Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5441

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
200.166.395/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:7366, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht makelaar bij opstellen taxatierapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.166.395/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/561340/HA ZA 14-298

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2015

inzake

COMBIVOORDEEL HYPOTHEKEN B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

appellante,

advocaat: mr. B.J.K. Jongtien te Utrecht,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. H.W. Gierman te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Combivoordeel en [geïntimeerden] genoemd. Laatstgenoemden worden ieder afzonderlijk aangeduid als [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]

SNS Bank is bij dagvaarding van 18 februari 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2014 onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen Combivoordeel als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden.

Partijen hebben de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Combivoordeel heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en - uitvoerbaar bij voorraad - toewijzing van haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen en haar vordering tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, vermeerderd met rente, met beslissing over de proceskosten inclusief nakosten en vermeerderd met rente.

[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing - uitvoerbaar bij voorraad - over de proceskosten vermeerderd met rente.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De volgende feiten zijn als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist komen vast te staan.

2.1.

[geïntimeerde sub 2] is makelaar in onroerende zaken. [geïntimeerde sub 1] was in 2002 werkzaam bij [geïntimeerde sub 2] en tevens bestuurder van deze vennootschap.

2.2.

[geïntimeerden] heeft in opdracht van [X] (hierna: [X] ) op 24 september 2002 een taxatierapport opgemaakt (hierna: het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] ) ter zake het appartement aan de [adres] [nr.a] te [plaats] (hierna: het appartement). De opname heeft plaatsgevonden op 23 september 2002. De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik per opnamedatum is in dat rapport bepaald op € 330.000 en de executiewaarde vrij van huur en gebruik op € 310.000.

2.3.

Op 7 november 2002 heeft Combivoordeel aan [X] een hypothecaire lening verstrekt ter hoogte van € 370.000 met het appartement als onderpand. Ter verkrijging van deze hypothecaire lening heeft [X] onder meer het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] aan Combivoordeel verstrekt.

2.4.

[X] schoot tekort in zijn betalingsverplichting, waarop Combivoordeel het appartement heeft laten hertaxeren door M. Ensink, verbonden aan het kantoor Recourt Makelaars, die op 13 januari 2004 een waardeverklaring heeft opgesteld. De opnamedatum was 8 januari 2004. Het pand werd enkel uitwendig opgenomen. De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik per opnamedatum is in deze verklaring bepaald op € 195.000 en de executiewaarde bij eigen gebruik op € 175.000.

2.5.

Bij brief van 21 februari 2007 van REAAL Levensverzekeringen NV is [geïntimeerden] verzocht om een verklaring hoe zij is gekomen tot de vaststelling van de in het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] vermelde waardes.

2.6.

Op 25 juni 2007 is het appartement op een executieveiling verkocht voor

€ 250.000.

2.7.

Op 16 augustus 2007 heeft [H] , verbonden aan J. Bangert ERA Makelaardij oz een waardeverklaring opgesteld, waarin de waarde van het appartement per 31 december 2002 is bepaald. De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik per waarderingsdatum is in deze verklaring bepaald op € 235.000 en de executiewaarde vrij van huur en gebruik op € 210.000.

2.8.

Als bijlage 3 bij de verklaring van [H] is een overzicht van referentieobjecten gevoegd. Voor zover van belang zijn daarop de volgende gegevens vermeld:

Transactiedatum 1-8-2002

[adres] [nr.b]

€ 216.000

Transactiedatum 1-8-2002

[adres] [nr.c]

€ 332.000

Transactiedatum 15-7-2002

[adres] [nr.d]

€ 240.000

Transactiedatum 9-7-2002

[adres] [nr.e]

€ 199.663

Transactiedatum 1-8-2002

[adres] [nr.f]

€ 207.500

2.9.

Combivoordeel heeft op 7 februari 2012 een klacht ingediend tegen [geïntimeerden] bij de Raad van Toezicht Makelaarsvereniging Amsterdam (hierna: de Raad van Toezicht), die op 7 februari 2013 gegrond is verklaard.

2.10.

