub 6] te verbieden rechtshandelingen te verrichten die ertoe leiden dat de managementovereenkomst met [geïntimeerde] wordt beëindigd, op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- per overtreding;

3. [appellant sub 6] te veroordelen tot een maandelijkse betaling aan [geïntimeerde] van de managementvergoeding van € 10.000,- per maand, te vermeerderen met btw, vanaf

1 november 2013 tot de dag dat de managementovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans met de wettelijke rente;

4. [appellant sub 6] te veroordelen om [geïntimeerde], in de persoon van [X], toe te laten tot de in de managementovereenkomst beschreven werkzaamheden en de daarbij behorende bevoegdheden en rechten ten kantore van [appellant sub 6] onbelemmerd uit te oefenen tot de dag dat de managementovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag.

Daarnaast heeft zij de hierna onder 3.14 vermelde subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen ingesteld en voorts primair en subsidiair gevorderd:

- gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 8.627,77 (de door [geïntimeerde] gemaakte buitengerechtelijke kosten);

- gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

[appellanten] hebben de vorderingen van [geïntimeerde] bestreden. Hunnerzijds hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] gevorderd – kort gezegd – [geïntimeerde] te veroordelen om alle uit de computer van [appellant sub 6] verplaatste bedrijfsgegevens binnen 48 uur na het wijzen van het vonnis te vernietigen, op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft de primaire vorderingen onder 1, 2 en 4 van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen. Zij heeft de verboden onder 1 en 2 uitgesproken ‘totdat een rechter anders beslist’ en de onder 1, 2 en 4 gevorderde dwangsommen op een lager bedrag vastgesteld en gemaximeerd. De door [geïntimeerde] gevorderde veroordeling tot betaling van de managementvergoeding heeft zij afgewezen omdat niet is gebleken dat [appellant sub 6] die betalingsverplichting niet is nagekomen. De buitengerechtelijke kosten heeft zij eveneens afgewezen. Ook de in reconventie door [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] gevorderde voorzieningen heeft zij afgewezen.

3.4.

Grief II is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter omtrent de verhouding tussen de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst dat is neergelegd in rechtsoverweging 5.1 van het bestreden vonnis. Met grief VI keren [appellanten] zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders/directeuren zodanig zijn verstoord dat verdere samenwerking het vennootschappelijk belang in onaanvaardbare mate zou schaden (reden waarom artikel 2:8 lid 2 BW toepassing mist). Het hof ziet aanleiding eerst op deze grieven in te gaan.

3.5.

In rechtsoverweging 5.1 heeft de voorzieningenrechter over de verhouding tussen artikel 13 lid 3 van de statuten en artikel 3.9 van de aandeelhoudersovereenkomst het volgende overwogen. Uitgangspunt is dat artikel 2:244 lid 2 BW meebrengt dat de bepaling dat een besluit tot ontslag van een bestuurder alleen met unanimiteit van stemmen kan worden genomen, niet in de statuten van een besloten vennootschap kan worden opgenomen. Dit laat echter onverlet dat dat een dergelijke afspraak in de aandeelhoudersovereenkomst kan worden opgenomen. Niet valt in te zien dat nakoming van een dergelijke afspraak niet zou kunnen worden gevorderd. Afspraken die zijn neergelegd in een aandeelhoudersovereenkomst werken op grond van artikel 2:8 BW (de redelijkheid en billijkheid binnen de organisatie) immers door in de vennootschappelijke rechtsverhouding. Dat het belang van de aandeelhouders bij nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst niet altijd parallel loopt met het vennootschappelijk belang, doet aan de gebondenheid aan een aandeelhoudersovereenkomst nog niet af. Dit neemt niet weg dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die ertoe kunnen leiden dat de onverkorte nakoming van een aandeelhoudersovereenkomst op grond van artikel 2:8 lid 2 BW niet van een aandeelhouder kan worden verlangd. Dat zal zich kunnen voordoen als het belang van de vennootschap door onverkorte naleving van de aandeelhoudersovereenkomst, afgezet tegen het daarmee gediende aandeelhoudersbelang, in onaanvaardbare mate wordt geschaad, aldus – nog steeds – de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter achtte dergelijke bijzondere omstandigheden op grond waarvan [geïntimeerde] haar medeaandeelhouders niet aan de aandeelhoudersovereenkomst zou kunnen houden vervolgens (rechtsoverweging 5.2) onvoldoende gebleken.

3.6.

