Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5426

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
200.159.386/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst bedrijfsruimte idzv 7:290 BW. Twee natuurlijke personen hebben de ruimte gehuurd. Faillissement van één van de huurders. Opzegging van de huurovereenkomst door verhuurder op grond van artikel 39 Fw jegens beide huurders. Wegens ondeelbaarheid van de huurovereenkomst is verhuurder daartoe in beginsel bevoegd. De niet failliete huurder komt, op grond van de onsplitsbaarheid van het huurrecht, geen te honoreren beroep op huurbescherming toe. Wel dient te worden onderzocht of de opzegging jegens de niet failliete huurder misbruik van bevoegdheid oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1765
RI 2016/85
INS-Updates.nl 2016-0279
TvHB 2016/17, UDH:TvHB/13492 met annotatie van J.L.W.M. Sgroot
UDH:TvHB/13540 met annotatie van mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.159.386/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 2617022 CV EXPL 13-31765

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2015

inzake

1 [appellante sub 1] ,

2. [appellante sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,

tegen:

[geïntimeerde] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. R. Teitler te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna enerzijds [appellante sub 1] en [appellante sub 2] en anderzijds [geïntimeerde] genoemd.

[appellante sub 1] en [appellante sub 2] zijn bij dagvaarding van 10 november 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 10 oktober 2014, onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen onder andere [appellante sub 1] en [appellante sub 2] als eiseressen in conventie, tevens verweersters in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

De appeldagvaarding bevat de grieven. Ter rolle hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] geconcludeerd overeenkomstig die dagvaarding en daarbij een productie in het geding gebracht.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 8 oktober 2015 doen bepleiten, beiden door hun voornoemde advocaat; mr. Thiescheffer aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De zaak is vervolgens aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog in conventie voor recht zal verklaren dat: (i) de vennootschap onder firma [X] , met KvK nummer [nummer 1] , kan worden aangemerkt als huurder van het gehuurde en dat deze vennootschap onder firma daarmee is toegetreden tot de huurovereenkomst van 20 juli 2010, (ii) de huuropzegging van 13 september 2013 rechtens geen effect heeft en de huurovereenkomst derhalve niet per 31 december 2013, althans per 1 januari 2014 zal eindigen en voorts dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – de vordering in reconventie alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. In incidenteel hoger beroep heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis deels zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de jaarlijkse indexering vanaf 1 februari 2014 tot aan de dag van ontruiming van het voormalig gehuurde, met rente, met beslissing over de proceskosten.

[appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.12 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen deze feiten neer op het volgende.

2.2.

[appellante sub 1] is de dochter van [appellante sub 2] en [Y] (hierna ook: [Y] ).

[appellante sub 2] en [Y] zijn gescheiden.

2.3.

[geïntimeerde] heeft de bedrijfsruimte, bestemd om te worden gebruikt als restaurant en gelegen op de beletage van het pand aan de [adres] (hierna: het gehuurde), verhuurd aan [appellante sub 1] en [Y] .

2.4.

De op 20 juli 2010 door partijen ondertekende schriftelijke huurovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

3.1

Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaar en 0 maanden, ingaande op 1 juli 2010 en lopende tot en met 30 juni 2015. Waarbij tussentijdse opzegging niet mogelijk is.

3.2

Na het verstrijken van de 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst, na eventuele herziening van de huursom, mogelijk voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar, derhalve tot en met 30 juni 2020. Deze overeenkomst wordt vervolgens mogelijk voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar.

3.3

Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste 6 maanden. (…)

4.1

De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt voor de eerste maand (juli 2010) € 4.000,= per maand. (…)

4.5

Onverminderd de mogelijkheden die de wet biedt om een huuraanpassing te realiseren, wordt de huurprijs jaarlijks per 1 augustus, voor het eerst met ingang van 1 augustus 2011, aangepast overeenkomstig artikel 9.1 algemene bepalingen en met inachtneming van het 9.2 tot en met 9.6 algemene bepalingen. (…)

2.5.