De Raad van Toezicht heeft met betrekking tot het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] onder meer als volgt overwogen:

“De executiewaarde van dit appartement, dat een oppervlakte heeft van 100 m2 is door beklaagde in 2002 gesteld op € 310.000,-. In het jaar 2002 gold ter plaatst een vierkante meter-prijs die lag tussen de € 2.000,- en € 2.300,-. Beklaagde had derhalve op basis van de afmetingen van het appartement niet op een hogere (executie)waarde dan € 230.000,- kunnen uitkomen. Beklaagde stelt dat hij bij zijn waardebepaling rekening heeft gehouden met een vrijwel voltooide verbouwing van het appartement, doch omtrent een ingrijpende (waarde vermeerderende) verbouwing wordt in het taxatierapport niets vermeld. Indien de door beklaagde gestelde verbouwing wel volledig zou zijn gerealiseerd zou dit een waardevermeerdering van maximaal € 40.000,- tot € 45.000,- hebben opgeleverd, waarmee dan nog immer niet de door beklaagde gehanteerde executiewaarde zou zijn bereikt. Met betrekking tot dit appartement waren in 2002 voldoende referentiepanden voorhanden. De door beklaagde getaxeerde waarden liggen ruim boven het gemiddelde van de in die periode gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkbare appartementen. Nu elke onderbouwing van het verschil tussen dat gemiddelde en de door beklaagde aan dit appartement toegekende waarde ontbreekt komt de Raad tot het oordeel dat het door beklaagde vervaardigd taxatierapport de toets der zorgvuldigheid niet kan doorstaan.”

3 Beoordeling

3.1.

Combivoordeel heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 141.601,16 (schade ten gevolge van beroepsfout) vermeerderd rente en € 9.506,98 (buitengerechtelijke kosten), met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.

De rechtbank heeft de vorderingen in het bestreden vonnis afgewezen, onder veroordeling van Combivoordeel in de proceskosten inclusief nakosten en vermeerderd met rente. De grieven 1 tot en met 4 zijn gericht tegen deze afwijzing. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.

3.2.

Combivoordeel heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Burgers c.s. een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd. [geïntimeerden] heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend makelaar mag worden verwacht, doordat zij (A) in het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] een te hoge onderhandse verkoopwaarde en executiewaarde heeft opgenomen en ook verder onzorgvuldig is geweest bij het opstellen van het rapport, en (B) heeft nagelaten Combivoordeel erop te wijzen dat zij in de periode van april 2000 tot en met augustus 2003 in opdracht van [X] zeven verschillende woningen/appartementen heeft getaxeerd die [X] steeds voor eigen gebruik wilde aankopen.

3.3.

[geïntimeerden] betwist dat zij een onjuist of onzorgvuldig taxatierapport heeft opgemaakt. Daarbij heeft Combivoordeel haar klachtplicht geschonden, ontbreekt causaal verband tussen de (gestelde) beroepsfouten en de schade en is sprake van eigen schuld, zo stelt [geïntimeerden] Nu de opdracht tot het opstellen van het taxatierapport enkel is aanvaard door [geïntimeerde sub 2] , is [geïntimeerde sub 1] hoe dan ook niet aansprakelijk, temeer daar hem geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Tot slot betwist [geïntimeerden] de omvang van de schade.

3.4.

[geïntimeerden] voert als meest verstrekkend het verweer dat Combivoordeel niet tijdig heeft geklaagd.

Het hof verwerpt het verweer. [geïntimeerden] heeft haar stelling dat zij in haar belangen is geschaad doordat drie jaar na het opstellen van het rapport is geklaagd, onvoldoende concreet handen en voeten gegeven, bijvoorbeeld door aan te geven op welke gegevens uit het (inmiddels vernietigde) dossier zij een beroep had willen doen. Bovendien wekt het verweer van [geïntimeerden] tegen de (gestelde) beroepsfouten de indruk dat zij wel degelijk nog weet op welke wijze zij tot de getaxeerde waarden is gekomen, dan wel dit in voldoende mate heeft kunnen reconstrueren.

3.5.

Combivoordeel voert in de eerste plaats als grondslag voor de beroepsfout aan dat [geïntimeerden] in het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] een te hoge onderhandse verkoopwaarde en executiewaarde heeft opgenomen en ook verder onzorgvuldig is geweest bij het opstellen van het rapport, hetgeen jegens haar onrechtmatig is.

