Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5261

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
200.178.351/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek op de grond dat de voorzitter verzoeker ter zitting geen (voldoende) gelegenheid heeft gegeven zijn standpunt toe te lichten, wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer : 200.178.351/01

beslissing van de wrakingskamer van 15 december 2015

inzake het ter zitting van 9 oktober 2015 gedane verzoek door

[X],

wonend te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: P.M.J. Graus te Heerlen.

1 Het geding

Het verzoek tot wraking is mondeling gedaan op 9 oktober 2015 tijdens de besloten terechtzitting van het gerechtshof Den Haag in de familiezaak met zaaknummer [nummer] . Van voornoemde zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat deel uitmaakt van het dossier in de wrakingszaak.

Bij beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag van 13 oktober 2015 is de wrakingszaak ter verdere behandeling verwezen naar dit hof.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. C.M. Warnaar, raadsheer in het gerechtshof Den Haag en voorzitter van de meervoudige kamer die op 9 oktober 2015 voormelde zaak behandelde (hierna ook: de voorzitter). De voorzitter heeft in een brief van 17 november 2015 te kennen gegeven dat zij niet berust in het wrakingsverzoek en heeft daarin een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven.

De mondelinge behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek is bepaald op 25 november 2015 om 11:00 uur. Daarbij is verzoeker verschenen, die het verzoek nader heeft toegelicht.

Verzoeker heeft ter zitting om aanhouding van de behandeling van het wrakingsverzoek verzocht opdat de wrakingskamer de voorzitter zou oproepen ter zitting aanwezig te zijn. Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat hij ter zitting van 9 oktober 2015 ook mrs. Sutorius-Van Hees en Kok heeft gewraakt en ook op die grond om aanhouding verzocht. De wrakingskamer heeft het aanhoudingsverzoek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek afgewezen.

2 Beoordeling

2.1

Het gaat hier, voor zover van belang, om het volgende.

2.1.1

De hoofdzaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan (zaaknummer [nummer] ) betreft een door verzoeker ingesteld hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag (rekestnummer [nummer] , zaaknummer [nummer] ) van 22 april 2015 waarbij de twee minderjarige kinderen van verzoeker - uitvoerbaar bij voorraad - van 22 april 2015 tot 22 april 2016 onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Zuid zijn gesteld.

2.1.2

Op 9 oktober 2015 is de hoofdzaak in hoger beroep ter besloten terechtzitting behandeld. Het proces-verbaal luidt, voor zover relevant, als volgt:

“(..)

De voorzitter legt de gang van zaken uit.

(..)

Na de schorsing:

De voorzitter: Het hof heeft geen nadere vragen. Iedereen krijgt nog de gelegenheid om iets naar

voren te brengen. Ik begin bij de vader.

De vader: De raad heeft gezegd dat de kinderen in de verdrukking komen. Waar kun je dat aan

zien ? Dat zegt de raad uit deze regio. Uit welke reacties blijkt dat dan, welke opmerkingen worden

door de kinderen gemaakt?

De voorzitter: Mij viel bijvoorbeeld op in het rapport van de raad, sorry overigens dat ik u

onderbreek, dat [minderjarige] bijvoorbeeld zegt tegen de moeder: “sorry dat ik weer naar papa ben

geweest” en dat hij tegen u zegt: “sorry dat ik zo lang niet geweest ben”. Dergelijke opmerkingen

vind ik heel zorgelijk.

De vader: Die tweede uitspraak heeft [minderjarige] niet gedaan.

De raad [voor de Kinderbescherming te Maastricht, wrakingskamer]: Dat is heel zorgelijk. Dat zijn uitspraken die kinderen doen als ze in een loyaliteitsconflict zitten. Als je de toon ook ziet in het beroepschrift van de vader. Er is sprake van een hele negatieve sfeer naar moeder toe. Dat is beschadigend voor de kinderen. Dan accepteer je de identiteit van de kinderen niet.

