Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:5225

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
200.169.158/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De (van het gezag ontheven) moeder verzoekt omgang met vier van haar kinderen. Hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. Voor twee kinderen wordt geen omgangsregeling vastgesteld omdat sprake is van een van de ontzeggingsgronden genoemd in artikel 1:377a, lid 3 BW. Voor de andere twee kinderen blijft de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling gelden. Aanvullend wordt een belregeling tussen de moeder en één van de kinderen vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 december 2015

Zaaknummer: 200.169.158/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/574656 / FARK14-7813

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [A] ,

appellante,

advocaat: mr. R. Achttienribbe te IJmuiden,

tegen

De gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en de GI genoemd.

1.2.

De moeder is op 1 mei 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 februari 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/574656 / FARK14-7813.

1.3.

De GI heeft op 15 juni 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 21 september 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens de GI de gezinsmanager van [kind 3] en [kind 6] , en de gezinsmanager van [kind 4] en [kind 5] ;

- mevrouw A. Touber, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Amsterdam (hierna: de Raad);

1.6.

De heer [X] (de vader) en de voormalige pleegouders van [kind 6] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

1.7.

Voorafgaand aan de zitting is [kind 3] afzonderlijk door de voorzitter gehoord.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader (hierna ook: de ouders) zijn [in] 2000 gehuwd. Hun huwelijk is op 20 november 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren de minderjarigen:

- [kind 1] , geboren [in] 1997;

- [kind 2] , geboren [in] 1998;

- [kind 3] , geboren [in] 2000;

- [kind 4] , geboren [in] 2002;

- [kind 5] , geboren [in] 2003, en

- [kind 6] , geboren [in] 2006,

gezamenlijk te noemen: de kinderen

2.2.

[kind 1] , [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] en [kind 5] zijn sinds 3 maart 2006 onder toezicht gesteld en met ingang van 24 april 2006 uit huis geplaats. De maatregelen zijn sindsdien telkens verlengd.

[kind 6] is op 20 april 2006 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ook deze maatregelen zijn sindsdien telkens verlengd.

2.3.

Bij beschikking van 7 oktober 2009 zijn de ouders ontheven van het gezag over [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] en [kind 6] , is de moeder ontheven van het gezag over [kind 5] . Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) is belast met de voogdij over de minderjarigen, uit te voeren door de GI.

2.4.

Tussen de moeder en [kind 1] en [kind 2] vindt op regelmatige basis omgang plaats.

Eén of twee keer per jaar vindt voor [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] en [kind 5] een ‘broertjes en zusjes-dag’ plaats.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat:

- de moeder en [kind 3] omgang zullen hebben met elkaar minimaal eenmaal in de drie maanden, zo mogelijk bij tante [Y] thuis, dan wel op een door de voogd aan te wijzen plek en voor een door de voogd aan te wijzen duur, waarbij de omgang door tante [Y] , dan wel door een door de voogd aan te wijzen persoon begeleid wordt;

- de moeder en [kind 4] voorlopig geen omgang zullen hebben met elkaar, maar [kind 4] wel op de hoogte zal worden gebracht van het bestaan van zijn moeder en waar mogelijk zal worden gestreefd naar de start en de opbouw van indirect contact;

- de moeder en [kind 5] omgang zullen hebben gedurende een dag in de drie maanden op een door de GI samen met de vaste begeleidster van [kind 5] te bepalen locatie, waarbij de doelstelling is dat de omgang wordt uitgebreid indien deze langere tijd goed is verlopen;

- de moeder en [kind 6] voorlopig geen omgang zullen hebben met elkaar.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat JBRA en de GI gehouden zijn de moeder eenmaal per twee maanden schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van voornoemde minderjarigen, behalve in de maand waarin de moeder in persoon informatie van de voogden zal ontvangen. Hierbij heeft te gelden dat de moeder zo spoedig mogelijk op de hoogte dient te worden gesteld indien zich ten aanzien van de minderjarige kinderen bijzonderheden voordoen. Voorts zal de moeder vier keer per jaar een foto van de kinderen ontvangen. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, haar in haar hoger beroep ontvankelijk te verklaren, haar beroep gegrond te verklaren en opnieuw recht doende de volgende omgangsregeling te bepalen:

