Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5425

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
200.159.251/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur van woonruimte. Hoger beroep aan beslissing van de huurcommissie als bedoeld in art. 7:262. Geen doorberekeningsgrond van het rechtsmiddelenverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.159.251/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 2524684/CV EXPL 13-29046

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2015

inzake

[APPELLANT] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. H.A. Sarolea te Amsterdam,

tegen

STICHTING DUWO,

gevestigd te Delft,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.M. Saelman te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Duwo genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 17 maart 2015 een tussenarrest uitgesproken, waarbij is overwogen dat [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Daarna heeft [appellant] een memorie van grieven genomen, met producties en Duwo een memorie van antwoord (met kennelijk abusievelijk het opschrift conclusie van repliek in oppositie en in reconventie).

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2014 (hierna: het bestreden vonnis) zal vernietigen, zijn vordering alsnog zal toewijzen en die van Duwo alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

Duwo heeft, zo begrijpt het hof, geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep.

Duwo heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.5 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2.

[appellant] heeft van 7 maart 2009 tot en met 31 december 2010 de woning aan de Opaallaan 102 te Hoofddorp (hierna: de woning) van Duwo gehuurd. De woning maakt deel uit van een campus bestaande uit 570 onzelfstandige woningen in tien torens. Tot de betalingsverplichting van [appellant] behoorden de huurprijs en de kosten van bepaalde bijkomende diensten en leveringen (hierna: de servicekosten). De servicekosten bestonden, voor zover hier van belang, onder meer uit de posten ‘Vuilkosten en schoonhouden’ en ‘Huismeester & sociaal beheer’.

2.3.

In totaal was [appellant] op grond van de afrekeningen voor de servicekosten voor de huurperiode in 2009 een bedrag van € 919,06 verschuldigd en voor het jaar 2010 een bedrag van € 1.271,65.

Voor zover hier van belang heeft Duwo [appellant], het volgende in rekening gebracht:

(i) over de huurperiode in 2009 ter zake van vuilkosten en schoonhouden een bedrag van € 88,55 en ter zake van huismeester en sociaal beheer een bedrag van € 68,80,

(ii) over het jaar 2010 ter zake van vuilkosten en schoonhouden een bedrag van € 119,28 en ter zake van huismeester en sociaal beheer een bedrag van € 87,26.

2.4.

[appellant] heeft de huurcommissie verzocht de servicekosten over 2009 en 2010 vast te stellen. Feitelijk betrof het verzoek van [appellant] de hiervoor genoemde posten. Over de overige posten van de servicekosten bestond en bestaat geen geschil.

2.5.

De huurcommissie heeft bij uitspraak van 2 oktober 2012 de servicekosten over 2009 en 2010 vastgesteld, waarbij de afrekeningen van Duwo zijn gevolgd, met uitzondering van de post huismeester en sociaal beheer over de huurperiode in 2009, welke post door de huurcommissie is gesteld op nihil.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1.

[appellant] heeft bij inleidende dagvaarding van 8 februari 2013, met twee producties, gevorderd dat de kantonrechter zijn betalingsverplichtingen ter zake van de servicekosten zal vaststellen op € 883,19 voor de huurperiode in 2009 en op € 1.128,74 voor het jaar 2010, althans op zodanige bedragen als de kantonrechter redelijk voorkomt in het licht van het bepaalde in artikel 7:259 lid 1 BW.

3.2.

De kantonrechter heeft de vordering opgevat als een vordering Duwo te veroordelen tot betaling van € 2.011,93 en heeft Duwo bij verstekvonnis van 23 april 2013 veroordeeld tot betaling van dat bedrag en de kosten van het geding.

3.3.

Duwo heeft tegen het verstekvonnis verzet ingesteld, van antwoord gediend en producties in het geding gebracht. Zij heeft in conventie gevorderd haar te ontheffen van de veroordeling en het bedrag aan servicekosten over 2009 vast te stellen op € 987,86 en over 2010 op € 1.272,65. In reconventie heeft Duwo gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 68,80, welk bedrag zij naar aanleiding van de uitspraak van de huurcommissie aan [appellant] had terugbetaald.

3.4.

Bij vonnis van 20 januari 2014 heeft de kantonrechter beslist op een door [appellant] opgeworpen incident betreffende de niet-ontvankelijk verklaring van Duwo in het ingestelde verzet wegens het te laat instellen daarvan. Deze vordering is afgewezen.

3.5.

Vervolgens zijn in eerste aanleg de volgende stukken gewisseld:

- conclusie van antwoord in oppositie en van antwoord in reconventie, met producties, van [appellant],

- conclusie van repliek in oppositie en in reconventie van Duwo,

- conclusie van dupliek in reconventie van [appellant].

3.6.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie het verzet gegrond verklaard en het verstekvonnis vernietigd, de servicekosten over 2009 en 2010 vastgesteld op € 987,86 respectievelijk € 1.272,65 en [appellant] belast met de gedingkosten. In reconventie is [appellant] veroordeeld tot betaling aan Duwo van € 68,80 met compensatie van de proceskosten.

4 Verdere beoordeling

4.1.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. Alvorens aan de bespreking van de grieven toe te komen, dient het hof te onderzoeken of het beroep van [appellant] op de door hem aangevoerde doorbrekingsgronden daadwerkelijk tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 7:262 lid 2 BW kan leiden. Daartoe overweegt het hof als volgt.

4.2.

