Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:547

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
14/00380
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:3307, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten eigen woning. De belastingplichtige dient door middel van bewijsmiddelen de betaling van de kosten aannemelijk te maken. Het Hof stelt vast dat belanghebbende dit bewijs niet heeft geleverd en concludeert dat de inspecteur reeds op die grond de gestelde aftrek van kosten eigen woning terecht heeft geweigerd.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.110
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/407
V-N 2015/25.19.21
FutD 2015-0516
NTFR 2015/1235 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00380

19 februari 2015

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,
gemachtigde: mr. R. Kiewitt (Kiewitt Advocaten te Alkmaar),

tegen de uitspraak van 22 april 2014 in de zaak met kenmerk AWB 13/4830 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 5 maart 2013 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/ph) berekend naar een inkomen uit werk en woning van nihil. Gelijktijdig heeft de inspecteur op de voet van artikel 3.151 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) het verlies uit werk en woning van het jaar 2005 ten aanzien van belanghebbende vastgesteld op nihil.

1.2.

Na op 17 april 2013 tegen de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 oktober 2013, de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 22 april 2014, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 28 mei 2014, aangevuld bij brief van 25 juni 2014. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 12 september 2014 en op 23 december 2014 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Het Hof vindt aanleiding de feiten als volgt vast te stellen.

2.1.

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar (2005) aangifte gedaan als buitenlands belastingplichtige. Tot de stukken behoort een kopie van het desbetreffende aangiftebiljet ib/ph 2005, gedagtekend 30 januari 2006. Hierin is onder meer het volgende vermeld.


“Belastingdienst Aangifteprogramma buitenland 2005
(…)
Naam: [belanghebbende]
Adres: p/a Postbus
(…)
Telefoonnummer thuis: *39(…)
(…)
Eigen woning
Heeft [belanghebbende] een eigen woning in Nederland? Ja
(…)
Van 01-01 t/m 31-12 WOZ-waarde € 336.500 100% forfait € 2.019
(…)
Betaalde rente en kosten
eigenwoningschuld in Nederland (…) € 36.000
(…)
Saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning in Nederland aftrekbaar € 33.981
(…)
aflossingsvrije hypotheek rabobank € 329.200

(…)

Nog te verrekenen verliezen uit werk en woning (box 1) uit voorgaande jaren: € 72.017
(…)
Totaal inkomsten uit werk en woning € -/- 33.981
(…)
Verzamelinkomen € -/- 33.981.”

2.2.

In een brief aan de inspecteur Belastingdienst/Limburg/kantoor Maastricht van 31 juli 2006 is door belanghebbende onder meer het volgende vermeld:


“Ik heb vanaf 2001 t/m 2005 buiten Nederland gewoond (Italië) en in 2004 aldaar gewerkt en gewoond voor een Nederlands bedrijf (…).”

2.3.

In het verweerschrift in eerste aanleg is onder meer het volgende vermeld:

“Feiten met betrekking tot de beroepszaak HAA 13/3464 (…)
(…)
3. Het beroep is behandeld (…) op 22 februari 2012 (…)
4. Tijdens deze zitting is gebleken dat er géén aanslag IB over het jaar 2005 was opgelegd, omdat er bij de Belastingdienst geen aangifte over dit jaar bekend was (…). Deze aangifte heeft belanghebbende tijdens de zitting overgelegd.”

2.4.