[appellanten] stellen zich op het standpunt dat artikel 3.9 van de aandeelhoudersovereenkomst nietig is omdat dit artikel in strijd is met de dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 2:244 lid 2 BW en met het gelijkluidende artikel 13.3 van de statuten. Het hof laat thans in het midden of het bepaalde in artikel 3.9 van de aandeelhoudersovereenkomst in beginsel afdwingbaar is (en laat grief II hier dus verder onbesproken), omdat zich naar het oordeel van het hof hier in ieder geval de situatie voordoet dat artikel 2:8 lid 2 BW aan het vorderen van nakoming in de weg staat. Het hof acht, gelet op het belang van de vennootschap, toepassing van artikel 3.9 van de aandeelhoudersovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hieromtrent geldt het volgende.

3.7.

De wettelijke regeling van art 2:244 BW dient ertoe ervoor te waken dat ontslag van een bestuurder te zeer wordt bemoeilijkt dan wel onmogelijk wordt gemaakt. Deze regeling dient het belang van de vennootschap. In de statuten kan hier niet van worden afgeweken. De gedachte die uit de wettelijke regeling spreekt is dat het handhaven van een bestuurder tegen de wens van aandeelhouders in die tezamen meer dan twee derden van de uitgebrachte stemmen en meer dan de helft van het kapitaal vertegenwoordigen, in het algemeen op gespannen voet zal komen te staan met het vennootschapsbelang en dat deze situatie dient te worden voorkomen.

3.8.

Tegen de achtergrond van het voorgaande zal een vordering tot nakoming van een in een aandeelhoudersovereenkomst opgenomen bepaling als de onderhavige die ertoe strekt te beletten dat een bestuurder/aandeelhouder tegen zijn/haar wil kan worden ontslagen ook al wensen de overige aandeelhouders (die 75% van het kapitaal vertegenwoordigen) dit ontslag wel, met het oog op het belang van de vennootschap al spoedig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moeten worden geacht. Dit is hier het geval. Kenmerkend voor de onderhavige situatie is dat drie van de vier aandeelhouders (die elk 25% van de aandelen houden) ook statutair bestuurder van de vennootschap zijn. Duurzame verstoring van de onderlinge verhoudingen binnen een dergelijk meerhoofdig bestuur zal, los van de oorzaak daarvan, in het algemeen aan het goed functioneren van het bestuur in de weg staan en daarmee het belang van de vennootschap schaden. [geïntimeerde] heeft echter weersproken dat sprake is van duurzame verstoring van de onderlinge verhoudingen en zij heeft aangevoerd dat evenmin sprake is van een onwerkbare situatie, ook niet na de uitspraak in eerste aanleg. Volgens [geïntimeerde] is de wens haar als bestuurder te ontslaan uitsluitend ingegeven door rancune vanwege de periode van arbeidsongeschiktheid en door financiële motieven van haar medeaandeelhouders, erop gericht om haar managementfee uit te sparen en die van henzelf te verhogen, en kunnen de bestuurders gewoon doorbesturen. Naar het voorlopig oordeel van het hof valt dit bezwaarlijk vol te houden.

3.9.

In de eerste plaats acht het hof, anders dan de voorzieningenrechter, in de door [appellanten] overgelegde emailwisseling voldoende aanwijzingen te vinden die duiden op een verstoring van de verhoudingen, die al enige jaren geleden is begonnen en die, ondanks pogingen daartoe, kennelijk niet is opgelost. In dit verband valt onder meer te wijzen op de mail van [appellant sub 4] van 12 mei 2010 (waarin wordt gesproken over steeds heftiger wordende discussies tussen [appellant sub 5] en [X]), mailwisseling tussen [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [X] uit oktober/november 2011 (waaruit blijkt van problemen binnen de samenwerking terwijl uit de mail van [X] zelf van 4 november 2011 naar voren komt dat zij [appellant sub 5] en [appellant sub 4] tegenover zich ervaart) en de mail van 8 mei 2012 van [appellant sub 5] waarin wordt gesproken over in heftige één-op-één gesprekken uitgesproken irritaties, een situatie waarin de bestuurders behoorlijk uit elkaar zijn gegroeid en een flinke inhaalslag die moet worden gemaakt. In verband met persoonlijke omstandigheden die aan het verrichten van werkzaamheden in de weg stonden, heeft [X] van (ongeveer) half november 2012 tot (ongeveer) april 2013 niet gewerkt. Na haar terugkeer op het werk (aanvankelijk nog niet voor de volle werktijd), heeft zij zich (dit is op zichzelf niet in discussie) toegelegd op het binnenhalen van nieuwe opdrachten. In de inleidende dagvaarding maakt zij er melding van dat zij toen niet meer op de hoogte werd gebracht van zaken die [appellant sub 6] aangingen en langzaam maar zeker werd buitengesloten. In de onder 2(vii) grotendeels geciteerde e-mail van 23 augustus 2013 heeft [appellant sub 5] vervolgens onder meer geschreven dat [appellant sub 4] en hij hebben besloten de samenwerking met [X] in het managementteam te stoppen omdat de chemie in het management niet goed is en [appellant sub 5] en hij er geen vertrouwen meer in hebben dat de juiste chemie nog wel komt. Gelet op hetgeen kennelijk al langer tussen de bestuurders speelde, acht het hof voorshands voldoende aannemelijk dat de opgegeven reden ook daadwerkelijk de reden was voor het voorgenomen besluit. Illustratief in dit verband is ook verklaring van de huisarts van [appellant sub 4] van 17 maart 2014, waarin melding wordt gemaakt van arbeidsgerelateerde stress sinds september 2011.

