Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:528

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2015
Datum publicatie
23-02-2015
Zaaknummer
23-000269-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Kwast, bewezenverklaring verkoop van cocaïne in Amsterdam zonder bewijs concrete transactie. Bewijs afgeleid uit deelname aan auto/scooterbezorgdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000269-13

datum uitspraak: 23 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2012 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-676512-10 en 13-676231-12 tegen

[verdachte] ,

geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2014, 21, 22 en 26 januari 2015 en 9 februari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak A met parketnummer 13-676512-10:
onder 1:
hij op of omstreeks 26 november 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 22,2 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

onder 2:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 26 november 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt (aan een of meer kopers/gebruikers van verdovende middelen) of vervoerd en/of voorhanden heeft gehad (telkens) (een) hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne en/of XTC en/of MDMA, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materiaal/materialen bevattende cocaïne en/of XTC en/of MDMA, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

onder 3:
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot en met 26 november 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie - gevormd door (onder meer) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of[medeverdachte 9] en/of[medeverdachte 10] en/of[medeverdachte 11] en/of[medeverdachte 12],

welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en/of XTC (MDMA), in elk geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of het (telkens) telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of leveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een grote hoeveelheid hennepplanten, in elk geval van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

welke deelneming bestond in het (al dan niet samen met een of meer andere deelnemers aan die organisatie):

- ontwikkelen van plannen om een of meer van vorenbedoelde misdrijven te begaan en/of

- het (telkens) inkopen van cocaïne en/of XTC en/of

- afgeven van die cocaïne en/of XTC aan de voor de organisatie werkende verkopers (runners) en/of

- het ter beschikking stellen van een mobiele telefoon aan die verkopers van cocaïne en/of XTC

- het ter beschikking stellen van een woning voor het verbergen van criminele voorwerpen en/of voor de voortgang van de handel in cocaïne en/of XTC

- het maken van dienstroosters ten behoeve van de verkopers van verdovende middelen.

- ( doen) regelen en/of beschikbaar (doen) stellen van lokaties en/of ruimten voor het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennepplanten en/of het (laten) verbouwen en/of inrichten van die ruimten ten behoeve van het kweken van hennepplanten en/of

- op grote schaal (doen) inkopen van hennepplanten en/of andere materialen bestemd voor het kweken van hennepplanten en/of

- ( doen) geven van aanwijzingen en/of opdrachten aan beheerders van hennepkwekerijen met betrekking tot het beheer van die hennepkwekerijen en/of

- hebben/onderhouden van (al dan niet versluierde) telefonische en directe contacten met een of meer andere deelnemers aan die organisatie en/of kopers en/of verkopers (runners) van cocaïne en/of XTC en/of met beheerders van hennepkwekerijen, in verband met het voorbereiden en/of plegen van een of meer van die misdrijven en/of

- ( mede)plegen van een of meer genoemde misdrijven en/of

- ( doen) betalen van geldbedragen en/of in het vooruitzicht stellen van gunsten aan een of meer deelnemers van die organisatie en/of beheerders van hennepkwekerijen voor door hen gemaakte onkosten en/of verrichte werkzaamheden.


Zaak B met parketnummer 13-676231-12 (gevoegd):
onder 1:
hij op of omstreeks 8 juni 2010, in elk geval op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 8 juni 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 423, althans 175, in elk geval een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

onder 2:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 8 juni 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een) hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit (tot een totaal van ongeveer 21.940 kWh), geheel of ten dele toebehorend aan Liander NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) die weg te nemen electriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op verbreking van de (verzegeling van de) meterkast.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het hof de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep zal uitspreken, nu voor het openbaar ministerie enig rechtens te beschermen belang bij dit beroep ontbreekt. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het verschil tussen de eis in eerste aanleg en het vonnis van de rechtbank niet groot was, de verdediging welbewust heeft afgezien van hoger beroep en de verdediging het parket en het ressortsparket meermalen schriftelijk en gemotiveerd heeft verzocht van het (doorzetten van het) hoger beroep af te zien, op welk verzoek afwijzend is gereageerd, en het ter terechtzitting in hoger beroep eisen van een hogere straf is aangekondigd, terwijl de eis in hoger beroep gelijk was aan de straf die de rechtbank had opgelegd.

