Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5383

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.108.306/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 11 november 2014. Ook in hoger beroep wordt wijlen de oorspronkelijke gedaagde in conventie geslaagd geacht in het hem opgedragen bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.108.306/01

zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland: 166629 / HA ZA 10-238

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2015

inzake

[appellante],

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellante,

advocaat: mr. E.A.J. Verschuur-van der Voort te Bloemendaal,

tegen

de erven van [X],

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. Ch.M. de Ruiter Kardol te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellante] en de erven [X] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 11 november 2014 een tussenarrest (hierna: tussenarrest) uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Ingevolge het tussenarrest heeft [appellante] op 28 januari 2015 een getuige doen horen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is bij de gedingstukken gevoegd.

De erven [X] hebben hierna een memorie na enquête genomen, en daarbij nog bewijsstukken in het geding gebracht.

[appellante] heeft eveneens een memorie na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest is het getuigenverhoor aan de zijde van [appellante] heropend en is zij in de gelegenheid gesteld alsnog als getuige - in contra-enquête - te doen horen [A] (hierna: [A] ).

2.2

Het verhoor van [A] heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015.

2.3

Naar in het tussenarrest reeds is overwogen strekken de grieven ertoe te betogen dat van een kwijtschelding van de verstrekte lening nimmer sprake is geweest en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [X] ter zake is geslaagd in zijn bewijsopdracht.

2.4

Op grond van de inhoud van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen van [B ] (hierna: [B ] ) en [X] , in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof ook na de in hoger beroep alsnog afgelegde getuigenverklaring van [A] met de rechtbank van oordeel dat (wijlen) [X] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

2.5

Uit de afgelegde getuigenverklaringen blijkt dat op 18 december 2009 een bespreking heeft plaatsgevonden op het kantoor van [B ] in het kader van de echtscheidingsprocedure tussen [X] en [A] en dat bij die bespreking naast [B ] aanwezig waren, [X] , [A] en [appellante] . [B ] heeft als getuige verklaard dat [appellante] bij die gelegenheid heeft verklaard dat [X] “er buiten gelaten zou worden”, daarmee erop doelend dat [X] de lening van € 42.000,= niet meer behoefde terug te betalen aangezien die kwestie zou worden opgelost door de polissen op naam van [appellante] te zetten. De polissen vertegenwoordigden een bedrag dat ongeveer gelijk was aan de lening, aldus [B ] . Volgens [B ] was het voor iedereen duidelijk dat [X] ongemoeid zou worden gelaten na omzetting van de polissen. Voorts heeft [B ] verklaard dat hij medio januari 2010 de polissen heeft gezien en dat deze op naam van [appellante] stonden, hetgeen voor hem een bevestiging was van de gemaakte afspraak en dat deze inmiddels was uitgevoerd. De verklaring van [B ] is gedetailleerd, consistent en - nu niet is gebleken dat hij enig belang heeft bij de afloop van de procedure - betrouwbaar. De verklaring van [X] die ingevolge artikel 164, tweede lid, Rv strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs, strookt met de verklaring van [B ] zodat ook deze kan bijdragen tot het bewijs. Ook [X] heeft immers verklaard dat hij ongemoeid zou worden gelaten omdat de lening zou worden afgelost met de waarde van de polissen.

2.6

De getuige [A] heeft in hoger beroep weliswaar verklaard dat [appellante] tijdens het gesprek op 18 december 2009 niet heeft gezegd dat [X] de lening van € 42.000,= niet meer hoefde terug te betalen, maar deze verklaring die - gelet op het financiële belang dat [A] heeft bij de afloop van de procedure ˗ met de nodige behoedzaamheid moet worden gewogen, legt tegenover de verklaringen van [B ] en [X] onvoldoende gewicht in de schaal. Zo valt niet te begrijpen dat - zoals [A] heeft verklaard - de polissen die ook onderwerp van verdeling waren, na de bespreking van 18 december 2009 zijn overgezet op naam van [appellante] zonder dat [X] daarop aanspraak heeft gemaakt. Het hof acht aannemelijk dat [X] zijn aanspraak op de waarde van de polissen heeft prijsgegeven omdat daartegenover stond dat hij niet meer aangesproken zou worden op terugbetaling van de lening waarvan de waarde ongeveer gelijk was aan de waarde van de polissen, zoals dit laatste ook door de [appellante] en [A] is verklaard. De omstandigheid dat van een en ander geen aantekening is gemaakt in de notulen van de bespreking van 18 december 2009 doet aan het voorgaande niet af nu [B ] heeft verklaard van verslaglegging te hebben afgezien.

2.7.

De verklaring van [appellante] acht het hof niet geloofwaardig nu [appellante] heeft verklaard dat tijdens de bespreking op 18 december 2009 niet is gesproken over de polissen bij Nationale Nederlanden, welke verklaring haaks staat op de verklaringen van [B ] en [X] , en bovendien niet strookt met de verklaring van [A] . Laatstgenoemde heeft immers verklaard dat tijdens de bespreking van 18 december 2009 onder meer de verdeling conform de opstelling van [C] en [D] aan de orde is geweest en dat in die opstelling ook de polissen stonden vermeld.

2.8

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de erven [X] begroot op € 666,= aan verschotten en € 6.524,= voor salaris;

verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, L.A.J. Dun en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.