De vader: Ik wil akte van het feit dat de raad zegt dat de kinderen beschadigd worden omdat ze in

de verdrukking komen.

De raad: De toon in het beroepschrift is weinig respectvol naar moeder. Er zijn zorgen ontstaan

over wat de vader de kinderen eventueel mee geeft tijdens de bezoekmomenten.

De vader: Dan moet u ingrijpen. Als moeder....

De voorzitter: We gaan niet in discussie.

De vader: U kijkt niet naar het probleem. Daar zit de toneelspeler.

De voorzitter: Ik vind het vervelend dat u telkens naar mensen wijst.

De vader: Ik ben Italiaans en in Italië is dat gewoonte. De gecertificeerde instelling doet er niets mee. Ik vraag nu schorsing.

De voorzitter: Nee, u heeft het laatste woord.

De vader: Ik zit hier als vader. U bent niet onpartijdig. Ik wraak u.

De voorzitter: Dan stop ik deze behandeling. Wat is de reden voor wraking?

De vader: U houdt mij voortdurend kort terwijl ik …..

De voorzitter: Dit gaat te snel, ook voor de griffier. Kunt u herhalen wat voor u de reden is voor wraking?

De vader: Dat heb ik net gezegd.

De voorzitter: Het ging te snel. Kunt u het herhalen?

De vader: Ik heb het net al gezegd.

De oudste raadsheer: Het ging te snel. We verzoeken u te herhalen wat de reden is voor wraking.

De vader: U houdt mij voortdurend kort. Er worden verhalen verteld en u slikt het als zoete koek. Ik wil weten waarom mijn kinderen volgens de raad in de verdrukking komen en wil voorbeelden horen.
U houdt mij kort en ik krijg geen kans om het evenwicht te herstellen. U heeft uw mening al gevormd. Heb ik het nu duidelijk gemaakt? Ik wraak alleen de voorzitter.”

2.2

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker een toelichting gegeven op de gang van zaken ter zitting van 9 oktober 2015 en op de gronden van zijn wrakingsverzoek. Volgens verzoeker bevat het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2015 vele onjuistheden. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij in de hoofdzaak wordt tegengewerkt door de moeder van zijn kinderen en door de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht (hierna: de raad) en Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Zuid (hierna: Bureau Jeugdzorg). Met laatstgenoemde instanties heeft verzoeker als advocaat meerdere negatieve ervaringen opgedaan vanwege een verschil in inzicht en aanpak van familiezaken. Deze instanties zien, nu het verzoeker persoonlijk betreft, hun kans schoon om verzoeker “terug te pakken”. De door deze instanties opgemaakte rapportages geven een onjuiste weergave van de werkelijkheid. Verzoeker wilde het voorgaande ter zitting van 9 oktober 2015 graag aan het hof kenbaar maken maar kreeg daartoe geen althans onvoldoende gelegenheid. Hiermee heeft de voorzitter tenminste de schijn gewekt niet geïnteresseerd te zijn in het standpunt van verzoeker en dat zij haar oordeel reeds (ten nadele van verzoeker) had gevormd, aldus verzoeker.

2.3

De voorzitter heeft in haar schriftelijke reactie aangevoerd dat zij geen blijk heeft gegeven van partijdigheid. De voorzitter heeft vermeld dat zij bij aanvang van de zitting aan betrokkenen heeft aangegeven hoe het verloop van de zitting zou zijn, zoals dat gebruikelijk is bij het hof, en dat de zitting op 9 oktober 2015 ook volgens dit stramien is verlopen. Dit houdt in dat de belanghebbenden de gelegenheid krijgen een toelichting te geven op hun standpunt en dat vervolgens door de raadsheren vragen worden gesteld. Er is een schorsing waarin het hof in raadkamer beziet of alle informatie voorhanden is. Na de schorsing worden de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om nog kort een reactie op de toelichting van de andere procesdeelnemers te geven of andere opmerkingen naar voren te brengen.