3.10.

[geïntimeerde] heeft weersproken dat aan de mails de betekenis moet worden toegekend die [appellanten] daaraan toekennen en zij heeft harerzijds een groot aantal mails met een andere toonzetting overgelegd. Weliswaar zijn in de door [geïntimeerde] overgelegde mails uitlatingen op vriendschappelijke toon en van een vriendschappelijk karakter te vinden, maar deze vallen evenzeer uit te leggen als uiting van de wens de verhoudingen zo werkbaar mogelijk te houden en [X] in persoon zo min mogelijk te schaden. Ook de inhoud van de e-mail van 23 augustus 2013 weerspiegelt deze wens.

3.11.

Ten tweede acht het hof voldoende duidelijk dat de gang van zaken, die is uitgemond in het gesprek van 23 augustus 2013, de e-mail van die diezelfde datum en de brief van 11 september 2013, waarbij [appellanten] [geïntimeerde] hebben laten weten haar te willen ontslaan als bestuurder, zijn weerslag heeft gehad op het functioneren van het bestuur. Het hof heeft reeds aannemelijk geacht dat er voor 23 augustus 2013 sprake was van verstoorde verhoudingen, voor de periode daarna geldt dat eens te meer. [X] is na 23 augustus 2013 vrijgesteld van werkzaamheden, maar na de uitspraak in eerste aanleg is zij weer gaan werken. [appellanten] hebben onweersproken gesteld dat [appellant sub 5] en [appellant sub 4] – met twee ondersteunende medewerkers – in één kamer zitten en [X] alleen in de oude kantoorruimte van [appellant sub 6] en dat er door de directeuren niet met elkaar wordt gesproken. Uit het van de huisarts van [appellant sub 5] afkomstig (deel van) het medisch dossier van [appellant sub 5] blijkt vanaf januari 2014 van aan werkstress gerelateerde klachten en in verband daarmee voorgeschreven medicatie.

3.12.

[geïntimeerde] heeft erop gewezen dat er geen impasse is of zal ontstaan in de besluitvorming van het bestuur, nu [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gezamenlijk bevoegd zijn [appellant sub 6] te vertegenwoordigen en slechts voor een beperkt aantal specifieke besluiten unanimiteit van de aandeelhouders is vereist. Volgens [geïntimeerde] wordt voorts over belangrijke beslissingen, net als altijd, door alle bestuurders gecommuniceerd, zij het nu per mail en niet in persoon. Ook als dit juist is, neemt dit echter niet weg dat reguliere communicatie tussen de bestuursleden niet meer mogelijk is. Alleen al dit gegeven maakt dat voortduring van de situatie het belang van de vennootschap schaadt. Het hof onderkent het grote belang van [geïntimeerde] bij het in stand laten van haar bestuurspositie, maar dit belang moet wijken voor dat van de vennootschap.

3.13.

Uit het vorenstaande volgt dat grief VI van [appellanten] slaagt. Dit leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de primaire vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zullen worden afgewezen. Hierbij verdient nog wel opmerking dat de managementvergoeding uiteraard doorbetaald dient te worden totdat de managementovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Bij bespreking van de grieven I, III t/m V en VII t/m X hebben [appellanten] geen belang meer.

3.14.