De op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ (versie juli 2003; hierna de algemene bepalingen), luiden voor zover hier van belang als volgt:

6.1

Huurder zal het gehuurde – gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst – daadwerkelijk, geheel, behoorlijk en zelf gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming. (…)

8.1

Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder is het huurder niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan, dan wel de huurrechten geheel of gedeeltelijk aan derden over te dragen of in te brengen in een personenvennootschap of rechtspersoon. (…)

9.1

Een in 4.5 van de huurovereenkomst overeengekomen wijziging van de huurprijs vindt plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) reeks alle huishoudens (2000=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de statistiek (CBS). (…)

21.1

Indien verscheidene (natuurlijke of rechts-)personen zich als huurder hebben verbonden, zijn deze steeds hoofdelijk en ieder voor het geheel jegens verhuurder aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomsten voortvloeiende verbintenissen. (…)

2.6.

Voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst was in het gehuurde een restaurant gevestigd van [Z] , een zakenpartner van [geïntimeerde] . [Y] heeft de goodwill en de inventaris van het restaurant gekocht.

2.7.

[appellante sub 1] en [Y] hebben op 20 juli 2010 – de datum van ondertekening van de huurovereenkomst – de vennootschap onder firma [X] (KvK-nummer [nummer 2] ; hierna: vof-1) opgericht. De exploitatie van het restaurant is in deze vof ondergebracht.

[Y] is op 22 juli 2010 uitgetreden uit vof-1. [appellante sub 2] is toen toegetreden.

De onderneming werd met ingang van 9 mei 2011 voortgezet door de eenmanszaak [X] (KvK-nummer [nummer 3] ) van [appellante sub 2] .

Vanaf 1 oktober 2011 is de onderneming gedreven door de, op die datum opgerichte vennootschap onder firma [X] (KvK-nummer [nummer 1] ; hierna: vof-2), met als vennoten [appellante sub 1] en [appellante sub 2] .

2.8.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft [Y] bij vonnis van 18 mei 2011 op vordering van [Z] veroordeeld het restant van de voor goodwill en inventaris van het restaurant verschuldigde koopsom ter grootte van € 31.000,=, vermeerderd met rente en kosten, aan [Z] te betalen.

2.9.

Bij vonnis van 15 december 2011 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam de vordering van [geïntimeerde] , ingesteld tegen [Y] , [appellante sub 1] en [appellante sub 2] en strekkende tot ontruiming van het gehuurde, afgewezen. De vordering was gegrond op de stellingen dat [appellante sub 1] en [Y] a) het gehuurde niet meer zelf gebruikten, b) [geïntimeerde] hadden beledigd en daarom handelden als slecht huurder, c) [geïntimeerde] ’s zakenpartner [Z] hadden benadeeld en d) de huur te laat betaalden, en dat [appellante sub 2] het gehuurde zonder recht of titel gebruikte.

2.10.

[Y] is, mede op vordering van [Z] , op 13 augustus 2013 failliet verklaard, met aanstelling van mr. M. Rooimans als curator (hierna: mr. Rooimans).

2.11.

[appellante sub 1] heeft [geïntimeerde] op 22 augustus 2013 verzocht vof-2 als huurder van de bedrijfsruimte aan te merken. [geïntimeerde] heeft het verzoek afgewezen.

2.12.

Bij brief van 13 september 2013 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] de huur opgezegd tegen 31 december 2013 op grond van het bepaalde in artikel 39 van de Faillissementswet. Mr. Rooimans, [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben niet ingestemd met de opzegging.

3 Beoordeling

3.1.

In de eerste aanleg van deze procedure hebben mr. Rooimans, [appellante sub 1] en [appellante sub 2] in conventie gevorderd (i) voor recht te verklaren dat vof-2 als huurder van het gehuurde kan worden aangemerkt, (ii) mr. Rooimans en [appellante sub 1] te machtigen vof-2 in hun plaats te stellen als huurder van het gehuurde en (iii) voor recht te verklaren dat de opzegging van 13 september 2013 geen effect heeft en de huurovereenkomst niet eindigt per 31 december 2013, kosten rechtens.

[geïntimeerde] heeft in reconventie, na wijziging van eis, gevorderd (i) primair voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst is geëindigd door de opzegging van 13 september 2013 en (ii) subsidiair de huurovereenkomst te ontbinden, (iii) het primair en subsidiair gevorderde met veroordeling van [appellante sub 1] tot ontruiming van het gehuurde, (iv) meer subsidiair [appellante sub 1] te veroordelen tot betaling van € 4.810,20 per 1 juni 2014 (in het bestreden vonnis staat abusievelijk 1 februari 2014; hof) wegens huurachterstand, bestaande uit onbetaald gebleven indexeringen van de huurprijs, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, alsmede tot betaling van € 4.328,60 per maand vanaf de ontbinding tot de ontruiming en tot betaling van € 11.400,= aan contractuele boetes, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en (v) nog meer subsidiair, indien de primaire vordering in conventie zou worden toegewezen, de vorderingen in reconventie onder (ii) tot en met (iv) toe te wijzen jegens vof-2 en haar vennoten [appellante sub 1] en [appellante sub 2] , kosten rechtens.