Het hof overweegt hieromtrent dat hetgeen is aangevoerd niet, en zeker niet zonder meer, kan leiden tot het door de raadsman bepleite rechtsgevolg.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat de advocaat-generaal bewezenverklaring heeft gevorderd van het deelnemen aan een criminele organisatie als het gaat om het exploiteren van hennepkwekerijen, van welk feit de rechtbank de verdachte had vrijgesproken. Reeds om die redenen kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie geen belang heeft bij het hoger beroep. Dat de advocaat-generaal terechtzitting in hoger beroep uiteindelijk een eis heeft gevorderd die gelijk was aan de straf die de rechtbank heeft opgelegd, maakt dat niet anders. Het verweer wordt verworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman heeft het hof - kort gezegd en onder verwijzing naar de jurisprudentie - verzocht om de vrijspraak van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde in stand te laten wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ook heeft hij verzocht de vrijspraak voor het in zaak A onder 3 betreffende de hennep in stand te laten. Ten aanzien van de overige feiten is geen verweer gevoerd.

Het hof overweegt omtrent het bewijs als volgt.

Verkoop van harddrugs (zaak A onder 2)

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het feit dat niet kan worden vastgesteld wanneer en waar individuele transacties hebben plaatsgevonden, noch op welke hoeveelheid verdovende middelen deze transacties betrekking hadden, niet aan een bewezenverklaring van de verkoop van harddrugs in de ten laste gelegde periode in de weg hoeft te staan en dat het door de rechtbank gehanteerde criterium onjuist is. Indien de inhoud van de bewijsmiddelen voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat in een bepaalde periode verkopen van verdovende middelen hebben plaatsgevonden en dat de verdachte daartoe nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt, is voor de vaststelling dat de verdachte het verkopen van harddrugs heeft medegepleegd niet nodig dat de bewezenverklaring (mede) gedragen wordt door bewezenverklaarde afzonderlijke transacties.

In het onderhavige onderzoek spelen naast de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken de verklaringen van één of meer getuigen en een medeverdachte een belangrijke rol. Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat de medeverdachten[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]een bestel- en bezorgdienst voor harddrugs, te weten cocaïne, gedurende een langere periode in werking hebben gehouden. Door die bezorgdienst werden hoeveelheden cocaïne bezorgd en verkocht aan een aanzienlijk aantal kopers. Het feitelijke vervoeren en bezorgen van die cocaïne geschiedde door de verdachte en een aantal van zijn medeverdachten in opdracht van de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De bewijsmiddelen geven, in samenhang bezien, een voldoende betrouwbaar en scherp beeld van de feitelijke gang van zaken, de bijdrage van de verdachte daaraan en de rolverdeling in relatie tot andere betrokkenen.

Uit het dossier blijkt naar het oordeel van het hof het volgende.

Uit het proces-verbaal van relaas van het onderzoek van de politie (dat met name is gebaseerd op taps, observaties en verklaringen van kopers) komt naar voren dat de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] cocaïne distribueerden door gebruikmaking van medewerkers van de ‘scooter/auto bezorgdienst’, hierna ook wel verkopers genoemd. Degenen die deel uit maakten van deze scooter/auto bezorgdienst kregen de beschikking over een telefoon (hierna: ‘de werktelefoon’), waarop kopers hen konden bereiken en een bestelling konden doorgeven. De dienstdoende verkoper leverde vervolgens de cocaïne bij de desbetreffende koper af op een plek die de koper en de verkoper met elkaar hadden afgesproken. Uit de stukken in het dossier is gebleken dat de werktelefoon zeven dagen per week van 11.00 uur tot 04.00 uur bereikbaar was en dat de verkopers werkten in twee diensten: van 11.00 tot 19.00 uur en van 19.00 tot 04.00 uur. De overdracht van de werktelefoon vond plaats rond 19.00 uur.