Nu de hiervoor vermelde primaire vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen, komen haar subsidiaire vorderingen aan de orde. [geïntimeerde] heeft subsidiair gevorderd:

- [appellanten], met uitzondering van [appellant sub 6], te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 10.000,- per maand gedurende een periode van twaalf maanden en van € 6.500,- per maand voor de periode daarna tot het moment dat [geïntimeerde] geen aandeelhouder meer is van [appellant sub 6] én niet langer is gebonden aan het concurrentie- en relatiebeding zoals opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst;

- [appellanten], met uitzondering van [appellant sub 6], hoofdelijk te veroordelen hun medewerking te verlenen aan het aanwijzen van een registeraccountant die de prijs van de aandelen van [geïntimeerde] in [appellant sub 6] zal bepalen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag;

- [appellanten], met uitzondering van [appellant sub 6], hoofdelijk te veroordelen om alle door [geïntimeerde] in [appellant sub 6] gehouden aandelen over te nemen binnen één maand nadat de registeraccountant de prijs van die aandelen heeft bepaald, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag;

- [appellanten], met uitzondering van [appellant sub 6] hoofdelijk te veroordelen de helft van de kosten van de registeraccountant te voldoen.

Meer subsidiair heeft [geïntimeerde] gevorderd:

- de werking van het concurrentie- en relatiebeding zoals opgenomen in artikel 10 van de aandeelhoudersovereenkomst te schorsen.

3.15.

De op art. 2:343 BW gebaseerde vorderingen van [geïntimeerde] die strekken tot het aanwijzen van een registeraccountant en de overname van haar aandelen lenen zich niet voor toewijzing in dit kort geding. Met betrekking tot haar vorderingen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, mede in verband met haar gebondenheid aan het non-concurrentie- en relatiebeding en subsidiair tot schorsing van de werking van die bedingen, heeft [geïntimeerde] gesteld dat haar specifieke kennis en ervaring liggen op het terrein van [appellant sub 6]: het detacheren van IT-professionals op het gebied van SAP en Oracle. [appellanten] hebben (onder meer in het kader van hun grief V) aangevoerd dat zij, anders dan de voorzieningenrechter heeft aangenomen, [geïntimeerde] niet volledig aan het non-concurrentiebeding zullen houden en dat [geïntimeerde] ook ervaring heeft buiten SAP en Oracle. Het hof heeft op dit punt behoefte aan nadere inlichtingen en zal hiertoe een comparitie van partijen gelasten. Deze comparitie zal tevens dienstbaar worden gemaakt aan het beproeven van een minnelijke regeling.

3.16.

Met grief XI komen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] op tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van hun vordering in reconventie, ertoe strekkende dat [geïntimeerde], op straffe van een dwangsom, zal worden veroordeeld alle door haar in augustus/september 2012 uit de computer van [appellant sub 6] verplaatste (het hof neemt aan: gekopieerde) bedrijfsgegevens te vernietigen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat ter zitting is besproken dat [appellanten] bereid zijn de toegang van [geïntimeerde] tot de computer- en internetsystemen van [appellant sub 6] te herstellen, op voorwaarde dat [geïntimeerde] de documenten die zij heeft verplaatst naar haar privécomputer/dropbox vernietigt, en dat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat partijen zich aan deze afspraak zullen houden. [appellanten] achten de toezegging van [geïntimeerde] echter onvoldoende. Volgens [geïntimeerde] heeft zij aan de voorwaarde voldaan; [appellanten] geloven dit niet. Ook dit onderwerp zal worden besproken bij gelegenheid van de te houden comparitie.

3.17.

In verband met de onwenselijkheid de huidige situatie langer te laten voortduren, zal het hof thans een deelarrest wijzen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en de primaire vorderingen van [geïntimeerde] onder 1, 2 en 4 alsnog afwijzen. Voorts zal het hof een comparitie van partijen gelasten voor het onder 3.15 en 3.16 vermelde doel. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

wijst de primaire vorderingen van [geïntimeerde] zoals verkort weergegeven onder 3.1, 1, 2 en 4 af;

bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten, tot het hiervoor onder 3.16 en 3.17 omschreven doel zullen verschijnen ten overstaan van mr. W.A.H. Melissen, daartoe als raadsheer commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op dinsdag 17 maart 2015 om 13.00 uur;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] dient na te (laten) gaan of partijen en hun advocaten op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval mocht zijn – uiterlijk op 27 januari 2015 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van maart tot en met mei 2015 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

verzoekt partijen, voor het geval zij zich ter comparitie willen bedienen van (nog niet in de procedure overgelegde) schriftelijke bewijsstukken, deze uiterlijk 2 weken voor de comparitiedatum toe te zenden aan de raadsheer commissaris, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, W.A.H. Melissen en P.W.A van Geloven en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2015.