3.2.

De kantonrechter heeft de vorderingen in conventie afgewezen, met veroordeling van mr. Rooimans, [appellante sub 1] en [appellante sub 2] in de gedingkosten. In reconventie heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde is geëindigd als gevolg van de opzegging van 13 september 2013 en mr. Rooimans, [appellante sub 1] en [appellante sub 2] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, alsmede tot betaling van € 4.810,20 ter zake van onbetaald gebleven indexeringen van de huurprijs, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2012, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] met hun grieven in principaal hoger beroep op. De grieven in incidenteel appel betreffen de afwijzing van de vordering in reconventie tot betaling van een gebruiksvergoeding vanaf de ontbinding tot de ontruiming en de compensatie van de gedingkosten in reconventie.

3.4.

Mr. Rooimans (of [Y] , voor zover het faillissement zou zijn beëindigd) is geen partij in hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft het gehuurde in verband met het onderhavige hoger beroep nog niet doen ontruimen.

In principaal hoger beroep

3.5.

Grief 1 in principaal hoger beroep betreft de verwerping door de kantonrechter van de stelling van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] dat [geïntimeerde] stilzwijgend heeft ingestemd met vof-2 als huurder. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] achten deze overweging onjuist, gelet op de bekendheid van [geïntimeerde] met de wisselingen aan de zijde van huurder, zoals volgt uit het vonnis in kort geding van 15 december 2011, en het na dat vonnis uitblijven van verdere acties van [geïntimeerde] tegen vof-2, met als vennoten [appellante sub 1] en [appellante sub 2] . Volgens [appellante sub 1] en [appellante sub 2] heeft [geïntimeerde] daarom stilzwijgend ingestemd met, althans zijn medewerking verleend aan het overdragen van de huurrechten aan deze vof.

3.6.

De grief faalt. Niet in geschil is immers dat vof-2 een andere partij is dan de natuurlijke personen [appellante sub 1] en [Y] , die de contractuele wederpartij zijn van [geïntimeerde] . Zowel op grond van artikel 6:159 lid 1 BW als op grond van artikel 8.1 van de algemene bepalingen is medewerking van [geïntimeerde] bij contractoverdracht vereist. In laatstgenoemd artikel is expliciet bepaald dat het huurder niet is toegestaan zonder schriftelijke toestemming van verhuurder het gehuurde aan derden in gebruik te geven, dan wel de huurrechten over te dragen aan of in te brengen in een personenvennootschap of rechtspersoon. Tegen deze achtergrond kan uit het enkele (gestelde) stilzitten van [geïntimeerde] na de afwijzing van de door hem verzochte voorlopige voorziening bij vonnis van 15 december 2011 niet worden afgeleid dat hij vof-2 daadwerkelijk als huurder in plaats van [appellante sub 1] en [Y] aanvaardde. Andere feiten of omstandigheden waaruit dat zou kunnen worden afgeleid zijn ook in hoger beroep niet gesteld of gebleken.

3.7.

Met grief 2 in principaal hoger beroep keren [appellante sub 1] en [appellante sub 2] zich tegen de overweging van de kantonrechter dat de huurovereenkomst (ook) jegens [appellante sub 1] per 31 december 2013 is geëindigd door de opzegging op grond van artikel 39 Faillissementswet (Fw). Deze opzegging regardeert [appellante sub 1] als niet gefailleerde medehuurder niet. Voor zover dat anders zou zijn, handelt [geïntimeerde] jegens [appellante sub 1] in strijd met de redelijkheid en billijkheid en artikel 3:13 BW, aldus [appellante sub 1] en [appellante sub 2] .

3.8.