- gedurende de eerste drie maanden zal de moeder [kind 3] eens in de vier weken op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur onder begeleiding zien in [A] , vervolgens gedurende drie maanden eens per twee weken op zaterdag van 12.00 uur tot zondag 18.00 uur tezamen met haar andere kinderen (voor zover daar een omgangsregeling voor geldt), en vervolgens eens per twee weken van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur, dan wel een andere door het hof te bepalen omgangsregeling. Voorts te bepalen dat er eens per twee weken telefonisch contact tussen de moeder en [kind 3] zal plaatsvinden;

- gedurende de eerste drie maanden zal de moeder [kind 4] eens in de vier weken op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur onder begeleiding zien, en vervolgens eens per twee weken op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur tezamen met haar andere kinderen (voor zover daar een omgangsregeling voor geldt), dan wel een andere door het hof te bepalen omgangsregeling;

- gedurende de eerste drie maanden zal de moeder [kind 5] eens in de vier weken op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur onder begeleiding zien in [A] , vervolgens gedurende drie maanden eens per twee weken op zaterdag van 12.00 uur tot zondag 18.00 uur tezamen met haar andere kinderen (voor zover daar een omgangsregeling voor geldt), en vervolgens eens per twee weken van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur, dan wel een andere door het hof te bepalen omgangsregeling. Voorts te bepalen dat er eens per twee weken telefonisch contact tussen de moeder en [kind 5] zal plaatsvinden;

- gedurende de eerste drie maanden zal de moeder [kind 6] eens in de vier weken op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur onder begeleiding zien, en vervolgens eens per twee weken op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur tezamen met haar andere kinderen (voor zover daar een omgangsregeling voor geldt), dan wel een andere door het hof te bepalen omgangsregeling;

3.3.

De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Omgangsregeling

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouder een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. Een omgangsregeling tussen de niet-gezaghebbende ouder en diens minderjarige kind kan slechts worden afgewezen, indien een van de volgende ontzeggingsgronden zich voordoet, te weten dat:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

4.2.

De moeder stelt dat er geen sprake is van een van de ontzeggingsgronden zoals genoemd in artikel 1:377a, lid 3, BW. Zij zou graag meer contact willen hebben met [kind 3] , [kind 4] , [kind 5] en [kind 6] en zij acht dit ook in het belang van de kinderen. De moeder is zich ervan bewust dat het contact met de kinderen jarenlang onregelmatig is verlopen en dat het contact rustig opgebouwd dient te worden. De moeder heeft inmiddels vergaande stappen genomen om haar leven op orde te brengen en zij is in staat om afspraken met de kinderen na te komen. Zij kan de kinderen een stabiele omgeving bieden zodat er op regelmatige basis omgang kan plaatsvinden, aldus de moeder.

In het hiernavolgende zal het hof per kind beoordelen of, en zo ja in welke vorm, een omgangsregeling tussen de moeder en het betreffende kind wenselijk en mogelijk is. Evenals de rechtbank stelt het hof daarbij voorop, tegen welke overweging de moeder ook geen grief heeft gericht, dat bij geen van de kinderen, gezien hun meeromvattende problematiek, enig perspectief bestaat tot opvoeding of verzorging door de moeder. Het doel van de omgang zal erin gelegen zijn de band tussen de moeder en de kinderen waar mogelijk te herstellen en bestendig te maken en ervoor te zorgen dat zij op een voor iedereen aangename wijze contact hebben. Daarbij dient tevens te gelden dat het bij alle regelingen van het grootste belang is dat de moeder deze strikt nakomt en de aanwijzingen van de betrokken gezinsmanager goed opvolgt zodat voor deze kwetsbare kinderen de nodige duidelijkheid en voorspelbaarheid in het contact ontstaat. Daaraan voegt het hof toe dat van de moeder tevens mag worden verwacht dat zij in haar gedragingen en uitlatingen tegenover de kinderen er blijk van geeft dat zij er rekening mee houdt dat de kinderen beperkt belastbaar zijn.