Uit diverse tapgesprekken blijkt van het bestaan van die werktelefoon en het wisselen van diensten tussen de verkopers, waarbij de werktelefoon werd overgedragen aan de opvolgende verkoper. Naar aanleiding van gesprekken over de werktelefoon werden een aantal concrete transacties geobserveerd tussen de dienstdoende verkoper en een koper, waarbij de koper na aanhouding in het bezit bleek van cocaïne. Zo ook op 2 november 2010 toen [koper 1] en [koper 2] na contact met de werktelefoon ([nummer 1]) zijn aangehouden. Beiden waren in het bezit van cocaïne waarover zij verklaarden dat zij die cocaïne zojuist (van een verkoper) hadden gekocht. Direct na zijn vrijlating adviseerde [koper 2] de dienstdoende verkoper ([medeverdachte 11]) telefonisch de werktelefoon weg te doen. Het sms-bericht van 3 november 2010 (ontvangen op de 1e werktelefoon), inhoudende: “Goedenavond de scooter/auto bezorgdienst heeft een nieuw nummer: [nummer 2] het oude nummer wat met 061921 begint kan eruit.”, is in dit verband veelzeggend.

Het hof stelt vast dat het telefoonnummer [nummer 1], dat het hof verder zal aanduiden als de 1e werktelefoon, tot 3 november 2010 actief was, en dat het telefoonnummer [nummer 2], dat het hof verder zal aanduiden als de 2e werktelefoon, vanaf 3 november 2010 in gebruik was.

Uit het proces-verbaal van analyse 1e werktelefoon blijkt dat in een periode van 32 dagen sprake was van honderden geregistreerde contacten met de eerste werktelefoon. Uit het proces-verbaal van analyse 2e werktelefoon blijkt dat in de periode van 24 dagen dat de tweede werktelefoon werd getapt hetzelfde patroon zichtbaar was.

Op 26 november 2010 zijn diverse personen aangehouden en zijn doorzoekingen gedaan. Gebleken is dat de verdachte op het moment van aanhouding in het bezit was van de 2e werktelefoon ([nummer 2]) en van 22,2 gram cocaïne (in 37 papiertjes) en 10 MDMA-pillen. De [medeverdachte 1] was op dat moment in het bezit van vier kleine en vier grote wikkels cocaïne en in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2], waar ook de medeverdachte Van de Erf verbleef, werd een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne en MDMA-pillen aangetroffen.

De bevindingen omtrent de bestel- en bezorgdienst vinden (onder meer) steun in de verklaringen van [koper 3] (koper) en [medeverdachte 9] (werkzaam voor de ‘scooter/auto bezorgdienst’).

Uit voornoemde bevindingen, feiten en omstandigheden, alsmede uit de overige bewijsmiddelen, leidt het hof af dat dagelijks meerdere malen via de werktelefoon bestellingen van cocaïne werden gedaan en dat die bestellingen in veel gevallen werden gevolgd door de verkoop van die harddrugs. Het hof is van oordeel dat op grond hiervan, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, eveneens als vaststaand kan worden aangenomen dat degenen die voor de bestel- en bezorgdienst actief waren, tijdens hun diensten meermalen cocaïne hebben verkocht. Het hof acht niet bewezen dat ook sprake is geweest van de verkoop van MDMA-pillen. Weliswaar zijn dergelijke pillen aangetroffen bij de verdachte en bij de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], maar nu geen van de door de politie en de rechter-commissaris gehoorde getuigen heeft verklaard MDMA-pillen van de scooter/auto-bezorgdienst te hebben gekocht en deze pillen evenmin door de politie bij de diverse aanhoudingen van kopers zijn aangetroffen, zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van de verdachte geldt het volgende.

Het hof acht, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat de verdachte als verkoper voor deze bestel- en bezorgdienst heeft gewerkt en dat hij aan deze kopers cocaïne heeft verkocht. Ook uit de werkwijze van de ‘auto/scooterbezorgdienst’ kan worden afgeleid dat medewerkers van die dienst cocaïne verkochten, zoals hiervoor overwogen. De rol van de verdachte kan worden gekwalificeerd als medeplegen, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij deze feiten gezamenlijk met anderen, in het bijzonder met de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], heeft uitgevoerd, waarbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten.

Het hof acht het aan de verdachte in zaak A onder 2 ten laste gelegde feit dan ook bewezen.