Het hof oordeelt als volgt. Gelet op de huurovereenkomst, die onbetwist betrekking heeft op bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW, waren [Y] en [appellante sub 1] samen de wederpartij van [geïntimeerde] . Hij kan op grond van de gesloten overeenkomst [appellante sub 1] en [Y] , ieder voor het geheel, aanspreken voor de op de huurder rustende verbintenissen. Dit biedt [geïntimeerde] extra zekerheid voor de juiste nakoming van de verbintenissen uit de huurovereenkomst. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat de hoofdelijke verbondenheid van [appellante sub 1] en [Y] op grond van artikel 21.1 algemene bepalingen met zich brengt dat zij ieder afzonderlijk als huurder moeten worden gezien en dat de opzegging wegens het faillissement van [Y] [appellante sub 1] niet aangaat. Mede gelet op de bedongen hoofdelijke verbondenheid van [appellante sub 1] en [Y] moet de rechtsverhouding waarin zij tot [geïntimeerde] op grond van de gesloten huurovereenkomst staan, worden beschouwd als ondeelbaar en niet te splitsen in twee los van elkaar staande rechtsverhoudingen. Gesteld noch gebleken is dat mr. Rooimans, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [Y] , instemde met voortdurende betrokkenheid van [Y] bij het drijven van het restaurant. Uit de inleidende dagvaarding blijkt slechts dat zij meende dat het faillissement van [Y] niet in de weg stond aan een verzoek van haar en [appellante sub 1] om vof-2 als huurder in de plaats te stellen van [appellante sub 1] en [Y] , een verzoek dat in hoger beroep niet meer aan de orde is. Nu [Y] in staat van faillissement verkeerde was [geïntimeerde] , gelet op de ondeelbaarheid van de huurovereenkomst, in beginsel bevoegd de huurovereenkomst aan [Y] èn [appellante sub 1] op te zeggen op grond van artikel 39 Fw. [appellante sub 1] alleen komt daarbij, op grond van de onsplitsbaarheid van het huurrecht, geen te honoreren beroep op huurbescherming toe. In zoverre faalt grief 2 in principaal hoger beroep.

3.9.

Wel dient, zoals [appellante sub 1] en [appellante sub 2] voor dit geval terecht hebben gesteld, te worden onderzocht of de opzegging door [geïntimeerde] jegens haar misbruik van bevoegdheid oplevert. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 juli 2010 en [appellante sub 1] heeft sindsdien de onderneming in het gehuurde gedreven en zorg gedragen voor de betaling van de huur. [geïntimeerde] heeft onvoldoende gemotiveerd bestreden dat de onderneming goed loopt en voldoende zekerheid biedt voor de betaling van de huur. De betalingsachterstand waarnaar hij in dit verband verwijst betreft uitsluitend de hierna bij grief 3 te bespreken indexering. Bovendien heeft [geïntimeerde] gewezen op de omstandigheid dat de huur in de loop van de maand wordt voldaan in plaats van voor de eerste van de maand. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [geïntimeerde] bij monde van zijn advocaat te kennen gegeven dat [appellante sub 1] in het gehuurde mag blijven als zij de huur en de indexering maar betaalt. Hieruit blijkt dat [geïntimeerde] wel staat op het alsnog betalen van de indexering maar deze kwestie op zichzelf niet zo zwaarwegend vindt dat hij reeds op grond van het feit dat [appellante sub 1] , [Y] en [appellante sub 2] deze indexering tot nu toe niet daadwerkelijk hebben voldaan en de huur niet voor de eerste van de maand betalen de ontbinding van de huurovereenkomst daadwerkelijk uitgesproken wil zien. Na het kort geding in december 2011, waarin hij zonder succes onder meer ‘de structureel te late betaling’ aan zijn vordering tot ontruiming ten grondslag had gelegd, heeft [geïntimeerde] ook niet eerder dan bij brief van 29 mei 2013 aan [appellante sub 1] , [Y] en [appellante sub 2] geschreven dat hij over zou gaan tot ontbinding van de overeenkomst als zij de huur niet op tijd zouden betalen en de indexering niet zouden voldoen. Het hof neemt naast voornoemde uitlating van zijn advocaat bij pleidooi in hoger beroep voorts in aanmerking dat [geïntimeerde] voor de overige klachten – voor zover relevant – die hij heeft geuit in het ook in zoverre vergeefs door hem aanhangig gemaakte kort geding in december 2011, waaronder de ‘carrousel’ aan wijzigingen in de tenaamstelling van de onderneming tot 1 oktober 2011, na dat kort geding geen aandacht meer heeft gevraagd. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij beëindiging van de huurovereenkomst jegens [appellante sub 1] in geen verhouding staat tot het belang van [appellante sub 1] om de in het gehuurde gedreven onderneming te kunnen voortzetten. Gelet op de onevenredigheid die aldus bestaat tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, heeft [geïntimeerde] dan ook naar redelijkheid niet tot de uitoefening van zijn opzeggingsbevoegdheid jegens [appellante sub 1] kunnen komen. In zoverre slaagt grief 2 in principaal hoger beroep.