[kind 3]

4.3.

De moeder verzoekt het hof een uitgebreidere omgangsregeling tussen haar en [kind 3] vast te stellen dan door de rechtbank is bepaald. Zij stelt hiertoe onder meer dat [kind 3] een uitgebreidere en onbegeleide omgangsregeling met haar wenst. De moeder verzoekt bovendien – naar het hof begrijpt – vastlegging van een belregeling tussen haar en [kind 3] , omdat het telefonisch contact met [kind 3] volgens haar niet naar behoren verloopt.

4.4.

Voorafgaand aan de behandeling ter zitting in hoger beroep heeft [kind 3] aangegeven dat hij er moeite mee heeft dat hij wordt begrensd door de medewerkers van het gezinshuis. Hij verzet zich tegen deze begrenzing en wil graag bij zijn moeder wonen.

4.5.

De gezinsmanager van [kind 3] heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat [kind 3] erg geniet van de omgang met zijn moeder. Wel heeft hij last van loyaliteitsproblemen en dat maakt voor hem de overgang naar het gezinshuis moeilijk. De onrust die hiermee gepaard gaat is belastend voor [kind 3] . De GI is van mening dat de huidige frequentie van eens per drie maanden – zonder dat daaraan een tijdsduur verbonden is – het meest tegemoet komt aan de belangen van [kind 3] . Ook de huidige belregeling van eens per week gaat met een hoop onrust gepaard, aldus de gezinsmanager. [kind 3] wordt tijdens de gesprekken met de moeder geregeld aangestuurd en begrensd om te voorkomen dat [kind 3] zich in het gesprek verliest. Bovendien vinden de telefonische contacten niet altijd doorgang.

4.6.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de huidige omgangsregeling tussen de moeder en [kind 3] van eens per drie maanden te handhaven omdat deze regeling naar omstandigheden goed verloopt. De Raad staat bovendien achter de huidige belregeling van eens per week.

4.7.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

[kind 3] woont sinds 8 mei 2013 in het gezinshuis ‘ [het gezinshuis] Hij is gediagnosticeerd met ODD, ADHD en heeft een licht verstandelijke beperking. Daarbij is hij in zijn jonge jeugd affectief en emotioneel verwaarloosd en is hij slachtoffer en getuige geweest van fysieke mishandeling. [kind 3] heeft weinig vaardigheden en een beperkt inzicht en hij is door zijn beperking zeer kwetsbaar. Hij heeft veel structuur, regelmaat en begrenzing nodig. [kind 3] heeft een beperkte gewetensontwikkeling. [kind 3] heeft moeite om zich aan de regels en afspraken te houden op school, in het gezinshuis of in andere situaties en hij zoekt grenzen op in zijn gedrag en hij gaat regelmatig over grenzen heen. [kind 3] heeft moeite met sociale interactie en met het uiten van zijn emoties en gevoelens, vooral als het gaat om verdriet en/of negatieve gevoelens. [kind 3] is soms verbaal en fysiek dreigend naar medeleerlingen en medebewoners en hij doet kinderen soms opzettelijk pijn. [kind 3] heeft een beperkt empathisch vermogen. Doordat [kind 3] niet goed weet hoe hij zijn emoties en (negatieve) gevoelens kan uiten kan hij veel frustraties en opgekropte boosheid ontwikkelen.

[kind 3] wordt tijdens de belcontacten door de begeleiding van het gezinshuis aangestuurd en begrensd om het contact met zijn moeder positief te laten verlopen en niet te belastend voor [kind 3] te laten zijn. Dit wordt door de moeder en [kind 3] als ongewenst ervaren, maar is naar het oordeel van het hof noodzakelijk omdat de moeder in de contacten met [kind 3] zich er niet altijd voldoende rekenschap van geeft dat de loyaliteitsgevoelens die zij bij [kind 3] oproept een zware belasting voor hem vormen.