Het hof stelt bij de beoordeling van dit verwijt voorop dat wanneer een makelaar in opdracht van een bewoner een woonhuis taxeert, hij er rekening mee moet houden dat het rapport waarin hij de getaxeerde waarden vastlegt ook kan worden geraadpleegd door een kredietverschaffer die een hypotheek op het woonhuis wil vestigen. De makelaar dient bij het opstellen van het rapport derhalve ook rekening te houden met de belangen van mogelijke kredietverschaffers.

Voorts geldt bij de beoordeling het uitgangspunt dat het enkele (substantiële) afwijken van de door een makelaar getaxeerde waarde van een woonhuis van andere taxaties of van de uiteindelijke verkoopprijs op een veiling, nog niet met zich brengt dat deze hierdoor onrechtmatig handelt jegens een hypotheekverschaffer als Combivoordeel. Over de waarde kan immers op goede gronden verschil van mening bestaan en ook op een veiling is de opbrengst van verschillende (deels niet te voorspellen) factoren afhankelijk, zoals de marktomstandigheden op dat moment en het aantal potentiële belangstellenden op de veiling. Het gaat er vooral om of de makelaar al dan niet onzorgvuldig is geweest bij het taxeren en het opstellen van het rapport.

Het hof zal hierna eerst ingaan op de vordering tegen [geïntimeerde sub 2] (3.6) en daarna die tegen [geïntimeerde sub 1] (3.7)

3.6.

Wat betreft de stelling dat de door [geïntimeerde sub 2] getaxeerde waarden te hoog zijn overweegt het hof als volgt.

[geïntimeerden] betwist niet dat de in 2002 ter plekke geldende vierkante meterprijs lag tussen de € 2.000 en € 2.300, het appartement aan de [adres] [nr.c] kort voor de taxatie was verkocht voor € 332.000 en 40 m² groter was dan het appartement van [X] en de (overige) in rechtsoverweging 2.8 opgenomen verkoopprijzen en transactiedata voor appartementen aan de [adres] . De juistheid van deze stellingen staat derhalve vast.

Op basis van (enkel) de destijds geldende vierkante meterprijs zou de marktwaarde van het appartement hebben gelegen tussen de € 200.000 en € 230.000 (vierkante meterprijs van € 2.000 tot € 2.300 maal de oppervlakte van het appartement van 100 vierkante meter). Berekend aan de hand van (enkel) de verkoopprijs van de [adres] [nr.c] lag een marktwaarde voor de hand van circa € 240.000 (€ 332.000 gedeeld door 140 (vierkante meter) vermenigvuldigd met 100 (het aantal vierkante meters van het appartement) resulteert in een bedrag van € 237.142,85). Waarden van deze omvang komen overeen met de verkoopprijzen kort voor de taxatie van andere appartementen aan de [adres] (zie rechtsoverweging 2.8). Het voorgaande brengt met zich dat de in het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] opgenomen onderhandse verkoopwaarde van € 330.000 en executiewaarde van € 310.000 (fors) aan de hoge kant lijken. Het hof laat bij dit oordeel de (latere) rapporten van Recourt makelaars en J. Bangert ERA Makelaardij oz buiten beschouwing, nu deze mede zijn gebaseerd op informatie waarover [geïntimeerde sub 2] ten tijde van de taxatie niet kon beschikken. Verder hecht het hof geen waarde aan het gegeven dat het appartement op 25 juni 2007 executoriaal is verkocht voor € 250.000; de conclusies die partijen hieraan willen verbinden ter zake de waarde van het appartement ten tijde van de taxatie berusten aan beide kanten op (onvoldoende gemotiveerde) speculaties.