Bij brief van 24 februari 2012 heeft de inspecteur aan belanghebbende onder meer de volgende vragen gesteld:


“Inkomen uit werk en woning (box 1)
(…)
Op de zitting is duidelijk geworden dat u aftrek wenst wegens rente en kosten van de hypothecaire geldlening voor de eigen woning, [a-laan 1] te [Q]. Om te kunnen beoordelen of dit juist is, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
1. Een specificatie van het bedrag van de betaalde rente en kosten van (hypothecaire) geldleningen voor de eigen woning.
2. Alle betalingsbewijzen van deze rente en kosten van geldlening;
3. Het fiscale jaaroverzicht van de hypotheekverstrekker;
(…)
6. Een omschrijving van uw woonsituatie in 2005: volgens mij ter beschikking staande gegevens staat u bij de basisadministratie ingeschreven op het adres [a-laan 1] te [Q] vanaf 27 september 2005. De periode hiervóór (van 13 juni 2001 t/m 27 september 2005) was u volgens de gegevens van de gemeente woonachtig in het buitenland.”

2.5.

Bij brief aan belanghebbende van 30 mei 2013 heeft de inspecteur hem verzocht een specificatie te verstrekken van het bedrag van € 36.000 van de in de aangifte ib/ph 2005 opgenomen rente en kosten eigen woning, alsmede van de daarop betrekking hebbende betalingsbewijzen, afrekeningen en jaaroverzichten van de hypotheekverstrekker.

2.6.

Bij brief aan belanghebbende van 18 juni 2013 schrijft de inspecteur onder meer:


“Inkomen uit werk en woning (box 1)
(…)
Op 11 juni 2013 zond u aan mijn collega (…) een e-mail inhoudende een reactie. Bij [dit] bericht zit een bijlage (…). In de bijlage verwijst u naar bijgevoegde stukken. Zowel in de bijlage als [de] extra bijlage bij uw e-mail heb ik deze stukken niet aangetroffen. Ook heb ik deze stukken niet van u ontvangen per post.
Daarom verzoek ik u om alsnog mij een specificatie van het bedrag van de betaalde rente en kosten van (hypothecaire) geldleningen voor de eigen woning. Tevens ontvang ik graag alle betalingsbewijzen (…). Voorts schrijft u dat u 100% blooteigenaar bent van de woning. Graag ontvang ik hiervan stukken waaruit dit blijkt.”

2.7.

Bij brief aan belanghebbende van 2 augustus 2013 schrijft de inspecteur onder meer:


“Vooraankondiging uitspraak op het bezwaarschrift
(…)
U stond volgens de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie pas sinds 27 september 2005 ingeschreven op [het adres [a-laan 1] te [Q]] (geïmmigreerd). Vóór die tijd was u sinds 16 juni 2001 woonachtig in het buitenland. Bovendien is de woning op 15 november 2005 verkocht. De woning was eigendom van u en uw ex-echtgenote (…). U heeft ook na herhaald verzoek geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat u een bedrag van € 36.000, of enig ander bedrag, in 2005 aan hypotheekrente heeft betaald.”

2.8.

In een e-mail aan de inspecteur van 5 oktober 2013 schrijft belanghebbende onder meer:


“In 2004 en voor 2005 heb ik ruim 36.000 euro betaald aan de Rabobank te [Q] aan hypotheekrente voor 2004 en 2005.”

2.9.

Bij brieven van de inspecteur van 7 oktober 2013 en 17 oktober 2013 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld met de inspecteur een afspraak te maken voor een gesprek over het door hem ingediende bezwaarschrift. De brief van 7 oktober 2013 luidt onder meer als volgt:

“U hebt het recht om uw mening te geven over de zaak. Ik nodig u daarom uit voor een gesprek over uw bezwaar. Ook kunt u bijgaand formulier [invullen], (…) ondertekenen en samen met uw reactie voor 15 oktober 2013 aan mij [toesturen]. Ik verwacht u donderdag 17 oktober 2013 (…). Als u onverhoopt verhinderd bent kunt u mij bereiken op mijn doorkiesnummer. We kunnen dan een andere dag en tijdstip afspreken.”

De tekst van de brief van 17 oktober 2013 is min of meer gelijkluidend, waarbij de datum voor het hoorgesprek op 28 oktober is gezet.

2.10.