Criminele organisatie (zaak A onder 3)

Het hof leidt uit het voorgaande tevens af dat tussen de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] enerzijds en de medewerkers van de ‘auto/scooterbezorgdienst’ (onder wie ook de verdachte) anderzijds een samenwerkingsverband bestond dat een duurzaam karakter had en dat gestructureerd van aard was. Uit de verklaringen van diverse kopers blijkt dat zij gedurende een langere periode, variërend van enkele maanden tot wel anderhalf jaar, harddrugs van deze organisatie kochten. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de organisatie heeft bestaan in de periode 1 januari 2010 tot 26 november 2010. Dit duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband had - kort gezegd - de handel in harddrugs als oogmerk. Het hof acht niet bewezen dat de organisatie zich bezig hield met de hennepteelt en zal de verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren de leiders van deze organisatie. Zij beheerden en distribueerden de verdovende middelen, zij gaven werkinstructies aan de medewerkers van de auto/scooterbezorgdienst, hielden zich bezig met het dienstrooster en betaalden de verkopers hun ‘salaris’. De dienstdoende verkoper bemande de werktelefoon en leverde vervolgens de harddrugs bij de koper op een afgesproken plek af. Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als verkoper aan bovenstaande criminele organisatie heeft deelgenomen. Het bewijs van het (dubbele) opzet van de verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie, als op het oogmerk van deze organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen hiervoor over de rol van de verdachte is overwogen.

Het hof merkt nog op dat, gelet op het hiervoor overwogene, vaststaat dat de onderhavige criminele organisatie heeft bestaan in de periode 1 januari 2010 tot 26 november 2010, dat de verdachte enige tijd aan die organisatie heeft deelgenomen en dat hij zich zodoende schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - de handel in harddrugs. De stukken in het dossier bieden geen aanknopingspunten ten aanzien van het moment waarop de verdachte lid is geworden van die organisatie noch ten aanzien van het moment waarop hij harddrugs is gaan verkopen. De verdachte heeft daaromtrent geen uitsluitsel gegeven.

Het hof gaat er aldus vanuit dat de verdachte zich binnen de periode dat de organisatie heeft bestaan schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 1, 2 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-676231-12) onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A (met parketnummer 13-676512-10)

onder 1:
hij op 26 november 2010 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22,2 gram cocaïne;

onder 2:
hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 26 november 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk cocaïne heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt of vervoerd en voorhanden heeft gehad;

onder 3:
hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 26 november 2010 te Amsterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, gevormd door onder meer[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]en [medeverdachte 4] en [verdachte] en [medeverdachte 5] en[medeverdachte 6] en[medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en[medeverdachte 11] en [medeverdachte 12]

die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne,

welke deelneming bestond in het al dan niet samen met een of meer andere deelnemers aan die organisatie:

- hebben van al dan niet versluierende telefonische en directe contacten met een of meer andere deelnemers aan die organisatie en/of kopers en/of verkopers van cocaïne, in verband met het voorbereiden en/of plegen van een of meer van die misdrijven en

- het (mede)plegen van genoemde misdrijven.

Zaak B met parketnummer 13-676231-12 (gevoegd):

onder 1:
hij op 8 juni 2010 opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan Laan van Vlaanderen 227 een hoeveelheid van ongeveer 423 hennepplanten;

onder 2:
hij in de periode van 1 mei 2009 tot en met 8 juni 2010 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit (tot een totaal van ongeveer 21.940 kWh), toebehorend aan Liander NV, waarbij hij, verdachte, die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van de verzegeling van de meterkast.

Hetgeen in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 1, 2 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-676231-12) onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 1, 2 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-676231-12) onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 3 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid en vierde lid, van de Opiumwet.