[appellant] heeft allereerst gewezen op rechtsoverweging 7 van het bestreden vonnis, onder meer inhoudende dat de kantonrechter bij het wijzen van het vonnis niet beschikte over de inleidende dagvaarding en de daarbij gevoegde uitspraak van de huurcommissie. Daarmee heeft de kantonrechter, aldus [appellant], het fundamentele voorschrift van artikel 24 Rv geschonden, waardoor niet is beslist op al hetgeen [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Ook het uit artikel 6 EVRM en artikel 19 Rv voortvloeiende recht van [appellant] om naar behoren te worden gehoord is op deze wijze geschonden. Daarom heeft de kantonrechter essentiële voorschriften en fundamentele beginselen van een goede procesorde geschonden. Dit moet leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod, aldus nog steeds [appellant].

4.3.

Vooropgesteld wordt dat het geen betoog behoeft dat de rechter die oordeelt over een ingesteld verzet tegen een verstekvonnis, zijn overwegingen en beslissing in beginsel dient te baseren op alle gedingstukken, waaronder de dagvaarding waarmee het geding is ingeleid. Dat de omstandigheid dat die dagvaarding bij het wijzen van vonnis heeft ontbroken er zonder meer toe leidt dat de fundamentele beginselen van de goede procesorde zijn geschonden, is echter een stelling die niet als juist kan worden aanvaard. Of dit zo is hangt af van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval.

4.4.

Het hof is van oordeel dat het ontbreken van de inleidende dagvaarding van [appellant] – welk stuk met producties in hoger beroep wel bij de processtukken is gevoegd – in dit geval geen te honoreren beroep op een doorbrekingsgrond oplevert. Partijen hebben immers in de verzetprocedure, met vorderingen in conventie en in reconventie die onlosmakelijk met elkaar waren verbonden, gelegenheid gekregen uitvoerig te debatteren over het geschil en de oorspronkelijke vordering in kwestie, waarbij [appellant] nog twee conclusies heeft kunnen nemen. Een materiële schending van het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook niet aan de orde. De standpunten van [appellant] en zijn vordering zijn in volle omvang aan de kantonrechter ter kennis gebracht en onderwerp en uitgangspunt geweest van zijn overwegingen en beslissing. Dit volgt ook uit rechtsoverweging 10 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter onder meer het volgende heeft overwogen: (…) [appellant] heeft kennelijk in de dagvaarding van 8 februari 2013 ook betoogd dat de vuilstortplaats door derden wordt gebruikt en dat hij niet wil bijdragen aan de daarmee verbonden kosten. Nu hij die stellingen niet bij antwoord in oppositie en bij dupliek in reconventie heeft ingenomen, wordt het ervoor gehouden dat hij ze niet handhaaft. Het geschil gaat dan alleen over de kosten van het ophalen en het transport van grof huishoudelijk afval naar een afvalverwerker. (…)’ De kantonrechter heeft daarbij, kennelijk in het licht van de inhoud van de verzetdagvaarding en de conclusie van repliek in oppositie en in reconventie van Duwo, geoordeeld dat het op de weg van [appellant] had gelegen zich expliciet uit te laten over de handhaving van zijn desbetreffende stelling die hij in de inleidende dagvaarding had betrokken en nu dat in de beide door hem genomen conclusies niet was gebeurd, daaruit de conclusie getrokken dat [appellant] die stelling niet heeft gehandhaafd. Een en ander in onderling verband en samenhang beziend, is het hof van oordeel dat [appellant] aan het inroepen van deze doorbrekingsgrond onvoldoende concrete feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In het bijzonder had hij gelet op het voorgaande behoren toe te lichten in welk opzicht hij door het ontbreken van de inleidende dagvaarding ten tijde van de vonniswijzing in eerste aanleg in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Dat heeft [appellant] echter nagelaten. Zijn stellingen kunnen aldus niet leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod.

4.5.

[appellant] heeft ten slotte aangevoerd dat de kantonrechter de huurovereenkomst onjuist heeft uitgelegd en daarom de ‘vuilkosten’ ten onrechte heeft aangemerkt als ‘servicekosten’ ten aanzien waarvan hij bevoegd is op grond van artikel 7:262 BW een uitspraak te doen. Hieraan verbindt [appellant] de conclusie dat de kantonrechter artikel 7:262 BW ten onrechte heeft toegepast.

4.6.

Ook deze stelling kan [appellant] niet baten. Zoals hiervoor is aangevoerd, is in deze procedure aan de orde de door hem, na de uitspraak van de huurcommissie, van de kantonrechter gevorderde beslissing over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, als bedoeld in artikel 7:262 lid 1 BW. Als gevolg van het bepaalde in dat artikellid was de uitspraak van de huurcommissie niet bindend. Partijen hebben over en weer gevorderd dat de kantonrechter de servicekosten op de door ieder van hen voorgestelde wijze zou vaststellen. Daarbij diende de kantonrechter de huurovereenkomst uit te leggen. Die uitleg kon er toe leiden dat de kosten verbonden aan het inzamelen van het grof vuil hetzij niet (zoals [appellant] bepleitte), hetzij wel (zoals Duwo voorstond) onder de servicekosten vielen. Het gaat hierbij dus om een inhoudelijke beslissing. De omstandigheid dat de kantonrechter de huurovereenkomst niet op de door [appellant] gewenste wijze heeft uitgelegd kan derhalve niet tot de conclusie leiden dat de kantonrechter artikel 7:262 BW ten onrechte heeft toegepast.

4.7.

De conclusie van het voorgaande is dat het rechtsmiddelenverbod van artikel 7:262 lid 2 BW van toepassing is en dat [appellant] geen gronden heeft aangevoerd die moeten leiden tot doorbreking daarvan. De grieven kunnen daarom onbesproken blijven en het hoger beroep wordt verworpen.

4.8.

[appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij belast met de kosten van het hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Duwo begroot op € 704,= aan verschotten en € 1.341,= voor salaris;

Dit arrest is gewezen door mrs. C. Uriot, R.J.M. Smit en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.