Tot de stukken behoren door belanghebbende overgelegde kopieën van negen nota’s van Rabobank [Q] inzake ter zake van verschillende geldleningen ‘verschuldigde rente en kosten’, alsmede kopieën van twee rekeningafschriften van Rabobank [Q] ter attentie van belanghebbende waarin respectievelijk € 90.756,04 en € 170.167,58 als aflossing lening is vermeld en waarin tevens is vermeld dat de lening is beëindigd.

2.11.

Tot de stukken behoren voorts kopieën van twee rekeningafschriften van begin 2005 en gericht aan belanghebbende betreffende hypothecaire leningen, waarin is vermeld dat in 2004 rente (en kosten) is ontvangen tot een totaalbedrag van € 18.000.

2.12.

Uit een notariële akte van levering van 15 november 2005 blijkt dat de woning [a-laan 1] te [Q] op 3 juni 2005 is verkocht en dat de kopers deze in eigendom hebben aanvaard.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank zijn bij het Hof de volgende punten in geschil:
- beschikte belanghebbende in 2005 over een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet,
- zo ja, komt belanghebbende in aanmerking voor aftrek van € 36.000 aan hypotheekrente;
- heeft belanghebbende recht op aftrek van kosten van echtscheiding,

- heeft belanghebbende recht op te verrekenen verliezen uit voorgaande jaren, en
- heeft de inspecteur de hoorplicht geschonden.

4
4. Beoordeling van het geschil

4.1.1.

Ter zake van de op de voet van artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de bezwaarfase geldende hoorplicht heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Hoorplicht

4.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder eiser bij brief van 7 oktober 2013 heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek op 17 oktober 2013 om 09.00 uur te [R]. Eiser is zonder bericht niet verschenen. Daarop heeft verweerder eiser bij brief van 17 oktober 2013 nogmaals uitgenodigd voor een hoorgesprek op 28 oktober 2013 om 09.00 uur te [S]. Eiser is wederom zonder kennisgeving niet verschenen. Beide brieven zijn verzonden naar het bij de Belastingdienst bekende postadres van eiser. Indien eiser regelmatig langdurig in het buitenland verblijft, dient hij er zelf voor zorg te dragen dat hij zijn post wel tijdig ontvangt. Dat dit, ondanks de ter zitting door eiser beschreven voorzorgsmaatregelen, kennelijk is misgegaan komt voor rekening en risico van eiser.

De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder eiser op de juiste wijze voor een hoorgesprek heeft uitgenodigd en geen sprake is van schending van de hoorplicht.”

4.1.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat een zorgvuldig handelende overheid, indien een eerste uitnodiging voor een hoorgesprek – zoals in het onderhavige geval die van 7 oktober 2013 – geen respons geeft, telefonisch contact dient te zoeken en dat, indien dat ook niet lukt, een tweede uitnodiging – zoals in het onderhavige geval die van 17 oktober 2013 – aangetekend dient te worden verzonden.

4.1.3.

De inspecteur heeft – niet betwist door belanghebbende – gesteld dat de brieven met uitnodigingen voor een hoorgesprek, als vermeld onder 2.9, aangetekend zijn verzonden naar het door belanghebbende uitdrukkelijk voor alle correspondentie verstrekte postbusadres, dat die brieven daar ook zijn opgehaald, zij het niet tijdig voor het desbetreffende hoorgesprek, en dat hij overigens niet beschikte over een telefoonnummer of e-mailadres van belanghebbende.

Gelet op deze omstandigheden heeft het, desgewenst, op de weg van belanghebbende gelegen om naar aanleiding van de brieven van de inspecteur met hem over een hoorgesprek contact op te nemen. Dat hij dit heeft gedaan is niet gesteld, laat staan aannemelijk geworden. Gezien deze gang van zaken kan de inspecteur niet worden verweten dat hij de hoorplicht niet is nagekomen dan wel dat hij in dat kader niet voldoende zorgvuldig zou hebben gehandeld. Door niet ook nog telefonisch contact met belanghebbende op te nemen heeft de inspecteur, nog daargelaten dat deze heeft gesteld niet bekend te zijn met een telefoonnummer van belanghebbende, niet in strijd gehandeld met de hoorplicht dan wel met het op dit punt in onderdeel 12 van het (toen vigerende) Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 5 juli 2011 vastgelegde beleid (Stcrt. 2011/12570).