Volgens de voorzitter heeft verzoeker ruim de gelegenheid gehad zijn standpunt toe te lichten. Na de schorsing stelde verzoeker een vraag met betrekking tot het rapport van de raad. Nadat deze beantwoord was, wilde verzoeker hierover met de aanwezige medewerker van de raad in discussie gaan. De voorzitter heeft dit niet toegestaan, omdat het niet bijdroeg aan de behandeling van de zaak. Andere concrete feiten of omstandigheden, waaruit vooringenomenheid zou blijken, zijn niet gesteld, aldus de voorzitter.

2.4

Op grond van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In dit verband gaat de wrakingskamer ervan uit dat het wrakingsverzoek uitsluitend de voorzitter betreft, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2015 en de beslissing tot verwijzing van 13 oktober 2015.

2.5

Uitgangspunt bij de beoordeling van een wrakingsverzoek is dat de rechter uit

hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich

uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren

voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans

dat bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.6

De wrakingskamer stelt voorts voorop dat de dagvoorzitter op een (openbare of besloten) terechtzitting de leiding heeft en dat deze dagvoorzitter ter terechtzitting de orde bepaalt.

2.7

Uit het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2015, de schriftelijke reactie van de voorzitter en de ter zitting van de wrakingskamer door verzoeker gegeven toelichting op de gang van zaken blijkt over het verloop van genoemde zitting onder meer het volgende. Verzoeker is in de eerste termijn in de gelegenheid gesteld een toelichting op zijn beroepschrift te geven, waarvan hij gebruik heeft gemaakt. Daarna heeft de voorzitter (onder meer) aan hem vragen gesteld en de overige procesdeelnemers aan het woord gelaten. Na de schorsing van de zitting heeft verzoeker als eerste de gelegenheid gekregen een reactie te geven op de standpunten van de overige betrokkenen. Verzoeker heeft vervolgens aan de aanwezige medewerker van de raad een directe vraag gesteld over bedoeld rapport. Wat betreft de daarop gevolgde gebeurtenissen heeft verzoeker ten overstaan van de wrakingskamer erkend dat hij heeft gewezen naar de moeder van zijn kinderen en daarbij heeft gezegd “daar zit de toneelspeler” althans woorden van gelijke strekking en dat hij daarna heeft gewezen naar de medewerker van de raad en/of de aanwezige medewerkers van Bureau Jeugdzorg en daarbij heeft gezegd “en daar zitten de mensen die erin trappen” althans woorden van deze strekking. Verzoeker bevestigt ook in zo verre aldus de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2015 en de reactie van de voorzitter te dien aanzien. De voorzitter heeft verzoeker hierna nog het laatste woord gegeven.

2.8

Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer dat verzoeker voldoende gelegenheid heeft gekregen zijn standpunt toe te lichten. Niet gebleken is dat de voorzitter verzoeker kort heeft gehouden, zoals verzoeker stelt, noch dat zij hem onredelijk heeft bejegend, onvoldoende gelegenheid zou hebben gegeven zijn verzoekschrift toe te lichten en daarmee blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid. De omstandigheid dat de voorzitter, met het oog op de handhaving van de orde op de zitting, niet heeft toegestaan dat verzoeker rechtstreeks vragen aan de aanwezige medewerker van de raad stelde en heeft opgemerkt dat zij, de voorzitter, het vervelend vond dat verzoeker naar betrokkenen wees, levert naar het oordeel van de wrakingskamer evenmin een (zwaarwegende) aanwijzing op dat de voorzitter jegens de verzoeker vooringenomenheid koesterde. Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de voorzitter een schijn van partijdigheid heeft gewekt, noch dat een bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.9

De slotsom op grond van het vorenstaande is dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de voorzitter schade zou kunnen lijden. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.

3 Beslissing

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, F.A. Hartsuiker en R.M. Steinhaus, en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 december 2015 in aanwezigheid van de griffier.