3.10.

Grief 3 in principaal hoger beroep is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat de jaarlijkse indexering is verschuldigd op grond van artikel 4.5 van de huurovereenkomst en dat niet is gebleken van een andersluidende afspraak tussen partijen. Ter toelichting op hun stelling dat een andersluidende afspraak is gemaakt, hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] in hoger beroep niets anders naar voren gebracht dan dat de aanvankelijk door [geïntimeerde] genoemde huurprijs van € 3.000,= (het bedrag dat ook [Z] betaalde; conclusie van dupliek in reconventie, nummer 8) door [geïntimeerde] is verhoogd tot € 4.000,=, ‘waarbij van de zijde van de huurder kenbaar is gemaakt dat akkoord kon worden gegaan met een bedrag van € 4.000,= mits deze huurprijs vijf jaar ongewijzigd in stand zou blijven’ en ‘dat er geen indexering zou plaatsvinden’. Volgens de conclusie van dupliek in reconventie, nummer 8, zou dit hebben plaatsgevonden ‘op het moment dat de huurovereenkomst werd gesloten’.

3.11.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is deze stelling van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] niet te rijmen met de omstandigheid dat de verplichting om de indexering vanaf 1 augustus 2011 te betalen, is opgenomen in het vijfde lid van artikel 4 van de huurovereenkomst, in welk artikel ook de huurprijs van € 4.000,= staat vermeld, zonder enige opmerking in de schriftelijke overeenkomst die wijst op de gestelde andersluidende afspraak. Het had op de weg van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] gelegen om in hoger beroep tenminste toe te lichten hoe het komt dat de door hen gestelde andersluidende afspraak, die zou zijn gemaakt op het moment dat de huurovereenkomst werd gesloten, niet heeft geleid tot een aanpassing van of opmerking naar aanleiding van artikel 4.5 van de schriftelijke huurovereenkomst. Bij gebreke van deze toelichting hebben zij onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat zij de indexering niet overeenkomstig artikel 4.5 van de overeenkomst zijn verschuldigd. Het bewijsaanbod wordt dan ook gepasseerd. De grief faalt.

3.12.

Grief 7 in principaal hoger beroep betreft de hoofdelijke veroordeling van [appellante sub 2] tot betaling van het bedrag van € 4.810,20 ter zake van de niet betaalde indexering, terwijl de kantonrechter heeft overwogen dat zij geen huurder is. Deze grief slaagt. [geïntimeerde] heeft – ook in hoger beroep – geen stellingen betrokken die tot de conclusie kunnen leiden dat [appellante sub 2] aansprakelijk kan worden gehouden voor de niet betaalde indexering. Daaraan doet niet af dat zij samen met [appellante sub 1] de onderneming drijft.

3.13.

De grieven 5 en 6 in principaal hoger beroep hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven geen afzonderlijke bespreking. Grief 4 is gericht tegen de proceskostenveroordeling in conventie. Daarop komt het hof hierna terug.

3.14.

Het gedeeltelijk slagen van grief 2 in principaal hoger beroep betekent dat de kantonrechter ten onrechte in reconventie voor recht heeft verklaard dat de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde is geëindigd als gevolg van de opzegging van 13 september 2013.

3.15.

[geïntimeerde] heeft in reconventie in eerste aanleg subsidiair de ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd. Deze door de kantonrechter afgewezen vordering dient het hof, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, thans te bespreken. De door [geïntimeerde] daaraan ten grondslag gelegde omstandigheden zijn: het niet voldoen van de jaarlijkse indexering, het niet voor de eerste van de maand betalen van de huur, het illegaal in gebruik geven van het gehuurde aan [appellante sub 2] en de beledigingen aan het adres van [geïntimeerde] . Dit zijn allemaal omstandigheden die hiervoor onder 3.9 reeds zijn besproken in het kader van de vraag of [geïntimeerde] naar redelijkheid tot de uitoefening van zijn opzeggingsbevoegdheid jegens [appellante sub 1] kon komen, welke vraag het hof ontkennend heeft beantwoord. Daarom moet een en ander eveneens worden aangemerkt als van zodanig geringe betekenis dat de ontbinding met haar gevolgen daardoor niet wordt gerechtvaardigd. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst jegens [appellante sub 1] is daarom niet toewijsbaar.