De door de rechtbank bepaalde omgangsregeling van eens per drie maanden verloopt goed. Het contactmoment is niet in tijd beperkt en dit geeft de moeder en [kind 3] de gelegenheid om op ontspannen wijze tijd met elkaar door te brengen. [kind 3] geniet zichtbaar van het contact met zijn moeder. De overgang naar het verblijf in het gezinshuis is voor [kind 3] echter moeilijk, waarbij – evenals tijdens te telefoongesprekken – de gevoelens van loyaliteit aan zijn moeder die het contact met moeder ook vanwege haar gedragingen oproepen, een grote rol lijken te spelen.

4.8.

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de door de moeder gewenste frequentie van de omgang niet in het belang van [kind 3] kan worden geacht. Hoewel het voor [kind 3] van belang is om op regelmatige basis omgang te hebben met zijn moeder, is hij gelet op zijn problematiek en de belasting die de interactie met zijn moeder oplevert bovenal gebaat bij een stabiele en voorspelbare opvoedsituatie. Gebleken is dat de omgangscontacten met zijn moeder voor [kind 3] ontregelend werken. Een frequenter contact zal de loyaliteit naar zijn moeder nog verder doen toenemen en daarmee voor nog meer onrust zorgen. Dit acht het hof niet in zijn belang. Dat de moeder haar leven inmiddels beter op orde heeft maakt dit oordeel niet anders.

4.9.

Het hof overweegt ten aanzien van de door de moeder verzochte belregeling als volgt. De moeder verzoekt in hoger beroep vaststelling van een regeling, waarbij tussen de moeder en [kind 3] eens per twee weken telefonisch contact plaatsvindt. De moeder en de gezinsmanager van [kind 3] zijn in onderling overleg overeengekomen dat eens per week telefonisch contact plaatsvindt tussen de moeder en [kind 3] . Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder haar ongenoegen geuit over de nakoming van de belregeling door het gezinshuis en zij wenst dan ook vastlegging van de belregeling in een beschikking. Hoewel door de GI naar voren is gebracht dat de belregeling regelmatig tot onrust bij [kind 3] leidt, waardoor ook niet iedere week een goed telefonisch contact mogelijk is, is het hof niet gebleken van omstandigheden die zich tegen de door de moeder verzochte belregeling – van eens per twee weken – verzetten. Dit leidt het hof tot het oordeel dat een belregeling van eens per twee weken zoals door de moeder is verzocht in het belang van [kind 3] kan worden geacht en het hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen. Hierbij dient gestreefd te worden naar een telefonisch contact tussen de moeder en [kind 3] van eens per week, zoals in onderling overleg is afgesproken. In dit verband mogen van het gezinshuis de nodige inspanningen worden verwacht om het contact tussen [kind 3] en zijn moeder tot stand te brengen, maar dient de belastbaarheid van [kind 3] vooral tot uitgangspunt te worden genomen. Het hof acht het voor het gezinshuis overigens niet werkbaar om aan dit telefonisch contact een vast tijdstip te koppelen.

[kind 4]

4.10.

De moeder is van mening dat ten aanzien van [kind 4] geen sprake is van een van de ontzeggingsgronden als bedoeld in artikel 377a, lid 3 BW. Het is in het belang van [kind 4] dat hij zijn moeder leert kennen en dat hij een goede band met haar opbouwt, alsmede dat hij in contact komt met zijn zusjes en broertjes. Dit is essentieel voor de ontwikkeling van zijn identiteit, aldus de moeder. Bovendien hebben [kind 4] en zijn moeder recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM.

4.11.