4.2.1.

Met betrekking tot de door belanghebbende geclaimde aftrek van kosten eigen woning heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:


Hypotheekrenteaftrek

4.3.1.

Artikel 3.110 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning (…) verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten.”

4.3.2.

Artikel 3.120 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:

a. de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de eigenwoningschuld;

(…).”

4.3.3.

In artikel 3.111 van de Wet IB 2001 wordt het begrip eigen woning gedefinieerd. In het eerste lid staat onder meer als voorwaarde dat de woning eiser anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat op eiser, die een aftrekpost claimt, de bewijslast rust aannemelijk te maken dat hij aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoet.

4.5.

Verweerder heeft betwist dat sprake is van een eigen woning. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat eiser zich pas op 27 september 2005 heeft laten inschrijven op het adres [a-laan 1] en dat de levering van de woning heeft plaatsgevonden op 15 november 2005. Dat eiser nadien nog op dat adres ingeschreven bleef is dermate ongebruikelijk - op de dag van levering dient een woning volledig leeg te zijn -, dat van eiser kan worden verwacht dat hij meer bewijs bijbrengt waaruit blijkt dat hij na de levering deze woning als hoofdverblijf had. Dienaangaande is niets ingebracht.

Ten aanzien van de periode 1 januari 2005 tot 27 september 2005 geldt dat eiser volgens de gegevens van verweerder in die periode in het buitenland verbleef. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij tot 27 september 2005 in Italië stond ingeschreven. Nu eiser niet op het adres van de woning stond ingeschreven en hij niets naar voren heeft gebracht laat staan onderbouwd op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat eiser zijn hoofdverblijf had op de [a-laan], kan van een eigen woning in die periode niet worden gesproken.

Met betrekking tot de periode van 27 september 2005 tot aan de dag van de levering van de woning op 15 november 2005 overweegt de rechtbank dat eiser geen enkel stuk heeft overgelegd, zoals rekeningen ter zake van energie- en waterverbruik, een telefoonrekening of naar dit adres toegezonden post, waaruit kan blijken dat hij in deze periode ook metterdaad in de woning heeft gewoond.

Daarnaast leidt de rechtbank uit het door eiser overgelegde stuk, door verweerder aan het dossier gevoegd als bijlage 1.15 bij het verweerschrift, af dat de woning in ieder geval op 23 september 2005 was ontruimd, aangezien in dit stuk wordt verklaard dat het verhuisbedrijf op deze datum een rekening heeft verzonden. Ook blijkt uit dit stuk dat de spullen van eiser waren opgeslagen en hij niet bij zijn winterkleding en andere persoonlijke zaken kon.

Op grond van al voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat de woning het gehele jaar 2005 voor eiser niet kwalificeerde als eigen woning als bedoeld in artikel 3.110 van de Wet IB 2001. Dit brengt met zich dat geen recht bestaat op aftrek van kosten ter zake van rente of kosten van die woning.”

4.2.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de woning aan de [a-laan] te [Q] tot 15 november 2005 niet zijn hoofdverblijf is geweest. In zijn hogerberoepschrift heeft hij op dit punt nader bewijs aangekondigd door middel van nog toe te zenden stukken, welke stukken zijn ingediend bij berichten van 12 september 2014 en 23 december 2014. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende op dit punt getuigenbewijs aangeboden door middel van verklaringen van hemzelf en van een bevriende advocaat. Daaruit zal volgens belanghebbende blijken dat voor belanghebbende in 2005 de woning aan de [a-laan] te [Q] zijn centrale levensplaats was. Dit blijkt volgens belanghebbende ook uit de adressering van de nota’s en rekeningafschriften van de Rabobank [Q].
Voorts beroept belanghebbende zich erop dat de aftrek van hypotheekrente vóór 2005 door de inspecteur is aanvaard.