3.16.

Dit betekent dat in het bestreden vonnis in reconventie de ontruiming van het gehuurde door [appellante sub 1] en (de vanwege [appellante sub 1] in het gehuurde aanwezige) [appellante sub 2] ten onrechte is toegewezen en voorts de in conventie door [appellante sub 1] gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging van 13 september 2013 geen effect heeft en de huurovereenkomst niet eindigt per 31 december 2013 ten onrechte is afgewezen.

In incidenteel hoger beroep

3.17.

Met grief 1 in incidenteel hoger beroep stelt [geïntimeerde] aan de orde dat de kantonrechter ten onrechte geen gebruiksvergoeding heeft toegewezen vanaf de ontbinding tot de ontruiming. De grief faalt reeds omdat de vordering tot ontbinding niet toewijsbaar is en de huurovereenkomst met [appellante sub 1] voortduurt.

3.18.

Hoewel [geïntimeerde] in hoger beroep (mede) heeft geconcludeerd tot toewijzing van al zijn (afgewezen) vorderingen, heeft hij afgezien van na te melden grief 2 met betrekking tot de proceskosten in reconventie, geen grief gericht tegen de afwijzing van de overige vorderingen (waaronder de afwijzing van de gevorderde contractuele boete), zodat het hof aan een beoordeling daarvan niet toekomt.

Kostenveroordeling in conventie en compensatie van kosten in reconventie

3.19.

Grief 4 in principaal hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Nu de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is voor zover het [appellante sub 1] aangaat, zijn zij en (de vanwege haar in het gehuurde aanwezige) [appellante sub 2] ten onrechte in de kosten in conventie veroordeeld. Het hof is van oordeel dat nu partijen in conventie over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, de gedingkosten moeten worden gecompenseerd tussen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds. Voor het overige faalt de grief.

3.20.

Grief 2 in incidenteel hoger beroep betreft de compensatie van proceskosten in reconventie. Nu [appellante sub 1] en [appellante sub 2] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ook in reconventie over en weer in het ongelijk worden gesteld, zijn de proceskosten terecht tussen hen gecompenseerd.

Slotsom in principaal en incidenteel hoger beroep

3.21.

Het bestreden vonnis zal voor zover het ziet op [appellante sub 1] en [appellante sub 2] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds in conventie en in reconventie (voor de duidelijkheid en leesbaarheid van het dictum geheel) worden vernietigd. De door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] in conventie gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, de proceskosten worden gecompenseerd en de overige vorderingen worden afgewezen. De vorderingen in reconventie worden (voor zover deze [appellante sub 1] en [appellante sub 2] aangaan) afgewezen, met dien verstande dat de jegens [appellante sub 1] toegewezen vordering tot betaling van de indexering van € 4.810,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2012 terecht is toegewezen en hierna (als gezegd voor de duidelijkheid) opnieuw zal worden geformuleerd. Ook de – de overwegingen in hoger beroep in aanmerking genomen – terechte compensatie van proceskosten in reconventie wordt voor de duidelijkheid hierna opnieuw geformuleerd.

3.22.

In principaal hoger beroep zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld. De kosten worden daarom gecompenseerd. [geïntimeerde] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het incidenteel hoger beroep te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie, voor zover het is gewezen tussen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de opzegging van 13 september 2013 geen effect heeft gehad en de huurovereenkomst tussen [appellante sub 1] en [geïntimeerde] niet is geëindigd per 31 december 2013;

veroordeelt [appellante sub 1] (hoofdelijk naast [Y] ) tot betaling aan [geïntimeerde] van € 4.810,20 ter zake van onbetaald gebleven indexeringen van de huurprijs, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2012;

compenseert de kosten van het geding in conventie in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

compenseert de kosten van het geding in reconventie in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

compenseert de kosten van het geding in principaal hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep tot op heden aan de zijde van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] begroot op € 1.341,= voor salaris;

verklaart dit arrest met betrekking tot de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in eerste aanleg en in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, J.E. Molenaar en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.