De gezinsmanager heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de zorg die [kind 4] ontvangt onvoldoende blijkt aan te sluiten op zijn problematiek. Ondanks dat voor [kind 4] een apart behandelteam is opgericht, zijn nog geen passende interventies gevonden om de boosheid en agressie van [kind 4] te kunnen reguleren. De prioriteit van de GI en de zorginstelling waar [kind 4] verblijft ( [de zorginstelling] ) ligt op dit moment daarom volledig bij het vinden van passende zorg voor [kind 4] . De gezinsvoogdijwerker stelt dat [kind 4] op dit moment niet in staat is om contact aan te gaan met zijn moeder, gelet ook op zijn cognitieve zwakte en de omstandigheid dat [kind 4] nog geen besef heeft van familiaire relaties.

4.12.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat het belang van [kind 4] op dit moment vergt dat gezocht wordt naar de juiste vorm van behandeling voor en begeleiding bij zijn problematiek. De Raad vertrouwt erop dat de gezinsmanager [kind 4] – zodra [kind 4] dit aankan – bekend zal maken met zijn moeder en dat vervolgens waar mogelijk toegewerkt zal worden naar contact tussen [kind 4] en de moeder. De Raad is van mening dat omgang tussen de moeder en [kind 4] op dit moment nog niet in zijn belang is en adviseert de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen.

4.13.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. [kind 4] heeft een verstandelijke beperking. Bij [kind 4] is in 2006 een IQ van lager dan 50 vastgesteld. [kind 4] is daarnaast gediagnostiseerd met een reactieve hechtingsstoornis van het geremde type. De eerste levensjaren van [kind 4] werden gekenmerkt door pedagogische verwaarlozing. [kind 4] is egocentrisch ingesteld en gericht op directe behoeftebevrediging. Hij is in de basis zeer angstig en reageert met basale woede, angst en verdriet bij gevoelens van onveiligheid. [kind 4] heeft moeite met sociale contacten en hij laat veel bepalend en agressief gedrag zien. Hij is hiervoor al enkele keren geschorst op school. [kind 4] heeft bovendien een verstoorde psychoseksuele ontwikkeling en laat seksueel grensoverschrijdend gedrag zien jegens kinderen, vrouwelijke begeleidsters op de groep en dieren. [kind 4] ziet geen gevaar in het contact met vreemden en dit maakt hem door zijn ontwikkelingsniveau en zijn verstoorde psychoseksuele ontwikkeling extra kwetsbaar voor seksueel misbruik.

Voor de problematiek van [kind 4] is het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) aangezocht omdat de huidige interventies onvoldoende zijn om [kind 4] passend te begeleiden en ondersteunen. [kind 4] vertoont veel ‘als moeilijk verstaanbaar’ gedrag, als gevolg van diepgewortelde angst en onveiligheid. De hulpverlening richt zich op dit moment op stabilisatie van het gedrag van [kind 4] .

4.14.

Het hof is van oordeel dat op dit moment voorop staat dat [kind 4] voor zijn complexe problematiek de juiste behandeling en begeleiding dient te krijgen. Het is van belang dat [kind 4] gedurende een langere tijd een veilige, voorspelbare, warme en sensitieve omgeving ervaart, aangezien de introductie van de moeder als zijn biologische moeder de belevingswereld van [kind 4] op zijn kop zal zetten omdat [kind 4] geen besef heeft van biologisch moederschap en zijn tante als een moederfiguur ervaart. Het hof gaat er vanuit dat [kind 4] met het bestaan van zijn biologische moeder bekend gemaakt zal worden, zodra zijn situatie hiertoe voldoende stabiel is.

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat het thans vaststellen van een omgangsregeling tussen de moeder en [kind 4] een te groot risico in zich draagt dat deze regeling ernstig nadeel oplevert voor zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling. Het hof is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat thans geen omgangsregeling dient te worden vastgesteld. Het betoog van de moeder dat een ontzegging van de omgang een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), treft, gelet op al het vorenstaande, geen doel. Het hof acht die inperking gerechtvaardigd teneinde een verdere bedreiging van de ontwikkeling van [kind 4] af te wenden.

[kind 5]

4.15.