4.2.3.

De inspecteur is het met het oordeel van de rechtbank eens en stelt tevens dat van betaling van hypotheekrente door belanghebbende geen enkel bewijs is geleverd.

4.2.4.

Indien door de inspecteur wordt betwist dat kosten van een eigen woning door de belastingplichtige in een bepaald jaar zijn betaald en voor diens rekening zijn gekomen, dient de belastingplichtige door middel van bewijsmiddelen de betaling van die kosten in dat jaar aannemelijk te maken. In het onderhavige geval heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende in 2005 geen kosten van de woning aan de [a-laan] te [Q] heeft betaald. Uit de in 2.4, 2.5 en 2.6 aangehaalde brieven blijkt dat de inspecteur sedert februari 2012 belanghebbende diverse malen heeft verzocht om van de betaling van hypotheekrente, als door hem gesteld, bewijsmiddelen te verstrekken. Het Hof stelt vast dat belanghebbende dit bewijs niet heeft geleverd (de in 2.11 vermelde stukken voldoen daartoe niet) en concludeert dat de inspecteur reeds op deze grond de gestelde aftrek van kosten eigen woning terecht heeft geweigerd.

4.2.5.

In dit verband heeft belanghebbende gesteld dat hij niet tot bewijs van de betalingen in staat was, omdat stukken in het kader van zijn echtscheiding zouden zijn verdwenen dan wel omdat de termijn van de bewaarplicht is verstreken. Het Hof oordeelt dat deze verweren hem niet kunnen baten. Uitgangspunt is dat op een belastingplichtige die zich op een aftrekpost beroept de verplichting rust om, indien die post wordt betwist, ervoor te zorgen dat hij over de bewijsmiddelen beschikt waarop hij zijn standpunt baseert. Dat zich, gegeven dit uitgangspunt, zodanig bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan dat van belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verwacht het bewijs te leveren, acht het Hof in dit geval niet aannemelijk. Belanghebbende heeft daartoe onvoldoende aangevoerd.

4.2.6.

Op grond van het hiervoor overwogene kan verder in het midden blijven of de woning aan de [a-laan] te [Q] voor belanghebbende in 2005 een eigen woning was.
Nog daargelaten dat het in verband daarmee door belanghebbende voorgestelde horen van een bevriende advocaat eerst – en zonder aankondiging vooraf – ter zitting van het Hof is verlangd, geldt dat deze getuige niet is voorgesteld om te verklaren over de betaling van hypotheekrente, zodat reeds op deze grond aan het horen van die getuige kan worden voorbijgegaan.

4.3.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende nog gesteld dat in 2005 kosten van een echtscheidingsprocedure in aftrek dienen te komen. De inspecteur heeft deze stelling betwist, omdat kosten van een echtscheidingsprocedure op zichzelf niet aftrekbaar zijn en omdat belanghebbende ter zake van de betaling van deze kosten in 2005 geen enkel bewijsmiddel heeft overgelegd. Het Hof volgt de inspecteur hierin en wijst de stelling van belanghebbende af.

4.4.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat er verliezen uit voorgaande jaren te verrekenen zijn. Deze stelling kan echter, wat daarvan overigens ook mag zijn, niet leiden tot een wijziging van een verliesvaststellingsbeschikking. Tevens kan ook verrekening van verliezen in 2005 niet aan de orde komen, nu het inkomen uit werk en woning voor dat jaar is vastgesteld op nihil.

Slotsom
4.5. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.F. Faase, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder als griffier. De beslissing is op 19 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.