Het in zaak B (met parketnummer 13-676231-12) onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in zaak B (met parketnummer 13-676231-12) onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 1, 2 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-676231-12) onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak A onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en hem voor het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een werkstraf voor de duur van 240 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 4 maanden hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat hij voor het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk en een werkstraf voor de duur van 240 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door vier maanden hechtenis, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 22,2 gram cocaïne. Ook heeft hij zich in de periode van 1 januari 2010 tot 26 november 2010 samen met anderen schuldig gemaakt aan - kort gezegd - de handel in cocaïne en deelneming aan een criminele organisatie, die was gericht op deze handel. Daarbij is van belang dat het, gelet op de werkzame periode van de bestel- en bezorgdienst en de dekkingsgraad van de werktelefoon (zeven dagen per week van 11.00 tot 04.00 uur) in combinatie met het (gedurende bepaalde periodes gemeten) aantal geregistreerde contacten, waarvan het hof hiervoor al heeft vastgesteld dat bestellingen in de meeste gevallen ook door de verkoop van die drugs zijn gevolgd, hier gaat om de verspreiding van, en handel in aanzienlijke hoeveelheden harddrugs in Amsterdam. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers ervan zeer schadelijke stof. De verspreiding van, en handel in deze stof wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan die stof.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hennepplantage met in totaal 423 hennepplanten in de door hem gehuurde woning op het [adres] te Amsterdam. Hennep is een stof die verslavend werkt en nadelig kan zijn voor de volksgezondheid. Ten behoeve van die hennepplantage heeft de verdachte elektriciteit gestolen. Dergelijk handelen leidt tot financiële schade voor de elektriciteitsmaatschappij.

Het hof heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 januari 2015 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van rapportages betreffende de verdachte, te weten:

  • -

    een reclasseringsadvies (beknopt) van Jellinek van 29 november 2010;

  • -

    een reclasseringsadvies van Inforsa van 1 maart 2011;

  • -

    een reclasseringsadvies(beknopt) van Inforsa van 23 mei 2012.

Hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank, acht het, alles afwegende, oplegging van na te melden straf passend en geboden. In hetgeen door de raadsman overigens is aangevoerd kan, met inachtneming van het vorenstaande, geen grond worden gevonden voor het opleggen van een straf die lager is dan die hieronder is aangegeven.

Het hof constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Immers, tussen het instellen van het hoger beroep op 3 juli 2012 en het wijzen van arrest door het hof op 23 februari 2015 is een periode verstreken van twee jaren en bijna acht maanden.

Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat de verdachte ruim drie maanden in voorarrest heeft doorgebracht en dat hij, blijkens het door de raadsman overgelegde afloopbericht werkstraf, de in deze zaak door de rechtbank aan hem opgelegde werkstraf voor de duur van 240 uur zonder aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onverplicht volledig heeft uitgevoerd doordat het bericht van het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep de verdachte, noch de reclassering tijdig had bereikt. Hierdoor is de verdachte in zekere zin dubbel bestraft. Het hof zou zonder even genoemde constateringen, alle overige omstandigheden in aanmerking nemende, naast een werkstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte hebben opgelegd. Gelet op voornoemde constateringen zal het hof evenwel afzien van het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is van oordeel dat de verdachte de door het hof op te leggen werkstraf zoals hieronder vermeld, de facto reeds heeft uitgevoerd en acht het geboden te voorkomen dat de verdachte nogmaals een werkstraf zou moeten verrichten. Weliswaar kan het hof de reeds gewerkte uren niet van die werkstraf aftrekken, maar door aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal hetzelfde resultaat worden bereikt, te weten dat de verdachte de taakstraf niet opnieuw hoeft uit te voeren. Nu de verdachte 96 dagen in voorarrest heeft doorgebracht, zal het hof, hoewel het de uitgevoerde 240 uur op zichzelf beschouwd passend en geboden acht, volstaan met het opleggen van een werkstraf van 190 uur.

Beslag

Uit de stukken in het dossier blijkt dat onder de verdachte een [personenauto] in beslag is genomen. Het hof kan uit de stukken in het dossier niet achterhalen wat er met die personenauto is gebeurd. De rechtbank heeft ter zake in ieder geval geen beslissing genomen. Indien en voor zover dit nog niet is geschied, zal het hof de teruggave van die personenauto aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 1, 2 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-676231-12) onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A (met parketnummer 13-676512-10) onder 1, 2 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-676231-12) onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 190 (honderdnegentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 95 (vijfennegentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een [personenauto].

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. G. Oldekamp en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 februari 2015.

Mr. Lolkema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.