De moeder stelt dat het belang van [kind 5] zich niet verzet tegen een uitgebreidere omgangsregeling dan door de rechtbank is vastgesteld. [kind 5] geeft zelf ook aan graag contact met haar moeder te willen, aldus de moeder. Bovendien verzoekt de moeder het hof een concretisering van de momenten waarop zij telefonisch contact kan hebben met [kind 5] .

4.16.

De gezinsmanager stelt dat de omgang tussen de moeder en [kind 5] zorgvuldig dient te worden opgestart. [kind 5] vertoont internaliserend gedrag en na het contact met haar moeder was zij meer in zichzelf gekeerd. Ook vond zij de autorit van [B] naar [A] erg belastend en zij heeft aangegeven niet meer zo ver te willen reizen, aldus de gezinsmanager.

4.17.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat het belang van [kind 5] vraagt om een samenwerking tussen de moeder, de voogd en de behandelgroep. Afhankelijk van het verloop van de omgangscontacten kan beoordeeld worden welke omgangsregeling voor [kind 5] haalbaar is. Eerst dan kunnen hieromtrent heldere afspraken worden gemaakt.

4.18.

Het hof overweegt ten aanzien van [kind 5] als volgt.

[kind 5] verblijft in een zorginstelling van [de zorginstelling] en zij heeft een IQ van 50. [kind 5] heeft een matig verstandelijke beperking en functioneert op jong peuterniveau. Zij loopt achter in haar cognitief functioneren en in haar sociale zelfredzaamheid. Bovendien heeft zij problemen op het gebied van hechting. Zij maakt ook op sociaal en emotioneel gebied een jonge indruk. [kind 5] is snel angstig en zij heeft weinig tot geen vertrouwen in haar omgeving. Dit maakt haar kwetsbaar en onzeker. In haar emoties toont zij weinig eigenheid en contact met haar omgeving is met name functioneel. [kind 5] laat meer gedragsproblemen zien wanneer zij zich onveilig voelt. Zij laat dan brutaal, teruggetrokken, bepalend en grensoverschrijdend gedrag zien. Bovendien heeft [kind 5] in het verleden seksueel getint en seksueel overschrijdend gedrag laten zien. Zij ziet geen gevaar in het contact met vreemden en zij kan niet opkomen voor haar eigen behoeftes en grenzen.

Het eerste en enige omgangsmoment tussen de moeder en [kind 5] heeft in april 2014 plaatsgevonden. Na het eerste omgangsmoment heeft de behandelaar van [kind 5] aangegeven dat de door de moeder voorgestelde omgangsregeling voor [kind 5] niet haalbaar en niet wenselijk is. [de zorginstelling] adviseert een omgangsregeling van een uur per twee maanden in de regio van [B] , voorafgegaan door een zorgvuldige opbouw. Een bezoek bij de moeder thuis raadt [de zorginstelling] af omdat niet bekend is wat voor herinneringen dit bij [kind 5] zou kunnen oproepen. Het voor 17 juli 2015 geplande tweede omgangsmoment is van de zijde van de GI afgezegd.

4.19.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het voor [kind 5] van belang is om op regelmatige basis omgang met haar moeder te hebben. Op grond van het voorgaande acht het hof op dit moment een frequenter contact dan een dag per drie maanden evenwel niet in haar belang. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat [kind 5] ontregeld is geraakt na het omgangscontact met haar moeder in april van dit jaar. Het internaliserende gedrag van [kind 5] nam verder toe en [kind 5] was nog geslotener dan zij normaal gesproken al is. Gelet op de kwetsbaarheden van [kind 5] is het hof, met de Raad, van oordeel dat de omgang zorgvuldig dient te worden opgebouwd. Het hof is dan ook van oordeel dat toegewerkt dient te worden naar de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling van één dag per drie maanden, maar het staat de GI vrij de omgang in het kader van de opbouw van de omgang te beperken tot één of enkele uren per omgangscontact indien het belang van [kind 5] dit vergt.

Voor zover de GI zich overigens op het standpunt stelt dat een omgangsregeling van een uur per twee maanden voor [kind 5] het hoogst haalbare is, overweegt het hof dat door de GI geen incidenteel appel is ingediend tegen de bestreden beschikking. Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep kan verdere bespreking van het standpunt van de GI dienaangaande dan ook achterwege blijven.