[geïntimeerden] noemt een aantal “bijzonderheden” van het appartement waardoor dit meer waard zou zijn dan vergelijkbare appartementen in de buurt. De opsomming (ligging, lichtinval, enzovoorts) overtuigt echter niet, met name omdat het merendeel van de bijzonderheden ook opgaat voor andere appartementen in de buurt (voorzieningen in de buurt woning, parkeergelegenheid, rustige en goede buitenwijk, goed bereikbaar met de auto, enzovoorts). Het verweer dat de getaxeerde waarden lagen binnen de in de taxatieleer gebruikelijke marges, is evenmin overtuigend. Ditzelfde geldt voor het verweer dat het appartement vlak voor de taxatie was verbouwd voor een bedrag van € 80.000. In het taxatierapport wordt immers bij de stellingen “De aard of kwaliteit wijkt aanmerkelijk af van de objecten in de directe omgeving” en “De waarden wijkt meer dan 25% af van soortgelijke objecten in de directe omgeving” (pagina 3 taxatierapport) de optie “nee” is aangekruist, terwijl onder de zinsnede “Gerealiseerde aanzienlijke renovaties, verbouwing van het gebouw” is ingevuld “geen andere dan normaal onderhoud” (pagina 6 taxatierapport). Daarbij ontbreekt in de paragraaf “NADERE MEDEDELINGEN” enige vermelding omtrent de verbouwing. In het licht van deze vermeldingen in het taxatierapport alsmede de conclusies van de Raad van Toezicht dienaangaande had het op de weg van [geïntimeerden] gelegen om toe te lichten waar die verbouwing precies uit heeft bestaan, wat de stand van de verbouwing was ten tijde van de te taxatie en waarom de verwachting gerechtvaardigd was dat die verbouwing tot een zo aanzienlijke waardevermeerdering van het appartement zou leiden.

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerden] de stelling dat [geïntimeerde sub 2] in haar rapport een te hoge onderhandse verkoopwaarde en executiewaarde heeft opgenomen, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Ditzelfde geldt voor het verwijt dat [geïntimeerde sub 2] ook verder onzorgvuldig is geweest bij het opstellen van het rapport. Nu de getaxeerde waarden aanzienlijk afweken van de waarden berekend op grond van de ter plekke geldende vierkante meterprijs en een vergelijking met referentiepanden, had deze afwijking in het rapport moeten worden gemotiveerd.

Het bovenstaande brengt met zich dat [geïntimeerde sub 2] een beroepsfout heeft gemaakt jegens Combivoordeel.

3.7.

Tussen partijen staat vast dat de opdracht tot het opstellen van het taxatierapport ter zake het appartement was verstrekt aan [geïntimeerde sub 2] en dat de feitelijke werkzaamheden die hebben geleid tot het taxatierapport zijn verricht door [geïntimeerde sub 1] . [geïntimeerden] voert het verweer dat - nu [geïntimeerde sub 2] en niet [geïntimeerde sub 1] opdrachtnemer was - laatstgenoemde hoe dan ook niet aansprakelijk kan zijn jegens Combivoordeel, temeer daar hem geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Het hof verwerpt het verweer. Het gegeven dat [geïntimeerde sub 2] opdrachtnemer was, laat onverlet dat (ook) [geïntimeerde sub 1] onrechtmatig jegens Combivoordeel kan handelen. Verder spreekt Combivoordeel [geïntimeerde sub 1] aan als beroepsbeoefenaar (makelaar) en niet als bestuurder van [geïntimeerde sub 2] . Dit heeft tot gevolg dat het handelen van [geïntimeerde sub 1] moet worden beoordeeld aan de hand van de gewone onrechtmatigheidsmaatstaf van artikel 6:162 BW en niet nodig is dat [geïntimeerde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 18 september 2015:ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015, 267). Het handelen van [geïntimeerde sub 1] moet derhalve worden beoordeeld aan de hand van dezelfde (sub)norm die geldt voor [geïntimeerde sub 2] , te weten die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam makelaar. Uit de vorige rechtsoverweging volgt dat ook [geïntimeerde sub 1] deze norm heeft geschonden en derhalve onrechtmatig jegens Combivoordeel heeft gehandeld.

3.8.

Combivoordeel voert als tweede grondslag voor haar vordering aan dat [geïntimeerden] een beroepsfout heeft gemaakt doordat zij heeft nagelaten Combivoordeel erop te wijzen dat zij in de periode van april 2000 tot en met augustus 2003 in opdracht van [X] zeven verschillende woningen/appartementen heeft getaxeerd, die [X] steeds voor eigen gebruik wilde aankopen. Naar het oordeel van het hof had [geïntimeerden] dat niet behoeven te zeggen. Het enkele feit dat niet voor de hand lag dat [X] zelf in zeven verschillende woningen/appartementen ging wonen, is hiertoe onvoldoende. Dit geldt te meer nu Combivoordeel ook zelf had kunnen nagaan of [X] ten tijde van de hypotheekverstrekking ook al andere hypothecaire leningen was aangegaan.

3.9.

Combivoordeel stelt dat wanneer [geïntimeerden] geen beroepsfout had gemaakt door in het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] een te hoge onderhandse verkoopwaarde en executiewaarde op te nemen en ook verder onzorgvuldig te zijn bij het opstellen van het rapport, de in het rapport getaxeerde waarden aanmerkelijk lager waren geweest. In dat geval was Combivoordeel geen leningsovereenkomst met [X] aangegaan, dan wel onder andere voorwaarden, zo stelt zij.

Het hof verwerpt het verweer dat geen causaal verband bestaat omdat Combivoordeel zich bij haar beslissing om de leningsovereenkomst aan te gaan ook door andere factoren zal hebben laten leiden, zoals het jaarinkomen van [X] , de vraag of deze arbeidsovereenkomst had of als zelfstandige werkte en de hoogte van eventueel spaargeld. Dat Combivoordeel zich ook door andere factoren zal hebben laten leiden, laat onverlet dat de waarde van het onderpand voor een kredietverschaffer een belangrijke factor is bij de beslissing een lening voor een bepaald bedrag al dan niet te verstrekken. Nu de in het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] opgenomen waarden zonder beroepsfout aanmerkelijk lager waren geweest, ligt voor de hand dat Combivoordeel de leningsovereenkomst alsdan niet was aangegaan, dan wel onder andere voorwaarden.

3.10.

Wat betreft de omvang van de schade stelt het hof voorop dat deze moet worden bepaald door de werkelijke vermogenspositie van Combivoordeel te vergelijken met haar vermogenspositie in het (hypothetische) geval dat de beroepsfout niet zou zijn gemaakt.

Het hof verzoekt partijen zich bij akte nader over de omvang van de schadevergoeding uit te laten. Partijen wordt verzocht daarbij met name erop in te gaan (1) welke waarden wél in het taxatierapport van [geïntimeerde sub 2] hadden moeten worden vermeld; (2) of en zo ja tot welk bedrag Combivoordeel (uitgaande van die waarden) volgens haar destijds geldende gebruiken een lening aan [X] had verstrekt.

3.11.

[geïntimeerden] voert in haar memorie van antwoord aan dat Combivoordeel zelf is tekortgeschoten bij de beoordeling van de kredietaanvraag van [X] , met name door geen onderzoek te doen naar diens financiële achtergrond (nummer 52 memorie van antwoord). Het hof verzoekt Combivoordeel in haar akte op dit beroep op eigen schuld te reageren.

[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat Combivoordeel maatregelen had moeten nemen om te voorkomen dat de schuld opliep (nummer 78 conclusie van antwoord). Nu [geïntimeerden] in gebreke is gebleven concreet te maken welke maatregelen de gestelde schade hadden kunnen voorkomen, heeft zij onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat Combivoordeel haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden.

3.12.

Combivoordeel vordert een bedrag van € 9.506,98 (inclusief btw) vanwege haar buitengerechtelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Dit bedrag komt overeen met de declaraties van de advocaat van Combivoordeel over de periode van september 2008 tot en met juni 2013, waarvan de werkzaamheden zijn gespecificeerd in productie 21 bij inleidende dagvaarding, zo stelt Combivoordeel.

[geïntimeerden] heeft naar aanleiding van voormelde productie 21 gesteld dat een aanzienlijk deel van de declaraties betrekking heeft op de tuchtprocedure bij de Raad van Toezicht en de voorbereiding van de onderhavige procedure. Bij raadpleging van productie 21 lijkt dit verweer bepaald niet uit de lucht gegrepen, maar Combivoordeel heeft hierop niet meer gereageerd. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat Combivoordeel kosten heeft gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Combivoordeel vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden.

Voor zover Combivoordeel bedoelt de kosten ter zake de tuchtrechtelijke procedure te vorderen, is zij in het licht van het uitgangspunt dat dergelijke kosten niet bij wijze van buitengerechtelijke kosten toewijsbaar zijn, in gebreke gebleven aan te geven waarom in casu van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

3.13.

Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 2 februari 2016 voor akte aan de zijde van Combivoordeel met de in rechtsoverweging 3.10 en 3.11 aangegeven doeleinden.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, W.A.H. Melissen en L.R. van Harinxma thoe Slooten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.