4.20.

[kind 5] heeft tijdens en/of na het omgangscontact in april 2015 aangegeven de autorit naar [A] belastend te vinden. Hoewel de moeder ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven dat zij er moeite mee heeft wanneer de omgang in [B] zou plaatsvinden, wil zij [kind 5] daarin wel tegemoet komen door de omgang dichter bij de woonplaats van [kind 5] te laten plaatsvinden. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de GI en de behandelaar(s) van [de zorginstelling] in onderling overleg met de moeder een locatie in de regio van [B] overeen zullen komen.

4.21.

Het hof overweegt ten aanzien van de door de moeder verzochte belregeling als volgt. De moeder verzoekt in hoger beroep vaststelling van een regeling, waarbij tussen de moeder en [kind 5] eens per twee weken telefonisch contact plaatsvindt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet in het belang van [kind 5] is om buiten de omgangsmomenten contact met de moeder te hebben. Het hof zal dit verzoek van de moeder dan ook afwijzen.

[kind 6]

4.22.

De moeder is ten aanzien van de omgang met [kind 6] van mening dat geen sprake is van een van de ontzeggingsgronden zoals genoemd in artikel 377a, lid 3, BW. Het is in het belang van [kind 6] dat hij zijn moeder leert kennen en dat hij een goede band met haar opbouwt, alsmede dat hij in contact komt met zijn zusjes en broertjes. Bovendien hebben [kind 6] en zijn moeder recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM.

4.23.

Volgens de GI is de door de moeder voorgestelde omgangsregeling voor [kind 6] niet haalbaar en niet wenselijk. Het is nog onduidelijk hoe [kind 6] (het concept van het hebben van) familie beleeft, zodat een confrontatie met zijn moeder zijn ontwikkeling mogelijk zou schaden.

4.24.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd geen omgangsregeling tussen de moeder en [kind 6] vast te stellen. Het is voor [kind 6] op dit moment niet mogelijk om omgang met zijn moeder te hebben, maar dit sluit omgang op de langere termijn evenwel niet uit, aldus de Raad.

4.25.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

[kind 6] heeft een IQ van 55 en functioneert op sociaal-emotioneel gebied als een zes tot achttien maanden oude baby. Nadat [kind 6] in april 2006, een week na zijn geboorte, uit huis is geplaatst heeft hij tot en met december 2006 op een leefgroep verbleven. Vervolgens is hij in een crisispleeggezin geplaatst, waar hij tot en met december 2009 heeft gewoond. De pleegzorgplaatsing in het daaropvolgende pleeggezin is in augustus 2014 beëindigd omdat het [kind 6] niet lukte om te gaan met het gezinsleven. [kind 6] liet een beperkte gewetensontwikkeling zien en dat zorgde voor gevaarlijke situaties.

4.26.

[kind 6] is in augustus 2014 voor observatie en diagnostiek op de observatiegroep [observatiegroep] geplaatst. [kind 6] is angstig in zijn gedrag en hij heeft veel nabijheid nodig. [kind 6] krijgt structuur, ritme, regels, liefde en nabijheid aangeboden en de lijnen tussen de school en de groep zijn kort. Hierdoor kan snel ingespeeld worden op de behoeftes van [kind 6] en dit maakt dat de ontwikkeling van [kind 6] met kleine stappen vooruit gaat. Tijdens therapeutische gesprekken is met [kind 6] gesproken over zijn biologische familie. Omdat [kind 6] weinig besef had van zijn biologische familie, is hem aan de hand van het levensboek uitgelegd wie zijn moeder is en wie zijn broertjes en zusjes zijn.

4.27.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat thans vaststellen van een omgangsregeling tussen de moeder en [kind 6] in strijd is met zijn zwaarwegende belangen. Thans vindt observatie plaats naar (de achtergronden van) het zorgwekkende gedrag van [kind 6] . Zijn ontwikkeling verloopt niet naar behoren en het is onduidelijk in hoeverre een vroegkinderlijk trauma, al dan niet samenhangend met zijn biologische familie, hierbij een rol speelt. Daarbij komt dat is gebleken dat het bestaan van biologische familie voor [kind 6] moeilijk te begrijpen is. Hij ziet de voormalige pleegouders als zijn ouders en de pleegzusjes als zijn zusjes. Het hof acht het daarom van belang dat op dit moment in de eerste plaats wordt gewerkt aan contact(herstel) met het pleeggezin. Daarnaast dient in de begeleiding van [kind 6] blijvend aandacht te worden besteed aan het bestaan van zijn biologische familie. Het hof is van oordeel dat van omgangscontacten tussen de moeder en [kind 6] pas sprake kan zijn wanneer uit het observatieonderzoek en/of de therapeutische gesprekken naar voren komt dat contact met zijn biologische moeder in het belang van [kind 6] kan worden geacht.

Het betoog van de moeder dat een ontzegging van de omgang een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), treft, gelet op al het vorenstaande, geen doel. Het hof acht die inperking gerechtvaardigd teneinde een verdere bedreiging van de ontwikkeling van [kind 6] te beperken. Het hof kan vanwege de hiervoor beschreven omstandigheden geen termijn verbinden aan de ontzegging. Het hof wijst de GI erop dat, op het moment dat [kind 6] daar weer aan toe is, aan herstel van contact tussen [kind 6] en de moeder dient te worden gewerkt in een vorm die geen bedreiging voor de ontwikkeling van [kind 6] oplevert.

Informatieregeling

4.28.

Het hof stelt voorop dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder zich zorgen maakt over de ontwikkeling van haar kinderen en zij voelt zich hierin door de hulpverlenende instanties niet serieus genomen. Zij maakt zich met name ernstige zorgen over de veiligheid van [kind 3] in het gezinshuis en van [kind 4] en [kind 5] in het (weekend)pleeggezin. Ten aanzien van [kind 3] heeft de gezinsmanager ter zitting in hoger beroep aangegeven dat ook de GI twijfels heeft over de geschiktheid van het gezinshuis voor [kind 3] en op dit moment wordt onderzocht of er alternatieve woonvormen zijn die beter aansluiten bij zijn problematiek. De gezinsmanager herkent niet de zorgen die de moeder heeft over de veiligheid van [kind 5] bij het (voormalig) netwerkpleeggezin van tante [Z] en haar dochter [J] . Zij zijn geschikt bevonden als pleegouders en zij zijn belangrijk voor met name [kind 5] .

Het hof overweegt dat het aan de GI is in gesprek te gaan en te blijven met de moeder. Het is van belang dat zij zich voldoende geïnformeerd voelt, waarmee wellicht al een deel van haar zorgen kan worden weggenomen. Hoewel de rechtbank in de bestreden beschikking heeft bepaald dat de GI de moeder iedere twee maanden dient te informeren over de ontwikkeling van de kinderen, is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de GI de moeder laatstelijk pas na drie maanden heeft geïnformeerd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gaat het hof er vanuit dat de GI de informatieverplichting naleeft zoals door de rechtbank is vastgelegd door de moeder eenmaal per twee maanden van uitgebreide informatie over haar vier kinderen te voorzien en vier maal per jaar van recente foto’s.

De gezinsmanager van [kind 4] heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de moeder direct informatie kan ontvangen van de persoonlijk begeleider van [kind 4] . Voor vragen over de behandeling kan de moeder zich tot de gezinsmanager wenden. Het hof geeft de GI in overweging ook ten aanzien van [kind 3] , [kind 5] en [kind 6] dergelijke afspraken te maken.

4.29.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat tussen de moeder en [kind 3] een belregeling zal gelden, waarbij minimaal eenmaal per twee weken telefonisch contact plaatsvindt.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M. Wigleven en mr. J. Kok in tegenwoordigheid van mr. M. Broek-Hartenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2015.